Mag je als vertaler bijsturen?    55-62

Cousine Bette van Balzac in het Nederlands

Hans van Pinxteren

Abstract: De meermalen bekroonde vertaler legt uit waarom hij het nodig achtte om voor zijn vertaling van La Cousine Bette in te grijpen in de stijl van de Franse schrijver die hij ‘zwak en verouderd’ vindt. Deze bijsturingen zijn in de ogen van sommigen onaanvaardbaar omdat je dan geen Balzac meer leest, maar de vertaler. Van Pinxteren is van mening dat hij juist zeer trouw is gebleven aan de auteur en laat zien hoe en waarom hij tot een aantal onverwachte keuzes is gekomen.

 

Tijdens een forum over vertaalstrategie, vorig jaar, kwam onder andere mijn vertaling van La Cousine Bette ter sprake. Toen ik summier vertelde welke keuzes ik bij deze vertaling heb gemaakt en waarom ik ze noodzakelijk achtte, reageerde een van de forumleden: ‘Als ik een roman van Balzac ter hand neem, wil ik Balzac lezen en niet Hans van Pinxteren.’ Deze opmerking is als een visgraat in mijn keel blijven steken, omdat er een suggestie vanuit gaat dat ik met mijn Balzac-vertalingen een vorm van verduistering jegens de auteur zou hebben gepleegd.

Ik denk eigenlijk dat het tegenovergestelde het geval is en dat mijn trouw aan de auteur ook bij deze vertalingen voorop heeft gestaan. Wel zag ik mij met Balzac, en met name met La cousine Bette voor een enorm dilemma gesteld: Balzac is een grandioze verteller en zijn verhalen kunnen heel meeslepend zijn, maar zijn stijl is zwak en verouderd. Als je tot de komma nauwkeurig vertaalt wat er bij hem staat, maak je zijn romans ongenietbaar voor de hedendaagse lezer. Om dat te voorkomen, moet je bijsturen. De vraag is: mag je als vertaler bijsturen? In principe misschien niet. Maar ik denk dat er met Balzac niets anders op zit.

Tijdens mijn vertaling van La cousine Bette ben ik gaan beseffen dat je een zin als ‘je moet vertalen wat er staat’ op velerlei manieren kunt interpreteren en niet als een gebod moet beschouwen. Ik zal aan de hand van onderstaand verhaal over onverwachte keuzes bij mijn Balzac-vertalingen proberen toe te lichten hoe ik tot deze opvatting ben gekomen. 

Over de schouder van de auteur meekijken
Vertalen is voor mij altijd een onderneming geweest die veel zorg en moeite met zich brengt. Ik probeer nauwgezet elk detail dat ik in het origineel aantref, weer te geven in mijn vertaling en het te plaatsen in een even sterk veld van associaties. Dit passen en meten, samen met het mij inleven in de auteur, het mij verdiepen in zijn werk en in de ontvangst daarvan door de jaren heen, maakt elke vertaling tot een traag groeiproces dat alchemistische trekken vertoont. Ik hang geen enkele vertaal-theorie aan, maar wel ben ik de overtuiging toegedaan: Ik moet de dingen zo gaan zien als de auteur ze heeft gezien, anders kan ik ze niet vertalen.

Op het Instituut voor Vertaalkunde werd geleerd: ‘Je mag als vertaler niet op de stoel van de auteur gaan zitten.’ Dat klinkt aannemelijk, maar ik vind dat je als vertaler over de schouder van de auteur moet meekijken hoe hij zijn verhaal schrijft. Want om zijn werk goed te vertalen moet ik zien wat hem voor ogen stond toen hij het schreef. Alleen dan kan ik meer dan louter zinnen vertalen en hopen iets van de geest van het werk over te brengen in het door mij te vertalen boek. Ik zie vertalen in de eerste plaats als een gesprek met de auteur. Ik luister naar wat hij te vertellen heeft en stel mij zoveel mogelijk voor hem open. En met de wetmatigheden van mijn taal als uitgangspunt probeer ik zijn realiteit in kaart te brengen en zijn stijl in het Nederlands te reconstrueren. Ja, vertalen is voor mij eten, drinken en praten met de auteur, met hem opstaan en met hem naar bed gaan, opdat zijn wezen mettertijd in mijn vertaling neer zal slaan. Of dat zal lukken is de vraag die zich elk boek opnieuw aan mij opdringt, en die mij uitdaagt de nodige risico’s te nemen.

Bij het vertalen van Nicht Bette wist ik algauw dat ik aan een nóg hachelijker avontuur was begonnen. Balzac aan de schrijftafel doet mij denken aan een vulkaan in werking, een vulkaan die uitbreekt en die in plaats van lava zinnen spuwt, zinnen die soms naar drie of meer kanten tegelijk schijnen te worden uitgestoten. En net zoals de vulkaan met de lava ook brokken gruis en steenslakken uitstort, komen in Balzacs taal allerlei ongerechtigheden mee naar boven.

De groots opgezette kijkdoos van de Comédie humaine
Tussen 1991 en 1998 heb ik uit de ‘Comédie humaine’ Eugénie Grandet, Le père Goriot, Le colonel Chabert en La cousine Bette vertaald. De ‘Comédie’ is een groots opgezette kijkdoos, waarin de samenleving in het post-napoleontische Frankrijk, ruwweg de eerste helft van de negentiende eeuw, in beeld is gebracht. Het fantastische van dit oeuvre, bestaand uit zevenennegentig romans en novellen, is dat de verhalen die erin worden verteld, voortdurend naar elkaar verwijzen en met elkaar verweven zijn, en dat je de belangrijkste personen steeds ziet terugkeren in andere fases van hun leven. Naarmate je meer romans van Balzac leest, wordt hij fascinerender en krijgt de kijkdoos meer gelaagdheden en verdiepingen. Om die reden zeggen de kenners dat Balzacs eigenlijke meesterwerk niet één bepaalde roman is, maar de hele Comédie humaine.

Toen ik met het vertalen van Balzac begon, deed ik drie ontdekkingen. Ten eerste bleek in de anderhalve eeuw sinds de Comédie tot stand kwam, nog niet de helft van het werk in het Nederlands vertaald. Veel van deze vertalingen dateren van vóór 1920; de meeste, ook die uit latere periodes, zijn verouderd en sommige doen zelfs onbeholpen aan. Zo trof ik van La Peau de Chagrin (letterlijk vertaald: ‘Het vel van segrijnleer’) een vertaling uit 1923 aan, waarvan de titel luidt: Het Ongelukshuidje. Van een andere roman, Splendeurs et misères des courtisanes, is de titel ontegenzeggelijk mooi vertaald, maar daarom niet minder verouderd: Der deernen praal en val.

Al snel deed ik een tweede ontdekking, die een stuk minder plezierig was: Balzac vertalen is uitermate arbeidsintensief. De derde ontdekking die ik deed, was ronduit ellendig. Niet alleen de vertalingen van Balzacs werk waren verouderd, maar het werk van Balzac zelf vertoonde ernstige sporen van veroudering. De belangrijkste reden daarvan is volgens mij Balzacs tijdgebonden stijl. Sommige van zijn romans staan zo bol van de bombast dat het lezen ervan heden ten dage een kruis is. Bovendien wemelt zijn werk van de stoplappen, slordigheden en complexe, slechtlopende zinnen. Gelukkig vallen de onvolkomenheden die zijn stijl vertoont in zijn bekendste romans nog wel mee: in de vroege romans die ik van hem vertaalde, waarvan Le père Goriot en Eugénie Grandet ook in Nederland klassiek zijn geworden, heb ik maar weinig hoeven bij te sturen. Een enkele keer slechts, als het sec vertalen van de bombast voor een te grotesk effect zorgde. Maar dit bijsturen was vrijwel nihil vergeleken met mijn sleutelen aan de vertaling van La cousine Bette, waarvan de stijl soms zeer te wensen over laat.

La cousine Bette wordt door de Balzac-kenners als een hoogtepunt in zijn oeuvre beschouwd. Deze roman is in zijn tekening van de Parijse samenleving rond 1840 veel rijker en gelaagder dan bijvoorbeeld Le père Goriot. Toen ik met Nicht Bette begon, was het voor mij dan ook onbegrijpelijk dat dit boek nog niet in het Nederlands was vertaald. Maar algauw drong de reden daarvan tot mij door.

De roman was ontstaan als feuilleton voor het dagblad Le Constitutionnel. Balzac had de opdracht om twee feuilletons voor deze krant te schrijven aanvaard met een duidelijk oogmerk: hij hoopte langs deze weg het brede publiek van lezers terug te winnen dat hij was kwijtgeraakt aan populair geworden schrijvers als Eugène Sue en Alexandre Dumas. Hij schreef La cousine Bette in een zelfs voor hem exorbitant korte tijd. Omdat de kopij onder zijn vingers vandaan werd gegrist, kwam hij nauwelijks aan correcties toe. De stijl is er dan ook naar. Toen ik met de roman aan de slag ging, merkte ik algauw dat in dit werk zowel de bombast als de andere stijlgebreken verveelvoudigd zijn. La cousine Bette vertoont om die reden sterkere sporen van slijtage dan Le père Goriot en Eugénie Grandet.

Bombast afromen
De reconstructie van de stijl, die bij het vertalen van Stendhal en Flaubert een vanzelfsprekend Nederlands opleverde, leidde bij Nicht Bette tot een nogal middelmatig verteld verhaal vol larmoyante effecten. Ik denk dat de bombast en de andere tekortkomingen in de stijl daar voor een groot deel debet aan zijn. Het vertalen van wat in de oorspronkelijke tekst een geringe onvolkomenheid in de stijl, niet meer dan een klein barstje is, leidt maar zelden tot net zo’n klein barstje in de vertaalde tekst. Meestal worden de barsten groter, en soms ontstaan er zelfs gapende kloven. Met andere woorden: het exact vertalen van licht storende elementen in het origineel leidt tot een ernstiger gestoorde tekst in vertaling. Ik kom hier straks op terug met voorbeelden.

In de eerste aanzet van mijn Nicht Bette-vertaling raakte de draad van het verhaal veelvuldig ondergesneeuwd onder de storingen en gapingen die ontstonden door mijn poging de hiaten en andere stijlgebreken in het Nederlands over te brengen. Na zo’n veertig bladzijden op deze wijze te hebben vertaald, kon ik maar één conclusie trekken: door mijn preciese weergave van alle onvolkomenheden ging de vanzelfsprekendheid verloren in de vertelling. De vaart raakte eruit. De bombast zou misschien aan de Nederlandse lezer uit de eerste helft van de negentiende eeuw een traan hebben ontlokt, maar in onze tijd zou diezelfde bombast op de lachspieren werken. Daarmee zou ik dan het tegengestelde effect bereiken van waar Balzac op had gemikt. Het probleem waarmee ik werd geconfronteerd was dat een minutieus overbrengen van Balzacs stijl zou leiden tot de ergste vorm van ontrouw die ik mij voor kan stellen, namelijk dat ik daarmee de lezer alleen maar van Balzac vervreemden zou. De schokkende ontdekking die ik deed, was dat mijn reconstructie van het taalgebruik in Nicht Bette resulteerde in een verouderde Balzac.

Het dilemma waar ik met Nicht Bette voor kwam te staan was dat ik ofwel mijn tot dan toe gevolgde methode van een nauwgezet reconstrueren van de stijl danig bij moest stellen, ofwel moest afzien van de vertaling van de roman. De roman niet verder vertalen zou jammer zijn. Want dan zou een boek dat een zo rijk geschakeerd beeld geeft van het Parijse leven uit de eerste helft van de negentiende eeuw nog altijd niet in het Nederlands te lezen zijn. Mijn betrokkenheid met Balzac gaf de doorslag. Om de grote verteller in dit boek tot zijn recht te laten komen, besloot ik de stilistische onvolkomenheden enigszins te verdoezelen.

De nieuwe aanpak kwam hierop neer: ik probeerde de gedateerde effecten zoveel mogelijk op te heffen, de bombast af te romen en de andere stijlgebreken, voor zover die in de vertaling het verhaal al te zeer vertraagden, te retoucheren.

Onbezoedelde sluiers van zuiverheid
Ik zou hier graag een groot aantal voorbeelden geven van de bijsturingen die ik heb toegepast. Maar het merendeel van de stilistische onvolkomenheden in Balzacs werk doet zich voor in zulke complexe en wijdlopige zinnen dat ik ze hier onmogelijk kan behandelen. Uiteindelijk heb ik er twee geselecteerd: ‘Il lui passait dans la cervelle une de ces pensées qu’y envoie le coeur quand il est incendié par la jalousie,’ luidt een van Balzacs volzinnen. Rechttoe-rechtaan vertaald: ‘Door zijn brein ging een van die gedachten die het hart daarheen stuurt als het door de jaloezie wordt aangestoken.’ De vertaling sec maakt de mededeling krommer dan in het Frans. De oplossing waarvoor ik na veel wikken en wegen heb gekozen luidt: ‘Door zijn hoofd spookte een gedachte die zijn in jaloezie ontstoken hart hem ingaf.’ Toegegeven: ik heb het meer algemene karakter van Balzacs bewering laten vervallen; en de opmerking slaat nu alleen nog maar op het subject van de zin. Maar ik win ermee dat het gewrongene, licht gezwollene van de opmerking verdwijnt en dat de mededeling niet langer remmend werkt op de vaart van het verhaal.

Het misschien wel meest drastische geval van bijsturing heb ik in mijn nawoord vermeld. Het is een voorbeeld van afgeroomde bombast. ‘Je puis attendre la mort, enveloppée dans les voiles immaculées de ma pureté d’épouse, dans le crêpe de mon bonheur évanoui,’ zegt een van de hoofdpersonen uit het boek, mevrouw Hulot. Rechttoe-rechtaan vertaald: ‘Ik kan wachten op de dood, gehuld in de onbezoedelde sluiers van mijn zuiverheid als echtgenote, in de rouwsluier van mijn verkwijnd geluk.’ Ik koos voor de volgende oplossing: ‘Ik kan de dood met een gerust hart onder ogen zien, als een echtgenote die haar trouw heeft bewaard en die treurt om haar verloren geluk.’ Ik verlies daarmee weliswaar een metafoor die Balzac gebruikt, namelijk die van de rouwsluier, maar in deze tweede vertaling klinkt de stem van mevrouw Hulot niet langer geëxalteerd. Dat is een grote winst, want Balzac zet haar neer als het toppunt van zuiverheid en onbevangenheid. Hij heeft aan haar karakter allesbehalve de geëxalteerdheid willen meegeven die haar mededeling in mijn eerste vertaling zou krijgen. En een minstens zo belangrijk voordeel van de tweede vertaling is dat daarin mevrouw Hulots opmerking niet langer op de lachspieren werkt van de hedendaagse lezer, zomin als zij dat moet hebben gedaan op de doorsnee krantenlezer uit Balzacs dagen.

Het tegeneffect1 dat ik in deze twee voorbeelden geef, mag, wanneer je ze elk afzonderlijk onder de loupe neemt en uitvergroot, aanvechtbaar zijn. Maar in de totale roman, die bol van dit soort zinnen staat, zijn het niet meer dan noodzakelijke bijsturingen. Het boek in zijn geheel ademt nog steeds een negentiende-eeuwse atmosfeer en de couleur locale blijft van begin tot eind gehandhaafd.

In mijn opvatting dat Balzacs grootheid niet in de eerste plaats in zijn stijl moet worden gezocht, sta ik niet alleen. Gustave Flaubert, Marcel Proust en André Gide bewonderen alledrie de componist van de Comédie humaine, maar zij vinden zijn stijl gebrekkig. En het is in dit verband grappig om Gustave Lansons analyse van Balzacs stijl te citeren. In zijn standaardwerk Histoire de la littérature Française schrijft hij: ‘De Comédie humaine is een van de machtigste werken uit de negentiende eeuw. Maar met enorme gebreken... Om te beginnen de stijl: zodra Balzac zich erop toelegt mooi te schrijven, is hij belachelijk en verfoeilijk. Dan worden zijn zinnen pompeus, zijn metaforen gezwollen of banaal; hij schrikt niet terug voor de ergste bombast, de holste rethoriek. Lees, als u daartoe in staat bent, maar eens Le Lys dans la vallée: overal waar hij zijn zinnen moet perfectioneren om vorm te geven aan een waardevolle gedachte, komt zijn gebrek aan stijl pijnlijk aan het licht.’ Natuurlijk is Lansons tirade lichtelijk overdreven. Maar zijn zienswijze heeft mij, samen met die van de drie voornoemde auteurs, gesterkt in mijn mening dat Balzacs grootheid eerder in zijn vertellerschap dan in zijn taalbeheersing schuilt.

Balzac vertalen naar de geest
Als vertaler van Balzac ben ik met La cousine Bette voor de keuze komen te staan om ofwel mijn eerder gevolgde vertaalmethode drastisch aan te passen aan de schrijver en het boek dat ik onder handen had, ofwel de vertaling van het boek op te geven. Hoe onverwacht dit ook voor mij was, hoop ik hier duidelijk te hebben gemaakt. Volgens mij zou er iets fundamenteel mis zijn wanneer ik een roman die wordt beschouwd als een hoogtepunt in het oeuvre van één van Frankrijks beroemdste schrijvers, zó naar de letter vertaalde dat de lezer zich verbaasd zou afvragen waarom in hemelsnaam de Fransen in Balzac een groot auteur zien. Ik twijfel dan ook niet aan de juistheid van mijn keuzes.

Twijfelen doe ik maar aan één ding. En dat is of ik in mijn opzet Balzac toegankelijk te maken voor de hedendaagse lezer wel ver genoeg ben gegaan. Ik denk dan aan Balzacs uitweidingen in La cousine Bette. Want meer dan eens riepen zijn ellenlange uitweidingen het akelige vermoeden in mij op dat hij ze had geschreven als bladvulling voor de krant. Dan jeukten mijn vingers om ze in te korten. Zulke inkortingen zag ik vaak worden toegepast in de enige Duitse vertaling van La cousine Bette die vandaag de dag in de boekhandel verkrijgbaar is. Ik heb dit toch niet aangedurfd, mede ook door bezwaren van de kant van de uitgever hiertegen. Achteraf gezien had ik in dit soort uitweidingen graag gesnoeid – in overleg natuurlijk met een bevoegde commissie.

Vanwege het arbeidsintensieve karakter van het vertalen van Balzac ben ik sinds Nicht Bette met de Comédie gestopt: het viel niet langer te combineren met het nog meer tijd en aandacht vragende project van de vertaling van Montaignes Essais. Dat is jammer, want met elk boek dat meer vertaald wordt uit de Comédie, wordt Balzac groter in het Nederlands. Met het oog op een volledig vertaalde Comédie humaine, zou ik het liefst alle vertalers uit het Frans willen overhalen minstens één roman van Balzac te vertalen. En op grond van de ervaring die ik heb opgedaan met mijn Nicht Bette-vertaling zou ik ze dan de suggestie willen doen Balzac naar de geest, niet naar de letter te vertalen. Maar, weet waar je aan begint: vertalen uit de Comédie humaine is een verantwoordelijke, moeizame opgave.

Balzac wordt vandaag de dag in Nederland bijna niet meer gelezen. Ik schrijf dit in de eerste plaats toe aan zijn verouderd taalgebruik. Het zou een gemiste kans zijn als je het daar bij liet en alleen een archeologisch verantwoorde vertaling maakte. Bij hem is het niet voldoende te vertalen wat er staat, maar moet je verhalen wat hij vertelt. Je doet er dan ook goed aan de verouderde effecten en alles wat de vertelling al te zeer vertraagt te stroomlijnen: temper zijn bombast, zonder zijn eigenlijke pathos aan te tasten, en retoucheer de stijlgebreken. Probeer zijn flodderende zinnen in te dammen en zijn ellenlange uitweidingen bij te snoeien.

Bij Balzac moet je niet alleen over zijn schouder meekijken hoe hij het schrijft, maar vooral zo nu en dan op zijn stoel gaan zitten, om de plaats van betekenis die hem ook in de moderne literatuur toekomt voor hem warm te houden.

Dit is de tekst van een lezing die Hans van Pinxteren gaf tijdens de Literaire Vertaaldagen te Nijmegen op 14 december 2001.

Dit artikel is in een licht gewijzigde versie opgenomen in de in 2011 door Hans van Pinxteren gepubliceerde bundel met vertaalverhalen De hond van Rabelais.

 

Noot
1 Ik gebruik hier het woord ‘tegeneffect’, denkend aan de (vertaal)slag die soms door (tafel)tennissers wordt gemaakt: wanneer de bal door de partij die in de aanval gaat met een bepaald effect wordt gespeeld, kan de ander de bal alleen in het veld of op de tafel houden, als hij voldoende tegeneffect geeft.

Lees meer over: