Staten van verwarring    44-48

Nederlandse vertalingen van Chinese literatuur

Mark Leenhouts

Abstract: Hoewel er al ruim vierhonderd jaar handelsbetrekkingen bestaan tussen Nederland en China, is er pas sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw sprake van een literaire vertaaltraditie uit het Chinees. Leenhouts probeert te verklaren hoe dat komt en waarom uitgevers aan bepaalde teksten de voorkeur geven boven andere.

 

‘Wat vraagt U na geleerde curieusheyt van Indiën? Neen Heer, het is alleen gelt en geen wetenschap die onse luyden soeken aldaer, ’t geen is te beklagen!’ Aldus Nicolaas Witsen, de zeventiende-eeuwse Amsterdamse burgemeester annex Azië-kenner. Hoewel de betrekkingen tussen Nederland en China ruim vierhonderd jaar teruggaan, heeft de Hollandse koopmansgeest lange tijd overheerst. Er mag dan volgens de overlevering weleens een klassieke Chinese roman zijn aangetroffen tussen de ladingen specerijen van de voc-schepen, toch is er pas sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw sprake van een literaire vertaaltraditie uit het Chinees.

Jezuïeten bestudeerden de Chinese cultuur zeer gretig, al was het maar om ingangen voor het christelijke geloof te vinden. En de dominee Justus Heurnius vervaardigde al in 1628 het eerste woordenboek ‘Nederlandsch-Latijnsch-Chineesch’, al raakte dat algauw in onbruik. Het duurde tot in de negentiende eeuw voordat de varende kooplui het nut inzagen van tolken om de in Indonesië zo invloedrijke Chinese tussenhandelaren het hoofd te bieden. Er werd een speciale school opgericht en niet lang daarna, in 1874, bleek de tijd rijp voor een leerstoel Chinees aan de Leidse universiteit.

Omdat de vroege sinologen nauwelijks in het Nederlands vertaalden, dat immers niet als een academische taal gold, was de lezer decennialang aangewezen op vertalingen die via het Duits, Engels of Frans tot stand waren gekomen. Sommige daarvan, zoals de poëziebewerkingen van Slauerhoff, zijn vrij bekend geworden en lang bepalend geweest voor het beeld van de Chinese literatuur in de Lage Landen – maar de klassieke Chinese dichters waren lang niet altijd de romantische bohémiens die Slau erin zag, of wilde zien.

Ook in de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog speelde literair vertalen zich veelal buiten de academia af. Lu Xun (1881-1936), de vader van de moderne Chinese literatuur, werd in die tijd drie keer vertaald. Terwijl de Vlaamse missionaris pater Josef Goedertier (scheutist) eind jaren veertig bij de eerste directe vertaling nog bescheiden en bedachtzaam aangaf zich ervan bewust te zijn ‘dat om Loe Sun afdoende in het Nederlands te vertolken, er meer hulpmiddelen vereist zijn dan degene waarover ik beschik’, vond Theun de Vries het tien jaar later in zijn links-geëngageerde enthousiasme niet eens nodig de Engelse tussentaal te vermelden. Betrouwbaarder werk kwam er van de hand van sinologisch buitenbeentje en autodidact China-schrijver Jef Last, eind jaren zestig, vlak voordat het vertalen van Chinese literatuur pas echt een vlucht nam.

Door de universitaire hervormingen dienden zich meer studenten aan, die na de Culturele Revolutie (1966-1976) bovendien meer mogelijkheden kregen om eerstehands ervaring op te doen in de toen opengestelde Volksrepubliek. De toegenomen kennis en belangstelling leidden onder meer tot twee vrij bekende boekenreeksen: de Oosterse Bibliotheek van uitgeverij Meulenhoff en de Chinese Bibliotheek van De Arbeiderspers, die beide liepen van midden jaren zeventig tot midden jaren tachtig. De nadruk lag op de klassieke letterkunde, onder aanvoering van met name de latere Nijhoffprijswinnaar Wilt Idema – niet alleen omdat daar nog veel was in te halen, ook omdat de moderne literatuur, die onder Mao weinig had voorgesteld, met de grotere politieke vrijheid sinds zijn dood in 1976 maar geleidelijk aan opbloeide. Hoewel de reeksen niet meer terugkwamen, is de publicatie van Chinese literatuur grotendeels in handen van een paar uitgeverijen gebleven, naast Meulenhoff bouwt vanaf de jaren tachtig met name De Geus aan een Chinees fonds.

Als je kijkt naar het moderne proza dat in die periode werd vertaald, valt op dat er meer geselecteerd werd op sociaal-politieke thema’s dan op literaire kwaliteit. De romans werden in de eerste plaats gelezen om iets te weten te komen over hoe het er in die zo lang gesloten communistische maatschappij aan toeging. Nu beperkte het Chinese aanbod zich destijds ook tot verwerkings- en onthullingsliteratuur, dus veel keuze was er niet. Midden jaren tachtig begonnen schrijvers zich daarvan af te keren, met name de zelfverklaarde ‘avant-garde’, die zich met vormexperimenten in de kijker speelde. Maar tegen de tijd dat die werken in vertaling uitkwamen, altijd met een jaar of wat vertraging, werden ze op het westerse toneel alweer verdrongen door een nieuw fenomeen.

In het kielzog van Jung Changs Wilde zwanen uit 1991 zijn er inmiddels tientallen naar die bestseller gemodelleerde egodocumenten uitgebracht. Tot op de dag van vandaag schijnt de markt niet verzadigd te raken van deze getuigenissen van de Culturele Revolutie, meestal door naar het Westen uitgeweken vrouwen geschreven. Op zich hebben deze boeken hebben hun waarde, maar het grote bezwaar is dat veel westerse lezers ze voor Chinese literatuur aanzien. De literaire waarde buiten beschouwing gelaten (die alleen al gegeven de uitentreuren uitgemolken formule ter discussie staat), blijft er een groter misverstand bestaan. Vraag een toevallige voorbijganger of hij een Chinese schrijver kan noemen, en het antwoord zal zijn: Lulu Wang. Nu is Lulu Wang onmiskenbaar een Chinese, dat hebben we allemaal uitgebreid kunnen zien en horen, maar ze schrijft in het Nederlands. En van Chinese literatuur mag je toch op zijn minst verwachten dat ze door Chinezen kan worden gelezen.

De moeilijke situatie van, laten we zeggen, de ‘echte’ Chinese literatuur, waarmee vertalers Chinees uiteraard te maken hebben, is af te zien aan de promotionele activiteiten van de uitgevers. De niet om hun documentaire waarde gekozen romans die vanaf de jaren negentig werden vertaald, moesten het vaak hebben van een succesvolle verfilming. Hoever dat soms gaat, laat zich illustreren door het geval van de auteur Su Tong, die internationaal doorbrak toen de bekende Zhang Yimou een novelle van hem verfilmde als Raise the Red Lantern. Zowel Chinezen als westerlingen vergaapten zich aan de traditionele Chinese cultuur die de film zo oogstrelend verbeeldde, maar weinigen wisten of wilden weten dat de cineast het centrale lantaarnritueel erin zelf had verzonnen. Dat ritueel stond ook niet in het oorspronkelijke verhaal van Su Tong, ‘Een schare echtgenoten en concubines’, sterker nog, daarin komt zelfs geen enkele lantaarn voor. Maar het boek van de film heet nu wel voor altijd De rode lantaarn, want wie koopt het anders?

Een ander marketing-voorbeeld is nog veelzeggender. De bekende auteur Mo Yan wordt in flapteksten steevast aangeprezen als een soort kruising tussen Márquez en Kundera. Wie zich afvraagt hoe dat kan moet niet zozeer in literaire termen denken, de vergelijking verraadt eerder de wens van Chinese chauvinisten en Westerse uitgevers dat Chinese schrijvers net zo beroemd mogen worden als de Latijns-Amerikaanse en de Oost-Europese auteur. Met de eerste hebben ze immers de culturele achtergrond van een derdewereldland gemeen, en met de tweede de politieke achtergrond van een tweedewereldland. Dat is typerend voor de positie van een exotische literatuur als de Chinese. En wanneer eigentijds proza nu eens niet op dat soort extraliteraire zaken wordt beoordeeld, zijn de reacties tekenend. Of verontwaardigd: ‘Wat is hier nou nog Chinees aan? Dit zou zo door een westerling geschreven kunnen zijn.’ Of teleurgesteld: ‘Wat is hier nu vernieuwend aan? Dit hebben we bij ons al eerder gezien.’ Kortom: het is of niet vreemd genoeg, of niet westers genoeg.

Een van de gevolgen van de hierboven geschetste situatie is dat uitgevers ondanks het toenemende aantal vertalers Chinees nog altijd vaak naar het middel van de tussenvertaling grijpen. De voordelen van vertalen via een andere taal liggen voor de hand en hebben voornamelijk met snelheid te maken. De grotere, culturele stap van de Chinese taal naar een westerse, bijvoorbeeld het Engels, is al gemaakt; het zoeken naar vertaaloplossingen tussen talen die eeuwenlang niet met elkaar in contact zijn geweest is nu eenmaal tijdsintensief. Daarnaast zijn er meer vertalers Engels beschikbaar, meer ook die bereid zijn onder hoge tijdsdruk te werken. Tot slot wijst het bestaan van, zeg, een Amerikaanse editie op verkoopbaarheid, wat het commerciële risico in de ogen van een Nederlandse uitgever kan verkleinen.

De nadelen lijkt men daarbij maar op de koop toe te nemen. Ook die spreken voor zichzelf: de dubbele kans op fouten, de klakkeloze overname van stilistische keuzes en het gebrek aan kennis van specifiek Chinese zaken. Zo vertaalde een vertaler uit het Engels ooit de Chinese historische periode van de Strijdende Staten, ‘the Warring States’, als ‘de Koninkrijken van Warring’. Het is vast eerder de tijd dan de wil waaraan het sommige vertalers ontbreekt om zulke dingen gewoon even op te zoeken en lezers niet in allerlei staten van verwarring te brengen. Maar er zijn er ook die daar anders over denken, getuige een kleine polemiek in NRC Handelsblad een paar jaar terug. Een recensent, sinoloog, wees op een aantal vertaalfouten in een roman van Mo Yan die typisch het gevolg waren van het gebruik van een tussenvertaling. De vertaler uit het Engels reageerde daarop verontwaardigd met de gedenkwaardige woorden: ‘Goddank hoef je geen Chinees te kennen om Mo Yan te vertalen!’ Bij een roman ging het volgens hem niet om accuratesse maar om de ‘literaire sfeer’. Die ruime vertaalopvatting bracht hij ook in de praktijk, door bijvoorbeeld zinnen te verplaatsen of weg te laten wanneer hem dat uitkwam. Wat hij niet wist, was dat de Amerikaanse vertaler ook al bekend staat om dergelijke ingrepen, waarmee hij Chinese schrijvers meent te moeten ‘helpen’ hun boeken ‘geschikter’ te maken voor een westers publiek.

Als uitgevers niet alleen willen kijken naar wat hun buitenlandse collega’s doen, en zowel hun ideeën als hun vertalingen rechtstreeks overnemen, kunnen zij natuurlijk ook Nederlandse vertalers Chinees benaderen als kenners van een exotische literatuur waar zij zelf immers geen directe toegang toe hebben. Actieve vertalers spelen van hun kant geregeld een beslissende rol in het aandragen van teksten. Bovendien hebben sommigen van hen midden jaren negentig het initiatief genomen om een speciaal tijdschrift voor Chinese literatuur op te richten: Het trage vuur. De doelstellingen van de redactie weerspiegelen duidelijk de problemen waar vertalers Chinees voor staan. Ten eerste selecteert Het trage vuur teksten nadrukkelijk op hun literaire merites en niet op sociaal-politieke, voorspelbaar exotische of herkenbaar Chinese thematiek; de teksten moeten voor zichzelf spreken. Daarnaast wil het tijdschrift door een groep van vertalers om zich heen te verzamelen bijdragen aan de opbouw van de jonge vertaaltraditie uit het Chinees. Door intensieve redactie kan vooral iets gedaan worden aan het bij beginnende vertalers veel voorkomende gevoel dat ze het wiel nog moeten uitvinden.

Het trage vuur gaat zijn achtste jaargang in en heeft aan kopij, vertalers en lovende kritieken geen gebrek. Wat betreft het tegengaan van het overwegend eenzijdige aanbod van Chinese literatuur of wat daarvoor door moet gaan, is er vooralsnog slechts sprake van een langzaam maar gestaag smeulend vuurtje. Voor vertalers blijft het volgen en ontsluiten van die literatuur nu eenmaal tijdrovend pionierswerk, terwijl in de uitgeverswereld het haastige marktdenken overheerst. Op het gebied van de hedendaagse poëzie kan het tijdschrift enige invloed uitoefenen door een goede samenwerking met Poetry International, maar wat proza betreft geeft de ondernemer maar al te graag toe aan het grote publiek, wiens zucht naar boeken die over China vertellen nog altijd groter blijkt dan die naar goede Chinese vertellers. Het laatste voorbeeld is de roman Shanghai baby van de jonge schrijfster Wei Hui: een inkijkje in het leven van seks, drugs en rock-’n-roll van de Chinese jeugd anno 2000, dat ondanks felle tot honende kritiek op het origineel én de vertaling uit het Frans al toe is aan een vierde druk. Hoe luidde het protest tegen de viering van 400 jaar voc vorig jaar ook weer? ‘De Hollandse koopmansgeest is geen reden tot feest.’

Dit is een aangepaste versie van de lezing die Mark Leenhouts op 13 december 2002 gaf tijdens de Literaire Vertaaldagen te Nijmegen. Thema van die dagen was: ‘Tekst zoekt vertaler, vertaler zoekt tekst’.

Noot
Enige informatie werd ontleend aan: W.L. Idema, ‘Dutch Translations of Chinese Literature, A Historical Survey’, lezing gehouden op de First International Conference on the Translation of Chinese Literature in Taipei, november 1990.

Lees meer over: