Over Comparative Literature. A Critical Introduction van Susan Bassnett    104-107

Cees Koster

Susan Bassnett, Comparative Literature. A Critical Introduction. Oxford UK/Cambridge USA: Blackwell, 1993. 183 p. ISBN 0-631-16705-6
          

Vanuit wetenschapshistorisch perspectief wordt vaak aangenomen dat een grondslagendebat zou duiden op zwakheid van een discipline. Thomas Kuhn acht een grondslagendebat kenmerkend voor de preparadigmatische fase van een onderzoeksgebied, een fase die men, om tot ‘normale’ wetenschap uit te kunnen groeien, achter zich dient te laten. Vanuit de hoek van mens- en cultuurwetenschappen is altijd opgemerkt dat binnen haar domein de kenmerken van de pre-paradigmatische fase de normale gang van zaken vormen. Mens- en cultuurwetenschappen geen ‘normale’ wetenschap noemen zou echter neerkomen op een verabsolutering van natuurwetenschappelijke criteria, en men gebruikt voor dit soort wetenschappen dan ook liever termen als ‘multiple paradigm science’ (George Ritzer over sociologie) of poly-paradigmatische wetenschap (Maarten van Buuren over literatuurwetenschap). Voor de vertaalwetenschap, als volwassen cultuurwetenschap, geldt ook dat zij een poly-paradigmatische wetenschap is. Toch vinden sommigen binnen dergelijke wetenschappen dat discussie over fundamentals, over object en doelstelling, een teken van impotentie is ‒ misschien vanuit de gedachte dat wie zich in een identiteitscrisis bevindt niet naar behoren kan functioneren. Mij lijkt echter dat pluriformiteit net zo goed als een teken van vitaliteit kan worden opgevat. Je kunt ook stellen dat juist voor een cultuurwetenschap zelfreflexiviteit een onontbeerlijke eigenschap is om de zaak levend, in ontwikkeling te houden ‒ wetenschap is per slot van rekening ook een cultuurverschijnsel. En misschien zelfs dat haar identiteit haar uitdrukking vindt in de termen waarmee naar die identiteit wordt gezocht. Houdt men op met zoeken, dan verliest men zijn identiteit en mag men geen (eigen) naam meer hebben.

Dat zoeken naar identiteit gebeurt vaak in de vorm van het bepalen van eigen grenzen en van het onderzoeken van de relatie met datgene wat men veronderstelt dat zich aan gene zijde bevindt. Voor velen ligt aan gene zijde van de vertaalwetenschap de vergelijkende literatuurwetenschap. Voor Susan Bassnett lijkt de verhouding tussen beide disciplines een echte hang-up te zijn. Al een paar jaar beijvert Bassnett zich, in eendrachtige samenwerking met André Lefevere, voor meer serieuze aandacht voor vertaling als cultuurvormende kracht. Nu staan zij daarin niet alleen, dat idee heeft aan het begin gestaan van veel dat tot de hedendaagse vertaalwetenschap gerekend kan worden, maar het is curieus dat zij consequent de positie van vertaalonderzoek ten opzichte van het comparatisme willen blijven situeren. Ook in Bassnetts recente boek Comparatiue Literaiure. A Critical Introduction speelt de vraag naar de naam weer een belangrijke rol: de titel van het slothoofdstuk luidt ‘From Comparative Literature to Translation Studies’.

De aap die in dit hoofdstuk uit Bassnetts mouw komt is de wens tot inversie van (wat zij ziet als) de gevestigde hiërarchische relatie tussen de beide disciplines: ‘As comparative literature continues to argue about whether it can be considered a discipline or not, translation studies states boldly that it is a discipline, and the strength and energy of work in the field world-wide seem to confirm that assertion’ (160). ‘We should look upon translation studies as the principal discipline from now on, with comparative literature as a valued but subsidiary subject area’ (161). Dit laatste ronkende statement, dat de slotzin van het boek vormt, mag met recht critical heten, al heeft het boek daarmee eerder iets van een uitvaart dan een inleiding. Vanuit het perspectief van de vertaalwetenschap lijkt mij de machtsstrijd die Bassnett ziet een achterhoedegevecht (als het nu zou gaan om een institutionele machtsstrijd, zou het een stuk interessanter worden, maar die wordt natuurlijk in eerste instantie niet in [wel mét] boeken uitgevochten, maar aan universiteiten ‒ en wat dat betreft staat de vertaalwetenschap er in Nederland beroerd voor). Wat mij hier interesseert is niet zozeer het debat over de hegemonie tussen twee disciplines met een overlappend objectbereik, maar het (zelf)beeld van de vertaalwetenschap: ik zal dan ook vooral ingaan op het beeld dat Bassnett van de hedendaagse vertaalwetenschap schetst. Dat beeld blijkt bijna geheel bepaald te worden door Bassnetts eigen comparatistische achtergrond. Haar vertaalwetenschap is zo comparatistisch, dat ik me afvraag waar ze zich druk om maakt; de vraag naar de naam zou haar toch eigenlijk als een kwestie van lood om oud ijzer moeten voorkomen.

Om te beginnen is het opvallend dat door Bassnetts preoccupatie met de verhouding tussen beide disciplines het gehele veld van niet-literaire vertaling buiten beeld verdwijnt. Nu komt het wel vaker voor binnen het hedendaagse wetenschappelijke discours over vertaalde literatuur dat men zich in het geheel niet bekommert om de positie ten opzichte van niet-literaire vertaling (en die is ook lang niet altijd relevant of interessant), maar wie in termen van ‘de discipline’ wil spreken, zal toch op z’n minst het onderscheid moeten signaleren.

Een ander belangrijk bezwaar is dat Bassnett, in een kennelijke zucht naar lineaire, horizontale geschiedschrijving, een rechte lijn wil trekken van de stroming in de vertaalwetenschap die zich altijd sterk heeft gericht naar de polysysteemtheorie van Itamar Even-Zohar naar hedendaagse poststructuralistische benaderingen (waarbij dat ook nog eens de enige lijn is die ze überhaupt wil zien). Het thema van die verbindende lijn acht zij ‘the challenge to the original’ (141), het betwisten van de dominante positie van het origineel ten opzichte van de vertaling. Een betwisting die, zo gaat zij verder, ‘like the challenge to the canon or to the notion of correct, single reading is clearly part of a wide-ranging post-modernist strategy’. Aan het begin van die lijn situeert zij de polysysteemtheorie, de theorie waarin altijd veel aandacht is geweest voor de dynamische positie van vertaalde literatuur binnen literaire en culturele systemen: ‘The way in which translation studies began to mount an offensive against the dominance of the original and the consequent relegation of translation to a position of subservience was initially through the work of Evan-Zohar [sic] and his colleagues, most notably Gideon Toury, on polysystems theory’.

In haar historiografie van de (hedendaagse) vertaalwetenschap onderscheidt ze vervolgens drie fases. In de eerste, nog sterk door de polysysteemtheorie beïnvloedde fase richtte men zich vooral tegen het gevestigde discours over vertalen, met name tegen ‘decontextualized work in linguistics’ en ‘evaluative unsystematic work in literary studies’ (145). In de tweede fase ontwaart zij een grotere gerichtheid op constructief, historisch werk, waarin men zich bezighield met ‘mapping, tracing pattems of translation activity at given moments in time’ (146). Via het bruggetje van de aandacht in historisch onderzoek voor de metaforen over vertalen ‘which mark[ed] a definite move away from the overly structuralist origins of polysystems theory and a step on the road towards post-structuralist translation studies’ komt zij dan bij de derde, waarlijk poststructuralistische fase, waarin men ‘conceives of translation as one of a range of processes of textual manipulation, where the concept of plurality replaces dogmas of faithfulness to a source text, and where the idea of the original is being challenged from a variety of perspectives’ (147).

Op zichzelf is Bassnetts lijn interessant en ik denk dat er zeker verbanden te leggen zijn tussen de doelpoolgerichte benadering van de vertaalwetenschap (waarbij ik er dan gemakshalve maar van uitga dat dat hetzelfde is als wat Bassnett met ‘door de polysysteemtheorie beïnvloedde vertaalwetenschap’ bedoelt) en poststructuralistisch georiënteerde benaderingen, maar niet op de manier zoals Bassnett dat doet. Om te beginnen is het niveau waarop men de dominantie van het origineel wil betwisten voor beide benaderingen niet altijd hetzelfde. Bij de doelpoolgerichte benadering vindt die betwisting plaats op metaniveau: men wil niet dat brontekstgerichte opvattingen over een vertaalpraktijk interfereren in de empirische studie van vertaling. Maar bij veel poststructuralisten (met name feministen) vindt de kritiek plaats op objectniveau. Men acht het dominante vertaaldenken een bevestiging van bestaande maatschappelijke hiërarchische verhoudingen, en met de wens die gevestigde verhoudingen te ondermijnen formuleert men ‘theorieën’ voor een alternatieve vertaalpraktijk.

De suggestie dat de doelpoolgerichte benadering de mogelijkheidsvoorwaarde heeft geschapen voor poststructuralistische ideeën over vertaling is ronduit absurd. Dat zou toch op z’n minst moeten blijken uit enige vorm van openbare dialoog tussen beide richtingen, maar als er één bezwaar tegen poststructuralistische vertaal ‘theoretici’ kan worden ingebracht, dan is dat dat zij zich nauwelijks met het gevestigde vertaalwetenschappelijke discours inlaten.

Het lijkt me dat je grofweg twee vormen van poststructuralistisch vertaaldenken kunt onderscheiden. Het meer filosofisch georiënteerde vertaaldiscours, waarin men voornamelijk voortbouwt op het onvermijdelijke supertrio Benjamin, De Man en Derrida. Centrale thema’s in dit discours zijn differentie en alteriteit van en door vertaling, en in deze kringen heeft men ook het vertaalbaarheidsdebat weer nieuw leven ingeblazen. Je kunt je echter afvragen in hoeverre binnen deze benadering primair gedacht wordt vanuit het verschijnsel vertaling zelf en in hoeverre dat verschijnsel in dienst gesteld wordt van een ander doel. Mijn indruk is dat de aandacht voor vertaling hier eerder een neveneffect is van de kritiek op het eenheids- en oorsprongsdenken in het algemeen. De waardering van de status van de vertaling is dan niet veranderd door een ander zicht op vertaling, maar door een ander zicht op het origineel, op tekstualiteit überhaupt.

De tweede vorm, die overigens wel sterk op de eerste aansluit, is het meer ideologiekritisch georiënteerde vertaaldiscours. Bij Bassnett krijgt deze vorm de meeste aandacht, met name de op feminisme en postkolonialisme gerichte varianten. Dat zijn natuurlijk onderwerpen waar je goed mee voor de dag kunt komen, maar ook binnen deze vormen geldt dat de aandacht voor vertaling tweede prioriteit lijkt te zijn. Op zichzelf is dat niet bezwaarlijk, en het lijkt me alleszins gerechtvaardigd er een plaats binnen de discipline voor op te eisen. Een centrale plaats lijkt me echter niet terecht, zolang er geen theoretisch kader aan kan worden ontleend voor het verschijnsel vertaling in zijn algemeenheid. Het is de kracht van de polysysteemtheorie dat ze wel in staat is (geweest) dat kader te leveren. Dat blijkt des te meer uit een vorm van ideologiekritische vertaalwetenschap die wel rechtstreeks voortkomt uit de traditie van de polysysteemtheorie (zie hiervoor Robyns 1992, 1994), waarin het begrip ‘discursieve migratie’ nuttig werk doet bij het plaatsen in een breder kader van het begrip ‘vertaling’. Bij Bassnett wordt deze ontwikkeling nog niet vermeld.

De ontwikkelingen die Bassnett wel vermeldt zijn ondertussen spannend genoeg om alle aandacht te verdienen en zijn daarmee kenmerkend voor de vitaliteit die het hedendaagse vertaalwetenschappelijke discours. Haar eigen vorm van geschiedschrijving lijkt echter zelf een dankbaar onderwerp voor ideologiekritiek. Ik krijg namelijk sterk de indruk dat Bassnett probeert de ontwikkeling van de vertaalwetenschap te reduceren tot de geschiedenis van haar eigen affiniteiten en affiliaties. Daarbij gebeuren wonderlijke dingen, met als meest curieuze voorbeeld het toeschrijven van de beroemde symposiumbundel Literature and Translation aan de samenstellers Holmes, Lambert en Lefevere, waar ieder ander toch op de kaft zou lezen dat het om Holmes, Lambert en Van den Broeck gaat. Zou die laatste te veel van de rechte lijn zijn afgeweken?

           

Bibliografie
Van Buuren, Maarten. 1988. Filosofie van de algemene literatuurwetenschap. Leiden: Martinus Nijhoff.

Ritzer, George. 19882. Sociological Theories. New York: McGrawHill.

Robyns, Clem. 1992. ‘Towards a Sociosemiotics of Translation’, Romanistische Zeitschrift für Literaturgeschichte 1/2, p. 211-226.

Robyns, Clem. 1994. ‘Translation and Discursive ldentity’, Poetics Today 15:1. 

Lees meer over: