Recente (Zuid-)Afrikaanse poëzie in Nederlandse vertaling    61-68

Luc Renders

Het Nederlands en het Afrikaans
Toen Jan van Riebeeck in 1652 voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie een verversingspost aan de Kaap stichtte, introduceerde hij tegelijkertijd het Nederlands in zuidelijk Afrika. Geleidelijk ontwikkelde het Afrikaans zich uit het Nederlands en mettertijd kreeg het zijn karakteristieke vorm. Vanaf 1875 werd het Afrikaans door het Genootskap van Regte Afrikaners gepromoot als zelfstandige taal die het Nederlands, dat nog door een minderheid correct beheerst werd, moest vervangen. In 1925 was het eindelijk zover: toen werd het Afrikaans als officiële taal van Zuid-Afrika erkend. Literaire producten in het Afrikaans hielpen de weg tot erkenning voor te bereiden. Uit 1905 dateert het gedicht ‘Winternag’, geschreven door Eugène Marais, dat wel als beginpunt van de Afrikaanse letterkunde wordt beschouwd. Daarmee was het hek van de dam. De Afrikaanse literatuur heeft in de loop van de twintigste eeuw vooral op het vlak van de poëzie en het proza een benijdenswaardig niveau bereikt.

Dichters als Elisabeth Eybers, Breyten Breytenbach, Antjie Krog, Wilma Stockenström en Ingrid Jonker en prozaschrijvers als André P. Brink, Etienne van Heerden, Riana Scheepers en Marlene van Niekerk zijn in het Nederlandse taalgebied geen onbekenden meer. Dat heeft naast de onbetwistbare kwaliteit van hun werk, beslist te maken met de beschikbaarheid ervan in Nederlandse vertaling. Het is immers niet zo evident voor een Nederlandstalige om zonder moeite overweg te kunnen met het Afrikaans. Ondanks de grote mate van herkenbaarheid doen er zich toch nogal wat interpretatieproblemen voor. Hierdoor wordt afbreuk gedaan aan het leesplezier en is men als lezer vlugger geneigd om het boek aan de kant te schuiven, zodat vertalingen dikwijls noodzakelijk zijn:

Of die oppervlakkige wedersydse toeganklikheid egter voldoende is vir die lees van langer tekste soos romans, bly ’n vraag. Gaan iemand werklik volhardend bly lees as die leesproses deurentyd gestrem word deur onbekende woorde en frases? En die vraag geld na beide kante […] In die praktyk is dit so dat mense wat belangstel in die literatuur, wel oor die taalskeiding heen lees (dit geld vir Afrikaans sowel as vir Nederlands), maar die gewone leser staan gou ontmoedig as hy nie goed genoeg vorder nie (Du Plooy 2002: 12).

In vertaling kan het Afrikaanse boek een breed literatuurminnend publiek bereiken. En dat het Nederlandstalige lezerspubliek de Nederlandse vertalingen van Afrikaanse werken kan smaken, blijkt uit het aantal vertalingen dat verschijnt. De belangrijkste Afrikaanse romans worden prompt vertaald en ook van de meest prominente hedendaagse dichters verschijnen Nederlandse uitgaven, met uitzondering van Elisabeth Eybers. Haar gedichten behoeven blijkbaar geen vertaling.

Kenmerkend voor de recente Nederlandse uitgaven van Afrikaanse poëzie is dat de oorspronkelijke Afrikaanse gedichten opgenomen zijn naast de Nederlandse vertaling ervan. Dit heeft het grote voordeel dat de lezer met het origineel kan beginnen en, waar nodig, kan terugvallen op de Nederlandse vertaling. De vertaling is dan een hulpmiddel bij het lezen en interpreteren van het origineel. Deze opzet maakt de taak van de vertaler er niet eenvoudiger op, omdat elke lezer zelf de bron- met de doeltekst kan vergelijken en niet alleen de vertaler op de vingers kan kijken maar er, alleszins figuurlijk, ook nog op kan tikken. Slechts enkele vertalingen verschenen zonder de brontekst, zoals het uiterst succesvolle De Afrikaans poëzie in 1000 en enige gedichten (1999) van Gerrit Komrij en Verstaan my verlangste. 100 liefdesgedichten in het Afrikaans (2003), waarvoor de selectie gemaakt werd door Riana Scheepers en Jooris van Hulle.

Maar er is niet alleen positief nieuws te melden: zowel op de samenstelling van de vertaalde dichtbundels als op de kwaliteit van de vertalingen zelf valt wel iets aan te merken.

Veel van het eerste punt heeft vooral met uitgeverspraktijken te maken, die niet alleen het Afrikaans zullen gelden.

De vlag en de lading
Poëzie verkoopt niet als zoete broodjes. Dit heeft zijn consequenties voor de samenstelling van de vertaalde poëziebundels. Slechts een beperkt aantal bundels is als geheel vertaald. Dat is het geval met Lijfkreet (2006) en Kleur kom nooit alleen nie (2002) van Antjie Krog. Meestal zijn de vertalingen bloemlezingen uit het werk van een dichter. Soms zijn de titels van de Nederlandse uitgaven dan wel erg misleidend. Vir die bysiende leser/Voor de bijziende lezer (2000) is niet de vertaling van de gelijknamige Afrikaanse dichtbundel maar slechts een selectie uit het werk van Wilma Stockenström. Ook De schitterende wond (2006) is een beperkte greep uit het werk van Sheila Cussons en niet de vertaling van haar bundel Die skitterende wond (1979). Wat de sterren zeggen (2004) is een bloemlezing uit het werk van Antjie Krog en niet de Nederlandse versie van die sterre sê ‘tsau’ (2004), haar poëtische hertaling van een aantal San mythen en vertellingen.

Een bijzonder geval is de onlangs verschenen bundel De windvanger (2007) van Breyten Breytenbach, een bloemlezing van gedichten uit de periode van 1964 tot 2006. De selectie werd door de dichter zelf gemaakt. De Nederlandse uitgave is gebaseerd op de verzameling die onder de naam Windcatcher: New & Selected poems 1964–2006 (2007) op de Amerikaanse markt verscheen. En om het allemaal nog wat ingewikkelder te maken is noch De windvanger, noch Windcatcher identiek aan die windvanger, een poëziebundel van Breyten Breytenbach die in 2007 in Zuid-Afrika het licht zag. De Afrikaanse uitgave bevat uitsluitend nieuwe gedichten. De Nederlandse De Windvanger bestaat uit drie delen: ‘IJzerkoeienblues’, ‘De ongedanste dans’ en ‘De meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven’. Elk deel bestaat uit een dertigtal gedichten. De eerste twee afdelingen bevatten gedichten uit twee eerder verschenen verzamelbundels van het poëtische werk van Breytenbach, namelijk Ysterkoei-blues (2001), met het werk dat van 1964 tot 1975 verscheenen Die ongedanste dans (2005), die de gevangenisbundels groepeert en de periode van 1975 tot 1983 bestrijkt. Het derde deel zou dan logischerwijs de periode van 1983 tot 2007 moeten behandelen. Waar er, inderdaad in overeenstemming met de lezersverwachting, in de eerste twee delen een selectie van de poëzie opgenomen is uit de in de betrokken periodes gepubliceerde bundels, is dat voor het derde deel niet of nauwelijks het geval. Van de dertig gedichten komen er 22 uit die windvanger. Daarnaast zijn er vier gedichten uit Papierblom opgenomen en drie oorspronkelijk Engelstalige gedichten. Van een ervan, ‘the cup of words’ staat ook in die windvanger een bewerking. Het laatste gedicht uit het derde deel ‘die bloed aan die deurposte’ komt dan weer uit Kouevuur, een bundel uit 1969.

Maar zelfs al verwijzen de Nederlandse titels naar de gelijknamige bundels dan staat de lezer soms toch nog voor verrassingen. Met die taal van karmosyn (2001), de enige dichtbundel van Riana Scheepers, werd vertaald door Jooris van Hulle. De lezer die veronderstelt dat deze bundel de volledige weergave is van de oorspronkelijke uitgave komt bedrogen uit. Naast de opdracht en de motto’s zijn er nogal wat gedichten weggevallen, zonder dat daarvoor een reden wordt verstrekt behalve dat de keuze werd gemaakt in overleg met de dichteres zelf. De Nederlandse uitgave bestaat uit 29 gedichten, de oorspronkelijke Afrikaanse bundel uit 78 gedichten! Het is zonder meer duidelijk dat de bundeleenheid in de Nederlandse vertaling wezenlijk is aangetast.

De vraag is uiteraard of er naast de vertaling ook nog verdere informatie moet worden aangereikt. Soms worden in de vertalingen verklarende aantekeningen verschaft maar meestal zijn deze volledig afwezig. In de gevallen dat de vertalers menen dat enkele verduidelijkende aantekeningen wel degelijk nodig zijn, zijn deze annotaties steeds bijzonder onsystematisch. Het gaat altijd om slechts enkele termen die bijna volledig willekeurig gekozen lijken te zijn, zoals in Met de taal van karmozijn. Slechts één keer wordt in een voetnoot bijkomende informatie verschaft. Op p. 35 wordt ‘Matjiesfontein’ verduidelijkt als ‘gehucht in de Grote Karoo’. In hetzelfde gedicht komt ook de term ‘Moordenaarskaroo’ voor. Deze geografische verwijzing wordt niet uitgelegd. Waarom de ene naam wel en de andere niet? Ook in De windvanger wordt af en toe een woordje uitleg gegeven. Is de lezer verondersteld de andere verwijzingen wel te begrijpen? Dat is erg twijfelachtig. Hoeveel lezers weten bijvoorbeeld dat er met de opdracht ‘vir Balthazar’ in het gedicht ‘brief uit die vreemde aan slagter’ cynisch naar Balthazar Vorster, minister van justitie van 1961 tot 1966 en eerste minister van Zuid-Afrika van 1966 tot 1978 verwezen wordt? In Vir die bysiende leser/Voor de bijziende lezer worden in de aantekeningen welgeteld zes begrippen uitgelegd. Het is een al te magere oogst. Waarom ook niet ‘die voorgestelde phalli by die Paarl’ (40) een verwijzing naar het Afrikaanse Taalmonument bij Paarl in de Kaap, ‘Antjie Somers’ (50), ‘Woltemade’ (56), ‘Op die sementplein daar waar ou grootkop op sy adamsappel staan’ (74), een verwijzing naar het standbeeld van J.G. Strydom in Pretoria, ‘Kaart en transport’ (76), ‘mevrou Ples’ (100) of ‘Mapoenghoebwe’ (108) van een uitleg voorzien?Een meer systematische benadering zou aangewezen zijn. Bovendien zijn de verduidelijkingen soms weinig verhelderend. Als de lezer te weten komt dat ‘Matjiesfontein’ een gehucht in de Grote Karoo is of dat ‘Slagtersnek’ en ‘Sharpeville’ plaatsnamen zijn uit de Zuid-Afrikaanse geschiedenis of dat ‘Moselantjie’ een naam is uit een oude Sotho-legende, dan is de informatieve meerwaarde van de extra informatie wel erg beperkt. 

Van Afrikaans naar Nederlands
Hoe zit het met de vertalingen zelf? De Nederlandse vertalingen hebben meestal niet de bedoeling poëtische hertalingen van de oorspronkelijke Afrikaanse gedichten te zijn maar ze proberen de brontekst zo nauwkeurig mogelijk weer te geven. Hoewel de spelling van het Afrikaans sterk afwijkt van het Nederlands en het aantal valse vrienden behoorlijk groot is, is het Afrikaans toch niet zo ver van het Nederlands verwijderd dat het ondoorgrondelijk is. De vertaling dient vanuit deze optiek om de lezer toegang tot het oorspronkelijke gedicht te verschaffen. Wat van de vertaler verwacht wordt, is een poëtische maar correcte vertaling van wat er in de brontekst staat.

Soms lukt dat, in mijn ogen, goed. Gerrit Komrij slaagt erin om zijn vertalingen van de gedichten van Ingrid Jonker in Ik herhaal je (2000) op een hoogstaand poëtisch niveau te tillen. Hij is ook verantwoordelijk voor De schitterende wond, een beperkte selectie uit het dichtwerk van Sheila Cussons. In het voorwoord stelt Komrij zich bescheiden op: ‘De vertalingen zijn niet meer dan handreikingen’ (9); met andere woorden ze zijn geen herscheppingen maar wegwijzers uitsluitend bedoeld om de lezer in staat te stellen gemakkelijker tot het oorspronkelijke gedicht door te dringen. Het is dan ook veelzeggend dat de Afrikaanse gedichten vóór hun Nederlandse tegenhangers zijn opgenomen. Ook Jooris van Hulle kwijt zich in de bundel Met de taal van karmozijn van Riana Scheepers zorgvuldig en creatief van zijn vertaaltaak. In de verantwoording geeft hij aan dat de vertalingen ontstaan zijn in overleg met de dichteres. Hoewel er hier en daar over een vertaling geredetwist kan worden – een ‘plaasdam’ is niet echt een ‘vijver’ (18) en ‘Seekos’ zou beter als ‘zeevruchten’ in plaats van als ‘Zeekost’ (36) vertaald worden – doen er zich geen grote problemen voor.

Naast goede vertalingen zijn er echter ook vertalingen die soms wel ernstig tekortschieten. De vertalingen van De windvanger zijn van de hand van Adriaan van Dis, Laurens Vancrevel en Krijn Peter Hesselink. Een aantal ervan verscheen reeds eerder in Skryt: Om ’n sinkende skip blou te verf en De ongedanste dans; andere werden vertaald ter gelegenheid van de Poetry International-festivals van 1974 en 1983. Krijn Peter Hesselink was verantwoordelijk voor de vertaling van de meest recente gedichten. Naast veel goede weergaves, al kunnen die de poëtische kracht van het Afrikaanse origineel niet evenaren, gaat de vertaler af en toe toch ook zwaar in de fout.  Zo wordt ‘die heuwels word stil en die niét so groen’ (45) vertaald als ‘de heuvels worden stil en niet zo groen’ (44) waar ‘die niét’ natuurlijk ‘het niets’ betekent. ‘Bokveld’ (149) in het gedicht ‘vir die sangers’ is niet ‘het westen’ (148) maar wel de dood. In het Afrikaans betekent de uitdrukking ‘bokveld toe gaan’ of ‘bokveld toe wees’ ‘doodgaan’ of ‘dood zijn’. ‘[V]isioene van alles sal regkom’ (185) uit het gedicht ‘die droomwaak’ wordt omgezet tot ‘visioenen van alles zal recht komen’ (184), een woordomzetting van het veelgebruikt Afrikaanse idioom, dat echter betekent ‘maak je maar geen zorgen, alles zal wel in orde komen’. Vaak wordt er al te woordelijk uit het Afrikaans vertaald; het Nederlandse equivalent heeft dan helemaal niet dezelfde betekenis. Zo is een ‘stamplaas’ (157) geen ‘stamplaats‘ (156) maar wel de oude familieboerderij, is ‘afgekoude optelkos’ (139) geen ‘afgekoelde optelkost’ (138) maar ‘afgekloven en weggeworpen etensresten’, is ‘was my hande óm die son ’n kou’ niet ‘waren mijn handen een koude om de zon’ maar wel ‘vormden mijn handen een kooi om de zon’. Als het Afrikaanse ‘naaktbossie grysland’ (169) met het Nederlandse ‘naaktbomen grijsland’ (168) vertaald wordt dan gaat de Afrikaanse betekenis volledig verloren. Tussen het Afrikaanse ‘bossie’ en een Nederlandse ‘boom’ of ‘bos’ bestaat een wereld van verschil.

Ook in Vir die bysiende leser/Voor de bijziende lezer komen nogal wat dubieuze vertalingen voor. Door in het gedicht ‘Die eland’ ‘die bok’ als ‘de geit’ te vertalen wordt aan de eland, die voor de San een magisch dier was, elke vorm van majesteit ontnomen. Het gedicht ‘Treinrit’ begint met een vraag die over de hele eerste strofe strekt: ‘Wat opdiep as leidraad na dae van son/ver agter al die skemerende plantasies,/opdiep uit ’n kis met ’n kopergrendel/onder die bloedvloer van soveel murasies?’ (76). De vertaling is helemaal verkeerd. In plaats van ‘Wat opdiept als leidraad na dagen van zon […] opdiept uit een kist met een koperen slot’ (77) zou er moeten staan: ‘Wat opdiepen als leidraad naar dagen van zon […] opdiepen uit een kist met een koperen grendel’. ‘[H]oe sal ons tog die gestrengheid van droogtes mis en strakheid nostalgies onthou’ is niet ‘hoe zouden we ons dan nostalgisch de strengheid van droogten, mist en strakheid herinneren’ maar wel ‘hoe zullen we dan de strengheid van droogten missen en de strakheid nostalgisch onthouden’.

Juist vanwege de grote overeenkomsten tussen het Afrikaans en het Nederlands, waarachter dikwijls subtiele betekenisverschillen schuilgaan, moet de vertaler dubbel op zijn hoede zijn. Er staat inderdaad niet altijd wat er staat. Soms bestaan er bovendien geen goede Nederlandse equivalenten voor typisch Zuid-Afrikaanse begrippen. Wat is precies een goede vertaling voor ‘bossie’, ‘dam’, ‘veld’, ‘koppie’ enz.?

In het nawoord van Vir die bysiende leser/Voor de bijziende lezer schrijft Robert Dorsman als verantwoording: ‘Toch is dit een tweetalige uitgave. Het Afrikaans is een taal die misschien op het Nederlands líjkt, maar er verder van afstaat dan velen denken. Ook de bij veel Nederlanders levende even aanmatigende als neerbuigende opvatting van het Afrikaans als ‘dat leuke taaltje’, wordt door deze poëzie – hopelijk ook in de vertaling – gelogenstraft’ (Dorsman 2000: 154). Een voorwaarde is natuurlijk dat de Nederlandse vertaling aan een aantal vanzelfsprekende minimumeisen voldoet en dat is met Vir die bysiende leser/Voor de bijziende lezer geenszins het geval.

Lijfkreet/Verweerskrif, een kleine gevalstudie
In 2006 verscheen onder de titel Lijfkreet de Nederlandse uitgave van de dichtbundel Verweerskrif van Antjie Krog. De vertaling is van Robert Dorsman en Jan van der Haar. De Nederlandse titel roept heel andere connotaties op dan de Afrikaanse. Een letterlijke vertaling had ook gekund. In het Nederlands heeft het woord ‘verweerschrift’ dezelfde betekenis als in het Afrikaans. ‘Verweerskrif’ past perfect bij de inhoud van de bundel, die in het teken staat van het protest tegen het aftakelingsproces van het lichaam en de naderende dood. Het omslag van Lijfkreet, de tekening ‘Pastel’ van Henk van Woerden, heeft niets met de inhoud van de bundel te maken. Dat is helemaal anders met de foto van de torso van een oudere vrouw, gemaakt door David Goldblatt, die het omslag van Verweerskrif siert. Het gebruik van deze foto was in Zuid-Afrika erg controversieel wegens de ontluisterende aard ervan. De eerste en langste afdeling van de bundel brengt juist een onbevangen worsteling met lichamelijke aftakeling en de impact ervan op de huwelijksverhouding.

In de Nederlandse uitgave staan de Afrikaanse gedichten naast de Nederlandse. In de inhoudsopgave valt op dat de titelaanduiding van een aantal Nederlandse en Afrikaanse gedichten verschilt van de oorspronkelijke uitgave. In een aantal gevallen zijn de beginregels van de gedichten als titels gebruikt terwijl in het Afrikaanse origineel niet de volledige regel gegeven wordt. Dit geldt onder andere voor ‘jy vertrek môre’ en ‘je vertrekt morgen samen met’, ‘ek wou ’n ark skep’ en ‘ik wilde een ark in mijn armen scheppen’. In een enkel geval is een woord weggelaten: in de Afrikaanse uitgave is de gedichttitel ‘die helfte van haarself is iemand anders’, in de Nederlandse bundel ‘de helft van haarzelf is iemand’.

De tekst van een aantal gedichten is niet identiek aan die in de Afrikaanse uitgave. Dat is het geval met ‘sonnet van die warm gloede’ dat in de Nederlandse uitgave wezenlijk verschilt van de Afrikaanse versie. Het lijkt erop alsof het gedicht in de Nederlandse uitgave een onafgeronde versie is van het gedicht dat in de Afrikaanse bundel is opgenomen. In afdeling twee is de titel van het eerste gedicht ‘Faksimilee saamgestel deur Jodocus Hondius’ in de Nederlandse versie veranderd in ‘Klare besgryving van Cabo de Bona Esperança’; de aanduiding ‘saamgestel deur Jodocus Hondius’ is als Afrikaanse verduidelijking aan de titel toegevoegd. De gedeelten die in het Afrikaanse gedicht vet gedrukt staan, worden nu niet meer typografisch onderscheiden. Het gedicht ‘die vroue van die “Protestantse Tempel in Papeete”’ is niet opgenomen in de Nederlandse bundel.

Verder zijn er zelfs binnen de Afrikaanse teksten kleine wijzigingen aangebracht: soms zijn er leestekens toegevoegd waar er geen waren en wordt de oorspronkelijke strofe-indeling niet gevolgd. Sommige woorden worden anders geschreven ‘Alzheimers’ (A 17)1 en ‘Alzheimer’ (N 27), ‘Dr Scholls’ (A 30) en ‘Dr Scholl’s’ (N 53); schuingedrukte woorden of delen van woorden uit de oorspronkelijke uitgave worden in Lijfkreet soms niet schuingedrukt. Soms verschillen woordjes: ‘stipendium’ (A 12) en ‘boskasie’ (N 17), ‘has’ (A 21) en ‘had’ (N 35), ‘pis’ (A 24) en ‘pie’ (N 41), ‘’n diep wetenskaplike afleiding’ (A 32) en ‘die diep wetenskaplike afleiding’ (N 55), ‘’n ander lewe te moet hê’ (A 39) en ‘’n ander lewe te wil hê’ (N 71), ‘eens’ (A 55) en ‘eers’ (N 99), ‘was’ (A 62) en ‘is’ (N 111), ‘en blinde ongewerveldes’ (A 85) en ‘of blinde ongewerveldes’ (N 153), ‘verskeur’ (A 92) en ‘bestorm’ (N 167).

Soms wordt er foutief vertaald. Zo zijn ‘die swaels’ (N 13) uit het gedicht ‘sedert’ geen zwaluwen (N 12) maar wel ‘swaelblomme’ of ‘swaelkruid’. ‘[E]k wil rokke dra’ (N 69) uit het gedicht ‘Ode vir ’n ander lewe’ is niet hetzelfde als ‘ik wil rokken dragen’ (68). ‘[O]m van die ouerwordende lyf na Die Dood te spring, word al hoe meer ’n cop-out ding’ (N 33) krijgt in de vertaling precies de omgekeerde betekenis: ‘voor de stap van ouderdom naar dood is geen uitvlucht te groot’ (32). Soms is de vertaling al te verdoezelend zoals ‘Ek kry nie meer piel oor my lippe nie?’ (N 53) uit ‘Manifes van ’n ouma’ en ‘Vroeger lustte ik er wel pap van?’ (52) waar ‘piel’ het mannelijke geslachtsorgaan is. Bij een heel aantal vertalingen of herschrijvingen kunnen vraagtekens geplaatst worden. Waarom wordt ‘afgeleefde geliefde’ (N 11) tot ‘overleden geliefden’ (10), ‘begeerte’ (N 37) tot ‘verlangen’ (36) of ‘die reuk van je tong’ (N 81) tot ‘de smaak van je tong’ (80)?

Soms doen de vertalingen afbreuk aan de taak die Antjie Krog zich als schrijfster gesteld heeft. Het proza en de poëzie van Antjie Krog staan in het teken van menselijke verhoudingen, zowel in de gezinskring als in de maatschappij. Daarmee vertolkt ze het Afrikaanse concept van ubuntu of medemenselijkheid. Zonder toenadering tot de ander, zonder aanvaarding van diens menselijkheid, met alles wat daaruit voortvloeit, zonder liefde en mededogen kan het individu geen vervulling of geluk vinden. De mens kan niet in isolatie leven en wordt slechts volledig mens door en met de anderen. In haar werk onderzoekt Antjie Krog deze wederzijdse afhankelijkheid. In haar poëzie en haar prozawerken staat het concept ‘heelheid’ centraal. Het is de ideale toestand voor het individu en de maatschappij: een staat van volkomenheid en harmonie. Het begrip ‘heel’ telkens door een omschrijving vertalen ondermijnt dit centrale concept in het oeuvre van Antjie Krog. Enkele voorbeelden: ‘Heeltyds heel kon wees’ (N 67) en ‘voortdurend gaaf kon zijn’ (66), ‘dit sal heel wees’ (N 95) en ‘het zal gaaf zijn’ (94), ‘heelmaak bring’ (N 97) en ‘ervoor zorgen dat het beter wordt’ (96), ‘om te verhoed dat jy heelhuids oorhel’ (N 145) en ‘om te voorkomen dat je hachje erbij inschiet’ (144).

In vergelijking met de Afrikaanse gedichten hebben de vertalingen hun poëtische spankracht verloren. Het is zonder meer duidelijk dat de Nederlandse uitgave van Verweerskrif nogal wat vragen oproept.

Tot slot
Uitgevers en vertalers schieten vaak tekort bij het uitbrengen van vertaalde Afrikaanse (en waarschijnlijk ook andere) poëzie. In een aantal Nederlandse uitgaven ervan leiden de onzuiverheden en slordigheden, de fouten en het gebrek aan consistentie waarmee culturele en andere begrippen en verwijzingen behandeld worden, tot heel wat te vermijden betekenisverlies. Er is dringend nood aan een grotere zorgvuldigheid en meer consistentie in de behandeling van de oorspronkelijke teksten. Betere vertalingen met meer respect voor het Afrikaanse origineel kunnen het leesplezier van de Nederlandstalige lezer alleen maar vergroten en een nog overtuigender uithangbord zijn voor de onbetwistbare kwaliteit van de Afrikaanse poëzie.

 

Noten
1 Waar nodig is bij de paginaverwijzingen aangegeven om welke tekst het gaat: A staat voor de originele Afrikaanse uitgave, N voor de Nederlandse vertaling.

Bibliografie
Breytenbach, Breyten. 2007. die windvanger. Kaapstad: Human & Rousseau.

Breytenbach, Breyten. 2007. De windvanger. Gedichten 1964–2006, vertaald [uit het Zuid-Afrikaans en Engels] door Krijn Peter Hesselink, Laurens Vancrevel en Adriaan van Dis, met een nawoord van Laurens van Krevelen. Amsterdam: Podium.

Cussons, Sheila. 2006. De schitterende wond, woord vooraf, samenstelling en vertaling Gerrit Komrij. Amsterdam: Uitgeverij 251.

Du Plooy, Heilna. 2002. ‘Om te vertaal of nie te vertaal nie – die verhouding tussen Afrikaans en Nederlands’, vakTaal, 3:4, p. 12–13.

Jonker, Ingrid. 2000. Ik herhaal je. Amsterdam: Podium.

Komrij, Gerrit. 1999. De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten. Amsterdam: Bert Bakker.

Krog, Antjie 2004. Wat de sterren zeggen, vertaald door Robert Dorsman. Amsterdam: Podium.

Krog, Antjie. 2006. Verweerskrif. Roggebaai: Umuzi.

Krog, Antjie 2006. Lijfkreet, vertaald door Robert Dorsman en Jan van der Haar. Amsterdam: Podium.

Scheepers, Riana. 2001. Met die taal van karmosyn. Kaapstad: Human & Rousseau.

Scheepers, Riana. 2003. Met de taal van karmozijn, vertaald door Jooris van Hulle. Leuven: Uitgeverij P.

Scheepers, Riana en Jooris Van Hulle. 2003. Verstaan my verlangste. 100 liefdesgedichten in het Afrikaans. Leuven: Davidsfonds/Literair.

Stockenström, Wilma. 2000. Vir die bysiende leser/Voor de bijziende lezer, samengesteld, vertaald en van een nawoord voorzien door Robert Dorsman. Amsterdam: Atlas.

Lees meer over: