21 juni 1878: de Ilias-vertaling van Mr. Carel Vosmaer verschijnt    57-63

Cees Koster

 

21 juni 1878: Bij uitgeverij A.W. Sijthoff te Leiden verschijnt het eerste deel van de Ilias­vertaling van Mr. Carel Vosmaer. Het romantische vertaaldenken bereikt de Nederlandse salontafel.

In 1873 wordt aan Mr. Carel Vosmaer (1826–1888) op eigen verzoek eervol ontslag verleend als substituut-griffier bij de Hoge Raad der Nederlanden. Een paar jaar daarvoor is zijn moeder overleden en de erfenis stelt hem in staat om een van zijn grootste wensen in vervulling te laten gaan: zich volledig te wijden aan kunst en letteren. Dat bestaan van homme des lettres was rijk gevuld. De roem die hij met zijn oorspronkelijke werk heeft vergaard (o.m. Londinias, een in hexameters gesteld gedicht over een reis naar Londen, het gedicht Nanno, een grieksche idylle, ook in hexameters gesteld, en de romans Amazone en Inwijding) is maar zeer tijdelijk gebleken. Vosmaer is nu nog vooral bekend als de man die als eerste het talent van de Tachtigers onderkende en hen de ruimte gaf in zijn tijdschrift De Nederlandsche Spectator. De afzonderlijke werken waar Vosmaer achteraf bezien de meeste eer mee heeft ingelegd zijn ongetwijfeld zijn Homerus-vertalingen, waar hij bij elkaar, ruwweg geschat, zo’n vijftien jaar aan gewerkt heeft.


C. Vosmaer, door Boussod, Valadon & Co.

Van huis uit had Vosmaer een grote belangstelling voor de klassieke oudheid meegekregen, maar hij was geen classicus. Als enig kind, zo schetst Vosmaers biograaf Bastet zijn jeugd, was hij opgegroeid ‘in de schaduw van de grote studeerkamer van zijn vader’, waar de sfeer bepaald werd door oude, kostbare uitgaven van klassieke werken, plaatwerken met voorstellingen uit de oudheid en gipsafgietsels van oude meesterwerken. Na het gymnasium koos Vosmaer echter voor een studie rechten te Leiden. De studie van de klassieke letteren en kunst ondernam hij in zijn eigen tijd. 

Dichterlijke schoonheid
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat in deze omstandigheden de verklaring gezocht moet worden voor het feit dat Vosmaers belangstelling voor Homerus in eerste instantie esthetisch gericht was en niet filologisch. De esthetica had zijn warme belangstelling (een van zijn eerste publicaties was Eene studie over het schoone en de kunst, 1856) en het was zijn overtuiging, aldus Knuvelder, dat ‘er geen andere ware godsdienst was dan de cultus van het schoone’. Het bereiken van ‘dichterlijke schoonheid’ was ook het belangrijkste oogmerk bij zijn Homerus-vertalingen.

Hoewel Vosmaer zichzelf niet graag als romanticus geafficheerd zag, had zijn esthetische uitgangspunt wel romantische trekjes. Je zou kunnen zeggen dat hij op dezelfde manier tot de romantiek behoorde als de Tachtigers dat nog deden. In zijn vertaalopvatting was hij echter een volbloed romanticus, in de zin dat hij een extreem exotiserende manier van vertalen voorstond.

Wat maakte voor Vosmaer de esthetische waarde van de homerische gezangen uit? In het voorwoord (‘Homeros in Nederland’) bij de eerste integrale uitgave van de Ilias-vertaling (deels al eerder verschenen in 1877 onder dezelfde titel als losse studie in het tijdschrift De Banier) stelt Vosmaer in ondubbelzinnige termen dat bij de vertaling van Homerus vooral in het oog moet worden gehouden ‘het karakter van het oorspronkelijke zoo veel mogelijk te behouden, in vorm en geest.’ Meer specifiek wordt dat aldus voorgesteld:

Er is eene wet die vooraan vast staat, en waaraan meer dan eenige alle helleensche kunst zoo zeer voldaan heeft dat zij haar gansche wezen be­heerscht, de eenheid van vorm en inhoud.
Reeds daardoor is de vertaler van Homeros onvoorwaardelijk, schoon binnen de grenzen van het mogelijke, gebonden aan den homerische vorm, zowel in het vers, als in alle deelen van zinbouw, woordvorming, vergelijkingen, epitheta enz. 

In ‘Homeros in Nederland’ geeft Vosmaer een overzicht van de geschiedenis van Homerus-vertalingen in Engeland, Frankrijk, Duitsland en Nederland. Uitgebreid gaat hij in op alle Nederlandse vertalers die hem vooraf gingen, op sterk evaluatieve en vaak ook denigrerende toon. Hij zet zich af tegen de Nederlandse traditie, ook tegen de tot dan meest recente vertaling (eveneens in hexameters) van Van Dorn Seiffen uit 1855, een vertaling die volgens Vosmaer ‘zondigt [door] het gemis van alle poësie en het geheel vormelooze der verzen’. De retoriek wijst maar in een richting: hier wordt de eerste echte Homerus-vertaling (‘Homerus zoals hij is’) in het Nederlands aangekondigd.

Vosmaer plaatst zichzelf in de traditie van de Duitse Homerus-vertalers en beroept zich op de opvattingen van Johannes Heinrich Voss, die aan het eind van de achttiende eeuw een hexametrische vertaling van de gehele Homerus had gepubliceerd. Voss’ vertaling was uitermate controversieel, juist omdat hij zo dicht tegen het Grieks aanzat dat men vond dat zijn vertaling bijna geen Duits was, maar, in de woorden van Vosmaer, ‘vertaalspraak’.

Bij Vosmaer speelt verstaanbaarheid een grote rol, maar in het exotiseren gaat hij wel ver waar het de versvorm betreft. Voor zijn Nederlandse hexameters (en in feite kunnen de Nederlandse gedichten Londinias en Nanno als een soort ‘voorstudies’ voor de Homerus-vertalingen gezien worden) gaat Vosmaer uit van het Griekse verssysteem dat gebaseerd is op regelmatige afwisseling van korte en lange lettergepen en stelt dat gelijk aan het Nederlandse systeem dat gebaseerd is op de regelmatige afwisseling van accenten of heffingen. Hij projecteert dus de Griekse regels op de Nederlandse. Dit is wat Vosmaer onder het handhaven van de vorm verstaat. Een groot deel van ‘Homeros in Nederland’ is gewijd aan een poëzietechnisch exposé waarin hij daarvoor de regels stelt.

Jupiter of Zeus
Tot het handhaven van de geest van het oorspronkelijk behoort ongetwijfeld het overnemen van de Griekse namen van goden en personen. In dit opzicht breekt hij met de Nederlandse traditie, waarin tot dan toe steeds gebruik was gemaakt van de Romeinse godennamen. Waar altijd sprake was van Jupiter en Juno, sprak Vosmaer consequent van Zeus en Hera. Ook het nu zo karakteristiek geachte veelvuldige gebruik van neologismen bij het vertalen van de homerische epitheta (‘helmboswuivend’) hoort hiertoe.

In Duitsland vonden de discussies rond de vertaling van Voss plaats in de context van de overgang naar een romantische vertaalpoëtica, waarin de tekst werd gezien als een organische eenheid van vorm en inhoud, die gold als de expressie van een individu en waarin de waardering voor het vreemde in een tekst sterk toenam. In Nederland heeft en dergelijke discussie nauwelijks plaatsgevonden, net zo goed als de romantiek in de Nederlandse literatuur geen echte weerklank vond.

In ‘HomerosinNederland’ zegt Vosmaer zelf hierover dat ‘de strijd dien hij [Voss] voor negentig jaar te strijden had en waarin hij verwon bij ons nu eerst voor de deur staat’ en dat men zich veel ‘onnut geschermutsel’ kan besparen wanneer men zich van die discussie op de hoogte zou stellen. Vosmaer voorzag wel dat er ‘geschermutsel’ zou ontstaan. Met name in kringen van classici viel zijn vertaling niet goed.

In De Gids van maart 1879 breekt de Amsterdamse hoogleraar klassieke filologie S.A. Naber (die met Vosmaer nog de schoolbanken van het Haagsch Gymnasium had gedeeld) de staf over Vosmaers Ilias-vertaling in wat hij noemt een ‘distellezing’. Naber, die het standpunt van de classici vertegenwoordigt en zich de ‘bescheiden rol van letterzifter’ aanmeet, is het met veel niet eens.

Het gebruik van de Griekse godennamen en eigennamen vindt Naber voor een uitgave die bedoeld is voor een algemeen publiek geen goed idee, omdat een dergelijke breuk met de traditie voor het publiek verwarrend zou zijn: ‘de gewone lezer, voor wien dan toch eene vertaling bestemd wordt, zal wel eens van Neptunus of Aurora hebben gehoord, maar Poseidaoon en Eoos klinken hem in de ooren als de namen van stamhoofden der Nieuw-Zeelanders op Ika-na-mauvi en Tav-ai-punammu.’ Ook het gebruik van hexameters kan de goedkeuring van Naber niet wegdragen, omdat zij afdoen aan de ‘zoetvloeiendheid’ en welluidendheid’ van de tekst, twee klassieke eisen die men destijds aan vertalingen stelde.

Maar bovenal is Naber niet te spreken over het ‘overgroot aantal regels, welke de heer Vosmaer slechts ten halve heeft verstaan’ en het grootste deel van zijn bespreking is dan ook gewijd aan een filologische strafexpeditie tegen Vosmaers vermeende onnauwkeurigheid en onwetendheid. Naber besluit zijn stuk met het ironische compliment dat er ‘onder onze rechtsgeleerden wel maar weinigen zullen zijn, die zoo goed Grieksch verstaan als de heer Vosmaer; maar evenwel nochtans en desalniettemin (…) diezelfde kennis is nog zeer gebrekkig, als men aan hem de eischen mag stellen, welke men de literator van professie doet.’

In de ogen van Naber is Vosmaer, met andere woorden, een dilettant, die onbevoegd het terrein van de klassieke filologie heeft betreden. Als er maar deskundig toezicht was geweest, was het vast niet zo misgegaan: ‘Het gedane kwaad is onherstelbaar, maar laat nu ook geen vel meer ter perse gaan, voordat een bevoegd philoloog als de jongste vertaler der Orestie de copij met zijn imprimatur heeft gewaarmerkt,’ zo besluit Naber zijn bespreking.

De vrouw van Burgersdijk
Dat Vosmaer zich gekrenkt voelde door deze houding zal geen verbazing wekken. Hij ontvangt veel sympathiebetuigingen, waaronder die van oud-studiegenoot L.A.J. Burgersdijk (met wie hij een uitgebreide correspondentie onderhield, zoals met wel meer oud-studiegenoten die als vertaler actief waren). Burgersdijk probeert hem een hart onder de riem te steken, met onder meer de mededeling dat ‘ik uwe Ilias aan mijn vrouw heb voorgelezen, die niet geleerd is, maar veel gezond verstand en gevoel voor poëzie en poëtische dictie heeft en het was haar een genot’ (brief van Burgersdijk aan Vosmaer, 25 maart 1879).

In die briefwisseling komt een argument naar voren dat de gemoederen in de Nederlandse literaire vertaalwereld gedurende de jaren daarna flink zal bezighouden. In zijn antwoord schrijft Vosmaer: ‘Ja, het is net zooals gij zegt, geen flauw benul van poëzie – en dat gaat dan dagelijksch om met Aischulos, Homerus en Sofokles! It is a pity!’ (brief van Vosmaer aan Burgersdijk, 26 maart 1879). Het juiste criterium om een vertaling te beoordelen is niet filologische getrouwheid of nauwkeurigheid, het esthetische criterium, de vraag naar de geslaagdheid van het gedicht als kunstvoorwerp, moet het primaat krijgen.

Dat is ook de strekking van Vosmaers openbare reactie in De Nederlandsche Spectator: ‘Ik heb geene schoolvertaling willen leveren, waarin ieder woord verantwoord is, maar eene die, zoo trouw als mij mogelijk was, in de allereerste plaats dichterlijk is. In zulk eene moet het letterlijke vaak zwichten voor de eischen van taal, welluidendheid en poësie. (…) Vele berispte zaken zijn louter gevolgen van de grenzen die het metrum en onze taal stellen, of geboren uit de noodzakelijkheid aan de poësie den voorrang te geven boven de grammatica.’ Vosmaer pareert de kritiek van Naber door de filologische benadering in de hoek te zetten en ontzegt Naber bovendien de bevoegdheid om een esthetisch oordeel uit te spreken.

De tegenstelling tussen esthetische getrouwheid en filologische getrouwheid, tussen vertalen als kunst en vertalen als wetenschap, komen we daarna nog regelmatig tegen in de polemieken die de Tachtigers over vertalen hebben gevoerd. Dit laat eens te meer zien hoe dicht de poëticale ideeën van Vosmaer bij die van de Tachtigers stonden. De hierboven geciteerde opmerking over de onverbrekelijke eenheid van vorm en inhoud getuigt hier ook van. Vosmaers esthetische standpunt zal allicht ook hebben bijgedragen tot de houding van de classici onder de Tachtigers (Perk, Kloos, Gorter bijvoorbeeld) dat de filologische benadering van het klassieke academische onderwijs niet serieus te nemen viel. Legendarisch zijn de verhalen over hoe de aspirant-dichters zich vrolijk maakten over hun kommaneukende en zich in conjecturen verdrinkende professoren.

Dat Naber een achterhoedegevecht voerde dat misschien meer ging over wie het recht had Homerus te vertalen dan over de manier waarop je Homerus zou moeten lezen en vertalen, heeft de geschiedenis inmiddels laten zien. Na Vosmaer heeft het exotiserend vertalen van klassieke auteurs een hoge vlucht genomen, met als hoogtepunt Boutens’ vertaling van de Odyssee vijftig jaar later. 

Commercieel succes
Het gebrek aan begrip vanuit de klassieke hoek heeft een commercieel succes van Vosmaers vertalingen niet in de weg gestaan. Dat er naar Vosmaers opvattingen over vertalen een lange weg loopt, die wat Nederland betreft overigens nog voor een groot deel in kaart moet worden gebracht, lijdt geen twijfel – wat hij deed was niet nieuw. Zijn naam en reputatie stonden er wel borg voor dat zijn ideeën onder de ogen kwamen van een groot publiek.

In een van de meer positieve reacties op het verschijnen van het eerste deel van de Ilias, in het protestantse tijdschrift De Tijdspiegel (november 1878), wordt Vosmaer opgeroepen om ten behoeve van ‘min geoefende lezers’ de volgende uitgave van een inleiding te voorzien, opdat ‘de uitgave zoo niet alleen een prachtboek [worde], versierend het kostbaar gesneden meubel, maar ook een boek veredelend den zin voor het waarlijk schoone, een geneesmiddel tegen de bedorven smaak.’

Die inleiding kwam er natuurlijk, in de eerste integrale uitgave uit 1880, maar dat was wel degelijk een boek voor op de salontafel. Sijthoff had er een prachtige in donker leer gebonden uitgave van gemaakt, met veel illustraties, waar voor de forse prijs van ƒ 15,90 op ingetekend kon worden. Dat was een kostbare uitgave, maar nog lang niet zo duur als de nog rijker geïllustreerde uitgaven van vertalingen door J.J.L. ten Kate van andere groten uit de wereldliteratuur uit het fonds van Sijthoff. Diens vertalingen van Faust en van De Hel uit Dantes Goddelijke Komedie gingen voor meer dan het dubbele weg. Ten Kate was is die tijd dan ook echte seller, zijn naam op het omslag gold als een garantie voor hoge verkoopcijfers. In boekhistorisch opzicht moet Vosmaers vertaling in dat licht bezien worden. Het was een boek dat, om het maar eens anachronistisch te zeggen, in de markt gezet werd als sieraad voor de boekenkast. Vertaalhistorisch gezien is het dan interessant dat het een verre van traditionele vertaling was, die op een aantal punten met bestaande tradities brak en daardoor niet bepaald toegankelijk was. Ten Kates vertalingen verdwenen bijna onmiddellijk in de vloedgolf van Dante- en Faust­-vertalingen die in de laatste dertig jaar van de negentiende eeuw de Nederlandse boekenmarkt overspoelde. Vosmaers vertaling is nog betrekkelijk lang meegegaan. Het succes kondigde zich al in 1881 aan, toen de Ilias­-vertaling door de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels bekroond werd met de D.A. Thieme-prijs. In 1910 verschijnt er nog een zevende druk van de Ilias-vertaling en in 1913 een vijfde druk van de Odyssee. In 1944 zelfs wordt er bij uitgeverij Korenhout in Brugge een sterk verkorte bewerking door B. Lamot van Vosmaers Odussee uitgegeven. De ironie wil dat tussen al die drukken toch ook nog een speciale schooluitgave heeft gezeten.

 

Bibliografie
Bastet, F.L. 1989. Met Carel Vosmaer op reis. Amsterdam: Querido.

Boijens, J.P. 1931. Mr. Carel Vosmaer. Helmond: N.V. Boekdrukkerij „Helmond”.

Brink, Jan ten. 1902-1903. Geschiedenis der Noord-Nederlandse Letterkunde in de XIXe-eeuw, in biographieën en bibliographieën, 1830-1900. Rotterdam: Bolle.

Demoen, Kristoffel. 1997. ‘Van Aafjes tot Zuydewijn, een odyssee langs vertaalopties,’ Kleio, tijdschrift voor oude talen en antieke cultuur, 27:2, p. 54-72.

Knuvelder, Dr. G.P.M. 19807. Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde, deel III. ’s-Hertogenbosch: Malmberg, 1980.

Koster, Cees (red.). 2002. De Hollandsche vertaalmolen. Nederlandse beschouwingen over vertalen 1820-1885. (Reeks Vertaalhistorie, deel 5a). ’s-Gravenhage: Stichting Bibliographia Neerlandica.

Koster, Cees & Ton Naaijkens (red.) Een vorm van lezen. Nederlandse beschouwingen over vertalen 1885-1946. (Reeks Vertaalhistorie, deel 5b). ’s-Gravenhage: Stichting Bibliographia Neerlandica.

Maas, Nop. 1989. De literaire wereld van Carel Vosmaer. Een documentaire. ’s-Gravenhage 1989: Sdu uitgeverij.

Naber, S.A. 1879. ‘Bibliographisch album: De Ilias van Homeros, vertaald door Mr. C. Vosmaer. Boek I-XII. Leiden. A.W. Sijthoff, 1878,’ De Gids,43: 3, p. 566-580.

Rynck, Patrick De. 1996. ‘Van Pegasus tot hobbelpaard? Klassieken van Carel Vosmaer tot Imme Dros. Impressies,’ in: Ton Naaijkens (red.), Vertalers als erflaters. Staalkaart van een eeuw vertalen. Bussum: Coutinho, p. 39-49.

Vosmaer, Carel. 1877. ‘Homeros in Nederland,’ De Banier, 3:3, p. 1-52 (fragmenten hieruit in Koster 2002).

Vosmaer, Carel. 1879. ‘Homeros en kritiek,’ De Nederlandsche Spectator, 12, p. 95-98.

Vosmaer, Carel. 1880. De Ilias van Homeros. Leiden: A.W. Sijthoff.

Vosmaer, Carel. 1889. De Odussee van Homeros. (bezorgd door G.C.J. Vosmaer). Leiden: A.W. Sijthoff.

Lees meer over: