De duistere hoeken van de donkere kamer    39-50

W.F. Hermans in het Frans, Duits en Engels

Jan Pieter van der Sterre

We schrijven november 1958. Uitgeverij Van Oorschot publiceert De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Het boek slaat in als een bom; publiek en kritiek zijn diep onder de indruk. Naast lof wordt er ook kritiek gespuid, met name op morele gronden. Een van de recensenten meent dat ‘dit een van de knapste romans is, welke de laatste tijd in ons land zijn geschreven. Maar evenzeer de meest perfide roman.’ De levensbeschouwing van het boek is ‘moedwillig cynisch, moedwillig negatief. Juist die moedwil, het opzettelijke maakt dit boek tot een weerzinwekkend produkt.’1 Anderen wijzen het boek af omdat het een verkeerd beeld van het verzet schetst. Naast beoordelingen komen er ook interpretaties. Er wordt met name heel wat afgeschreven over het thema van de onkenbaarheid van de werkelijkheid: bestaat die Dorbeck nu wel of niet?

In 1959 verschijnen er twee herdrukken van De donkere kamer, en als in 1963 de zesde oplaag van de persen rolt, liggen er vertalingen in het Engels, Deens, Noors, Zweeds, Fins en Frans. De Franse vertaling stamt uit 1962 en is van de hand van de Vlaming Maurice Beerblock.2 Hermans had geen goed woord over voor diens La chambre noire de Damoclès.3 Hij zou het boek naar verluidt later in Parijs nog eens aan zijn kapper hebben laten lezen: ‘De beste man haalde er op de eerste vijftien pagina’s al twintig fouten uit.’4 Dat was na de verhuizing van de schrijver naar Parijs, in 1973, op het hoogtepunt van zijn nationale literaire carrière. In later jaren zou hij over zijn emigratie vertellen: ‘Ik heb het eigenlijk al sinds ik voor het eerst van mijn leven het woord Parijs hoorde, toen heb ik gedacht, nou daar wil ik van mijn leven nog eens terechtkomen en dat is mij gelukt.’5

Het ligt voor de hand te verwachten dat Hermans, die droomde van aansluiting bij de Parijse culturele en literaire wereld, meer van zijn boeken in het Frans wilde laten vertalen. Maar hij deed er geen moeite voor, voelde zich gefrustreerd door de eerdere vertalingen en koesterde, haast van nature, een hartgrondige argwaan jegens binnen- en buitenlandse uitgevers. Wie wel pogingen ondernam was vertaler Philippe Noble, die Hermans’ werk aankaartte bij Le Seuil en Gallimard, maar vergeefs. Totdat hij eind jaren tachtig uitgeverij Actes Sud wist over te halen om twee boeken van Hermans te publiceren, waaronder Het behouden huis, door hem te vertalen. Maar Noble overschreed de deadline en verspeelde daarmee het krediet dat hij aanvankelijk bij Hermans genoot. De schrijver stond naar gewoonte op zijn achterste benen, hield zijn voorschot en verklaarde het contract nietig.

In 1992 kwam er nog wel een Noorse vertaling uit van Nooit meer slapen, maar verder bleef het in het buitenland stil rond Hermans. Die stilte duurde tot 2001, zes jaar na de dood van de schrijver, toen in Duitsland Die Dunkelkammer des Damokles verscheen, vertaald door Waltraud Hüsmert en met een voorwoord van Cees Nooteboom. Die vertaling had veel succes, waarna de erven overstag gingen en instemden met een herkansing voor Beyond sleep. Korte tijd later kreeg ook een nieuwe Chambre noire een kans, wel met de eis aan Gallimard om drie vertalers een proefvertaling van enkele tientallen pagina’s te laten maken.

Uiteindelijk verscheen de Franse vertaling in juni 2006 – en net als 44 jaar eerder zwegen de kranten. Alleen in Zwitserland kwam Le Temps met een recensie, waarvan de ondertitel spreekt van ‘een duivelse virtuositeit’. En terwijl het stof al neerdaalde op het boek kwam in januari 2007 Le Monde des livres op pagina 2 met een groot stuk van Milan Kundera over

De donkere kamer van Damokles van Willem Frederik Hermans. Ik weet het, u hebt er nog nooit van gehoord. Ik zou trouwens niet meer weten dan u, als een Nederlandse vriend me niet had verteld over die onbekende grote roman en me erop had gewezen dat hij in het voorjaar van 2006 is uitgekomen bij Gallimard. Hoe is het mogelijk dat ik daar niets van heb gemerkt? Het antwoord is eenvoudig: in de hele Franse pers is er op het boek geen enkele, maar dan ook geen enkele reactie gekomen; geen regel.6 

De Nederlandse vriend die Kundera noemt is zijn vertaler Martin de Haan, die op de vraag van de grote meester of hij een idee had voor een essay in de krant, het boek van Hermans suggereerde. Kundera’s stuk besluit als volgt:

Sinds zijn dood in 1995 eren de Nederlanders hem als hun grootste moderne romancier, en nu leert Europa hem langzaam kennen. Verder weet ik niets van hem. Om enthousiast te zijn over zijn roman was dat ook niet nodig. Kunstwerken worden op de hielen gezeten door een hitsige meute commentaren en toelichtingen waarvan het kabaal de eigen stem van een roman of een gedicht overstemt. Ik heb Hermans’ boek dichtgeslagen met een gevoel van dankbaarheid jegens mijn eigen onkunde; die heeft me een stilte geschonken waardoor ik de stem van deze roman heb kunnen horen in al zijn zuiverheid, in alle schoonheid van het onverklaarbare, het onbekende.7

Prompt besloten diverse goedbedoelende Hermanskenners naar Parijs te tijgen om te pogen Kundera van zijn onbekendheid met de Nederlander af te helpen – vergeefs overigens. En twee maanden later, op 24 maart, vond in de Salon du Livre een rencontre plaats over Hermans: een publieksgesprek met de uitgever, de vertaler en Arnon Grunberg. Het boek liep toen volgens Gallimard redelijk en er waren goede verwachtingen voor Nooit meer slapen, dat op dit moment wordt vertaald, hoewel de uitgever er minder vaart achter zet dan je zou vermoeden.

Inmiddels lijkt Hermans’ buitenlandse opmars in een stroomversnelling te zijn geraakt. In 2007 verscheen er ook een tweede The Darkroom of Damocles, net als Beyond Sleep vertaald door Ina Rilke. De International Herald Tribune en het Times Literary Supplement wijdden er een groot stuk aan. Ook elders is men onder invloed van Kundera’s recensie geïnteresseerd geraakt. Het Productiefonds meldt dat er veel opties en plannen zijn. 

Les chambres noires
De Franse vertaler die uiteindelijk De donkere kamer op zijn bord kreeg, was Daniel Cunin, vertaler van onder meer Van Dis, Moeyaert, Bouazza, Van der Meer en Willem Jan Otten. Hij werd na gedane arbeid ondervraagd door Anna van de Weygaert, die een doctoraalscriptie schreef met de titel La traduction affecte-t-elle l’original?, oftewel ‘Beïnvloedt de vertaling het origineel?’8

Op de vraag van Van de Weygaert hoe hij het werk van zijn voorganger beoordeelt stelt Cunin: ‘In de loop der jaren heb ik een groot aantal Nederlandse vertalingen van voor 1980 bestudeerd. De meeste vertonen dezelfde tekortkomingen: ze maken te veel “lawaai”, terwijl de vertaler behoefte heeft aan stilte. Een van de uitzonderingen is Zuyderzée van Jef Last, de eerste Nederlandse roman die Gallimard ooit heeft gepubliceerd. Als die roman ooit hervertaald moet worden, zou de vertaler ongetwijfeld gebruik kunnen maken van de oude vertaling, want die werd herzien door de schrijver in samenwerking met André Gide (de ingeleverde vertaling bleek zeer matig, werd in feite geheel herschreven door Last en Gide). Anders gezegd, de vertalingen uit die tijd streven ernaar vooral betekenis over te brengen en houden amper rekening met het geheel van de tekst, met wat Henri Meschonnic “continuïteit” noemt.9 Vaak laten ze juist zien wat je niet moet doen – wat op zich overigens nuttig kan zijn. Daarin verschilt de vertaling van Beerblock niet van die van zijn tijdgenoten.’

Een kleine vergelijking van de twee Franse vertalingen is hier op zijn plaats, maar er is een verrassende derde partij in het spel. Pierre Brachin, in de jaren zeventig hoogleraar Nederlands aan de Sorbonne, nam een eigenhandig overgezet fragment van De donkere kamer op in een bloemlezing van de Nederlandse literatuur.10 Zijn keus viel op het verhoor van Osewoudt door Smears, op pagina 255 en verder in het origineel.11

Beerblock, de vertaler van de oudste versie, heeft in het algemeen de meeste woorden en de meeste komma’s nodig. Hij belandt vaak in de welbekende klassieke bijzinnerige Franse stijl, die wij in het Nederlands eigenlijk alleen nog lezen bij Couperus. Zijn vertaling maakt voor onze begrippen inderdaad te veel ‘lawaai’. Brachin is het zuinigst met woorden; zijn vertaling ligt dicht tegen het Nederlands aan. En in de recente vertaling van Cunin is duidelijk gestreefd naar een onvervalst Frans idioom, dat een register hoger ligt dan het Nederlands. Cunin is de enige die iets doet aan het accent van de Engelse spreker (‘vous’ wordt ‘vouh’).

Op dit ogenblik kreeg kolonel Smears een hoestbui. De rechterhand, de toppen van alle vier vingers en de duim op het sigarettenpeukje geklemd, lag machteloos op het bureau; maar met de gestrekte linkerhand klopte hij zachtjes op zijn mond.
– U bent de hoogste instantie door wie ik verhoord kan worden, zei Osewoudt, ik ben geheel onschuldig, ik probeer u op alle vragen een zo volledig mogelijk antwoord te geven. Dat is immers mijn eigen belang. (Hermans, 258)

Le colonel Smears fut pris d’un accès de toux. La main droite, quatre doigts et le pouce masquant le mégot de sa cigarette, reposait, inerte, sur le bureau ; mais, de la gauche, il se tapotait la bouche, à petits coups.
– Vous êtes l’échelon le plus haut par qui je puisse me faire entendre, dit Osewoudt. Je suis innocent ; je m’efforce de répondre aussi compètement que possible à chacune de vos questions. C’est d’ailleurs mon propre intérêt. (Beerblock, 250)

A cet instant, le colonel Smears fut pris d’une quinte de toux. Sa main droite, l’extrémité des quatre doigts et le pouce crispés sur le mégot, reposait sans force sur le bureau, tandis que de la main gauche allongée il se tapotait doucement la bouche.
– Vous êtes la plus haute instance par qui je puisse être interrogé, dit Osenwoudt. Je suis absolument innocent. J’essaie de donner à toutes vos questions une réponse aussi complète que possible. C’est mon propre intérêt. (Brachin, 405)

Ces mots à peine prononcés, le colonel Smears fut pris d’une quinte de toux. Sa main droite, le bout des quatre doigts et pouce crispés sur la cigarette à moitié consumée, gisait sur le bureau ; mais de sa main gauche tendue, il se tapota la bouche.
– Vous êtes le plus haut gradé devant lequel je puisse comparaître, dit Osewoudt. Je suis entièrement innocent, j’essaie de répondre de la manière la plus exhaustive à toutes vos questions. Il en va d’ailleurs de mon intérêt. (Cunin, 377)

Beerblock mist ‘Op dit ogenblik’ (al suggereert de passé simple van ‘fut’ een plotselinge overgang), ‘gestrekte’ en ‘geheel’. De vingers ‘klemmen’ de peuk niet maar ‘maskeren’ hem; ‘machteloos’ wordt ‘inert’: niet helemaal correct. ‘Se tapoter la bouche, à petits coups’ is dubbelop; het woordenboek geeft voor ‘tapoter’ ‘frapper légèrement à petits coups’. ‘Me faire entendre’ is simpelweg onjuist, er staat nu in feite: ‘door wie ik begrepen kan worden’. ‘D’ailleurs’ heeft een andere nuance dan ‘immers’. Dat ‘immers’ blijkt lastig; Brachin laat het weg en Cunin heeft ook ‘d’ailleurs’, maar na ‘Il en va’, dat enigszins in de goede richting wijst. Een mooie oplossing zou hier zijn geweest: ‘N’est-ce pas dans mon propre intérêt?’ Beerblock lijkt kennis van het Frans tekort te komen.

Bij Brachin kunnen we kritiek hebben op ‘mégot’ (zie onder), en op ‘interroger’, dat zwakker is dan ‘ondervragen’; verder ontbreekt het ‘immers’ in de laatste zin en is de spelling van ‘Osenwoudt’ een wonderlijke slordigheid, die herhaaldelijk voorkomt. Brachin kende onze taal erg goed. Wat bij hem enigszins ontbreekt is de grote lijn, de olie tussen de zinnen, die correct, droog en bijna houterig de een na de ander zijn vertaald, maar zonder rekening met elkaar te houden. Hier missen we wat Cunin in navolging van Meschonnic ‘continuïteit’ noemt, de grote lijn, de adem van de tekst. De eerste alinea begint bijvoorbeeld met ‘instant’, de tweede heeft aan het begin ‘instance’: niet fraai. En drie van de zinnen van de tweede alinea beginnen met een vorm van het werkwoord être.

Cunins eerste zin is met ‘Ces mots à peine prononcés’ lichtjes aangekleed. De zin met de vingertoppen begint passend compact, maar de peuk blijkt hier half opgerookt. Dat lijkt een verfraaiing, maar nee, hier is sprake van een creatieve oplossing, want ‘mégot’, waar de twee andere vertalers voor kozen, is volgens het woordenboek een gedóófde peuk, terwijl het ding hier nog brandt. Het woord ‘machteloos’ lijkt te ontbreken, maar ligt half vervat in ‘gésir’, zoals het ‘zachtjes’ in ‘tapoter’ zit. 

Heavily accented Dutch
Door Anna van de Weygaert gevraagd naar de specifieke problemen van Hermans’ boek, noemde Cunin de realia, het gebruik van andere talen, de herhalingen, en de inconsequenties. Laten we die verschillende categorieën eens nader bekijken.

Wat de realia betreft, die vind je in bijna elke vertaling. Zeker bij teksten die al wat langer geleden geschreven zijn kan dat lastige problemen opleveren. In dit geval zou een Nederlander zich kunnen afvragen hoe typisch Hollandse zaken er in een buitenlandse versie uitzien. Hier bijvoorbeeld enkele plaatsaanduidingen in de Duitse en (recentste) Engelse en Franse vertaling:

N (10): ‘Waarom heet deze gracht Oudezijds Achterburgwal? Ik zie nergens een wal.’ ‘Die is er zeker vroeger geweest.’

E: ‘Why is the street along this canal called Oudezijds Achterburgwal? What does it mean?’ ‘It means that this was a rampart in the old days.’

D: ‘Warum heißt diese Straße Oudezijds Achterburgwal? Ich sehe nirgends einen Wall.’ ‘Den hat es hier früher bestimmt mal gegeben.’ [hier boft de Duitse vertaalster]

F doet het met een voetnoot.

Bij ‘station Hollandse Spoor’ voegen de Engelse en de Franse vertaling toe dat het om Den Haag gaat. Voor Westerbork en Lunteren last de Franse vertaling weer een voetnoot in. De Duitse vertaling heeft achterin een woordenlijstje en smokkelt geregeld een toevoeging in, bijvoorbeeld ‘Lager Westerbork’. Ina Rilke deed herhaaldelijk hetzelfde in de Engelse vertaling: ‘Westerbork transit camp’, ‘home-grown Nazi’ (NSB-er), ‘Osewoudt raised his arm to her back in the Nazi salute, muttering: “Houzee”.’ voor: ‘Osewoudt hief zijn hand op tegen haar rug en mompelde: – Houzee.’

Dan het gebruik van andere talen. Hermans citeert Duitsers en Engelsen. Hun woorden zijn, terecht naar mijn idee, onveranderd in de vertalingen opgenomen. De Franse versie geeft soms een vertaling in een voetnoot. Waltraud Hüsmert, de Duitse vertaalster, meldt dat ze haar uitgever had voorgesteld de oorspronkelijk Duitse woorden met een aparte letter weer te geven, maar daar wilde men niet aan.

Lastiger zijn de zware buitenlandse accenten die Hermans Duitsers en Engelsen in de mond legt. Bijvoorbeeld: ‘Zijn wij toch menselijk!’ (148); ‘Voor geen van ons beiden, versta je?’ (208); ‘Ik toevallig ben kolonel Smears, zei hij in het Nederlands, ik ben zeer gelukkig een kleine conversatie met oe te khunnen hebben. (…) Maar eerst een drop van whisky, juist een drop’ (255); [Smears:] ‘Als mijn suppositie juist is, is de chef van Dorbeck gebonden door de Official Secrets Act. Deze houdt in dat hij niemand enige inlichting hoeft te geven over het personeel dat hij employeert’ (259).

Genoemde drie vertalers hebben deze eigenaardigheden niet onder het tapijt geveegd. Logischerwijze is geregeld compensatie toegepast. De Engelse vertaalster, Ina Rilke, meldt bijvoorbeeld naar aanleiding van het derde zinnetje hierboven: ‘Ik heb Smears normaal Engels laten spreken, maar wel “zei hij in het Nederlands” vertaald als “he said in heavily accented Dutch”.’ Pierre Brachin vertaalt diezelfde zin aldus: ‘Je me trouve être le Colonel Smears, dit-il en néerlandais’, met als toevoeging in een voetnoot: ‘Het Nederlands van de kolonel is tamelijk correct, maar zijn uitspraak vertoont een sterk accent, dat we in de vertaling uiteraard niet kunnen weergeven.’ Daniel Cunin heeft: ‘Je suis par chance le colonel Smears, dit-il en hollandais, je suis très content de faire une petite conversation avec vouh.’ (‘par chance’ en ‘faire une petite conversation’ zijn ongewoon.) Waltraud Hüsmert: ‘“Ich zufällig bin Oberst Smears,” sagte er auf Niederländisch, “ich bin sehr glücklich, eine kleine Konversation mit Ihnen haben zu können.”’ (‘zufällig bin’ is een foute volgorde; ‘Konversation’ is gehandhaafd; bij Konversation hoort normaal ‘führen’ en niet ‘haben’.)

Net als de realia vraagt het fenomeen herhaling bij haast elke vertaling speciale aandacht. Wat doet een vertaler als de schrijver tweemaal ‘vederbos’ in een zin gebruikt, tweemaal ‘behouden’, tweemaal ‘nooit’ of tweemaal ‘het’? Hoe minder frequent het woord in de taal voorkomt, des te relevanter zal normaal gesproken de herhaling zijn. Vervolgens kan de vraag zich aandienen of een vertaler, in de geest van Flaubert, ernaar mag streven herhaling binnen de zin of binnen een bepaald aantal woorden te voorkomen als de auteur zelf andere normen hanteert. Schrijver dezes hoort inzake herhalingen niet tot het ras van de rekkelijken, en beoordeelt bij elke tekst opnieuw hoe streng hij zich op moet of mag stellen.

Bij Hermans komen zinnen voor als: ‘Zij was blootshoofds, zij had lang, sluik haar, zij droeg een witte regenjas’ (47); ‘Daarna ging de ene boer weer bij de andere boer staan’ (132). Waarom staat dit hier zo? Is het slordigheid van de schrijver of heeft hij het onderwerp bewust herhaald? Een ander voorbeeld: ‘Twee politiemannen kwamen binnen met een brancard die ze naast Osewoudt neerlegden. Daarna pakten zij hem op bij zijn schouders en voeten en legden hem op de brancard. Terwijl zij de brancard wegdroegen, zag Osewoudt dat Ebernuss de twee kaarten peinzend op het bureau legde.’ Twee woorden (‘legden’en ‘brancard’) die driemaal worden herhaald binnen 45 woorden.

De Engelse, Duitse en Franse vertalers hebben dit soort problemen niet op een systematische manier opgelost. De herhalingen zijn geregeld weggewerkt en soms herhalingen gebleven. Bijvoorbeeld bovenstaande eerste zin, met driemaal ‘zij’: 

E: She was hatless, her hair was long and sleek, and she wore a white raincoat.

D: Sie hatte langes, glattes Haar und trug einen weißen Regenmantel.

F: Elle était tête nue, elle avait de longs cheveux raides, elle portait un imperméable blanc. 

Cobra-principes en slippertjes
Tot slot de inconsequenties. Tja, dat is een hoofdstuk apart. Hermans vertelt in De donkere kamer een verhaal vol actie, dat om een snelle lezing vraagt. De lezer die zijn tempo laat zakken kan behalve genoemde herhalingen nog een massa andere vreemde dingen ontdekken. Inconsequenties, foutjes, slordigheden, hoe moeten we ze noemen? Geniale afwijkingen van het normale taalgebruik? Ikzelf had tijdens het (her)lezen de indruk dat aan deze tekst nooit een redacteur te pas is gekomen. Nu denk ik dat wel vaker, met name bij boeken van de coryfeeën van de twintigste-eeuwse Nederlandse literatuur. K. Schippers stelde in de Volkskrant op 12 juli 2007 in een ander verband dat er volgens hem vroeger helemaal niet werd geredigeerd. Hij had er althans nooit iets van gemerkt. Kan dat kloppen? Of geldt het alleen voor de groten? Was er op de uitgeverijen sprake van luiheid, zuinigheid, onkunde of een overdosis aan vertrouwen of eerbied? Naar aanleiding van De tranen der acacia’s meldde Van Oorschot in een interview: ‘[Hermans] kwam bij mij en ik merkte onmiddellijk dat het belangwekkend was en dat het volgende dat hij zou schrijven het ook zou zijn. Ik gaf het boek uit zonder er een woord in te schrappen of te veranderen.’12 Op de site van Hermans’ Volledige Werken wordt gerept van een gesprek met de persklaarmaakster van de Bezige Bij; daar mogen we uit concluderen dat Hermans’ latere werk in elk geval wel door iemand is geredigeerd (al zou je dat vaak niet zeggen), maar bij De donkere kamer lijkt het achterwege te zijn gebleven.

Ooit poneerde Hermans: ‘Als ik fouten maak, dan dient men te begrijpen dat ik die met opzet maak.’13 Dat lijkt bluf – en dat is het ook, want hij heeft in de loop van de tijd tal van wijzigingen in zijn boeken doorgevoerd. De meeste schrijvers corrigeren vóór de uitgave, Hermans deed het erna. Alleen de laatste versie van zijn werken had voor hem bestaansrecht. ‘Het liefst zou ik willen,’ zei hij, ‘dat de eerste drukken van mijn boeken, eigenlijk alle drukken tot en met de voorlaatste, spoorloos zouden verdwijnen - door de termieten opgevreten.’14 Maar de auteur die geen mus onopgemerkt van het dak wilde laten vallen, blijkt er in de praktijk op de volgende bladzij net zo makkelijk twee mussen van te maken, of een dikke spreeuw.

Hans van Straten was in zijn Hermansbiografie een van de eersten die, bij zijn samenvattingen van de romans, feitelijke slordigheden constateerde,15 met name historische onjuistheden. In tegenstelling tot wat Hermans schrijft was bijvoorbeeld interlokaal telefoonverkeer door de Duitsers onmogelijk gemaakt; en de tram reed ’s avonds na half acht niet meer. Anderen, met name Frans Janssen en W.H.J. Smulders, hebben in hun boeken over Hermans ook wel slordigheden gezien, maar die vervolgens op het bord van Osewoudt geschoven, wiens hoofd in de war is, en tegelijk op het bord van de lezer, die de verwarring in dat hoofd moet voelen.16 Nee, stelde dichter Tonnus Oosterhoff in een vermakelijk, instructief artikel in De Revisor, het hoofd dat werkelijk in de war is, is dat van de schrijver.17

Hermans schreef snel. Toen hij hoorde dat Reve voor een bepaalde tekst achttien versies nodig had gehad, reageerde hij aldus: ‘Daar ben ik te lui voor. Het moet vlug gaan. Ik heb een groot vertrouwen in de werking van het onderbewuste.’ En in verschillende interviews vertelde hij dat hij aanvankelijk was vastgelopen met De donkere kamer, maar uiteindelijk de tweede helft van het boek in ‘een paar weken’ of ‘een week of zes’ op papier heeft gezet.

‘Precies dat razende schrijven,’ betoogt Oosterhoff, ‘maakt De donkere kamer van Damokles tot zo’n buitengewoon boek in de Nederlandse, misschien de wereldliteratuur. Welke schrijver vóór de grote Willem Frederik durfde iets zo ongeslepens, iets zo ruws en kantigs aan de drukpers toe te vertrouwen? Het verhaal ontstáát voor de ogen van de lezer. Hij zit met zijn neus op het schrijven zelf!’ […] ‘Hermans heeft in De donkere kamer de moed gehad spontaniteit toe te laten; hij heeft zo de Nederlandse literatuur verrijkt met Cobra-principes. […] onbeholpen zinsbouw, onaffe gedachten, fouten, onwaarschijnlijkheden. Daartussen prijken, als toevallig, als door genade dooreengelopen kleuren, de meest schitterende vondsten.’ […] ‘Het wemelt van schooljongetjesfantasieën’. […] ‘Een ADHD-jongetje dat nodig moet plassen uit zich niet in welgevormde volzinnen…’ […] ‘Hermans is de draad kwijt. Hij schrijft maar raak.’

Hermans schrijft maar raak. Datzelfde idee had ik over Stendhal, toen ik diens laatste roman vertaalde. Net als Hermans liet hij zich leiden door zijn pen en door het moment. De actie in het verhaal van deze beide schrijvers is maximaal en hun talent zorgt voor voldoende fraaie opmerkingen en geniale passages. Ze horen tot de grote verhalenvertellers die de luisteraar ademloos en met open mond voortsleuren en wier verhaal aan allerlei kanten rammelt als het naar de letter wordt bestudeerd.

Oosterhoffs stuk heet ‘Een ijlroman’. Moet een ijlroman een ijlvertaling krijgen? Ik vroeg me in verband daarmee af: hoe schilder je het beste een Karel Appel na? In drie minuten met een borrel op, of in drie maanden vol dagelijks gepriegel op de millimeter? En wat moet je doen om de Woodstocksolo van Jimi Hendrix na te spelen? Blowen of de hele zaak minutieus uitschrijven? Een ijlvertaling lijkt mij het mooiste, maar daar zal geen uitgever aan willen. Dus wordt het peuteren en piekeren, met speciale aandacht voor ’s schrijvers slippertjes.

Jaren geleden pleitte Hans van Pinxteren tijdens de Vertaaldagen ervoor de schrijver in bescherming te nemen tegen zijn slechte momenten. Hij had dat zelf gedaan bij Balzac, die volgens hem niet overal even geconcentreerd was geweest. In het Nederlands waren die vermeende tekortkomingen dus door de vertaler gecorrigeerd.18 Mij lijkt dat een heilloze weg; wie bepaalt wat correct is en wat niet, wat de schrijver werkelijk heeft gewild of zou hebben gewild? Het eind is zoek. Er valt in zo’n geval op zijn hoogst iets te doen met een voetnoot of een nawoord. En hoort eventuele slordigheid niet bij de tekst? Bij Hermans krijg je het idee dat de roman zijn genialiteit voor een deel zelfs ontléént aan de slordigheden. Dat zou betekenen dat zijn krukkige zinnen krukkig vertaald moeten worden.

Wat zijn het voor slordigheden? Ik heb als Cunins informant een beetje bijgehouden wat ik aan vreemds tegenkwam. Zelfs zonder de hele tekst close te readen kwam ik tot een onafzienbaar lange lijst, met spelfouten (bv. ogenbik, beautyful, tweëenhalve), slippertjes (passim wordt de naam ‘Marian’ op drie verschillende manieren gespeld. Op p. 99: ‘Osewoudt ging staan’, 24 regels later: ‘Osewoudt stond op’. Op p. 331: ‘Selderhorst, Spuybroek, de meneer en de fotograaf hielden de hoofden vlak bij elkaar en keken naar het ene zwarte rechthoekje op die lange strook glashelder celluloïd. Zij waren alledrie [sic] minstens een hoofd groter dan Osewoudt’), en vreemd of onhandig Nederlands (p. 44: ‘Een sigarenwinkelier, lelijke gierige vrouw, zeven jaar ouder dan hij en die hem bedriegt’; p. 86: ‘Tien minuten later belde hij aan de smalle kapperswinkel’; p. 125: ‘Hij was enigszins langs haar heengeschoten, zodat zij bovenop hem viel, maar zijn voeten, vlak naast elkaar, stonden al in haar buik’; p. 152: ‘Ze waren nu ook op de plaats waar de zijweg die naar de heide voerde, uitkwam’).

Wat hebben de Engelse, Duitse en Engelse vertalers met die problemen gedaan? Slordigheid is bijna nergens slordigheid geworden. Bewust lelijke zinnen noteren is inderdaad ook niet makkelijk. De slippertjes werden veelal gecorrigeerd of omzeild, maar niet overal. Wat is er bijvoorbeeld in de vertalingen gebeurd met bovenvermelde zin over het drietal of viertal mannen? 

H: Zij waren alledrie minstens een hoofd groter dan Osewoudt.

E: They were all at least a head taller than Osewoudt.

D: Alle drei waren mindestens einen Kopf grosser als Osewoudt.

F: Ils avaient tous les trois au moins une tête de plus qu’Osewoudt.

De Engelse vertaling werkt het probleem weg, de andere twee handhaven de fout. Op pagina 220 staat de inhoud van een koffer beschreven:

H: Er kwamen vrouwenkleren uit: twee hemden, twee broekjes van witte stof, twee gesteven witte schorten, een zwart, gebreid wollen vest, twee japonnen, van blauw-grijs linnen, zwarte kousen, molière schoenen, een blauwe mantel, een blauwe sluier, zes witte gesteven kapjes met linten eraan. Osewoudt hield de japon omhoog. […] Met zijn ogen dicht trok hij het verpleegstersondergoed aan dat naar lavendel rook, daarna het verpleegstersoverhemd en de overgooier.

Die laatste zin staat twee pagina's verderop. In de tussentijd is Hermans vergeten dat die overgooier en dat overhemd niet bij de inventaris van de koffer genoemd werden. En hoeveel japonnen zijn er eigenlijk? Hier de vertalingen: 

E: It contained women’s clothing: two vests, two pairs of white bloomers, two starched white pinafores, a black woollen cardigan, two slate-blue linen dresses, black stockings, walking shoes, a blue coat, a blue nurse’s veil, and half a dozen white, starched caps with ribbons. Osewoudt held up one of the dresses. […] He shut his eyes as he put on the nurse’s underwear, which smelled of lavender. Then he put on the dress and pinafore.

D: Frauenkleidung kam zum Vorschein: zwei Hemden, zwei weiße Unterhosen, zwei gestärkte weiße Schürzen, eine schwarze Strickjacke, zwei Kleider aus blaugrauem Leinen, schwarze Strümpfe, Halbschuhe, ein blauer Mantel, ein blauer Schleier, sechs weiße gestärkte Hauben mit Bändern daran. Osewoudt hield das Kleid hoch. […] Mit geschlossenen Augen zog er die Schwesternunterwäsche an, die nach Lavendel roch, dann die Schwesternbluse und den Trägerrock.

F: Il en sortit des vêtements de femme: deux chemises, deux culottes blanches, deux tabliers blancs empesés, une veste noire en laine, deux robes en lin gris-bleu, des bas noirs, une paire de richelieux, un manteau bleu, une voilette bleue, six cornettes blanches empesées à rubans. Bras levés, Osewoudt deplia une des robes. […] Les yeux fermés, il passa les sous-vetements d’infirmière qui sentaient la lavande, puis la chemise et la robe chasuble.

Wat zouden dat om te beginnen voor hemden zijn? Het Frans leest het als ‘overhemd’ en lost daarmee het probleem van het verderop plotseling verschijnende overhemd op; met die truc ben ik het niet helemaal eens. Daarna is het wat onhandige ‘broekjes van witte stof’ (in plaats van ‘witte broekjes’; ze zijn toch niet van rubber?) door allen genormaliseerd. Van de ‘blauwe sluier’ maakt het Engels een verpleegsterssluier (wat zou dat overigens zijn)? Ten slotte vertalen Engels en Frans alsof er ‘een van de japonnen’ stond.

Het blijkt dus in de praktijk, en dat moge onze conclusie zijn, een kwestie van schipperen. Per geval wordt bekeken of slordig slordig kan blijven. Ina Rilke: ‘Ik ben er geen voorstander van om elke slordige zin door een even slordige zin te vervangen, het gaat mij vooral om het cumulatieve effect van die zogenaamde slordigheden, namelijk de ontzettende vaart en gedrevenheid die ze suggereren.’19 Daniel Cunin vindt dat de vertaalde tekst op de lezer niet de indruk van onachtzaamheid mag maken. En: ‘De keuzes die je doet kunnen worden gestuurd door je begrip van de tekst als je er volop, in lange sessies, mee bezig bent, een begrip dat soms van een hoger niveau is dan bij gewoon doorlezen, als er een afstand tot de tekst is gegroeid.’ Waltraud Hüsmert zegt stilistische onhandigheden wel verbeterd te hebben, maar heel voorzichtig. Kennelijke schrijffouten heeft ze in ieder geval steeds gecorrigeerd. Maar ‘de vertaler staat tussen de schrijver, lezer, uitgever en redacteur in. Hij moet de belangen van de schrijver behartigen, wat soms inhoudt dat hij fouten verbetert en soms dat hij de originele tekst verdedigt tegenover de redacteur, die bijvoorbeeld een formulering “soepeler” wil maken. Daar moet je steeds weer opnieuw over beslissen.’


Met dank aan Anna van de Weygaert, Ina Rilke, Waltraud Hüsmert en Daniel Cunin.

 

Noten
1 Ben Stroman in Algemeen Handelsblad, 21 februari 1959.
2 La chambre noire de Damoclès, vertaling Maurice Beerblock, Paris: Le Seuil, 1962.
3 Aanvankelijk was de schrijver positief over Beerblocks prestatie, maar toen het boek niet gelezen werd, noemde hij het ineens de slechtste vertaling die ooit verschenen was. Volgens sommigen had Hermans een argument nodig om te verklaren waarom Nooteboom wél in de bibliotheek te vinden was en hij niet. Zie Ad Fransen, W.F. Hermans, een Hollander in Parijs, Amsterdam: Podium, 2005.
4 Idem.
5 Idem.
6 Armada, jaargang 13, nummer 46 (april 2007), p. 90–94.
7 Idem.
8 A.V.D.L. van de Weygaert, La traduction affecte-t-elle l’original, Mémoire de fin d’études; sous la direction du Prof. Dr. F. Schuerewegen, Radbouduniversiteit Nijmegen, 2007.
9 Meschonnic: zie o.a. H.M., Poétique du traduire, Lagrasse: Verdier, 1999.
10 Pierre Brachin, Anthologie de la prose Néerlandaise II, Paris: Aubier Montaigne, 1972.
11 W.F. Hermans, De donkere kamer van Damokles, Amsterdam: Van Oorschot, 198527.
12 F.A. Janssen, Bedriegers en bedrogenen, Amsterdam: De Bezige Bij, 1980, p. 57.
13 Apollo in Brasserie Lipp, Amsterdam: De Bezige Bij, 2001, p. 237.
14 www.willemfrederikhermans.nl
15 Hans van Straten, Hermans, zijn tijd, zijn werk, zijn leven, Soesterberg: Aspekt, 1999.
16 W.H.M. Smulders, De literaire misleiding in De donkere kamer van Damokles, Utrecht: Hes, 1983.
17 Vrij Nederland, 29 oktober 2005 en De Revisor, jaargang 32, nummer 5, oktober 2005. Alle citaten in de volgende twee alinea’s komen uit De Revisor.
18 De tekst van de lezing van Hans van Pinxteren is onder de titel ‘Mag je als vertaler bijsturen? Cousine Bette van Balzac in het Nederlands’ gepubliceerd in Filter, 9:1, p. 55–62.
19 En Ina Rilke lijkt zeker in haar Beyond Sleep in haar opzet te zijn geslaagd, getuige de recensie van Michael Pye in Bookforum van juni–augustus 2007: ‘De stijl zelf is een soort truc. Het begint met vlak proza, maar dan merk je ineens dat je meegevoerd wordt door een stormachtige vaart die voortstuift als een woedebui.’
 

Buitenlandse edities

[De donkere kamer van Damocles. Amsterdam: Van Oorschot, 1958.]
Damokles’ mørke kammer. 1961. Vertaling in het Deens door Else Westh Neuhard. København: Spektrum.

Damokles’ mørkerom. 1962. Vertaling in het Noors door Bjørn Braaten. Oslo: Gyldendal Norsk.

Mörkrummet. 1962. Vertaling in het Zweeds door Brita Dahlman. Stockholm: P.A. Norstedt & Söners.

La chambre noire de Damoclès. 1962. Vertaling in het Frans door Maurice Beerblock. Paris: Seuil.

The dark room of Damocles. 1962. Vertaling in het Engels door Roy Edwards. London/Melbourne/Toronto: Heinemann.

Damokleen pimeä huone. 1963. Vertaling in het Fins door Aune Tunkelo. Porvoo/Helsinki/Juva: Werner Söderström Osakeyhtiö.

Ciemnia Damoklesa. 1994. Vertaling in het Pools door Andrzej Dabrówka. Warszawa: Alfa.

Die Dunkelkammer des Damokles. 2001. Vertaling in het Duits door Waltraud Hüsmert, inleiding Cees Nooteboom. Leipzig: Kiepenheuer.

Die Dunkelkammer des Damokles. 2002. Vertaling in het Duits door Waltraud Hüsmert, nawoord Cees Nooteboom. Frankfurt am Main/Wien/Zürich: Büchergilde Gutenberg.

Die Dunkelkammer des Damokles. 2003. Vertaling in het Duits door Waltraud Hüsmert, nawoord Cees Nooteboom. Berlin: Aufbau Taschenbuch.

O skoteinós thálamos tou Damoklé. 2005. Vertaling in het Nieuwgrieks door Yannis Ioannidis. Athéna: Kastaniotis.

La chambre noire de Damoclès. 2006. Vertaling in het Frans door Daniel Cunin. Paris: Gallimard.

The darkroom of Damocles. 2007. Vertaling in het Engels door Ina Rilke. New York/Woodstock: The Overlook Press.

The darkroom of Damocles. 2007. Vertaling in het Engels door Ina Rilke. London: Harvill Secker.

[Nooit meer slapen. Amsterdam: De Bezige Bij, 1966.]
Aldrig mera sova. 1968. Vertaling in het Zweeds door Brita Dahlman. Stockholm: P.A. Norstedt & Söners.

Nie mehr schlafen. 1982. Vertaling in het Duits door Rosemarie Still. Tübingen: Reiner Wunderlich Verlag Hermann Leins.

Nie mehr schlafen. 1986. Vertaling in het Duits door Rosemarie Still. Zürich: Diogenes.

Aldri sove mer. 1992. Vertaling in het Noors door Eva Paasche. Oslo: Gyldendal Norsk.

Nikoli vec spati. 2002. Vertaling in het Sloveens door Mateja Seliskar. Radovljica: Didakta.

Nie mehr schlafen. 2002. Vertaling in het Duits door Waltraud Hüsmert. Leipzig: Kiepenheuer.

Nie mehr schlafen. 2004. Vertaling in het Duits door Waltraud Hüsmert. Berlin: Aufbau Taschenbuch.

Igavene uni. 2004. Vertaling in het Estisch door Kerti Tergem. Tallinn: Huma.

Beyond sleep. 2006. Vertaling in het Engels door Ina Rilke. London: Harvill Secker.

Beyond sleep. 2007. Vertaling in het Engels door Ina Rilke. New York/Woodstock: The Overlook Press.

Soha többé alvás. 2007. Vertaling in het Hongaars door Krisztina Törö. Pécs: Jelenkor.

Lees meer over: