Vaart en frisheid    11-13

Ike Cialona

Abstract: Onder verwijzing naar de ‘zwier en liefde’ die Jan Pieter van der Sterre in 1999 van goede vertalingen eiste prijst Cialona Hans Bolands Poesjkin-vertalingen.

 

Ten tijde van de zonnewende van het jaar 1999 reisde ik niet naar Florence, Lucca of Ravenna, reisdoelen die men van een Dante-vertaler zou verwachten, maar naar Sint-Petersburg. Twee hele weken was ik in de ban van Poesjkin, en van zijn vertaler Hans Boland. Is er iets mooiers dan op een grasveld aan de oever van de Neva te zitten, terwijl om elf uur ’s avonds de zon nog hoog aan de hemel staat, en naar de Bronzen Ruiter te kijken en te luisteren? Iets romantischers dan Poesjkins gedichten, in fraai Nederlands verwoord, te horen voorlezen op een bebloemde heuvel in zijn ballingsoord Michailovskoje of op het eiland waar hij zijn laatste duel voerde?

Toen de redactie mij in november vroeg wat voor mij de meest opvallende vertaling van 1999 was, hoefde ik daar niet over na te denken. Er zijn in dat jaar twee boeken met Bolands vertalingen van Poesjkins werk gepubliceerd: een bundel van veertien novellen in verzen, en een biografie waarin veel vertalingen van lyrische gedichten zijn opgenomen. Deze vertalingen zijn niet alleen met de ‘zwier en liefde’ gemaakt waarover Jan Pieter van der Sterre vorig jaar op deze plaats schreef, ze voldoen ook aan de andere door hem opgesomde criteria: beheersing van de eigen taal, beheersing van de brontaal, en zorgvuldigheid.

Gelukkig heeft Hans Boland, binnen de kring van zijn collega-vertalers, lezers en toehoorders via omroep en festivalpodia, de roem verworven die hij verdient. Iets wat mij echter altijd weer boos kan maken is de laatdunkendheid waarmee sommige vooringenomen of onoordeelkundige recensenten, zomaar, vanwege een of andere gril, uit hoogmoed, of uit domheid, aan al die zorgvuldigheid, die zwier en die liefde voorbijgaan en een vertaling afkraken. Zelf is het mij eens overkomen dat mijn vertaling van een zestiende-eeuws Italiaans heldendicht gerecenseerd werd op zo’n manier dat ik mij voelde als iemand die, na jarenlang bezig te zijn geweest met het aanleggen van een prachtige tuin, een eigenzinnig jongetje daar op zijn klompjes doorheen ziet stampen.

Natuurlijk zijn er andere fraaie vertalingen gemaakt van sommige van Poesjkins versvertellingen. Natuurlijk kun je altijd weer dat ene woordje, die ene strofe vergelijken met een eerder gepubliceerde vertaling. Natuurlijk maakt een vertaler wel eens een fout. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om de bijna onvoorstelbare liefde en moed waarmee een vertaler zo’n project aanvaardt. Jaren van concentratie, jaren van opofferingen, jaren van bezetenheid! En meestal zonder de financiële steun die Jan Pieter van der Sterre in voornoemd stuk naijverig ‘een meefietsende beurs van het Fonds’ noemde.

Wat heeft het voor zin om er in een recensie (in de Standaard van 18 november) over te zeuren dat ‘voor luttel gelds’ in een vertaling van Aleida Schot mooier zou zijn dan ‘voor tien zilveren kopeken’ in een vertaling van Hans Boland? (Poesjkin zelf gebruikte daar het woord grivennik, ‘zilveren munt van tien kopeken’, niet ‘stuiver’, zoals de recensent denkt.) Of dat ‘Daar, in Gods naam, / kreeg ook zijn koude lijk een groeve’ (A.S.) mooier zou zijn dan het even briljante als eenvoudige ‘Hij werd terstond, / in Godsnaam één twee drie, begraven’ (H.B.)? Waarom schrijft de recensent dat hij Schots ‘En daar, verzonken half in ’t nat / zwom als een Triton Peters stad’ mooier vindt dan Bolands beknopte en vloeiende ‘Drijvend Petropolis geleek / een Triton die de lucht bekeek’? Waarom zegt hij niets over Bolands lef en originaliteit, of over de vaart en de frisheid van zijn taal?

Er bestaat wel degelijk het gevaar dat recensenten op deze wijze vertalers (en natuurlijk ook schrijvers) ontmoedigen, en zelfs een block bezorgen. Gelukkig voor mij en zijn vele andere fans laat Boland zich niet uit het veld slaan. Poesjkin schreef al op zijn veertiende:

Als ik besloten heb, zal ik geen duimbreed wijken:
Mijn keuze is de lier; zij zal mijn noodlot blijken.
De wereld oordeelt maar, als zij het beter weet.
Scheld maar en wees maar boos. Ik ben en blijf poëet.

Alexandr Poesjkin, De novellen in verzen. Vertaling Hans Boland. Verzameld werk deel 1. Breda: Uitgeverij Papieren Tijger.

Lees meer over: