We kleefden heet tegen elkaar    35-37

Satyrica vertaald

Luc Devoldere

In tijden van hernieuwde aandacht voor de Romeinse geschiedenis (denk aan het succes van Tom Hollands Rubicon, Robert Harris’ roman Imperium, de televisieserie Rome etc.) is een nieuwe vertaling van (alle restanten van) het bijna verloren gegane meesterwerk Satyrica van Petronius een gebeurtenis van de eerste orde. Petronius is naar alle waarschijnlijkheid de etiquettemeester en maître des plaisirs (elegantiae arbiter) van keizer Nero, die bepaalde wat men aan het hof trendy moest vinden. Hij viel in ongenade, hield de eer aan zichzelf en zou te midden van het vertellen van grappen en wufte liedjes zijn eigen dood regisseren. Vincent Hunink verving de vertaling van A.D. Leeman uit 1966, en dat was nodig, hoe verdienstelijk die ook was. Binnen dertig jaar zal het Huninks lot zijn.

De roman stamt hoogstwaarschijnlijk uit het midden van de eerste eeuw na Christus. Hij speelt zich af in de baai van Napels en Zuid-Italië. Wellicht moeten we de plaats van het souper bij Trimalchio – zowat het langste, coherente fragment uit de roman, dat een vreetpartij met special effects beschrijft bij een omhooggevallen parvenu – in Puteoli (nu Pozzuoli) plaatsen, havenstad aan de noordkant van de baai van Napels. Aan tafel schuiven de helden van dit picareske verhaal: de verteller Encolpius en zijn spitsbroeder Ascyltos, die strijden om de gunsten van een schandknaapje Giton, en een verlopen leraar in de welsprekendheid met de martiale naam Agamemnon. In andere fragmenten verschijnt ook een oudere, aan lager wal geraakte dichter die Eumolpus heet, ‘de goed zingende’. Deze heerschappen hebben Griekse namen, maar spreken Latijn: het Latijn van de straat. De roman van Petronius is een van de weinige bronnen voor onze kennis van dit Volkslatijn. We wandelen niet over het forum en luisteren evenmin in de senaat naar redevoeringen maar verzeilen in stegen en bordelen, ruiken de zelfkant van de Romeinse samenleving, vangen de tussentaal op die daar gesproken wordt. Die kans krijg je zelden in de antieke literatuur. Het is altijd raden geweest naar hoe de Romeinen echt spraken op straat, en dan is deze gehavende Petronius een betere gids dan de televisieserie Rome.

Er zijn van de schelmenroman van Petronius enkel brokstukken bewaard, nog geen zesde van wat het boek ooit geweest moet zijn, en wellicht minder. Zelfs de verhaallijn van deze road movie is niet echt duidelijk: is de vervloeking door Priapus – een vruchtbaarheidsgod, afgebeeld als een groteske fallus, die Encolpius met impotentie slaat – de rode draad van de peripetieën? En is het boek een parodie op de Griekse sentimentele liefdesroman waarin Eros of Afrodite een sleutelrol speelt? En op de Odyssee waarin de toorn van een god (Poseidon) ook de draad van het verhaal levert? Is de titel een verwijzing naar het genre van de Menippeïsche satire, een hybride genre uit de Latijnse literatuur waarin proza met poëzie wordt vermengd, of toch een verwijzing naar de inhoud waarin geile saters en andere brutale vlerken de dienst uitmaken?

In deze zedenschets is in elk geval niets wat het lijkt: achter alles gaat iets anders schuil, net zoals de pauweneieren op het souper van Trimalchio van… deeg blijken te zijn. Alles is complot, alles wordt voorgewend. Alles is (na)gemaakt, geconstrueerd, zoals de ingewanden van een opengesneden varken blijken te bestaan uit… worsten. Alles is ambigu; kennis is halve kennis, cultuur is nageprate cultuur: een klok die beiert zonder dat men de klepel weet hangen; wijsheid bestaat uit clichés, toogpraat. In de kunst wordt de teloorgang van de kunst betreurd: in verzen waarvan men niet weet of het nu pastiches zijn of onmacht zelf. Zo bevat de roman een gedicht over de Val van Troje, een onderwerp waarvan we weten dat ook Nero zich eraan gewaagd heeft. Men geselt het verval van welsprekendheid in een vorm die haar vervaldatum zelf heeft overschreden. Intussen probeert iedereen ergens te geraken: aan eten, geld, seks.

Hoe vertaal je een roman in flarden, vol parodieën en pastiches? Hoe laat je de man uit de straat spreken? Het maakt van elke vertaling van de Satyrica een huzarenstuk. Ik geef één voorbeeld. Van een gedicht. Twee vertalers: Leeman en Hunink.  

Hemelse goden, welk een nacht!
Hoe was het bed ons zwoel en zacht!
Drinkend elkanders ademjacht
wensten we ’s levens last te derven
en deze zoete dood te sterven.

Dat wordt bij Hunink tekstgetrouwer, preciezer en opwindender:

Grote goden, wat een nacht!
Zo’n heerlijk bed! We kleefden heet
tegen elkaar en lieten de zielen
overspringen van lip op lip.
Vaarwel dus, sterfelijke zorgen!
Ik had er wel in willen blijven.

Ik mis alleen ‘errantes’ bij die zielen: ze zijn zwervend, delirerend. De kus als een overdracht van zielen is een topos sinds een Grieks epigram dat aan Plato wordt toegeschreven. Hunink noemt de vertalingen van Leeman gekenmerkt ‘door een badinerende toon, die voortkomt uit een te geringe dunk van de originelen’. Badinerend zou ik bovenstaande vertaling van Leeman niet noemen, maar de geringe dunk van het origineel heeft inderdaad de frisheid en onbevangenheid van het versje opgeofferd aan een onnodig plechtig gerijm.

Hunink heeft spelfouten, dialect en streekgebonden woordgebruik in de passages waar volkse types plat Latijn spreken bewust vermeden: ‘Het gevaar van een ál te spreektaalachtige weergave is dat de vertaling snel veroudert. Het zou mooi zijn als deze vertaling ook weer een jaar of dertig meekan. Ik ben daarom in deze passages minder ver gegaan dan ik kon en soms ook graag wilde.’ Dat is soms jammer. Zo is Echion – een wandelend vat vol gemeenplaatsen en bekrompenheid – bij Leeman een voddenkoopman (‘lompenkoopman’ in de vertaling van Paul Van de Woestijne uit 1944) maar bij Hunink een gewone klerenhandelaar. De waterpot van Leeman is een vieze kamerpot geworden bij Hunink, maar Van de Woestijne heeft de meest treffende vertaling: die piespot van een wijf (matella). Met wat meer durf had er hier en daar iets meer in gezeten.Temeer omdat heel wat woorden onvaste betekenissen hebben en wat marge laten: zo is een stel dwergen bij Leeman een paar sjonnies bij Hunink (cadeeën bij Van de Woestijne), maar je kan evengoed aan kleerkasten denken of body guards. Maar laat mij wel wezen: in zijn geheel is deze vertaling te prijzen. Ze geeft ons de ravissante flarden terug van een boek dat onze tijd een onbedoelde spiegel aanreikt.

Als er een moraal is in deze roman, dan deze: toon de wereld zoals hij is, bevolk hem met parvenu’s, blaaskaken en ijdeltuiten. Laat seks zien als het krachtigste incentive. En doe het allemaal dansen. De stijl is de aanklacht.

Petronius, Satyrica. Vertaald en toegelicht door Vincent Hunink. Amsterdam: Athenaeum–Polak & Van Gennep, 2006.