Het Duitsland van de literair vertalers    73-78

Holger Fock
Vertaling: Marieke Voorvelt

Literatuurvertalingen, in het bijzonder uit het Engels floreren, maar literair vertalers lijden honger, de internationale literatuur is onderworpen aan de wetten van de boekenmarkt die tot een verbreding van het aanbod bij gelijktijdige versmalling van de inkomstenmarges leidt. Ondanks een wet ter versterking van de auteurs en twee uitspraken van de hoogste rechters die Duitse literair vertalers aandelen in verkoops- en licentieopbrengsten toezeggen, kom je als literair vertaler in Duitsland ook op lange termijn niet boven een studentenbestaan uit.

Kein schöner Land in dieser Zeit
als hier das unsre weit und breit
wo wir uns finden
wohl unter Linden
zur Abendzeit

Wat zouden Duitse literair vertalers niet graag dit volksliedje aanheffen, maar in plaats van ’s avonds onder linden te lezen of over literatuur na te denken, moeten de meesten tot diep in de nacht vertalen om hun karige bestaan te rekken. Hoewel literair vertalen in Duitsland inmiddels aan enkele universiteiten gedoceerd wordt, is het geen beschermd beroep met een vast opleidingstraject en geldt veeleer het adagium dat vele wegen naar Rome leiden. Sommige zijn behoorlijk avontuurlijk en je verbaast je erover dat er nog mensen zijn die dit beroep kiezen. Hoe je in Duitsland literair vertaler wordt, is niet algemeen te beantwoorden. Ik probeer het daarom met een persoonlijk antwoord.

Sinds mijn schooljaren heb ik een hevige passie voor de Franse literatuur. Al tijdens mijn studie leidden een paar gelegenheidsrecensies tot mijn eerste vertalingen. Ook gedurende mijn vijfjarige loopbaan als copywriter wijdde ik me aan deze ‘hobby’. Ik wilde er pas mijn beroep van maken toen ik me ervan verzekerd had dat ik goed genoeg was om er mijn brood mee te verdienen.

Ik houd van het literair vertalen – en daartoe behoort in Duitsland ook het vertalen van wetenschappelijke teksten en non-fictie – omdat het een stille, teruggetrokken bezigheid is. Ik kan me intensief met mijn eigen taal bezighouden, veel opzoeken en me vaak in onbekende onderwerpen verdiepen, kortom: het is boeiend werk. Bovendien is het werken met taal een genoegen en schenkt het vergeleken met andere beroepen veel voldoening. Als vertaler van Franse literatuur lever ik een bijdrage aan de culturele dialoog en aan de Duits-Franse vriendschap: ik ben in het Zuid-Duitse Ludwigsburg geboren en heb daar in 1977 eindexamen gedaan. Pas rond 1990, aan het begin van mijn loopbaan als freelance vertaler, hoorde ik over de toespraak tot de Duitse jeugd die Charles de Gaulle in september 1962 in Ludwigsburg had gehouden – een van zijn grote toespraken over verzoening en toenadering in Europa. De beste voorwaarden voor vrede en toenadering zijn volgens De Gaulle wederzijds respect, vertrouwen en vriendschap tussen Duitsers en Fransen. Hetzelfde geldt natuurlijk voor alle andere landen en volken.

Maar hoe moet je de ander, de vreemde vertrouwen en vriendschap met hem sluiten zonder hem te kennen? Kennis van de ander, van zijn geschiedenis en van de verhalen waarin zijn karakter en denkwijze tot uitdrukking komen, waarin zijn culturele erfgoed doorgegeven wordt, is niet mogelijk zonder vertaling in de eigen taal. Vertalen niet als toe-eigening, maar als erkenning van de ander en het verschil met de ander, geheel in de zin van de Franse filosoof Emmanuel Lévinas. Daarmee verbonden is een andere boeiende taak die ik me als vertaler stel, namelijk uitgevers vertrouwd maken met auteurs die ik ongeacht hun commerciële potentie belangrijk acht – hoe verwonderlijk het ook klinkt, een aanzienlijk aantal belangrijke Franse hedendaagse auteurs is tot dusverre nauwelijks of zelfs helemaal niet in het Duits vertaald (bijvoorbeeld Pierre Bergounioux, Florence Delay, Éric Chevillard, Régis Jauffret). Nog steeds is het plezier dat ik aan taal, aan mooie teksten en aan goede auteurs beleef groter dan de frustraties over mijn precaire materiële situatie. Maar de Duitse bijstand, sinds een hervorming van het sociale stelsel een aantal jaren geleden ‘Hartz IV’ genaamd, blijft steeds als een schrikbeeld op de achtergrond aanwezig. 

De literatuur floreert, de vertaler lijdt honger
Vertaling is de taal van Europa, postuleerde Umberto Eco jaren geleden om erop te wijzen dat pidgin als lingua franca van de Globish-generatie weliswaar de toenadering, maar niet het onderlinge begrip dient. Om elkaar te kunnen begrijpen moet je doordringen in elkaars cultuur, en wat leent zich daar beter voor dan de literaire vertaling? Helaas wordt nu juist dat terrein niet door beschaving geregeerd, maar door de markt en hebben vertalingen uit het Engels een groot overwicht. Kleine landen met kleine talen hebben het moeilijk, ook Duitsland, dat door recensenten, uitgevers en de vertalers zelf graag als ‘wereldkampioen’ in het literair vertalen gezien wordt, een mythe die mijns inziens allang is achterhaald. In absolute cijfers1 liggen de Duitstalige landen niet meer aan kop: in Spanje verschijnen drie keer zoveel vertalingen, in Italië bijna dubbel zoveel, Frankrijk en het kleine Tsjechië volgen kort daarop.

In Duitsland maken vertalingen circa 10% van alle nieuw verschenen boeken uit. Alleen in Engeland wordt nog minder vertaald. In de schone letteren ziet het er wat beter uit, daar gaat het per jaar om 20–25%. Ter vergelijking: in Nederland is meer dan 30% van alle nieuw verschenen boeken vertaald, in de letterkunde bijna 40%. In kleine landen zijn het er natuurlijk nog veel meer (tot 80%). Daarbij lijdt de Duitse markt met jaarlijks 95.000 nieuwe boeken onder een enorme overproductie. Tegelijkertijd daalt het aantal lezers evenals de tijd die deze aan lezen besteden. De oplages nemen af, de handel wordt steeds beperkter, gedomineerd door de grote boekhandelketens die de uitgevers de wet voorschrijven. Hun winstgevendheid holt achteruit. Niet dat het slecht gaat met het boek: de omzet is hoger dan ooit tevoren en stijgt langzaam maar gestaag, de boekenmarkt is ook in tijden van crisis stabiel. En velen verdienen er goed aan: literair agenten, papierleveranciers, drukkers, de boekhandel. Alleen de vertalers lijden honger.

Voor mijn eerste vertalingen, in 1981 en 1983, die ik maakte uit enthousiasme, kreeg ik een vooraf afgesproken bedrag. In dezelfde periode, drie decennia geleden dus, bedroegen de gemiddelde honoraria per normbladzijde (1800 aanslagen) DM 20–24, tien jaar later DM 28–32, rond de millenniumwisseling DM 32–36 en tegenwoordig € 16–20. Sinds ongeveer vijftien jaar beweeg ik me aan de bovenkant van deze bandbreedte. In dezelfde drie decennia zijn de inkomens in Duitsland verdrievoudigd, is de boekenprijs bijna verviervoudigd, maar de vertaalhonoraria per bladzijde zijn in dezelfde periode met slechts 60% gestegen, en sinds het begin van dit millennium stagneren ze. Zoals alle freelance auteurs, kunstenaars enz. in Duitsland ben ik verplicht verzekerd. De Künstlersozialkasse (KSK) bestaat sinds 1983: de helft van mijn bijdragen aan de ziektekosten- en pensioenverzekering wordt door uitgevers, instellingen en overheidsbijdragen gedekt. De jaarlijkse statistieken van de KSK laten zien dat literair vertalers op de armoedegrens leven (die ligt op 40% van het gemiddelde inkomen). Inderdaad: het gemiddelde jaarinkomen (bruto-inkomen voor belastingen en premies) ligt de laatste jaren op € 29.000 tot € 34.000, dat van Duitse vertalers volgens de KSK op € 12.000 tot € 14.000 per jaar.

De nieuwe armoedeval
Het beeld versombert zeker als we naar het pensioen kijken. Sinds 1998 ontvang ik van de pensioenverzekering jaarlijks een overzicht waarin staat hoe hoog mijn pensioenrechten op dat moment zijn en hoe hoog mijn pensioen waarschijnlijk zal zijn op de pensioengerechtigde leeftijd. Hoewel ik jaar na jaar meer betaal, daalt mijn vermoedelijke pensioen al jaren gestaag. Dat ligt niet alleen aan de pensioenhervormingen, maar ook aan het pensioenstelsel, dat volgens het omslagstelsel werkt: de werkenden betalen met hun pensioenbijdragen het pensioen van de ouderen. Met mijn bijdragen verkrijg ik zogenoemde pensioenpunten. De waarde van een pensioenpunt wordt elk jaar opnieuw vastgesteld en stemt exact overeen met het gemiddelde inkomen van alle premiebetalers. Dit is ondanks de economische crisis en geringe inkomensgroei de laatste jaren veel sneller gestegen dan mijn al enige tijd stagnerende inkomen als vertaler. Kwam ik in de jaren negentig nog op 0,44 tot 0,45 pensioenpunten per jaar, tegenwoordig zijn het nog maar 0,41 tot 0,42 punten.

Mijn eerste pensioenbericht in 1998 voorspelde mij voor september 2023 een maandpensioen ter hoogte van circa € 780. Intussen stijgen de pensioenen minder dan destijds werd aangenomen; sinds de nieuwste pensioenhervorming moet ik (vanwege de demografische verandering) werken tot ik 66 en vijf maanden ben, en krijg ik in februari 2025 nog hoogstens € 660 – dat het überhaupt meer dan € 600 is, dank ik alleen aan het feit dat ik na mijn studie vijf jaar een goedbetaalde baan heb gehad. De meesten van mijn collega-vertalers kunnen op zoiets niet bouwen. Toen in 1983 de KSK in het leven werd geroepen, zouden freelance kunstenaars, schrijvers en ook vertalers voor een arme oude dag behoed worden. Veertig jaar later zullen ze daar op basis van hun lage inkomen toch op uitkomen. Zonder ondersteuning door een levenspartner moet een literair vertaler in Duitsland werken tot hij erbij neervalt. Kein schöner Land

Mijn jaarinkomen schommelt sinds 2001 tussen de € 11.000 en € 14.500 – inclusief bescheiden royalty’s. Daarvoor werk ik 48 weken per jaar zeven dagen per week en ongeveer tien tot twaalf uur per dag, in de weekends en op feestdagen vier tot zes uur minder, gemiddeld 72 uur per week. Bij mijn vrouw gaat het al niet anders, zij werkt net als ik als literair vertaler, ongeveer twee derde van mijn uren – we hebben twee kinderen waarvoor gezorgd moet worden – en met twee derde van mijn inkomen. Nauwelijks te geloven, maar vraag het aan onze buren: die houden ons voor chaotische kunstenaarstypes die slecht georganiseerd zijn en hun werk niet voor elkaar krijgen. Vaak vertalen we samen, wat de boel niet ‘productiever’ maakt, want we delen de boeken niet op: een van ons zorgt voor de eerste versie van de vertaling, die vervolgens door de ander wordt bijgewerkt. Beiden werken we altijd de complete tekst door. Economisch gezien is dat desastreus, literair beschouwd een echte meerwaarde, vier ogen zien zoals bekend meer dan twee, en juist daardoor hebben we waarschijnlijk op de kleine markt voor Franse literatuur een goede plaats weten te veroveren.

Werkbeurzen om op vakantie te gaan
Je kunt als literair vertaler maar beter een levenspartner met een normaal inkomen hebben. Anders leef je op bijstandsniveau. Als gezin van vier personen met een maandinkomen van netto minder dan € 1500 moeten wij ons tot het broodnodige beperken, extreem zuinig inkopen en voor de rest zo vaak mogelijk een beroep doen op het geduld en de portemonnee van de grootouders van onze kinderen. Waaraan zou je je geld moeten uitgeven? Voor bioscoop, muziek, theater etc. is geen tijd. Het leven bestaat uit kinderen en werk. Gelukkig is het werk zo mooi als de beste films. En gelukkig behoren wij tot de vertalers die regelmatig beurzen en prijzen krijgen, waarover we geen belasting hoeven te betalen: voor extraatjes zoals een nieuwe wasmachine of twee weken vakantie.

In onze jonge jaren, zeg tot we vijfenveertig waren, redden we het wekenlang met vier à vijf uur slaap: tegenwoordig val ik ’s middags boven mijn toetsenbord in slaap als ik een paar nachten zes uur geslapen heb. Bij sporters zou een burn-out gediagnosticeerd worden, maar wij zijn kerngezond. Ziek zijn kunnen we ons niet veroorloven. Goed, na twintig jaar werk onder omstandigheden die aan Gerhart Hauptmanns Die Weber herinneren, zijn rug- en gewrichtspijn, stofwisselingsziekten, hoge bloeddruk, prikkelbare darm enz. onze beste vrienden. Het zal wel aan de leeftijd liggen. Hoe ik ermee omga? Vraag het aan mijn huisarts, mijn advocaat of apotheker.

Wat is ons medicijn? Sinds 1997 is er het Deutsche Übersetzerfonds (DÜF), dat tweemaal per jaar beurzen toekent en verdiepingscursussen organiseert. Een geweldige instelling, een beetje naar het voorbeeld van het Nederlands Letterenfonds, opgericht door vertaalster Russisch Rosemarie Tietze. Zij slaagde er met enkele collega’s in om bondsregering en deelstaten in de jaren negentig van de noodzaak van een dergelijk fonds te overtuigen. Sindsdien beschikt het fonds via de cultuurstichtingen van de bondsregering en de deelstaten jaar na jaar over meer middelen. Vergeleken met het Nederlandse Letterenfonds, moet het DÜF zijn geld echter in homeopathische doses verdelen. Per halfjaar worden veertig tot vijftig beurzen met een totale waarde van € 140.000 tot € 160.000 toegekend. Op de Duitse markt zijn meer dan 2000 literair vertalers actief, 1200 zijn er georganiseerd in het Verband der Literaturübersetzer (VdÜ), ongeveer 800 tot 1000 daarvan werken fulltime als vertaler. Zou het DÜF de Duitse vertalers net zo goed  willen ondersteunen als het Nederlandse Fonds de zijnen, dan zou het jaarlijks meer dan 10 miljoen euro aan vertalers moeten uitkeren. Weliswaar krijgen de drie operagebouwen in Berlijn samen meer dan het dertigvoudige per jaar, ‘Nederlandse toestanden’ zijn in Duitsland desondanks onvoorstelbaar. Kein schöner Land

Coram iudice et in alto mari sumus in manu Dei
Beurzen mogen dan in een enkel geval helpen, de algemene inkomenssituatie van de Duitse literair vertaler verbetert niet. Daarvoor moest een wet ter versterking van de auteur dienen die in 2002 door de Bondsdag werd aangenomen. Sindsdien hebben auteurs wettelijk aanspraak op ‘passende en billijke’ honoraria. Als groep auteurs waarvan de honoraria niet passend en billijk zijn in de zin van de wet, werden uitdrukkelijk literair vertalers genoemd. Volgens de wet moeten de vertalersvakbonden in overleg met het veld vaststellen wat passende en billijke honoraria zijn. Maar onderhandelingen tussen vakbondsvertegenwoordigers en uitgevers kwamen pas na jaren op gang en helaas kent de wetgever de uitgevers slecht. Die wilden gewoon de bestaande honoraria tot passend en billijk verklaren; de uitkomst was een vergoedingsregeling die nauwelijks beter was dan daarvoor. De helft van alle vertalers zou er niet op vooruitgaan, sterker nog: de honoraria per bladzijde dreigden zelfs lager te worden. Een grote meerderheid wees de vergoedingsregeling dan ook af, en in 2009 werden een nieuw bestuur en een nieuwe onderhandelingscommissie gekozen.

Ondertussen leek de gerechtelijke weg veelbelovender. Ook die nam een half decennium in beslag, intussen zijn er twee principiële uitspraken van het hoogste federale gerechtshof (BGH), de jongste van 20 januari 2011. Derhalve zijn nu aan de tot dusver gebruikelijke honoraria per normbladzijde royalty’s toegevoegd: bij hardcoveruitgaven 0,8% van de verkoopprijs bij meer dan 5000 exemplaren, bij pockets 0,4% van de verkoopprijs bij meer dan 5000 exemplaren, en een vijfde van het auteursaandeel  in de inkomsten uit nevenrechten, normaliter dus 12% van de uitgeversopbrengst. Hier bovenop komt nog eenzelfde aandeel in de inkomsten uit de geleidelijk belangrijker wordende digitale media.

De basis van de uitspraken is een willekeurige vaststelling door onze hoogste rechters: de creatieve prestatie van literair vertalers zou auteursrechtelijk op een vijfde van de creatieve prestatie van schrijvers gewaardeerd moeten worden. Eigenlijk zouden vertalers recht hebben op een aandeel van 2%, verrekenbaar met het basishonorarium – vertalers wilden echter altijd een aanvullend niet-verrekenbaar aandeel en 2% verrekenbaar levert summa summarum ongeveer 0,8% vanaf 5000 exemplaren op.

Vraag niet naar de logica… Voor de rechter en op volle zee zijn we in Gods hand. Twee positieve aspecten hebben de uitspraken wel: ze maken duidelijk dat vertalers een aandeel verdienen in een eventueel verkoopsucces en in de licentieopbrengsten. Total-buy-out-contracten zijn passend noch billijk. En wat de nevenrechten betreft: vertalers hebben ook recht op een vijfde van het auteursaandeel van de opbrengsten uit digitale toepassingen. Hier boden uitgevers tot nog toe 1%. Omdat de auteur gewoonlijk 25% krijgt, moet het aandeel van de vertaler nu 5% bedragen.

... vraag naar de uitgevers: je zou tenslotte verwachten dat zij de vertaalcontracten nu volgens wettelijk voorschrift opstellen? Vergeet het maar! Ze wringen zich in allerlei bochten en laten zich niet vastleggen, vooral niet wat betreft de nevenrechten. Inderdaad scheppen de uitspraken onevenwichtigheid: ze benadelen vertalers in hun hoofdrecht en onafhankelijke uitgevers die niet over eigen pocketreeksen beschikken; ze bevoordelen bestsellervertalers en concernuitgevers die over lucratieve imprints beschikken. Minder dan de helft van alle boekvertalingen in Duitsland heeft een oplage van boven de 5000 exemplaren. Nog geen vierde komt boven de 10.000. Van slechts een vijfde van alle hardcoveruitgaven worden pocketlicenties verkocht. Ook na de uitspraken van het BGH zal de helft van alle vertalers niet meer verdienen dan voorheen. Ondanks de wet ter versterking van de vertaler. Mooie wet, maar kein schöner Land

Het ontbreekt aan differentiatie. Bij moeilijke literatuur kun je drie tot vier normbladzijden per dag vertalen. Misschien krijg je per bladzijde een paar euro meer betaald, toch draai je uiteindelijk een maandomzet van € 1800 of minder. Er is natuurlijk ook literatuur waarbij je inclusief herzieningen, redactie en proeflezen acht of tien normbladzijden per dag haalt. Dit soort literatuur verschijnt vaak in hogere oplagen, waardoor de kans op royalty’s groter is. Je zou elke goede literair vertaler haast aanraden om van veeleisende of ‘hoge’ literatuur af te blijven en zich alleen om makkelijke biografieën, historische romans en trash te bekommeren.

Uitgevers hebben al lange tijd een kwaliteitsprobleem. Wie in Duitsland van het vertalen van literatuur wil kunnen bestaan, moet een snelle werker zijn. Dat gaat ten koste van de kwaliteit, vooral bij non-fictie. Voor de ‘kleine’ talen ontbreekt het niet zozeer aan literair vertalers, als wel aan geld om specialisten (filologen, technisch vertalers, critici enz.) te bewegen zich aan een literaire vertaalloopbaan te wijden. Daarnaast zijn studenten en andere goed opgeleide mensen kieskeuriger geworden. De meeste afgestudeerden van de master Literaturübersetzen in Düsseldorf, de enige die er in Duitsland bestaat, zien na het behalen van hun diploma van dit beroep af. Je hoeft geen profeet te zijn om te voorspellen dat het kwaliteitsprobleem spoedig vergezeld zal gaan van een opvolgingsprobleem. Voor mij persoonlijk is dat een heuglijk perspectief. Ik hoef me geen zorgen meer te maken over de toekomst: zolang ik nog rechtop aan mijn bureau kan zitten en in een boek kan kijken, zal ik ook als pensioengerechtigde genoeg opdrachten krijgen.

 

Noot
1 De in dit artikel genoemde cijfers en gegevens zijn voornamelijk afkomstig uit de studie van de CEATL, Revenus comparés des traducteurs littéraires en Europe/Compared Income of Literary Translators in Europa (hierna: Survey Ceatl), die in de herfst van 2008 werd gepubliceerd, zie:
http://www.ceatl.org/docs/surveyfr.pdf
http://www.ceatl.org/docs/surveyuk.pdf
Gegevens over de Duitse markt komen overwegend uit niet-gepubliceerde onderzoeken naar honoraria van het VdÜ, uit publicaties van het beurzenblad van de Deutsche Buchhandel (het Duitse Boekblad) en uit een studie getiteld ‘Möglichen Veränderungen der Honorarsituation in Verlagen als Folge der Urheberrechtsnovellierung’  (Homburg–Gutachten, Mannheim, 2003).

Lees meer over: