Gezakt voor het morele examen    38-40

Ruben Verhasselt

Wie de essaybundel Kijken in de spiegel openslaat, stuit meteen op een leugen van de Wereldbibliotheek: ‘Met instemming van de auteur uit de geautoriseerde Franse uitgave vertaald door Floor Borsboom.’ De Franse vertaling van slechts een van de drie essays was geautoriseerd. Het gaat om ‘Mijn recht en jouw recht’, een bewerking en actualisering van een oud opstel dat al in 1983 onder de titel ‘Het recht van de een en het recht van de ander’ in de Nederlandse vertaling van L. Waterman is verschenen in A.B. Jehoshua, Naar een normaal joods bestaan (Amphora Books, 1983). De Franse vertaling van de twee andere essays, ‘Een structurele verklaring van het antisemitisme’ en ‘Heeft de zionistische revolutie een toekomst?’, komt geheel voor rekening van Denis Charbit, een zionistisch politicoloog die werkzaam is aan de universiteit van Tel Aviv. Hij schreef ook nog een nawoord in de Franse uitgave (Israël: un examen moral, Evene, 2005).

Hoe komt de Wereldbibliotheek er nu bij om Hebreeuwse essays uit het Frans te laten vertalen? Wel, het gaat in eerste instantie om een dom misverstand. De drie essays zijn in het Hebreeuws niet gezamenlijk in boekvorm verschenen. Daarom had Yehoshua’s agent de Wereldbibliotheek laten weten dat een Nederlandse uitgave dezelfde stukken zou moeten bevatten als de Franse. Dat is blijkbaar verkeerd begrepen als opdracht of toestemming om die stukken dan ook maar uit het Frans te laten vertalen, en toen Yehoshua het misverstand probeerde recht te zetten, was het te laat.

Kijken in de spiegel werd zo een slechte vertaling van een amateuristische vertaling van één oud en twee nieuwe, niet al te heldere essays, en als de uitgever op de achterkant van het boek de ‘heldere taal en krachtige argumenten’ roemt, jokt hij alweer. Denis Charbit valt als vertaler en als zionistisch politicoloog door de mand als hij de titel van het belangrijke werk Erets ha-tsevie van Arjee Eliav, voormalig secretaris-generaal van de Arbeidspartij, vertaalt als ‘Land van het hert’. Hij kent blijkbaar zijn klassieken niet. Je kunt je zelfs afvragen of Yehoshua zijn klassieken kent, want de blunder staat in het ene essay waarvan de Franse vertaling is geautoriseerd door de schrijver. Borsboom neemt die dan ook klakkeloos over. Tsevie kan in het Hebreeuws inderdaad ‘hert’ betekenen, of om preciezer te zijn ‘gazelle’. Maar in de Bijbelse uitdrukking erets ha-tsevie, een koosnaam voor het Heilige Land, is tsevie ‘schoonheid’ of  ‘sieraad’. De profeet Ezechiël heeft het over een land dat vloeit van melk en honing en dat een sieraad (tsevie) is onder alle landen (Ez. 20:6 en 15). De profeet Daniël noemt datzelfde land dan ook ‘het land des sieraads’ (erets ha-tsevie)  in Dan. 11:16 en 41. Het heeft allemaal niets met herten, gazellen of wat voor herkauwers dan ook te maken.

Had Floor Borsboom me maar even geraadpleegd. Dan had ik haar spelling van de voor- en bijnaam van Eliav verbeterd, de transcriptie en de vertaling van de Hebreeuwse boektitel gecorrigeerd en misschien in één moeite door een kleine toevoeging voorgesteld bij de naam Eliav, een van de eerste pleitbezorgers van een tweestatenoplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict. Bovendien had ik haar zelfs een exemplaar van Naar een normaal joods bestaan uitgeleend, wat haar heel wat werk had bespaard en een betere vertaling had opgeleverd.

Koddig is een ander probleem dat Borsboom in ons kikkerlandje heeft met hertenlandje Palestina. De gangbare Hebreeuwse benaming voor Palestina is Erets Jisrael: ‘het land van Israël’ oftewel ‘het land van het joodse volk’. Borsboom handhaaft een paar keer de Hebreeuwse uitdrukking Erets Jisrael. Een aantal keren vertaalt ze die foutief als ‘het land Israël’ en als dat haar te omslachtig wordt, heeft ze het kortweg over Israël. Zo lezen we: ‘Rabbijn Nachman van Bratslav, die in Israël arriveerde en onmiddellijk weer vertrok…’ Wie een klein beetje thuis is in de joodse geschiedenis weet dat deze rabbijn Nachman nooit in Israël is geweest omdat Israël in zijn tijd nog niet bestond. Wel heeft hij in 1798 een bezoek gebracht aan Palestina. Zo lezen we ook: ‘Maimonides zou Saladdin waarschijnlijk hebben gesmeekt om de joden het recht te verlenen zich in Israël te vestigen, dat hij net had veroverd.’ Ach ja, Saladdin veroverde Jeruzalem en gaf de kruisvaarders in het Heilige Land flink hun vet, maar dat was toch echt vele eeuwen vóór de stichting van de staat Israël (1948) en zelfs nog meer eeuwen na de val van het koninkrijk Israël (722 v.C.).

Geestig vond ik het volgende citaat: ‘Alsof, volgens de beroemde uitspraak van Saädja ben Josef, gaon (rector) aan de talmoedacademie in Soera, “Israël alleen door zijn wetten bestaat.”’ Volgens mij is het de enige keer dat in Borsbooms vertaling het woord ‘Israël’, misschien zelfs zonder dat ze er erg in heeft, wordt gebruikt in de betekenis van ‘het joodse volk’ en niet in die van de staat Israël of abusievelijk voor het land Palestina/Erets Jisrael. En omdat de Nederlandse lezer weer geen jaartallen krijgt voorgeschoteld, zou hij kunnen denken dat volgens deze ‘rector’ het bestaan van de joodse staat uitsluitend stoelt op de Israëlische grondwet. Maar Israël heeft geen grondwet en in werkelijkheid gaat het om iets heel anders. Yeshayahu Leibowitz citeert de bewuste ‘rector’ wel correct in Het geweten van Israel (Arena, 1993). Hij schrijft: ‘De betekenis van de uitspraak van rabbijn Sa’adja Gaon (ongeveer duizend jaar geleden) – “onze natie is slechts een natie door haar Tora” – was niet normatief, maar empirisch: de vaststelling van een historisch feit.’ De vertaler uit het Hebreeuws verklaart bovendien in een noot: ‘Sa’adja Gaon (882–942), leider van de joodse gemeenschap in Babylonië, gezaghebbend rabbijn, filosoof en vertaler van de Bijbel in het Arabisch.’

Er staan nog veel en veel meer fouten en ongerijmdheden in Kijken in de spiegel, die we Floor Borsboom, Denis Charbit en A.B. Yehoshua en bovenal uitgeverij Wereldbibliotheek kunnen aanrekenen. Het meest stuitend vind ik nog wel dat Borsboom een paginalang citaat uit het verhaal ‘Met het gezicht naar de bossen’ van Yehoshua vertaalt uit het Frans. Blijkbaar wist zij noch de redacteur van de Wereldbibliotheek dat dat verhaal al lang geleden onder de titel ‘Met het oog op de bossen’ is verschenen in het Nederlands: in Abraham B. Jehoshua, Drie dagen en een kind (Amphora Books, 1982), in een vertaling van Maartje van Tijn. In het citaat gaat het om een bos van het Joods Nationaal Fonds dat is aangelegd op een verwoest Palestijns dorp. Het bos zal in brand worden gestoken door een ‘stomme’ Arabier – hij kan niet meer praten sinds ze in de oorlog van 1948 zijn tong hebben afgesneden –, afkomstig uit het verwoeste dorp. ‘Die Arabier is een rustige man, niet?’ vraagt iemand. ‘Ongelooflijk rustig,’ luidt het ironische antwoord van iemand die weet dat de Arabier niet kan praten. In de vertaling van Borsboom hebben we een bos waaronder een ‘verlaten’ dorpje verborgen ligt. Blijkbaar is het niet verwoest door de Israëli’s maar spontaan verlaten door de Palestijnen. De ‘stomme Arabier’ is een ‘stille Arabier’ geworden. Blijkbaar heeft hij zijn tong nog. ‘Die Arabier is een vreedzaam man, nietwaar?’ vraagt iemand. En het antwoord luidt: ‘Buitengewoon vreedzaam.’

Alles welbeschouwd is Kijken in de spiegel zo een volkomen overbodig, slecht en warrig boek geworden. En eigenlijk was het dat in het Hebreeuws al. Want Yehoshua spreekt in het begin van de bundel over ‘mensen zoals ik, die zich in hun onderzoek niet aan een duidelijk omschreven historische periode of aan de eis van wetenschappelijke nauwkeurigheid hoeven te houden’. Als een schrijver vindt dat hij zich in een ‘structurele analyse van het antisemitisme’ niet aan de eis van wetenschappelijke nauwkeurigheid hoeft te houden, waarom zouden we dan wel wetenschappelijke nauwkeurigheid van zijn vertalers en zijn uitgevers verwachten?

Volgens de flaptekst van Kijken in de spiegel, uitgekomen in mei 2006,stelt Yehoshua vast dat ‘alleen moreel zelfonderzoek de Israëli’s een oplossing kan bieden voor het conflict met de Palestijnen’. Ja, ja. Mooie woorden voor een man die zich niet lang daarna, onder andere samen met collega’s Amos Oz en David Grossman in een advertentie in de Israëlische pers, hard heeft gemaakt vóór de oorlogen in de Gaza-strook en Libanon. ‘Eindelijk een rechtvaardige oorlog!’ roept Yehoshua uit in de Haaretz van 21 juli 2006. Zou hij zelf nog wel eens in de spiegel kijken?

A.B. Yehoshua, Kijken in de spiegel. Over verzoening, identiteit en de toekomst van Israël. Vertaald uit het Frans door Floor Borsboom. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2006.