De corrigerende tik van een Engelse Nederlander    76-87

Over Mark Prager Lindo

Bianca Graat

‘Vertalers zijn gelijk aan de Hydra van de Fabel; zodra men het eene hoofd afslaat, groeit er een ander aan, maar men moet hun ter eere nageven dat ook, gelijk aan eene kudde hongerige wolven, zoodra de één gewond is, de overige hem aanvallen en verscheuren.’ Zo luidt het weinig vleiende oordeel van de geboren Engelsman Mark Prager Lindo (1819–1877) over de vertalers van zijn tijd (Lindo 1850: 351–352). De naam Lindo zal weinig belletjes doen rinkelen, maar een lezer die enigszins bekend is met de negentiende-eeuwse letterkunde zal de naam de Oude Heer Smits, oprichter en redacteur van (De) Nederlandsche Spectator, onmiddellijk herkennen. Lindo’s bijdrage aan de Nederlandse literatuur reikt echter veel verder dan Janus Snor (Arnhem, 1868) en Brieven en Uitboezemingen van den ouden Heer Smits (Arnhem, 1853), enkele werken die hij onder zijn pseudoniem schreef. Behalve als docent aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda, was hij onder zijn eigen naam werkzaam als recensent, literair adviseur en vertaler.

Lindo pleitte voor een betere kwaliteit van vertalingen. Zoals hij in zijn betrekking als docent zijn leerlingen onderrichtte, zo wees hij als criticus de vertalers terecht door hun de beginselen van het vertalen en van de Engelse taal en cultuur bij te brengen, zo blijkt uit recensies die hij schreef voor bijvoorbeeld de Arnhemsche Courant. Ook adviseerde hij de gerenommeerde Haarlemse uitgever Arie Kruseman (1818–1894) over te vertalen romans en toneelstukken voor de uitgave van meerdere literaire reeksen. Zelf tekende Lindo voor de vertaling (of herziening van een vertaling) van tweeëndertig Engelse romans en toneelstukken in de periode 1848–1873.1

In dit artikel wil ik een beeld schetsen van de diverse bijdragen van Mark Prager Lindo aan het negentiende-eeuwse vertaaldiscours en de eisen die hij stelde aan zowel de literaire vertaling als de vertaler. Daarnaast wordt de rol besproken die Lindo heeft gehad in de ontvangst van de romans van de Engelse humoristische romanschrijver William Makepeace Thackeray in Nederland. 

Lindo, de criticus
De vertaler als onuitroeibaar monster dat geen loyaliteit kent, zoals Lindo hem voorstelt, is een geestige overdrijving, maar toch karakteristiek voor de negentiende-eeuwse boekenwereld. Het vertalen werd door veel uitgevers en vertalers gezien als gemakkelijke bijverdienste. Boekhandelaren gaven steeds meer vertalingen uit. Was in 1837 het aantal ter vertaling aangekondigde werken 400, in 1853 was dit meer dan verdubbeld en werden er 880 vertalingen aangekondigd, waarvan naar schatting de helft ook daadwerkelijk werd uitgegeven(Kruseman 1886–1887, II: 736).

Het aantal vertalers groeide evenredig. Voor auteurs die al een aardige reputatie hadden opgebouwd, was het niet zo moeilijk om een vertaalklus te krijgen. Zij hadden zich al bewezen in de letterkunde en dat was voor – de betere – uitgevers kennelijk doorslaggevend. Veel romans zijn zodoende vertaald door auteurs die successen hadden geboekt met hun oorspronkelijke werk, zoals J.J.L. ten Kate, Sam Jan van den Bergh, Jacob Geel en ook Boudewijn (pseudoniem van J.L. van der Vliet). Voor wie niet kon bogen op een grote literaire reputatie was het moeilijker om binnen te dringen in het vertaalcircuit. In het Nieuwsblad voor den Boekhandel wemelde het van de advertenties van vertalers die zich aanboden aan uitgevers. Veel predikanten, advocaten (‘zonder praktijk’) en ongehuwde vrouwen wilden hun geluk in het literaire veld beproeven, wat de uitgevers tot wanhoop zou hebben gedreven:

Onder de kleine rampen van het uitgevers-leven behooren inderdaad die tallooze aanvragen om vertaalwerk. […] De menigte predikanten met zoo veel tijd, zoo veel kroost en zoo weinig traktement; dat aantal pas gepromoveerden zonder praktijk; maar bovenal, die overvloed van oudere en jongere eenzame dames, die ‘haar tijd nuttig willen besteden’, is een telkens weêrkerende beproeving. (idem: 442)

Doordat het negentiende-eeuwse vertaalrecht kon worden opgeëist volgens het beginsel ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’ – of vertaalt –, werd de uitgever gedwongen vooral snel te besluiten welke boeken door wie vertaald moesten worden en haast te maken met de aankondiging van zijn vertalingen. Deze haast kwam de standaard voor vertalingen uiteraard niet ten goede. Het gebrek aan capaciteiten van veel vertalers en de teleurstellende kwaliteit van vertalingen waren de critici een doorn in het oog. Zo ook Mark Prager Lindo. In 1841 had de geboren Engelsman Lindo zich definitief in Nederland gevestigd. Daarvoor had hij in Frankrijk en Duitsland gewoond. De talenkennis die hij zo had opgedaan, hielp hem aan een baan als docent moderne vreemde talen aan een gymnasium in Arnhem. Lindo ambieerde echter ook een carrière in de wetenschap. In 1844 verwierf hij aan de universiteit van Giessen, waar hij overigens nooit heeft gestudeerd, de doctorstitel in de wijsbegeerte. Negen jaar later zou hij ook in Nederland academische erkenning krijgen. Aan de Utrechtse hogeschool promoveerde Lindo op een nieuwe editie van Shakespeares Macbeth (Arnhem, 1853).

In de beginjaren van zijn literaire loopbaan schreef Lindo artikelen over uiteenlopende onderwerpen voor onder andere de Arnhemsche Courant, waarvan hij vanaf 1851 vaste medewerker was. Vanuit literair-historisch oogpunt zijn echter vooral Lindo’s bijdragen aan het Algemeen letterlievend maandschrift, vanaf 1851 De recensent: algemeen letterlievend maandschrift, interessant. Hij schreef hiervoor kritieken, gepubliceerd tussen 1847 en 1853, van Nederlandse vertalingen van Engelse boeken. Deze taak was Lindo, vanwege zijn functie als docent Engels en zijn dubbele nationaliteit, op het lijf geschreven. Hij bezat kennis van zowel de Nederlandse als de Engelse taal en bovendien behoorde het verbeteren van anderen tot zijn dagelijkse werkzaamheden. Hij bekeek en besprak vertalingen in zijn recensies dan ook op de wijze waarop men pupillen corrigeert. Zeer nauwlettend en streng wees Lindo onkundige vertalers op hun feilen, teneinde ze iets bij te brengen van zijn eigen deskundigheid. En dat hij vond dat de vertalers in Nederland onkundig waren, liet Lindo regelmatig blijken. In de ‘Preface’ bij zijn proefschrift merkte hij over de waarde van vertalingen in Nederland op: ‘he, who has not had an opportunity of acquiring a knowledge of the language, endeavours to make acquantaince with its most celebrated authors by the help of translations, containing, we grieve to say, but too often only deplorable caricatures of the original pictures’ (Lindo 1853a: I).

Lindo’s afkeer van de – volgens hem – slechte kwaliteit van vertalingen en de ontoereikende capaciteiten van vertalers was echter lang niet zo hevig als zijn afschuw van de verstokte opstelling van die vertalers. Lindo, die zichzelf enige superioriteit toedichtte vanwege zijn Engelse afkomst, wilde hun wel iets leren, maar dan moesten ze ook lúísteren. Dat laatste kwam er volgens Lindo niet altijd van, waardoor hij als criticus zo nu en dan gedwongen werd zijn ‘opvoedkundige’ toon te verruilen voor bijtend sarcasme, zoals zijn opmerking over de onuitroeibaarheid en de bloedhondattitude van de slechte vertalers aantoont. Lindo stoorde zich aan de weinig ontvankelijke houding van vertalers, maar meer nog aan hun ongepaste zelfingenomenheid ten opzichte van collega-vertalers. Iedere vertaler dacht het beter te kunnen en schroomde niet dit publiekelijk kenbaar te maken. Maar volgens Lindo was het niets anders dan een banaal ‘de pot verwijt de ketel’-spelletje. In een van zijn eerste recensies wees Lindo zelf een slechte vertaler in niet mis te verstane bewoordingen terecht. In 1847 verscheen deze uitvoerige kritiek in het Algemeen Letterlievend Maandschrift. Boudewijns zeer ongelukkige vertaling van Charles Dickens’ Dombey and Son werd hierin weliswaar met de grond gelijkgemaakt, maar de wijze waarop Lindo dit deed, namelijk door middel van een nauwgezette vergelijking tussen origineel en vertaling onderbouwd met zijn grondige kennis van zaken, werd door critici van zijn tijd uitermate bewonderd. Uit latere artikelen over vertalingen van Dickens’ romans (en vertalingen van de onfortuinlijke Boudewijn) blijkt dat Lindo’s artikel uit 1847, ‘Aan de vrienden van Charles Dickens in Nederland’, min of meer klassiek was geworden bij zijn tijdgenoten en collega-critici. Op woordniveau besprak Lindo in zijn stuk de verschillen tussen het origineel en de vertaling, een vast stramien in negentiende-eeuwse recensies en zeker ook in de recensies van Lindo. Ontelbaar zijn de aanhalingen van verkeerd vertaalde woorden. Naast de beruchte butterfly-‘botervlieg’-vergissing, ging Boudewijn de mist in door van elke holiday een ‘heiligendag’ te maken. Om het publiek duidelijk te maken uit welke hoek een zeewind in Nederland waait, werd an East wind bovendien consequent ‘een westewind’. De vertaalwetenschap duidt een dergelijke foutenanalyse als vorm van vertaalkritiek nu aan met de veelbetekenende term faux amis. Dat Lindo zelf een ‘valse vriend’kon zijn, blijkt uit venijnig commentaar als: ‘De Heer B. heeft dit in het Engelsch van Dickens niet verstaan; wij verstaan het in zijn Hollandsch ook niet.’ 

Lindo, de adviseur
Lindo’s intentie met zijn kritiek was de uitgevers van de Dickens-vertaling, Kruseman, Nijgh en Van der Vliet (Boudewijn zelf), ervan te overtuigen dat een nieuwe vertaling van Dombey and Son wenselijk en zelfs noodzakelijk was. De grondige aanpak van Lindo, zijn academische achtergrond en zijn Engelse nationaliteit zorgden ervoor dat de mening van de criticus veel bijval vond. In 1856 verscheen een nieuwe vertaling van Dombey and son, ditmaal van de hand van C.M. Mensing, die al in ditzelfde artikel door Lindo aangeprezen was als zeer kundig vertaler. De Haarlemse uitgever Kruseman was zozeer overtuigd van de capaciteiten van de relatief onbekende Lindo dat hij diens hulp enkele jaren later inriep bij een groot project dat op stapel stond: Buitenlandsche Klassieken, een reeks waarin buitenlandse romans en dichtwerken, van Homeros tot Longfellow, opnieuw en ‘onverminkt’ in het Nederlands zouden worden overgezet. In de aankondiging van de reeks, die verscheen in De Tijd, wordt duidelijk dat de uitgave berustte op de opvatting

dat er van velen dier meesterstukken geene, of dikwijls slechts zeer gebrekkige overzettingen bestaan, en anderen verouderd of uit den handel zijn; […] dat, eindelijk, ook Nederland hierin niet achter mag blijven en er prijs op zal stellen, tegen geringe geldelijke opoffering zich in het bezit te stellen van die werken van hooge waarde, die de proef van den tijd hebben doorgestaan en tot modellen zijn geijkt. (De Tijd 1852: 269)

De jonge criticus werd door de uitgever in staat geacht te beoordelen welke Engelse romans in aanmerking kwamen voor het stempel ‘klassiek’ en bovendien geschikt waren voor het Nederlandse publiek. Lindo kon door middel van zijn adviezen eindelijk bijdragen aan een verbetering van de kwaliteit van vertalingen in Nederland en daarnaast mocht hij meebeslissen over de selectie Engelse romans die (opnieuw) toegankelijk werden voor het Nederlandse lezerspubliek. In een brief aan Kruseman, gedateerd 5 april 1851, noemde hij de reeks expliciet ‘eene hoogst loffelijke en roemrijke onderneming in deze dagen van wansmaak & kwakzalverij’. De daadwerkelijke adviezen die Lindo aan de uitgever gaf, zijn slechts ten dele te achterhalen. Brieven van Lindo die bewaard zijn in het Krusemanarchief in de Universiteitsbibliotheek te Leiden tonen bijvoorbeeld aan dat hij de uitgever ten strengste afraadde Walter Scotts meesterwerk Ivanhoe in de reeks op te nemen: de Schot had namelijk wel mooiere romans geschreven. De commercieel ingestelde Kruseman wilde weliswaar werken van ‘hooge waarde’ uitgeven, maar voorwaarde was dat de boeken goed verkocht zouden worden. Zodoende verscheen het eerste deel van het populaire Ivanhoe in maart 1852 alsnog als openingsdeel van zijn reeks in een herziene vertaling van M.P. Lindo.

Lindo’s bijdrage aan de Buitenlandsche Klassieken beperkte zich echter niet tot zijn in de wind geslagen advies over Ivanhoe. Hij vertaalde ook Tristram Shandy van Laurence Sterne en The Vicar of Wakefield van Oliver Goldsmith voor de reeks. In 1862 volgde nog een vertaling van Henry Fieldings geestige roman Tom Jones. Alle investeringen en adviezen ten spijt, bleek de klassiekenreeks niet aan te slaan bij het publiek. Wat een winstvolle onderneming had moeten worden, eindigde in mineur toen het beheer van de reeks in 1864 uiteindelijk maar werd overgedragen aan de Amsterdamse uitgevers Schadd en Funke.2 Ook de literaire reeks De werken van Walter Scott (1852–1861), die Kruseman in dezelfde periode had uitgegeven, vond geen aftrek bij het Nederlandse lezerspubliek. Voor deze literaire reeks had Lindo zich eveneens sterk gemaakt. Hij was door Kruseman gevraagd te beoordelen in hoeverre enkele van Scotts romans, waaronder Woodstock, geschikt waren een Nederlandse editie. Daarnaast tekende Lindo voor de herziene vertaling van twee andere historische romans van de Schotse auteur: The heart of Midlothian (1853) en The Antiquary (1854).

Hoewel inmiddels twee van de reeksen waaraan Lindo zijn medewerking had verleend financieel geflopt waren, durfde de uitgever het tegen beter weten in nog een derde keer aan Lindo te betrekken bij een literaire serie. Onder zijn redactie verscheen in 1871 de serie De Meesterstukken van het Buitenlandsch Toneel, een serie vertaalde toneelstukken waarvoor de vertaler zelf flink had gelobbyd. De driedelige reeks kan worden gezien als een eerste poging om het Nederlandse toneel nieuw leven in te blazen. Lindo nam zelf de vertalingen van Oliver Goldsmiths She stoops to conquer en Richard Sheridans The Rivals voor zijn rekening. W.J. van Zeggelen tekende voor de vertaling van Le misanthrope van Molière. Lindo’s initiatief werd, al voor de vertalingen daadwerkelijk waren uitgegeven, door de invloedrijke criticus E.J. Potgieter gelaakt. Aan die andere gerenommeerde Nederlandse criticus Conrad Busken Huet schreef hij cynisch op 12 mei 1871:

Meesterstukken van het Buitenlandsch Tooneel, luidt de prospectus eener uitgave, die bij A.C. Kruseman het licht zal zien, ter schepping van al wat we niet hebben, een Tooneel, Tooneelspelers en een publiek. […] Poor Oliver Goldsmith! Daar schommelt Dr. Lindo uit het stof van honderd jaar She stoops to conquer or the Mistakes of a Night op, maakt er: Wie niet sterk is, moet slim zijn, of een avond vol vergissingenvan, – in plaats van de Ofjes had ik het stuk nog liever Bukkend Bovenst geheeten. (Potgieter 1972: 274)

Ook deze toneelreeks sloeg niet aan en Arie Kruseman zou zich niet nog eens wagen aan een serie-uitgave met Lindo. Hun literaire samenwerking kwam hiermee ten einde.

Lindo, de vertaler
Als recensent had Lindo zijn naam gevestigd en als literair adviseur had hij flink zij het weinig succesvol geijverd, maar met name als vertaler wilde Lindo zich sterk maken voor een verbetering van de kwaliteit van vertalingen. In 1848 verscheen zijn eerste vertaling: Gedenkschriften van den Heer Yellowplush naar het origineel van William Makepeace Thackeray. De uitgever was zijn schoonvader, Isaac Anne Nijhoff (1795–1863), die een gerenommeerde boekhandel beheerde in Arnhem. Nog vele vertalingen zouden volgen. Lindo bouwde een grote reputatie op als vertaler en verkeerde in een positie dat hij zelf de auteurs kon kiezen wier werk hij wilde vertalen. Over een periode van 25 jaar vertaalde Lindo een kinderboek en historische romans, fictieve gedenkschriften en enkele toneelstukken.

Toch hebben de gekozen boeken uit zeer uiteenlopende genres iets gemeen. Het oogmerk van de auteur (en van de vertaler) blijkt in veel gevallen bij uitstek moraliserend te zijn. Het menselijk karakter – en met name de menselijke gebreken – vormde vrijwel altijd het hoofdthema van de romans die Lindo ter vertaling koos. Als motto bij of misschien zelfs als voorwaarde voor meer dan één vertaling diende de veelzeggende Latijnse uitdrukking: mutato nomine de te fabula narratur (onder een andere naam wordt jouw verhaal verteld) (Lindo 1865b: VII). Lindo wilde díe werken beschikbaar stellen voor het Nederlandse publiek die een positieve invloed konden hebben op mens en samenleving, boeken die een bijdrage konden leveren aan de bestendiging van de burgerlijke cultuur.

Maar het is zeker niet zo dat Lindo de morele waarde van een werk boven de literaire kwaliteit ervan stelde. De auteurs wier romans Lindo vertaalde, waren immers allemaal destijds, maar ook nu nog gerespecteerde literaire auteurs, populair en beroemd. Bij Thackeray bijvoorbeeld zal Lindo naast de literaire waarde en moralistische insteek nog een derde kwaliteit hebben gevonden die hem aansprak en die ook in zijn oorspronkelijke werk terugkwam: humor, Engelse humor. Het is daarom aannemelijk dat de eisen die Lindo stelde aan de werken die hij ter vertaling koos, nauw overeenkomen met de kenmerken van zijn eigen proza. De tekst moest de lezer iets leren over het karakter van de mens om hem zo te ‘verbeteren’.

Lindo heeft meer dan eens te kennen gegeven dat hij als vertaler niet boven de auteur gesteld wilde worden: ‘Want de grootste verdienste van de vertaler is, dat hij ons zijne subjectiviteit doet vergeten, en dat, zoo het niet hoogst noodzakelijk is, wij zelfs niet aan zijn bestaan worden herinnerd’ (Lindo 1850: 352). Lindo’s dienstbare opstelling is mede te verklaren door zijn grote bewondering voor de schrijvers wier werk hij vertaalde: Thackeray, Dickens, Fielding en Sterne. De voorredes die Lindo schreef bij sommige van zijn vertalingen bevatten aanbevelingen van het werk van de vertaalde auteur en lofzangen op diens oeuvre, soms in de vorm van een biografische schets, soms minder verbloemd. In dienst van de auteur: zo moet Lindo zijn rol van vertaler beslist gezien hebben en juist daarom hekelde hij de pedante houding van verscheidene collega-vertalers.

Vertaalopvattingen van Mark Prager Lindo kunnen weliswaar gedestilleerd worden uit recensies, voorwoorden en brieven, maar niets toont beter hoe Lindo daadwerkelijk vertaalde dan de vertalingen zelf. Door te vertalen wilde de Engelse Nederlander zijn lezerspubliek bekend maken met de Engelse cultuur en met de menselijke waarden die sterk uit de door hem vertaalde werken naar voren kwamen. Hij wilde ‘zijn’ lezers overtuigen en beleren. Daarom streefde hij vooral naar verstaanbaarheid van de vertaling, zich verontschuldigend als dat ten koste ging van een getrouwe weergave. De intentie die Lindo had met het vertalen, bracht onvermijdelijk het maken van aanpassingen met zich mee. Maar is er nog wel sprake van vertalen als dergelijke aanpassingen ter bevordering van het begrip worden gemaakt, of wordt er dan ‘bewerkt’?

In het onderstaande wordt de Nederlandse ‘vertaling’ van The memoirs of Mr. Charles J. Yellowplush (1837–1838) van William Makepeace Thackeray (1811–1863), die in Engeland hoog stond aangeschreven, besproken en vergeleken met de ‘bewerking’ van The Rose and the Ring (1854), een Engels kinderboek eveneens van Thackeray. Het is interessant om na te gaan hoe Lindo in beide boeken de Engelse cultuur toegankelijk maakte voor Nederlandse lezers van zeer diverse pluimage. 

Lindo’s eersteling: Yellowplush
Yellowplush is een vertaling van enkele verhalen die als feuilletons waren verschenen in Fraser’s Magazine, een Engels tijdschrift dat, net als het vergelijkbare Punch, ook in Nederland enige bekendheid genoot en zeker ook gelezen werd. Wanneer Lindo precies kennis heeft gemaakt met Yellowplush is niet bekend. Waarom hij juist dit werk van Thackeray vertaalde wel. In het voorbericht bij de vertaling geeft hij twee redenen voor zijn keuze. Enerzijds heeft hij niet geaarzeld om het werk te vertalen omdat hij van Charles Dickens had begrepen dat Thackeray de auteur van het werk was.3 Dit onderstreept de grote bewondering die Lindo voor Dickens had. Anderzijds omdat het werk inhoudelijk waardevol is: ‘de stukken zelve komen mij, als proeven van echten humor, niet onbelangrijk voor […]’ (Lindo 1848).    

Lindo roemt in zijn voorbericht de originele stukken die hij heeft vertaald, maar tevens merkt hij in een voetnoot op dat hij niet de hele Yellowplush heeft overgebracht. De stukken die niet aantrekkelijk genoeg waren voor het Nederlandse publiek had hij niet vertaald. Hier wordt duidelijk welke functie de vertaler zich toemeet, namelijk die van criticus en tegelijkertijd die van ‘intermediair’ tussen twee culturen. De stukken waar Lindo het over heeft zijn inderdaad erg cultuurgebonden. ‘Mr. Yellowplush’s Ajew’ (te lezen als ‘adieu’) en ‘Epistles to the Literati’ vormen een directe aanklacht tegen een heel grote naam in de Engelse literatuur, Sir Edward Bulwer-Lytton, of zoals Thackeray hem zichzelf steevast laat noemen: ‘Sawedwadgeorgeearllittnbulwig’. Het maakt duidelijk dat Lindo een werk als ongeschikt of ‘als geheel en al van belang ontbloot voor den Hollandschen lezer’ (Lindo 1854) aanduidde als dat publiek het verhaal, ook in vertaling, niet zo zou ontvangen – begrijpen – als de oorspronkelijke lezers. Bovendien, de lezers die wel geïnteresseerd waren in de ontwikkeling van de Engelse literatuur en die de satire van Thackeray op Bulwer-Lytton dan zeker ook zouden kunnen waarderen, hadden waarschijnlijk het origineel reeds in Fraser’s Magazinegelezen.

Er is nog een groot verschil tussen origineel en vertaling dat vreemd genoeg niet door de recensenten van de vertaling werd opgemerkt. De plot wordt weliswaar getrouw overgebracht door de vertaler, maar over de afwijkende stijl wordt met geen woord gerept, terwijl dat een van de belangrijkste aspecten van Thackerays bundel is. Yellowplush is een fictieve autobiografie van een bediende, die de kunst van het snobisme afkijkt bij zijn werkgevers en zich aan het eind van de reeks heeft weten op te werken tot ‘litterary man’. Het probleem is echter dat ‘the footman’ niet kan spellen. De gedenkschriften zijn zodoende geschreven in Cockneystijl. In dit taalgebruik zitten talloze woordspelingen verstopt die het verhaal bijzonder humoristisch en venijnig maken: ‘Pickledilly’ (Pickadilly), ‘Looy Disweet’ (Louis dix-huit), ‘Sally Mangy’ (salle à manger), ‘as old as Jerusalem’. Lindo vertaalde genoemde voorbeelden echter zonder gekkigheden in het Nederlands, dat wil zeggen: in de ‘correcte’ vorm. De zoete koning werd gewoonweg Lodewijk de achttiende en de ik-persoon die zichzelf ‘zo oud als Jeruzalem’ noemde, kreeg van de vertaler een nootje om de lezer erop te wijzen dat de schrijver waarschijnlijk ‘Methusalem’ had bedoeld. De Nederlandse Yellowplush, wiens opvallende naam overigens verwijst naar de lakeibroek die hij draagt, bezigt geen vergelijkbaar Nederlands sociolect. De woordspelingen komen geheel te vervallen. We kunnen slechts gissen naar de reden van deze mutatie, maar waarschijnlijk heeft de vertaler gedacht dat voldoende van de humoristische waarde van het werk bewaard zou blijven als hij de inhoudelijke elementen intact liet. De culturele verwijzingen, die in het werk eigenlijk nauwelijks op de voorgrond treden, naturaliseert of neutraliseert de vertaler slechts sporadisch. Een muffin wil nog wel eens een krentenbol worden, maar Engelse opera’s en toneelstukken behouden hun titels en toneelspelers, hun naam en nationaliteit. Men kan gerust concluderen dat Lindo voor zijn lezers de balans zocht tussen het kennismaken met een ‘vreemde’ cultuur en het eigen maken van de cultuurgebonden elementen die het verhaal juist kleur geven. Voorop staat echter zijn intentie om het morele gedachtegoed van de Engelse auteur over te brengen.

Kinderboek in vertaling
Lindo was als vertaler daarom wellicht beter toegerust toen hij Thackerays sprookje The Rose and the Ring (Londen, 1854) onder handen nam. Het sprookje is bij uitstek een genre voor moralistische denkbeelden. De opvoedende, moralistische taak die Lindo zichzelf toedichtte als vertaler in zijn heksenjacht tegen het snobisme, kwam uitstekend tot zijn recht in het verhaal over uiterlijke schijn en innerlijke goedheid. Lindo wilde met zijn vertaling ongetwijfeld kinderen de juiste waarden en normen bijbrengen. In een recensie van de Nederlandse bewerking van J.C.L. Neukirchs kinderboek De Insektenwereld (Leiden, 1865), die de veelzeggende titel ‘Een model kinderboek’ meekreeg, schreef Lindo in zijn eigen Nederlandsche Spectator over kinderliteratuur:

Een der moeijelijksten taken, welke een schrijver wel op zich nemen kan, is zeker de vervaardiging van een leesboek voor kinderen, dat onderhoudend en leerzaam tevens is, opwekkend voor de verbeeldingskracht, ontwikkelend voor het verstand en dat het kind aanspoort om zelf te zoeken en te onderzoeken, zonder het schepseltje tot een pedant wezentje en een onverdragelijk wijsneusje op te leiden. (Lindo 1865: 373)

In feite is dit wat Lindo van elk literair werk verwacht, niet alleen van een kinderboek. Vooral het verstand ontwikkelen en voorkomen dat de lezer een ‘ploert’ wordt, is een doelstelling die uit al zijn werk spreekt. Dat is ook precies wat hem zo aanspreekt, naast de satire, in het werk van Thackeray. Het moet leuk zijn, maar je moet er ook een beter mens van worden. Die literatuuropvatting kon Lindo zeker profileren in kinderliteratuur. Daar vond hij een publiek dat daadwerkelijk kon worden opgevoed.

In De Roos en de Ring is te zien dat de oorspronkelijke verwijzingen naar Engelse cultuurgebonden fenomenen worden vernederlandst. Het betreft veelal eigennamen. Zo krijgen het Mauritshuis en het Trippenhuis een plaatsje in de vertaling en wordt ‘Cognac’ vervangen door ‘een stokerij te Schiedam.’ Dat de slechteriken in het sprookje worden verbannen naar Groningen, moet ook een vondst zijn geweest van de vertaler. Betekenisvolle persoonsnamen hebben van Lindo een verstaanbaar Nederlands equivalent gekregen: ‘Gruffanuff’ werd ‘Grofengrog’, ‘Hedzoff’ werd ‘Kopafski’ en ‘The Sovereign Prince of Turkey and the Sausage Islands’ kreeg van de vertaler zelfs de eretitel ‘Markies van Balkenbrei, Heer van de Saucijsenbroodjeseilanden.’ Ook literaire verwijzingen worden aangepast aan de Nederlandse lezer. Waar Thackeray verwijst naar de historische romanschrijver G.P.R. James, noemt Lindo Alexandre Dumas en als Thackeray het naslagwerk Magnall’s Questions noemt, maakt de vertaler van de gelegenheid gebruik om zijn goede vriend Lodewijk Mulder en diens Algemeene geschiedenis te vermelden. Vrijwel alle culturele verwijzingen werden door Lindo genaturaliseerd. Zelfs als er eigenlijk geen sprake is van een cultuurgebonden tekstelement, heeft de vertaler gekozen voor een doelcultuurgebonden equivalent. Zo vertaalde hij het Engelse ‘carrier’ als ‘Van Gend en Loos’ en werd er in de Nederlandse bewerking plotseling ‘St. Nicolaas’ gevierd waar er in het origineel enkel sprake was van een pop die cadeau werd gedaan. Lindo heeft de tekst zo toegankelijk mogelijk proberen te maken met eenvoudige woorden, goedlopende zinnen, toevoegingen om onduidelijkheden uit te werken, het invullen van lege plekken en herhalen van namen om duidelijk te maken over wie het gaat.

Lindo besteedde vooral aandacht aan de begrijpelijkheid van de vertaling. Deze eis stelde hij niet alleen aan een bewerkte tekst voor kinderen, maar blijkbaar ook aan zijn ‘serieuze’ vertaalwerk voor volwassenen. In De Roos en de Ring maakte hij de vreemde tekst geschikt (lees: begrijpelijk) voor een Nederlands publiek door realia, cultuurspecifieke, inhoudelijke elementen, te vervangen door Nederlandse equivalenten. In Yellowplush daarentegen is het vooral een substitutie van de stijl – als dat zo genoemd mag worden – die in ieder geval de leesbaarheid van de vertaling ten goede komt. Dit alles om de door hem bewonderde Thackeray op een begrijpelijke wijze onder de aandacht te brengen van de Nederlandse lezers.

Lindo, pleitbezorger van Thackeray
Het sprookje The Rose and the Ring is afgezien van Lindo’s bewerking nog driemaal in het Nederlands vertaald.4 Yellowplush daarentegen heeft na Lindo’s vertaling in 1847 nooit meer de interesse gewekt van een Nederlandse uitgever of vertaler. Dat het werk sindsdien niet meer in het Nederlands is vertaald, onderstreept de moeilijkheid van de opgave. ‘Er zijn weinig auteurs moeijelijker in een andere taal over te brengen dan Thackeray,’ aldus een recensent van De Tijdspiegel in 1866.

Thackeray was in het negentiende-eeuwse Nederland bekend bij wie ingewijd was in de Engelse literatuur. Degenen die de Engelse tijdschriften Punch en Fraser’s Magazine lazen, kenden hem of in ieder geval zijn werk. Het grote publiek had nog niet kennisgemaakt met de Engelse auteur. Voor het verschijnen van Yellowplush in Nederland, was slechts één ander werk van Thackeray vertaald, het korte verhaal ‘Fatal Boots’, dat in 1844 in Het Leeskabinet verscheen als ‘Robert Stubbs en de noodlottige laarzen’(Supheert 2003: 57), zonder de naam van de oorspronkelijke auteur overigens. Lindo wilde met zijn vertaling de specifieke humor, de spottende blik van Thackeray introduceren in Nederland. Hij bekleedde zo de functie van bemiddelaar tussen de Engelse en de Nederlandse literatuur, in eerste instantie vanwege zijn dubbele nationaliteit. Via de vertalingen waarbij Lindo in uiteenlopende hoedanigheden betrokken was, kwam de Nederlandse lezer in aanraking met verscheidene Engelse auteurs, die met elkaar gemeen hadden dat hun werk gekenmerkt werd door spot: Goldsmith, Dickens en Sterne. Het is deze satire die Lindo in de Nederlandse literatuur wilde brengen; eerst door middel van vertalingen en later met zijn eigen werk, geschreven onder het pseudoniem van de Oude Heer Smits.

De literaire kritiek is bij uitstek geschikt om inzicht te krijgen in deze ‘interference’ van culturen, in dit geval de receptie van buitenlandse werken, omdat de kritiek in feite een gedocumenteerde ontmoeting van twee culturen is. De vertaling van Yellowplush zou in dit opzicht zo bijzonder niet zijn, ware het niet dat een recensent in De Gids een belangrijke opmerking maakt die duidelijk laat zien hoe een vreemde en een bestaande poëtica kunnen botsen. In de recensie wordt de roman ‘als lektuur van uitspanning’ geprezen, máár ‘een humoristisch boek zooals wij dat begrijpen, is het niet’ (De Gids 1849: 355). Gelukkig was de recensent bereid duidelijk te maken wat dan wel begrijpelijke humor was voor de Nederlandse lezer in het midden van de negentiende eeuw. Humor moest tranen van het lachen op het gelaat van de lezer brengen. Humor in de traditie van Charles Dickens en Hildebrand: die moet sociale kwesties aan de orde stellen zonder cynisch te worden. Deze opvatting staat in schril contrast met de humor van William Thackeray. Daarover merkte een recensent op: ‘Geen schelle schaterlach klinkt door zijn spot, maar wel een enkele maal een nauwbedwongen snik, een angstkreet in tranen gesmoord’ (De Gids 1869: 196). De goedheid van de mens werd door de Engelse auteur in twijfel getrokken omdat hij geen ‘goede’ personages als ideaal opvoerde. Zodoende bood de roman nauwelijks of geen tegenwicht aan al die personages met grote karakterfouten, veelal snobs. Zo’n somber mensbeeld was klaarblijkelijk niet wat de burgerlijke Nederlandse lezer van een humoristisch boek verlangde. De roman Vanity Fair, die Thackeray in 1847 instant fame bezorgde in Engeland, werd in Nederland niet erg positief ontvangen. Zelfs Lindo, die men doorgaans op geen kwaad woord over Thackeray kon betrappen, moest in zijn recensie van het werk toegeven dat uit de roman ‘een bittere, sarkastische, spottende geest [spreekt], onbarmhartig den mensch en de maatschappij hekelende’ (Lindo 1853b: 183). Thackerays kritiek op het menselijk karakter werd in Nederland opgevat als mensenhaat. De veelzeggende ondertitel van Vanity Fair luidt: A novel without a hero. Het was wellicht juist die held die de Nederlandse lezer in een roman wilde herkennen. De receptie van Thackerays werken, in vertaling weliswaar, vertoont desalniettemin een radicale, positieve ontwikkeling. Of dit nu kwam doordat de Engelse schrijver gematigder werd of dat de Nederlandse lezer aan zijn scherpzinnigheid gewend raakte, is de vraag. Het is in ieder geval Lindo geweest die als vertaler, redacteur en criticus, de auteur keer op keer heeft aanbevolen en hem steeds opnieuw onder de aandacht van de Nederlandse lezer heeft gebracht.

Door vertalingen, de literaire series waarin Thackeray werd opgenomen, maar ook door publicatie van zijn werk in het schoolboek Readings in English prose, selected from the best writers (Arnhem 1854) heeft Lindo als criticus en vertaler in grote mate bijgedragen aan de waardering voor en populariteit van William Thackeray in Nederland. En waar veel – al dan niet kundige – vertalers hoofdzakelijke financiële motieven hadden, zag Mark Prager Lindo ook de educatieve mogelijkheden van het vertalersvak. Zo trachtte hij de vertaler naar voren te brengen als invloedrijk speler in het literaire veld, die welbewust gekozen onderdelen van een ‘vreemde’ cultuur in eigen land kan – of zelfs moet – introduceren.

 

Noten
1 Ten onrechte wordt er veelal van uitgegaan dat Mark Prager Lindo’s voornaamste literaire wapenfeit zijn vertaling van William Makepeace Thackerays Vanity Fair is. Lindo schreef enkel het voorwoord voor de in 1869 herziene vertaling De Kermis der IJdelheid, waarin hij de vertaling aan een anonieme vertaler toeschrijft. Ook de eerste vertaling van Vanity Fair, Het schouwtooneel der wereld uit 1850, was niet van zijn hand. Lindo schreef er wel een recensie over in De Recensent. Algemeen Letterlievend Maandschrift (1853), I, p. 181–186.
2 Voor de uitgave van literaire series zie ook Kuitert 1993.
3 Thackeray schreef onder de naam van zijn eigen hoofdpersoon, Charles Yellowplush, om zo het werk als autobiografie te kunnen presenteren. Dit leidde tot grote verwarring over de ware identiteit van de schrijver, vooral in het buitenland. Zo nam in Frankrijk de uitgever Baudry het boek op in de verzamelde werken van Charles Dickens. Ook in Nederland bestond er onzekerheid over de identiteit van de schrijver. Lindo nam alle twijfel weg toen hij voor het vertalen van The Yellowplush Papers contact opnam met Dickens zelf en hem confronteerde met de veelgemaakte vergissing. In de voorrede bij de vertaling schrijft Lindo dat Dickens zo goed was het vermoeden van de vertaler dat de echte schrijver Thackeray moest zijn, te bevestigen.
4 J. van der Hoeves vertaling van The Rose and the Ring verscheen in 1888 bij Versluys te Amsterdam. In de twintigste eeuw werd nog een tweetal vertalingen uitgegeven. Toos Blom tekende voor de vertaling in 1961. Vijftien jaar later verscheen De Roos en de Ring, of De geschiedenis van Prins Giglio en Prins Bolbo, uit het Engels vertaald door Yge Foppema, die ook werk van R.L. Stevenson en Rosemary Sutcliffe in het Nederlands overzetten.


Bibliografie
[Anoniem]. 1849. ‘De Gedenkschriften van den Heer Yellowplush’, De Gids, 13:1, p. 355.

[Anoniem]. 1866. ‘De vier Georges. Voorlezingen van W.M. Thackeray’, De Tijdspiegel, 1, p. 727.

[Anoniem]. 1869. ‘De Newcomes. Gedenkschriften van eene allerdeftigste familie’, De Gids, 7:2, p. 196.

Kruseman, Arie Cornelis. 1886–1887. Bouwstoffen voor een geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel gedurende de halve eeuw 1830–1880.Amsterdam: Van Kampen & Zoon.

Kuitert, Lisa. 1993. Het ene boek in vele delen. De uitgave van literaire series in Nederland 1850–1900. Amsterdam: De Buitenkant.

Lindo, Mark Prager. 1847. ‘Aan de vrienden van Charles Dickens in Nederland’, Algemeen letterlievend maandschrift, 3:1, p. 328–356.

Lindo, M.P. 1850. ‘[Bespreking van] De Bezeten Man, of het Verbond met het Spook, van Charles Dickens. Een Man van Geld, door Douglas Jerrold’, De Gids, 14:1, p. 351–352.

Lindo, M.P. 1853a. ‘Preface’, in: William Shakespeare, Macbeth. With an introduction, critical and historical notes by M.P. Lindo. Arnhem: Thieme.

Lindo, M.P. 1853b. ‘[Bespreking van] Het schouwtooneel der wereld’, De Recensent. Algemeen Letterlievend Maandschrift, 1:1, p. 183.

Lindo, M.P. 1854. ‘Voorrede van den vertaler’, in: Édouard Colmache, Mededeelingen uit het leven van Prins Talleyrand. Uit de nagelatene papieren van den heer Colmache; naar de tweede ed., uit het Engelsch vert. door M.P. Lindo. Arnhem: Thieme.

Lindo, M.P. 1865. ‘Een model kinderboek’, De Nederlandsche Spectator, 10:47, p. 373.

Potgieter, E.J. 1972. De volledige briefwisseling van E.J. Potgieter en Cd Busken Huet. Uitgegeven door Dr. Jacob Smit. Groningen: H.D. Tjeenk Willink.

Supheert, Rosalinde. 2003. De Victoriaanse top-tien’, Filter, 10:4, p. 55–61.

Thackeray, William Makepeace. 1848. De gedenkschriften van den Heer Yellowplush. Uit het Engelsch [door M.P. Lindo]. Arnhem: Nijhoff.

Thackeray, W.M. 1860. The memoirs of Mr. Charles J. Yellowplush. Londen/Glasgow: Collins Clear Type Press.

Thackeray, W.M. 1869. De Roos en de Ring. Naar het Engels vrij bew. door Den ouden heer Smits. Amsterdam: Kraay.

Thackeray, W.M. 1918. The Rose and the Ring. Amsterdam: Meulenhoff.

Lees meer over: