Walter Benjamin    35-41

Een principiële briefwisseling over vertaalkritiek

Henri Bloemen
Vertaling: Henri Bloemen

Literair vertalers zal de situatie die in beide onderstaande brieven gedocumenteerd wordt bekend voorkomen: een vertaling verschijnt en wordt in kranten en tijdschriften besproken; maar bij nader inzien blijkt niet de vertaling besproken te worden maar veeleer het origineel dat op wonderlijke wijze van taal veranderd blijkt te zijn. Hooguit in de beruchte laatste alinea willen nog wel eens uitspraken van het oordelende of veroordelende type voorkomen, die meestal eerder de vertaalideologie van de recensent te kennen geven dan dat ze zouden getuigen van zijn vermogen om een vertaling op waarde te schatten.

Dat lijkt ook hier het geval: Op 18 mei 1928 verscheen in het literaire weekblad Die Literarische Welt een recensie van een toen onlangs verschenen Duitse vertaling van de Pensieri van Giacomo Leopardi. De bespreking is van de hand van Walter Benjamin, bij ons nu vooral bekend vanwege zijn (in mijn ogen onuitputtelijk) essay ‘De opgave van de vertaler’, maar destijds een bekende recensent met een grote voorliefde voor vertalingen. In zijn bespreking van die Pensieri-vertaling van Richard Peters lijkt Benjamin echter niet alleen aan het boven aangehaalde cliché te beantwoorden – hij rept met geen woord van de vertaling –, hij valt bovendien in de laatste alinea ook nog de vertaler aan omdat die een vertaling van de Pensieri uit 1922 niet in het bibliografisch overzicht bij zijn vertaling opgenomen heeft. Wat de vertaler al te gortig vond en hem tot onderstaande reactie dreef. Het antwoord van Benjamin heeft in eerste instantie iets van een zelfverdediging – was zijn aanval immers niet op grond van een pietluttigheid gebeurd? – maar de onderscheidingen die hij later in zijn brief maakt zijn toch de moeite van het registreren waard, al zullen veel vertalers ze niet per se op gejuich onthalen.

Benjamin publiceerde deze briefwisseling twee maanden later in Die Literarische Welt van 27 juli 1928 onder de titel ‘Ein grundsätzlicher Briefwechsel über die Kritik übersetzter Werke’. Richard Peters nam Benjamins bibliografische oprisping ter harte en vermeldde bij een heruitgave van zijn vertaling in 1951 de toentertijd vergeten vertaling van zijn voorgangers. 

I.

Aan dr. Walter Benjamin, Berlijn                                                      Göttingen, ...

Hooggeachte doctor,
(...) Het is mij inderdaad ontgaan dat er bij uitgeverij Reclam een Pensieri-vertaling van Gustav Glück en Alois Trost bestond, en ik neig er heel erg toe de verdienstelijke Reclam-selectie de eer te bewijzen die haar toekomt. Aan mijn vertaling van de Pensieri ben ik al in 1921 begonnen, dus nog voor het verschijnen van de andere vertaling. Dat ik haar pas nu kon publiceren is te wijten aan de moeilijkheden die zulke werken hebben om een uitgever te vinden. – Ook al maken mijn bibliografische notities geen aanspraak op volledigheid, toch hebt u het goede recht om aan te stippen dat ik de zeker verdienstelijke publicatie van Glück en Trost niet gekend en niet vermeld heb. Maar deze vertaling, die ik intussen ingekeken heb, geeft m.i. enkele van de belangrijkste passages uit de Pensieri nogal gehavend weer (bijvoorbeeld op p. 104: ‘i giovani (...) si fanno ribelli agli educatori’ met ‘verzetten zich tegen hun opvoeders’ en ‘avrebbero potuto regolarlo’ met ‘het jeugdige temperament te beteugelen’) en over het algemeen ontbreekt aan de zinsbouw en de stijl ook de typische Italiaanse charme van Leopardi’s taal. – Voor een klein vergrijp van mij hebt u, beste doctor, zeventien regels nodig, maar voor een stellingname of een kritiek ten aanzien van mijn vertaling hebt u niet één woord over. Ik kan daarin onmogelijk een loyale manier van boekbespreken herkennen. Voor mij is dit des te pijnlijker omdat ik voor u persoonlijk en voor uw literaire productie nog altijd het allergrootste respect heb en ik ook met elk van uw heerlijke woorden over Leopardi kan instemmen. Misschien vindt u het zelf gerechtvaardigd dat ik u verzoek om nog een keer in enkele korte bewoordingen op het nieuwe en eigene van mijn vertaling in de L(iterarische) W(elt) terug te komen.
Met de meeste hoogachting,
Dr. Richard Peters 

 

II.

Berlijn, ...

Hooggeachte dr. Peters,
Ik wil graag antwoorden op uw schrijven, temeer daar het twee vragen van principieel belang opwerpt. De eerste vraag wil ik als volgt formuleren: hoe moet een bibliografische notitie beoordeeld worden die – zoals in uw geval – het enige werk van belang op haar eigenste gebied over het hoofd ziet? Voordat ik een antwoord geef, een voor de hand liggend excuus: ‘Een vertaling is geen wetenschappelijk werk. Dat een Leopardi-vertaler niet weet dat er al een vertaling van een voorganger bestaat, kan hem evenmin verweten worden als een romancier die een boek over Karel de Grote schrijft en een belangrijk werk over hem over het hoofd ziet.’ Het voor de hand liggende tegenargument zou kunnen luiden: dat mag het geval zijn voor poëzievertalingen, maar niet voor prozavertalingen, en zeker niet voor vertalingen van filosofische geschriften. Op zo’n argumentatie wil ik echter niet ingaan, maar integendeel klaar en duidelijk uitspreken: een vertaling is een werk dat behalve aan bepaalde andere maatstaven ook aan die van de wetenschap moet voldoen. Zij is een van die vrij talrijke disciplines die de wetenschap op de kunst toepassen, net zoals andere disciplines haar voor de industrie of de architectuur ten nutte maken. In elk van die gevallen ontstaat een techniek die aan strenge wetenschappelijke wetten onderworpen is om zelf buitenwetenschappelijke doeleinden te dienen. Zo bezien is vertalen een filologische techniek die haar hulpwetenschappen heeft. De bibliografie is er daar één van. Het belang ervan neemt in dezelfde mate toe als de boekenproductie stijgt. Nu zijn er weinig dingen zo karakteristiek voor de kritieke toestand van de wetenschap als het feit dat dit toenemend belang van de bibliografie hand in hand gaat met de sinds jaren dalende aandacht ervoor. In het geval van uw Leopardi-vertaling – het niet-kennen van de vertaling van Glück die een groot deel van het door u gepresteerde al voor u en, neemt u me niet kwalijk dat ik ondanks uw oprispingen bij dat standpunt blijf, niet slechter gepresteerd heeft – was het tegen de achtergrond van bovenstaande overwegingen betekenisvol dat daarop gewezen werd. Ik improviseer hier niet, ik heb me vroeger al eens bij een heel andere gelegenheid en met een heel ander aplomb over deze dingen uitgelaten. En ik zal ook in de toekomst wat deze dingen betreft des te aandachtiger zijn naarmate niet alleen auteurs maar ook recensenten steeds minder zin hebben om zich met zulke dingen bezig te houden. Met alle respect overigens voor inhoudelijk werk. De bibliografie is zeker niet het geestelijke gedeelte van een wetenschap. Maar in de fysiologie ervan speelt ze een centrale rol, ze is niet haar zenuwstelsel, maar wel haar bloedsomloop. Met bibliografie is de wetenschap groot geworden en ooit zal blijken dat haar huidige crisis voor een groot deel van bibliografische natuur is.

‘Nu,’ zegt u, en u stelt daarmee de tweede principiële vraag, ‘een recensent die de bibliografie zo au sérieux neemt, zal de vertaling toch even au sérieux moeten nemen. Maar u hebt voor mijn vertaling geen woord over.’ In beide gevallen hebt u gelijk. De verklaring is eenvoudig. De grote meerderheid van alle vertalers heeft geen andere bedoeling dan een anderstalig werk toegankelijk te maken voor de Duitse lezer. Het gaat daarbij vaak genoeg om waardeloze dingen. De criticus doet er zijn woord aan toe door dat vast te stellen. Niemand zal van hem verlangen dat hij zo’n vertaling ook nog eens doorneemt. Omgekeerd staan de zaken echter bij uw Leopardi. Hier is het werk van uitmuntend belang; de vertaling waarin het hier verschijnt, is een evenwichtig, onproblematisch werk. Door de vormgeving maak ik duidelijk dat deze recensie uitsluitend over Leopardi gaat (zoals de daarop volgende uitsluitend over George Moore), de bibliografische opmerking volgt als een soort postscriptum. Het intensieve ingaan op de auteur, zoals ik dat in uw geval doe, is toch altijd tegelijk een eerbewijs aan het adres van de vertaler geweest. Helemaal anders is het gesteld met een derde klasse van werken waarvan de vertaling zich als risico, als gevaarlijk waagstuk aandient. Een type van deze klasse was de Duitse Proust die door verschillende auteurs, waaronder als laatsten Franz Hessel en ikzelf, werd gepresenteerd. Tegenover dergelijke werken komt het zwijgen van de recensent problematischer over. Maar ook toen hebben respectabele tijdschriften als de Literarische Welt en de Weltbühne uitvoerige recensies gebracht die uitsluitend op het origineel ingingen. Zolang er geen internationaal vaktijdschrift voor vertalingen is – wat dringend gewenst is – zal in de meeste gevallen het principe Qui tacet consentire videtur wel terecht gelden. Met het bovenstaande, geachte doctor, heb ik u de intentie van mijn bespreking willen verduidelijken. Ik ben ervan overtuigd dat de lezers die allang juist opgevat hadden door in vertrouwen uw uitgave te kopen.
Met de meeste hoogachting,
Walter Benjamin
(Vertaling HB)

Waarom vermoed ik dat veel vertalers Benjamins antwoord niet op gejuich zullen onthalen? Natuurlijk uit solidariteit met hun arme collega, maar meer nog omdat veel vertalers bij het minste metatalige, vertaalwetenschappelijke gerucht dat ze ontwaren mateloos geïrriteerd raken. Dat doen ze in de naam van: intuïtie, talent, ervaring, kunst, auteurschap. Want vertalen is volgens hen alles behalve een wetenschap. De producten van vertalers kunnen hooguit dienen als empirische objecten voor een wetenschappelijke benadering – achteraf, na het vertaalwerk. Voor de rest moet die wetenschap zo ver mogelijk van hun bed blijven. ‘Luizen in mijn pels’, heeft een vertaler vertaalwetenschappers ooit genoemd, en daarmee niet alleen die irritatie goed uitgedrukt, maar ook, de natuur van die beestjes indachtig, de hardnekkigheid van het probleem.

En dan staat Walter Benjamin daar met zijn bewering dat een vertaling een werk is ‘dat behalve aan bepaalde andere maatstaven ook aan die van de wetenschap moet voldoen’. Het is duidelijk dat Benjamin hier niet beweert dat het vertalen een of andere afgeleide van de filologie zou moeten zijn of dat vertalen zou moeten voldoen aan de idee die filologen doorgaans van dat métier hebben; hij wil het oude filologische vertalen niet in ere herstellen. Wat hij wel zegt is: de voorbereiding van een vertaling, de omgang met de te vertalen tekst, het tot stand komen van de vertaling, de vertaalkeuzes zelf, kortom alles wat men het vertaalproces noemt, moet aan wetenschappelijke maatstaven voldoen. Niet, wel te verstaan, om een wetenschappelijk product te maken, maar om een ‘buitenwetenschappelijk’ doel – een goede vertaling? – te bereiken. Net zoals een architect de streng wetenschappelijke wetten van de zwaartekracht, de materiaaleigenschappen en het werk van zijn voorgangers op een bepaald gebied moet kennen om een ‘mooi gebouw’ neer te zetten. Tot die ‘streng wetenschappelijke’ voorbereiding behoort volgens Benjamin ook een verantwoorde bibliografering van bijvoorbeeld reeds bestaande vertalingen van de brontekst (met welke eis goede vertalers ook onder tijdsdruk geen moeite zullen hebben). Daartoe behoort ook een consequente omgang met het hele intussen ter beschikking staande heuristische apparaat, wat ook niet moeilijk is. Moeilijker wordt het als de vraag opgeworpen wordt – wat ik bij deze doe – of ook de vertaalwetenschap uit die achteraf-positie gehaald moet worden en een plaats ‘voor’ de vertaling moet krijgen? Ik antwoord niet meteen met ja, maar geef ter overweging of de vertaalwetenschap niet een nuttig instrumentarium kan bieden waarmee men die bestaande vertalingen zou kunnen analyseren om zodoende een achtergrond te creëren waartegen de eigen vertaling op een verantwoorde wijze, dat wil zeggen niet op de ijdele gronden van een puur anders-willen-zijn, haar plaats zou kunnen krijgen? Want enkel met het bibliografisch registreren van bestaande vertalingen is de klus natuurlijk niet geklaard. Zo’n tak uit de vertaalwetenschap als de descriptieve vertaalwetenschap, die zichzelf bescheiden in het achteraf van de vertaling positioneert, zou een waardevolle plaats in het vooraf kunnen krijgen als ze bijvoorbeeld gedegen studies zou kunnen voorleggen waarin de verhoudingen tussen bestaande vertalingen en het origineel opgehelderd worden. Voor een nieuwe hervertaling van dat origineel, waarvoor in mijn ogen een verwijzing naar de gewijzigde taalsituatie nooit een voldoende grond is, zou dat een onmisbare steun zijn als men het erover eens is dat zo’n hervertaling zich nooit alleen ten opzichte van het origineel positioneert, maar ook ten opzichte van die eerdere vertaling(en). Als zulke gedetailleerde vergelijkingen van origineel en vertaling niet bestaan, vind ik dat een verantwoorde vertaler in staat moet zijn om met geijkte methodes uit de vertaalwetenschap zelf die vergelijking te maken. Buiten de gewijzigde taalsituatie, die een bestaande vertaling verouderd doet lijken, krijgt een vertaler dan argumenten in handen die de vertaalinterpretatie van de tekst betreffen. Dat kan zijn keuzes toch alleen maar versterken. Moeilijk zijn die vertaalwetenschappelijke methodes uiteindelijk allemaal niet.

Tot hier toe mag Benjamin met zijn eis tot een wetenschappelijke voorbereiding van de vertaling nog op enig begrip rekenen, denk ik. Maar voor zijn provocerende indeling van vertalingen in drie klassen, die hij in het tweede gedeelte van zijn brief maakt, vrees ik dat het begrip volledig op is. Niettemin sluit zijn onderscheiding wat de derde klasse betreft – die van de risicovolle vertalingen –, min of meer direct aan bij zijn eis van wetenschappelijkheid. Maar Benjamins denigrerende houding tegenover de eerste twee groepen roept weerstand op. De eerste groep doet niets anders dan ‘anderstalig werk toegankelijk te maken voor de (...) lezer’ van de doeltaal. Dat is toch wel de raison d’être van elke vertaling, zal men tegenwoordig zeggen. Voor Benjamin is het dat niet. In zijn ‘Opgave van de vertaler’ probeert hij vertaling nu juist uit die dienende functie ten aanzien van een lezer die het origineel niet verstaat te halen. Voor zover het al niet om ‘waardeloze’ teksten gaat, zijn zulke vertalingen voor hem ‘onnauwkeurige overbrengingen van een onwezenlijke inhoud’. Want het wezenlijke van een literair werk ontsnapt aan de mededeling; en de traditionele vertaalopvattingen kunnen de nauwkeurigheidseis (‘trouw’) waarmee ze niettemin opereren niet begrippelijk vatten. Vertalingen die hun wezen toch herkennen in het dienen van de lezer die het origineel niet verstaat, zijn voor Benjamin als vertaling oninteressant.

De tweede groep van vertalingen zijn die van teksten van ‘uitmuntend belang’, zoals bijvoorbeeld Leopardi’s Pensieri. Maar die vertalingen zijn ‘evenwichtig’ en ‘onproblematisch’, zij vallen als vertaling niet op. Maar ook dat is nog altijd een van de hoogste complimenten die men een vertaling kan toezwaaien: dat ze als vertaling niet herkenbaar is, dat ze vlot leest etc. Voor Benjamin geldt echter (in de ‘Opgave’) dat ‘het voor een vertaling, vooral in haar eigen ontstaansperiode, niet de hoogste lof is wanneer ervan wordt gezegd dat ze leest als een origineel in de eigen taal.’ Zulke vertalingen roepen geen weerstand op en zijn voor de recensent niet de moeite waard om als vertaling besproken te worden. Hooguit een zwijgende instemming kan er nog af: ‘Qui tacet consentire videtur’.

De derde groep is er een van teksten waarvan de vertaling een risicovolle onderneming is. Het risico is niet van economische aard, maar ligt in de waarde van het origineel en wat de vertaling daarbij kan winnen, en wel niet zozeer voor zichzelf of voor de lezer, maar voor de eigen taal: het zijn vertalingen die de eigen taal openbreken en op een hoger niveau van de taalbeweging brengen. Benjamin definieert de vertalersvrijheid in zijn ‘Opgave’ niet als vrijheid in de weergave van de betekenis van het origineel, maar als vrijheid ten opzichte van de eigen taal: het afbreken van ‘vermolmde versperringen’ in de eigen taal. Benjamin propageert daarom een vervreemdend vertalen, een vertalen dat bijvoorbeeld het Engels niet verduitst, maar omgekeerd het Duits verengelst. Daarmee plaatst Benjamin zich duidelijk in de vertaaltraditie van de Duitse romantiek. Een van de middelen die hij voorstelt is syntactische woordelijkheid die zich niet meer om zinweergave bekommert. Om zo’n vervreemdend vertalen te legitimeren beroept de materialist Benjamin zich op een taaltheorie van joods-theologische allure. Vertalingen werken in die opvatting mee aan de paradoxe, imaginaire en onmogelijke opgave de bij de schepping geëmaneerde respectievelijk in het Babelse drama gefragmenteerde zuivere taal te reconstrueren. Elke vertaling, die haar plaats in de taalgeschiedenis kent, brengt de talen imaginair gesproken een stukje dichter bij die zuivere taal.

Dat is, toegegeven, in onze verlichte tijden een moeilijk na te volgen gedachte. Benjamin gebruikt deze bovendien om het hele vertaalgebeuren te de-subjectiveren. Een vertaler stelt zich ten dienste van die taalbeweging, hij gaat erin op, wat moeilijk met onze westerse subjectgecentreerdheid, waar onder andere onze begrippen van auteur en talent aan vast hangen, te vereenzelvigen is. De taal en de taalbeweging zijn het tertium comparationis dat het mogelijk maakt origineel, vertaling en hervertaling te positioneren. Dat een vertaling weet waar ze staat met betrekking tot de zuivere taal, maakt volgens Benjamin haar wetenschappelijke aanspraak uit. Elke vertaling neemt de proef op de som van haar nabijheid tot of verwijdering van de zuivere taal.

Ondanks alle voorbehoud dat een gehaast modern denken over vertalen tegen de uitvoerbaarheid van dit weinig praktisch aandoende, metafysisch-theologisch-enigmatisch programma kan hebben, hoeft het niet onuitvoerbaar te zijn. Benjamin zelf refereert aan de Sofocles-vertalingen van Friedrich Hölderlin (1804), die hij ‘oerbeelden van hun vorm’ noemt. De Franse vertaaltheoreticus Antoine Berman haalt in zijn benjaminiaans geïnspireerde La traduction et la lettre ou l’auberge du lointain daarnaast Chateaubriands vertaling van Paradise Lost (1836) en Pierre Klossowski’s L’Enéide (1964) aan. En in zijn brief schuift Benjamin de Proust-vertaling naar voren die hij met zijn vriend Franz Hessel in de jaren twintig gemaakt heeft en waarvan de recensies hem gefrustreerd lijken te hebben – omdat ze de geleverde vertaalinspanning niet herkenden.

Lees meer over: