De kroeg als netwerk    60-68

Joseph Roth en de ‘Ballade van den katholiek’

Els Snick

In Amsterdam is één kroeg waar een gedenkplaat herinnert aan de veelvuldige verblijven van de Oostenrijkse schrijver Joseph Roth: De Pilsener Club, ook wel bekend als café De Engelse Reet, in de Begijnensteeg. Roth behoorde sinds 1933 tot de in Duitsland verboden schrijvers en leidde tot aan zijn dood in mei 1939 een zwervend bestaan. Het liefst en het vaakst verbleef hij in Parijs, waar hij aan cafétafeltjes schreef, dronk, en een levende legende werd. In 1936 woonde hij meer dan vijf maanden in Amsterdam, en zijn aanwezigheid bleef niet onopgemerkt. Hij leerde er veel journalisten kennen en het aantal artikelen dat over zijn werk verscheen was talrijk. Roth was zelf ook journalist en kende de knepen van het netwerken als geen ander.1 Er bestaat geen materieel bewijs dat Roth ooit echt in De Engelse Reet is geweest, maar dat is niet van belang. De authentieke bruine kroeg staat symbool voor de vele cafés die Roth bezocht en waar hij met vrienden zijn dagelijkse portie borrels dronk. Er werd heftig gediscussieerd over de politieke ontwikkelingen in Europa. Hitler had in maart 1936 de verdragen van Locarno geschonden en het Rijnland weer bezet, in Nederland telde de extreemrechtse partij NSB van Anton Mussert al 52.000 leden, antisemitisch en racistisch geweld staken steeds vaker de kop op. Roth liet zich aan zijn cafétafeltje graag omringen door bewonderaars. Soms zat hij gewoon te schrijven terwijl er om hem heen gepraat werd, soms volgde hij de gesprekken mee, maar bij voorkeur voerde hij zelf het hoogste woord, fulminerend tegen Hitler en zijn trawanten, terwijl hij de ene borrel na de andere achterover sloeg. De overlevering wil dat Roth zich in Nederland waanzinnig kon ergeren aan de strenge regulering door de overheid, met name wat betreft het verplichte sluitingsuur van cafés om één uur ’s nachts. Het was een van de redenen waarom hij Parijs boven Amsterdam verkoos.

Roths Nederlandse netwerken vallen te reconstrueren aan de hand van briefwisselingen die uit die jaren bewaard zijn gebleven. Een belangrijk deel daarvan bevindt zich in het Leo Baeck Instituut (LBI) in New York. Daar wordt sinds de Tweede Wereldoorlog materiaal verzameld dat betrekking heeft op de Duitstalige joodse migrantenliteratuur. Een neef van Joseph Roth, de uit Lemberg geëmigreerde Fred Grubel, was in de jaren zeventig directeur van het instituut en Roths nalatenschap wordt er op een voorbeeldige wijze voor onderzoekers en geïnteresseerden toegankelijk gemaakt. Een aantal brieven van en aan Roth en zijn Nederlandse vrienden maakt een verrassend nieuwe kijk op de Amsterdamse episode mogelijk.

Een van Roths correspondenten was de Amsterdamse journalist Chris de Graaff. De Graaff was literatuurrecensent bij het katholieke dagblad De Tijd en had Roth sinds het verschijnen van zijn succesroman Job in 1931 op de voet gevolgd en al zijn romans gerecenseerd. In 1935 leerden ze elkaar kennen toen Roth voor een reeks interviews door zijn uitgevers naar Nederland werd gehaald. En tijdens zijn latere verblijf ontmoetten ze elkaar regelmatig in de kroeg. Na zijn vertrek uit Amsterdam in november 1936, bleef Roth schriftelijk met De Graaff in contact in verband met een vertaling die Roth wilde maken van de ‘Ballade van den katholiek’, een gedicht van hun gemeenschappelijke vriend Anton van Duinkerken. In de Poolse stad Brody, waar Roth de jaarwisseling bij zijn familie doorbracht, ontving hij van Chris de Graaff een brief met bijgevoegd een zogenaamde woord-voor-woordvertaling van de ‘Ballade van den katholiek’.

Roth kende in Amsterdam heel wat mensen, maar de vriendschap met Anton van Duinkerken was bijzonder. De joviale, uit Brabant afkomstige dichter en journalist was een machtig figuur in letterenland en deed bij journalisten en uitgevers graag een goed woordje voor zijn onfortuinlijke vriend. Het was voor alle Duitse schrijvers zwaar om in de emigratie van hun pen te leven, maar Roth had bovendien de gewoonte veel meer te spenderen dan hij verdiende en zat daardoor zwaar in de schulden. Ook lichamelijk was hij er miserabel aan toe. Het alcoholisme had zijn lever zwaar aangetast en oogontstekingen, gewrichtsproblemen, zelfs tandbederf en haaruitval waren het gevolg. Bij de vriendschap met Van Duinkerken, ook een notoir drinker, speelde alcohol zeker een rol. Hun cafébezoeken werden legendarisch, de Brabantse en Oostenrijkse katholiek konden urenlang soebatten over literatuur en politiek, over hun gezamenlijke afkeer van de protestanten, die ze als medeveroorzakers van alle politieke onheil zagen. ‘Hitler is de laatste scheet die Luther heeft gelaten’ is een van Roths bekende boutades (Lunzer 2009: 118). Maar bij Van Duinkerken vond Roth ook begrip voor persoonlijk leed. Zijn vrouw Friederike, met wie hij in 1922 getrouwd was, leed al jarenlang aan schizofrenie en was in een instelling opgenomen. Tijdens zijn Amsterdamse periode werd Roth door schuldgevoelens geplaagd. Zijn vrouw zonk steeds verder weg in lethargie, maar hij kon de dure behandelingen niet langer betalen en hij durfde ook geen scheiding aan te vragen. De psychiatrische problematiek was Van Duinkerken vertrouwd, want ook zijn echtgenote Nini kampte met depressies en was in een instelling opgenomen (Van der Plas 2000: 203). Het drinken was voor hem net als voor Roth tot troost geworden, ook hij vond soelaas bij vrienden in de kroeg. Scheltema, het journalistencafé aan de Nieuwezijds Voorburgwal waar de sfeer van de jaren dertig tot vandaag is blijven hangen, was een van de etablissementen waar hij de toon aangaf. Daar was ook Chris de Graaff stamgast en maakte Roth geregeld zijn opwachting.

Op zijn beurt was Roth zeker in de eerste maanden van hun kennismaking voor Van Duinkerken belangrijk als bemiddelaar. Roth werd in Nederland sinds de verschijning van Job in 1931 in literaire kringen beschouwd als een auteur van formaat en tijdens zijn verblijf in 1936 leerde ook het grote publiek hem kennen, toen zijn Biecht van een moordenaar in alle kranten en boekhandels werd aangeprezen. Via Roth kon Van Duinkerken zijn netwerken in kringen van Duitstalige emigranten uitbreiden. Ze kwamen met elkaar in contact nadat Van Duinkerken een katholiek geïnspireerde recensie over Roths essay Der Antichrist had gepubliceerd in Das Neue Tage-Buch van 20 oktober 1934. Aan dit in Parijs verschijnende emigrantentijdschrift werkten grote namen mee en Van Duinkerken was niet ongevoelig voor uitbreiding van zijn internationale literaire prestige.Roth bedankte hem met een briefje waarin hij Van Duinkerken beloofde spoedig het bewijs te zullen leveren dat Luther als de ware Antichrist moest worden beschouwd, die Hitlers komst had voorbereid.2 Het is een warrige theorie die Roth in zijn Antichrist verkondigt, maar het werk paste in de tijdgeest en in de actuele literaire polemieken. Van Duinkerkens recensie trok de aandacht van Klaus Mann, zoon van de beroemde Nobelprijswinnaar Thomas Mann, die Van Duinkerken uitnodigde om een bijdrage te leveren aan het door hem uitgegeven (en door Roth gesteunde) emigrantentijdschrift Die Sammlung.3 En netwerker Roth stelde hem vervolgens als inleider van de vertaling van Der Antichrist voor. ‘Sehr wichtig ist der Herr Anton van Duinkerken, der im “Tagebuch” über den “Antichrist” geschrieben hat,’ schreef hij aan zijn Nederlandse uitgever. ‘Schreiben Sie ihm, daß ich mich ihm hochachtend empfehlen lasse. Er scheint mir nützlich und wichtig, meinem Gefühl nach’ (Rietra 2005: 198). En Roth introduceerde zijn vriend ten slotte ook bij het Oostenrijkse publiek met een vertaling van ‘Ballade van den katholiek’, die op 13 juni 1937 in Wenen in Der Christliche Ständestaat verscheen, een conservatief, katholiek blad dat zich tegen de aansluiting van Oostenrijk bij Duitsland keerde. Van Duinkerken werd er ingeleid als ‘einem der bedeutendsten katholischen Dichter Hollands’ die de strijd had aangebonden tegen de nationaalsocialist Anton Mussert in ‘dieser mutigen, radikalen und originellen Form und mit jenem heiligen Eifer, den wir so manchem unserer Katholiken wünschen wollen’.

Vertalen tegen Hitler
Van Duinkerkens gedicht was een regelrechte aanval op de leider van de Nederlandse nationaalsocialisten, Anton Mussert. Het conflict met Mussert ontstond naar aanleiding van de opvoering van het stuk De beul van Pär Lagerkvist tijdens het seizoen 1935 in de Amsterdamse Schouwburg. De zwaar expressionistische dramaturgie was in handen van August Defresne, die er een rechtstreekse aanklacht tegen Hitler van had gemaakt, met veel bloed en hakenkruisgeweld. Er werd expliciet naar de Duitse concentratiekampen en Hitlers oorlogszucht verwezen. Het stuk werd door Mussert en zijn partijgenoten van de NSB als een belediging opgevat, er volgden protesten en de voorstellingen werden door gewelddadige acties verstoord. Ondanks negatieve kritieken in de pers, die voornamelijk op de enscenering betrekking hadden, werden door de stad subsidies toegekend voor verdere voorstellingen. Van Duinkerken maakte deel uit van die subsidiecommissie en werd voor Mussert de kop van jut (Van der Plas 2000: 218 e.v.).

Mussert liet op 6 december 1935 in de partijkrant Volk en Vaderland een vlammend stuk verschijnen, getiteld ‘Gesubsidieerde liederlijkheid’. Daarin haalde hij zwaar uit naar ‘den zich katholiek noemenden Van Duinkerken’.

Van Duinkerken was woedend en werkte de hele nacht door aan een reactie. Op 9 december 1935 verscheen die in versvorm op de eerste bladzijde van De Tijd, als ‘Ballade van den katholiek’. De publicatie baarde veel opzien en toen Roth in Amsterdam verbleef lag de hele zaak nog gevoelig. Roth moet danig onder de indruk zijn geweest toen hij besloot het gedicht naar het Duits te bewerken, want vertalen had hij nooit eerder gedaan en al zeker niet uit het Nederlands, een taal die hij niet beheerste. Zijn vertaling verscheen in juni 1937 in het Oostenrijkse blad Der Christliche Ständestaat, en werd een tweede keer gepubliceerd in oktober 1938 in het Duitstalige emigrantentijdschrift Der deutsche Weg, dat in het Nederlandse Oldenburg werd uitgegeven. Op dat moment was de Anschluss van Oostenrijk al een feit.

JAWOHL MEIN HERR,
ICH BIN EIN KATHOLIK

BALLADE VAN DEN KATHOLIEK


Jawohl, mein Herr, ich nenn’ mich Katholik!
Mein Heil, es lebt schon seit zweitausend Jahren!
Blind vor dem Heil ist Euer stumpfer Blick:
Ihr höret nur den „Heil“-Ruf der Barbaren,
wenn Eurer „Volksbewegung“ übelste Musik
wetteifern will mit römischen Fanfaren - -
die Katholiken sind auch in der Politik
niemals, wie Ihr Barbaren und Tataren!
Also, mein Herr, nenn‘ ich mich Katholik.



JAWEL, mijnheer, ik noem mij katholiek
En twintig eeuwen kunnen ’t woord verklaren
Aan u en aan uw opgewonden kliek,
Die blij mag zijn met twintig volle jaren,
Als ónze God u toestaat te bedaren
Van ’t heilgeschreeuw, geleerd bij de barbaren,
En als uw volksbeweging haar muziek
Toonzetten leert op ónze maat der eeuwen.
De Roomschen hebben in de politiek
Iets meer gedaan dan onwelluidend schreeuwen.
Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!

Ihr wißt es nicht: in einer fernen Zeit,
da lebten auch in Rom schon Diktatoren,
und sie verzehrte, so wie Euch der Neid - -
da ward zu Bethlehem der Sohn geboren,
der Gottes-Sohn und einer Juden-Maid:
Marias! – Dieser Klang in Euren Ohren,
er tut Euch weh, wie Juden Eurem Blick.
Uns ist er licht; und Euch scheint er verloren.
Mir nicht, mein Herr, ich bin ein Katholik!





















Gij weet het slecht, maar in een zieken tijd,
Toen Rome rot was van de dictatoren,
Elkaar verdringend met den gragen nijd
Van wie elkanders roem niet kunnen hooren,
Werd God de Zoon te Bethlehem geboren
Uit eene Maagd, wier naam in uwe ooren
Klank voert van ketterij en godsdienststrijd:
Een Joodsche vrouw, die gij diep zoudt verachten
- Joden zijn aan uw soort niet sympathiek -
Maar die het licht is onzer zwartste nachten.
Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!

Gij leeft te zeer in uw bewogen heden
Om het te weten, maar het is geschied,
Dat weinigen, die dezen naam beleden
Beschermers bleken van het wijd gebied,
Waarop men heden nog beschaving ziet.
Gij preekt wel, maar gij kent de teksten niet!
Wat is úw toekomst zonder óns verleden?
Bedenk, als onze duizendtallen dunnen,
Dat eens Paus Leo, ónvervalscht mystiek,
Weerstand bood aan een overmacht van Hunnen!
Daarom mijnheer, noem ik mij katholiek!

Ach! Die Geschichte habt Ihr schon vergessen.
Ihr kennt sie nicht, so höret sie von mir:
Wie Willem von Lumey, von Haß besessen,
die Katholiken morden ließ, mit Gier.
Ihr sprecht ihn frei, den „Führer“ Eurer Geusen,
Ihr liebt, wie er, das Schlagwort und den Trick,
Ihr Lügt: der Lug-Strom bricht durch tausend Schleusen.
Ich aber, Herr, ich bin ein Katholik!




Gij zijt wellicht het oud verhaal vergeten,
Of kent het niet, maar leer het dan van mij,
Hoe zij, die Nederlands bevrijders heeten
Uit Roomsch geloof en Spaansche dwinglandij,
Onder bevel van Willem van Lumey
Onschuldigen vermoordden. Pleit hen vrij,
Wanneer dit past in ’t ruim van uw geweten!
Steeds zal de holle leuze misdaad baren
Zoodra zij vruchtbaar wordt bij ’t veil publiek!
Ik kies de zijde van de martelaren.
Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!

Ich bete wohl und falte meine Hände,
wie ich’s zu Haus gelernt hab‘, in Brabant,
daß Gott Gewalt und Herrschsucht von uns wende,
und jene freche ausgestreckte Hand.
Des Preußen „Heil“-Ruf kann mich nicht bekehren,
das Kreuz ist Heil! Nicht Eure Politik
gebaut auf neuen heidnischen Altären:
Jawohl, mein Herr, ich bin ein Katholik!



In Brabant weet men van den geus te spreken
Daar heb ik ’t vaderlandsch gevoel geleerd.
Vouw ik de handen om den heer te smeeken,
Dat Hij ’t volk hoedde, vrij en ongedeerd
Van staatszucht, tyrannie en van ’t verkeerd
Vertrouwen in wie door geweld regeert:
Nooit leerde ik de hand ten hemel steken
Heil roepend om een nagemaakten Pruis.
Op wat zich heil noemt, heeft mijn Kerk kritiek.
Den waren Heiland kent ze aan ’t ware kruis.
Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!

Du, Herr der Kirche und der Menschen Glück,
Herr Jesus, mach‘ den Frieden wahr!
Du, Prinz der Kirche wunderbar! ...
Dies betete ein Katholik.
Heer Jesus zoet, de Prins der ware Kerk,
Die één is, heilig en apostoliek,
Maak ons in dienst van Zijnen Vrede sterk.
Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!

Uit verschillende documenten die in het LBI worden bewaard laat zich in hoge mate reconstrueren hoe Roth de vertaling heeft aangepakt. Niet alleen de tussenvertaling van Chris de Graaff, maar ook een kladversie van Roth zelf is bewaard gebleven. Hieruit blijkt dat Roth zich weinig van De Graaffs suggesties met betrekking tot de interpretatie van het gedicht heeft aangetrokken. Blijkbaar had Roth het gedicht in Amsterdam goed doorgesproken met Van Duinkerken en begreep hij voldoende Nederlands om autonoom vertaalkeuzes te kunnen maken, zonder zich veel aan de tussenvertaling gelegen te laten liggen. Opvallend is dat Roth de tekst aanzienlijk inkortte. Er is een volledig vers weggevallen en elke strofe telt twee regels minder dan de brontekst. De tekst is in zijn geheel niet alleen compacter, maar ook directer geworden – een expliciete aanklacht tegen Hitler die de vrede in Europa bedreigt. Ik geef een aantal voorbeelden die dit aantonen.

Ten eerste koos Roth voor een heel andere titel, waarbij de dichter zich rechtstreeks tot zijn publiek richt: ‘Jawohl, mein Herr, ich bin ein Katholik’.De verwijzing naar Hitler en de verplaatsing naar de Duitstalige context is meteen in de eerste strofe al zichtbaar in de herhaling van het woord ‘Heil’. Roth opent het gedicht met de Hitlergroet of althans de suggestie van de drievoudige herhaling ‘Sieg Heil’. De kladversie verraadt dat hij aanvankelijk ook de laatste strofe wilde afsluiten met ‘Heil’ en het woord daar in zijn oorspronkelijke en positieve betekenis wilde neerzetten. Het oorspronkelijke slot ‘Dein Heil allein ist Licht und Glück’ werd in de gedrukte versie omgezet in ‘Du, Herr der Kirche und der Menschen Glück’. Op die manier werd het gebruik van het beladen en door de nazi’s zo misbruikte woord ‘Heil’ in combinatie met hoopvolle begrippen als kerk, geluk en vrede, vermeden. Ook bij Van Duinkerken wordt naar de Hitlergroet verwezen, en wel in de vijfde strofe, waar hij zijn katholieke Brabants gevoel in de strijd gooit: ‘Nooit leerde ik de hand ten hemel steken / Heil roepend om een nagemaakten Pruis./ Op wat zich heil roept heeft mijn kerk kritiek.’ De hier opgevoerde would-be Pruis kan voor Mussert en voor Hitler staan. Roth sluit een verwijzing naar Mussert uit door ‘nagemaakte Pruis’ gewoon tot ‘Preuße’ te verkorten. Daardoor valt ook de connotatie met Hitlers Oostenrijkse afkomst weg. Voor Roth was Hitler immers een zuiver product van de Pruisische, protestantse cultuur en een verwijzing naar zijn geliefde vaderland wenste hij niet.

De Graaff voorzag dat de vijfde strofe problemen zou opleveren en lichtte in zijn brief aan Roth de laatste regels uitvoerig toe: ‘Einige Schwierigkeit könnte noch der Satz bilden: “Den waren Heiland kent ze aan ’t ware kruis”. Das kann sowohl heissen: “Sie (die Kirche) kennt den wahren Heiland daran dass er am wahren kreuze hängt” wie auch “Sie kennt (erkennt) den wahren Heiland am wahren kreuze” d.h. im Gegensatz zum Hakenkreuz. So wie man sagt “an den Früchten kennt man den Baum”.’ De Graaff suggereerde vervolgens dat Van Duinkerken beide betekenissen voor ogen heeft gehad en stelde als vertaling voor: ‘Den wahren Heiland kennt sie am wahren Kreuze’. Roth kiest ook hier weer voor beknoptheid, beperkt zich tot de uitspraak dat het Heilgeschreeuw van de Pruis hem niet kan bekeren, het kruis is immers ‘heil’, intact. Elke welwillende lezer weet dat naar het – niet intacte – hakenkruis verwezen wordt. Gezien de ideologische achtergrond van het blad waarin het gedicht verscheen, lagen dergelijke impliciete verwijzingen naar de Oostenrijkse en Europese actualiteit voor de hand.

Voor Roth wordt het vertalen problematisch wanneer Van Duinkerken zinspeelt op gebeurtenissen uit de vaderlandse geschiedenis van Nederland die voor Oostenrijkers niet bekend zijn. Dat is de reden waarom de volledige derde strofe is gesneuveld. Van Duinkerken heeft het hier impliciet over die katholieken die in 1935 naar de ‘lege leuzen’ van Mussert hebben geluisterd en uit opportunisme op de NSB hebben gestemd. De verwijzing naar Paus Leo, die door zijn overredingskracht de opmars van de Hunnen wist te stuiten en Rome voor de ondergang behoedde, roept vragen op naar de houding van de katholieke kerk tegenover het oprukkende nationaalsocialisme. Maar Van Duinkerken verwijst ook naar de acties van de prominente Nederlandse nazi Max d’Asembourg, die bij de Nederlandse bisschoppen veel invloed had en een samenwerking met de katholieke kerk beoogde. ‘Gij preekt wel, maar gij kent de teksten niet!/ Wat is úw toekomst zonder óns verleden’ kon door tijdgenoten gelezen worden als verwijzing naar de beruchte redevoering die d’Asembourg vlak na de verkiezingen van 1935 had gehouden en waarin hij voor samenwerking tussen de nazibeweging en de katholieke kerk pleitte. Roth deed in de kladversie nog een poging tot vertaling van die sequentie, maar schrapte finaal de hele strofe. Mogelijk lag een toespeling op de houding van het Vaticaan gevoelig bij de redactie van het katholieke blad en heeft een beslissing van de redactie meegespeeld. Dat is niet te achterhalen.

De voorlaatste strofe, over Willem van Lumey, vertaalde Roth wel. Lumey was de leider van de watergeuzen, die volgens de legende in 1572 Den Briel innamen en daarmee het startschot gaven voor de Nederlandse bevrijding van de Spaanse overheersers. Zeker in de katholieke beeldvorming werd hij voorgesteld als een religieus fanaticus die woest tekeerging tegen de katholieken in Nederland, in Brabant dus, waar Van Duinkerken vandaan kwam. Hij zou de reputatie van Nederlands bevrijders zo in diskrediet hebben gebracht, dat hij zelfs door Willem van Oranje aan de kant werd geschoven. Voor Roth stak de hele weergave van de gebeurtenissen niet zo nauw. Lumey, zelfs in Nederland relatief onbekend, was in Oostenrijk zeker geen begrip. Van belang is vooral het feit dat hij de moordenaar der katholieken was, de ‘Führer’ van de geuzen. Ook Van Duinkerkens lezers kregen niet meteen een helder beeld van wie nu precies bevrijders en onderdrukkers waren. Zag Van Duinkerken de periode onder de katholieke Spanjaarden of het bewind onder de protestantse geuzen, nochtans de bevrijders van Nederland, als ‘dwingelandij’? Of allebei? De hele geschiedenis was in het Nederland van de jaren dertig grotendeels allang tot de folklore gaan behoren en werd in de actuele politieke context nogal geforceerd ingezet. Bij Roth valt die dubbelzinnigheid door vereenvoudiging weg. Het zou ook geen pas hebben gehad om, op het moment dat Hitler klaarstond om Europa onder de voet te lopen, de historische vergelijking met de Hollands-Brabantse kwestie aan te gaan. De – tot Nederland beperkte – dreiging die van Mussert uitging was van geen betekenis in het licht van de dramatische politieke situatie die in 1937 de wereldvrede in gevaar bracht. En als van de geuzen al kon worden beweerd dat ze toch ook bevrijders waren geweest, niet alleen onderdrukkers van de katholieken, over Hitler viel geen relativerend woord te zeggen. Roth liet de notie ‘bevrijders’ weg.

Heel duidelijk is Roths gedachtegang als vertaler te volgen bij het woord ‘onschuldigen’, waarmee de slachtoffers die Willem van Lumey maakte zijn bedoeld. De ‘Unschuldigen’, zoals De Graaff suggereert, worden eerst ‘unschuldige Christen’, waarbij de notie protestant of katholiek in het midden gelaten wordt, om vervolgens vervangen te worden door ‘die Katholiken Hollands’ en uiteindelijk, in de gepubliceerde versie, als ‘die Katholiken’ te eindigen.

Vertalen in tijden van crisis
De vertaling van de ‘Ballade van den katholiek’ is in meerdere opzichten bijzonder. Het is een zeldzame tekst die ons, samen met de documenten in het LBI, inzicht kan verschaffen in Roths vertaalopvattingen. Roth trad nooit eerder en ook later niet als vertaler op. Hij had het wel gekund, want hij beheerste verschillende talen, zoals Pools, Oekraïens, en vooral Frans. De eerste Franse vertaling die van zijn succesroman Radetzkymarsch werd gemaakt, vond hij vreselijk en hij eiste van zijn uitgever dat ze overgedaan werd. De vertaalster was Blanche Gidon, met wie Roth uiteindelijk goed bevriend raakte, die heel wat vertaalwerk voor hem gratis deed en in de moeilijkste jaren van zijn leven, tot aan zijn dood in 1939, een belangrijke steun en toeverlaat was. Vertalers speelden een belangrijke rol in de netwerken rond de Duitse emigrantenschrijvers, niet alleen in Frankrijk, maar ook in Nederland.

Met sommige van zijn Nederlandse vertalers had Roth goed contact. Nico Rost, die in 1934 Tarabas vertaalde en in de Vlaamse krant Vooruit geregeld een stuk van of over Roth liet verschijnen, had hij al voor Hitlers machtsovername in de jaren twintig in Berlijn leren kennen. De schrijver Werumeus Buning, die in 1935 Der Antichrist (met voorwoord van Anton van Duinkerken) vertaalde, was dan weer een goede kennis van Anton van Duinkerken. Het was Stefan Zweig die de vertaler van De biecht van een moordenaar bij uitgeverij Allert de Lange aanbeval: Reinier Sterkenburg. Sterkenburg had werk van Zweig vertaald, maar kende ook Van Duinkerken goed. Beiden waren ze stichtend lid van het eind juni 1936 door Menno ter Braak opgerichte Comité van waakzaamheid van anti-nationaalsocialistische intellectuelen. De eerste vertaling van Radetzkymarsch, die pas na de oorlog kon verschijnen,was van de hand van Johan Winkler en zijn vrouw Annie Winkler-Vonk, die in Amsterdam tot de netwerken rond de sociaaldemocratische krant Het Volk behoorden, zich voor Duitse vluchtelingen inzetten en Roth in Nederland ook hebben ontmoet. Een illustere onbekende onder de Rothvertalers van die jaren is Anton Burgdorffer. Hij vertaalde in 1935 De honderd dagen, een roman die in verschillende Nederlandse kranten in afleveringen verscheen, maar nooit als boek werd gedrukt.

Het is duidelijk dat Anton van Duinkerken in de Amsterdamse netwerken rond Joseph Roth een centrale rol heeft gespeeld. Het pleit voor hem dat hij er niet voor terugdeinsde openlijk kritiek uit te oefenen op Hitler. Op kritiek op een ‘bevriend staatshoofd’, en dat was Hitler, stond in Nederland in 1936 gevangenisstraf. Een gezamenlijke vriend van Roth en Van Duinkerken, de Amsterdamse Maurits Dekker, belandde in de gevangenis nadat hij in 1937 een brochure getiteld Hitler, een poging tot verklaring op de markt bracht.

Roth voelde zich door de katholieke strijdbaarheid van Van Duinkerken danig aangesproken en de vertaling van de ‘Ballade’is beslist als een hommage aan zijn vriend te zien. Anders valt moeilijk te verklaren dat hij zoveel energie heeft gestopt in het bewerken – vertalen kun je zijn werk bij momenten nauwelijks nog noemen – van het gedicht. Hij had net zo goed een nieuwe tekst kunnen schrijven. Poëzie had Roth sinds zijn studentenjaren niet meer geschreven, zelfs het genre was dus niet evident.

In november 1936 verliet Roth Amsterdam, nadat hij in zijn hotel door de chef de réception bestolen was, en hij keerde er alleen nog terug voor dringende besprekingen met zijn uitgevers, nooit langer dan enkele dagen. Van Duinkerken schreef hij af en toe nog een brief, meestal een smeekbede om te bemiddelen bij zijn uitgevers voor nieuw werk. Hitlers opmars maakte het steeds moeilijker om Duitse boeken aan de man te brengen en Roth werd steeds armer en gekwelder. Toen hij in mei 1939 in Parijs aan de gevolgen van zijn drankzucht overleed, verscheen in Nederlandse kranten en tijdschriften een indrukwekkende reeks in memoriams en hommages. Elke journalist of schrijver leek hem niet alleen gekend, maar ook tot zijn beste vrienden gerekend te hebben. Van Duinkerken schreef een eerbetoon aan zijn overleden vriend in de vorm van een gedicht, waarvan de eerste en laatste regels veel vertellen over vriendschap in politiek woelige tijden, over leven in een anderstalig land en dus ook over vertalen. Stralend van trots zullen mijn kind’ren hun kind’ren verhalen:

Vader heeft Joseph Roth nog gekend, en zij waren twee vrienden.
Kwamen bijeen en vervloekten in hun verschillende talen
De slechtheid van hun ontluisterden tijd, wiens geest zij niet dienden.
[…]
Eerst om één uur in den nacht ging Roth uit de herberg naar buiten,
Telkens verbaasd over ‘t land, waar de klant uit den kroeg wordt gezonden.

De strijd tegen Hitler voerde Roth gedeeltelijk in Amsterdam, in cafés zoals De Engelse Reet. Zijn bijzondere daad als vertaler van ‘Ballade van den katholiek’werpt een nieuw licht op Joseph Roth, die dus niet alleen romanauteur en beroemd journalist, maar ook vertaler genoemd mag worden. Dankzij zijn vriend Anton van Duinkerken.

 

Noten
1 Roths werk verscheen vanaf 1933 in Amsterdam bij Allert de Lange en Querido. Beide uitgeverijen richtten in 1933 een Duitse afdeling op voor werk van in Duitsland verboden auteurs. Eind 1936 werd Roth ook auteur bij de kleine katholieke uitgeverij De Gemeenschap.
2 De briefwisseling tussen Anton van Duinkerken en Joseph Roth bevindt zich in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, Den Haag, Collectie Anton van Duinkerken.
3 Van Duinkerkens bijdrage ‘Dem Kaiser, was des Kaisers ist’, over de rol van de katholieke kerk in tijden van politieke crisis, verscheen in het nummer van februari 1935.
 

Bibliografie
Bijvoet, Theo. 1989. ‘“Jawohl, mein Herr, ich bin ein Katholik”. Over Joseph Roth en Anton van Duinkerkens “Ballade von den katholiek”’, SIC, 4:1–2, p. 106–114.

Kieft, Ewout. 2006. ‘Joseph Roth en De Antichrist. Religieus engagement in de strijd tegen de nazi’s’, in: Niod Jaarboek, 17, p. 115–136.

Lunzer, Heinz. 2009. Joseph Roth im Exil in Paris 1933-1939. Wien: Zirkular.

Plas, Michel van der. 2000. Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek. Amsterdam: Anthos.

Rietra, Madeleine. 2005. Geschäft ist Geschäft. Seien sie mir privat nicht böse. Ich brauche Geld. Der Briefwechsel zwischen Joseph Roth und den Exilverlagen Allert de Lange und Querido 1933-1939. Köln: Kiepenheuer & Witsch.