De beroepspraktijk van literair vertalers    41-48

Engelien de Jong

Tot op heden zijn er nauwelijks cijfers bekend over de wijze waarop literair vertalers in Nederland invulling geven aan hun beroepspraktijk. Aan de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg wordt onderzoek gedaan naar loopbanen van literair vertalers, waarbij het beschrijven van de beroepspraktijk één van de doelstellingen is.1 In dit artikel worden alvast enige resultaten uit het betreffende promotie-onderzoek gepresenteerd.

Respondenten
In mei en juni 1997 werden vertalers, die in 1995, 1996 of 1997 lid waren van de Werkgroep Vertalers van de beroepsvereniging de Vereniging van Letterkundigen of vertalers die in 1997 lid waren van de literaire sectie van het Nederlands Genootschap van Vertalers, benaderd om aan het onderzoek deel te nemen. Het lidmaatschap van een van deze beroepsverenigingen werd gezien als een indicatie van het beroepsmatig werkzaam zijn als literair vertaler. Het doel van de enquête was tweeledig: allereerst informatie verzamelen over de beroepspraktijk en meningen, ervaringen en verwachtingen inventariseren die vertalers hebben met betrekking tot hun werk en hun loopbaan als literair vertaler. Ten tweede inzicht krijgen in de factoren die van invloed zijn op het al dan niet continueren van de beroepsloopbaan als literair vertaler. De probleemstelling van het onderzoek luidt: wat motiveert literair vertalers om hun beroep te blijven uitoefenen? Deze beide onderdelen zullen uitgebreid worden beschreven in een proefschrift dat naar verwachting in de loop van 1999 zal verschijnen.

Voor het onderzoek zijn 295 vragenlijsten verstuurd, waarvan 172 zijn geretourneerd, hetgeen een respons betekent van 58%. 121 respondenten gaven met een antwoordkaart aan geïnteresseerd te zijn in de resultaten van het onderzoek. Er bleken uiteindelijk 136 vragenlijsten geschikt voor verdere analyse. De hier gepresenteerde resultaten zijn gebaseerd op de antwoorden van deze 136 enquêtes.

136 literair vertalers namen deel aan het onderzoek, waarvan 81 vrouwen en 55 mannen. De leeftijd varieerde van 33 jaar tot 90 jaar, met een gemiddelde van 49 jaar (standaarddeviatie van 9.3 jaar2). Het aantal jaren reeds werkzaam als literair vertaler varieerde van 1 tot 67 jaar, met een gemiddelde van ruim 16 jaar (standaarddeviatie van 9.3 jaar). Voor allen was Nederlands de doeltaal. Vertalers die uit het Nederlands in een andere taal vertaalden, de zogenaamde ‘andersom-vertalers’, werden niet in het onderzoek betrokken. De reden hiervoor was dat deze groep vertalers niet goed vergelijkbaar is met de groep vertalers die in het Nederlands vertalen: voor subsidiegeving door het Fonds voor de Letteren komen zij bijvoorbeeld niet in aanmerking.

Tabel 1 Aantal vertalers naar brontaal

Brontaal Aantal
vertalers1
Aantal
vertalers,
overwegend
vertalend uit:
Aantal
vrouwen,
overwegend
vertalend uit:
Aantal
mannen,
overwegend
vertalend uit:
Engels/
Amerikaans
77

55

34

21

Frans 43 19 12 7
Duits 32 10 5 5
Spaans,
Portugees,
Italiaans
27


18


11


7


Overige/uit-
heemse talen
49

20

14

6

Meerdere
brontalen
evenveel
14


14


5


9


  242 136 81 55

1 = Per brontaal staat het aantal vertalers vermeld. Vertalers die vanuit meerdere brontalen vertalen zijn per taal meegeteld en tellen vaker mee. Dit maakt dat de sommatie van vertalers over de talen groter is dan het aantal respondenten in de steekproef (N=136).

Tabel 1 geeft het aantal vertalers per brontaal aan. Een aantal brontalen is samen genomen wegens het soms (zeer) gering aantal respondenten per brontaal afzonderlijk. De onderscheiden brontalen zijn respectievelijk Engels/Amerikaans, Frans, Duits, Spaans/Portugees/Italiaans, Overige/uitheemse talen. Bovendien vermeldt tabel 1 het aantal vertalers die uit meerdere brontalen evenveel vertalen (zoals zowel uit het Engels als het Duits, of zowel uit het Frans, als het Spaans en het Hebreeuws). De derde, vierde en vijfde kolom uit tabel 1 geven het aantal vertalers aan die voor het grootste gedeelte uit één van de onderscheiden brontalen vertalen. Een vertaler die voornamelijk literatuur uit het Frans vertaalt, maar daarnaast ook wel eens uit het Spaans vertaalt, wordt in de tabel gerekend tot ‘overwegend vertalend uit het Frans’. Veertien vertalers die uit meerdere brontalen vertalen, gaven aan dat er niet één maar meerdere talen bestonden van waaruit zij het meest vertalen. Dit betekent dat ze gerekend worden tot ‘overwegend vertalend uit meerdere brontalen evenveel’.

Vertalers uit het Engels/Amerikaans zijn in de steekproef het sterkst vertegenwoordigd, vervolgens het Frans en dan het Duits. Dit vormt een goede afspiegeling van het feit dat de meeste vertalingen van fictie uit het Engels/Amerikaans, daarna het Duits en het Frans afkomstig zijn (Heilbron 1995; Verdaasdonk 1985). De sekseverdeling binnen de steekproef is 60% vrouwen en 40% mannen en komt overeen met het aandeel vrouwelijke en mannelijke leden van de werkgroep vertalers van de Vereniging van Letterkundigen/Vakbond van Schrijvers (VvL/VvS) (De Jong 1997). Beide gegevens duiden erop dat de steekproef een goede afspiegeling vormt van de totale populatie.

Beroepsuitoefening
Tabel 2 geeft een beschrijving van de beroepsuitoefening. Gegeven zijn het percentage vertalers dat vertalen als hoofdberoep heeft, het percentage vertalers dat naast het vertalen van literatuur andere betaalde activiteiten verricht, het percentage vertalers dat in 1996 uit de markt voor literaire vertalingen minder dan ƒ 20.000,- aan bruto-inkomsten verkregen heeft, het percentage vertalers dat op het moment van afname van de enquête een opdracht voor het vertalen van literair werk had en tot slot het percentage vertalers dat voor de nabije toekomst toezeggingen of contracten had voor opdrachten voor de duur van 1 tot 6 maanden.

Voor 78% van de respondenten vormt vertalen de hoofdactiviteit. Dit geldt iets meer voor vrouwen dan voor mannen, respectievelijk 80% en 75 %. Een uitschieter naar boven vormt de groep die uit het Engels/Amerikaans vertaalt: voor 91 % vormt vertalen het hoofdberoep. Een behoorlijke uitschieter naar beneden vormt de groep die uit overige/uitheemse talen vertaalt: slechts 40% heeft vertalen als hoofdberoep. Dit resultaat is echter minder opmerkelijk wanneer je het gegeven erbij betrekt dat de meeste opdrachten uit het Engels/ Amerikaans afkomstig zijn en veel minder uit andere talen dan het Engels/Amerikaans, het Duits of het Frans.

Tabel 2. Beschrijvende variabelen met betrekking tot de beroepspraktijk van literaire vertalers in percentages naar brontaal en sekse

Variabele




Engels/ 
Ameri-
kaans


Frans 




Duits 




Spaans, 
Portu-
gees,
Ita-
liaans
Overig 
Uit-
heems


Meerdere 
brontalen
evenveel


Totale
groep



Vrou- 
wen



Man-
nen



Heeft vertalen
als hoofd-
beroep
91%
N=55

79%
N=19

80%
N=10

72%
N=18

40%
N=20

86%
N=14

78%
N=14

80%
N=81

75%
N=55

Heeft tevens
betaalde ne
venactiviteiten
36%
N=55

68%
N=19

60%
N=10

61%
N=18

95%
N=20

36%
N=14

54%
N=136

54%
N=81

55%
N=55

Bruto-inkomen
uit literair
werk: minder
dus ƒ 20.000
63%
N=54


90%
N=19


67%
N=9


94%
N=17


95%
N=20


57%
N=14


75%
N=133 


75%
N=80


76%
N=53


Heeft momen-
teel een ver-
taalopdracht

71%
N=55

68%
N=19

70%
N=10

56%
N=18

60%
N=20

71%
N=14

67%
N=136

67%
N=81

67%
N=55

Duur van op-
drachten in na- 
bije toekomst:
tussen 1 en 6
maanden
51%
N=55



5%
N=19



30%
N=10



22%
N=18



15%
N=20



36%
N=14



32%
N=136



33%
N=81



31%
N=55




Tabel 3. Gemiddelden en standaarddeviaties van variabele uit de beroepspraktijk van literaire vertalers naar brontaal en sekse

Variabele




Engels/ 
Ameri-
kaans


Frans




Duits




Spaans,
Portu-
gees,
Itali-
aans
Overig,
Uit-
heems


Meerdere 
brontalen
evenveel


Totale
groep



Vrou-
wen



Man-
nen



Aandeel (in %) 
in totaal bruto
inkomen af-
komstig uit
literair werk
64.4
(36.4)
N=53


48.6
(41.0) 
N=19


45.4
(35.8) 
N=10


47.9
(32.9)
N=16


37.1
(33.1)
N=18


67.7
(40.3)
N=13


55.1
(37.5)
N=129 


59.0
(37.4) 
N=75


49.8
(37.4)
N=54


Binnen de totale groep verricht iets meer dan de helft (54%) naast het vertalen van literatuur andere betaalde activiteiten. Dit geldt in mindere mate voor vertalers uit het Engels/ Amerikaans (36%), en voor vertalers die uit meerdere brontalen evenveel vertalen (36%). Binnen de groep vertalers die uit overige/ uitheemse talen vertaalt heeft bijna iedereen (95%) betaalde nevenactiviteiten. De overgrote meerderheid (75%) verkreeg in 1996 uit de opdrachtenmarkt voor literaire vertalingen een bruto-inkomen dat onder ƒ 20.000,- ligt. IJdens en De Nooy (1988) berekenden tien jaar geleden dat een vertaler die jaarlijks drie boeken van gemiddelde omvang vertaalde, in totaal ruim 200.000 woorden, niet meer dan circa ƒ 18.000,- aan bruto-inkomen uit de opdrachtenmarkt kon halen (IJdens & De Nooy 1988: 10-11). Als gemiddeld inkomen berekenden zij ongeveer ƒ 12.500,- per vertaler. De inkomsten uit de markt voor literair vertalen waren toentertijd en nu nog steeds niet voldoende voor een volledige en zelfstandige beroepsuitoefening (IJdens & De Nooy 1988; Stichting Fonds voor de Letteren 1988). In een periode van tien jaar blijkt er in de honorering van het vertalen van literatuur nauwelijks enige verbetering te zijn opgetreden. Tabel 3 toont het percentage in het totaal bruto-inkomen dat afkomstig is uit het vertalen van literair werk. In de totale groep geldt dat gemiddeld iets meer dan de helft van het bruto-inkomen (55%) afkomstig is uit literair vertaalwerk. Vertalers die uit meerdere brontalen evenveel vertalen halen ongeveer twee derde (67.7%) van hun bruto-inkomen uit het literair vertalen. Dit geldt eveneens voor vertalers uit het Engels/Amerikaans: zij halen ook bijna twee derde van hun bruto-inkomen uit het vertalen van literair werk. Vertalers uit overige/uitheemse talen halen slechts voor iets meer dan één derde van hun bruto-inkomen uit het literair vertalen. Vrouwen zijn voor bijna zestig procent (59.0%) en mannen voor ongeveer de helft (49.8%) van hun bruto-inkomen afhankelijk van inkomsten uit het vertalen van literair werk.

Uit rij 4 van tabel 2 blijkt dat ongeveer twee derde deel van alle vertalers op het moment van onderzoek een opdracht had, oftewel één derde had op dat moment geen opdracht. Van de groep die vertaalt uit het Spaans/Portugees/Italiaans had bijna de helft (44%) geen opdracht. Ongeveer één derde (32%) had vooruitzicht op opdrachten met een totale omvang van circa 1 tot 6 maanden. Voor vertalers uit het Frans lag dit percentage extreem laag (5%). Nadere inspectie van de gegevens toont dat ongeveer één derde van de groep vertalers uit het Frans (32%) nog geen contracten of toezeggingen voor opdrachten in het verschiet had, maar een groot deel (63%) had zelfs voor méér dan 7 maanden opdrachten in het vooruitzicht. De omvang van deze laatste groep wordt niet in de tabel gepresenteerd. Dit relativeert het in eerste instantie negatieve beeld van het zeer geringe aantal vertalers dat opdrachten met een totale omvang van 1-6 maanden in het verschiet had.

Tabel 4. Mate van tevredenheid over het beroep van literair vertaler in zijn totaliteit en over deelaspecten uitgesplitst naar brontaal en sekse

Tevredenheid
over


Engels/ 
Ameri-
kaans

Frans 



Duits 



Spaans,
Portu-
gees,
Italiaans 
Overig 
Uit-
heems

Meerdere
brontalen 
evenveel

Totale
groep


Vrou- 
wen


Man-
nen


Beroep van lite-
rair vertaler, to- 
taalindruk
5.2
(1.3)
N=54
5.0
(1.6)
N=19
5.3
(1.5)
N=10
5.2
(1.4)
N=16
5.2
(1.2)
N=17
5.5
(1.4)
N=13
5.2
(1.3)
N=129 
5.3
(1.2)
N=75
5.1
(1.5)
N=54
Beroep van lite-
rair vertaler,
gebaseerd op
deelaspecten
5.0
(.6)
N=55

5.4
(.8)
N=18
 

5.3
(.9)
N=8
 

5.3
(.8)
N=17
 
5.2
(.7)
N=17
 
5.3
(.7)
N=13
 
5.2
(.7)
N=128

5.2
(.8)
N=77
 
5.1
(.7)
N=51
 
Opdrachten


4.9
(1.5)
N=55
4.8
(1.8)
N=19 
5.0
(2.0)
N=8 
4.2
(1.9)
N=17 
4.7
(2.0)
N=18 
5.0
(1.8)
N=14 
4.8
(1.7)
N=131 
4.7
(1.7)
N=79 
4.9
(1.8)
N=52
Tijd om op-
drachten af te
ronden
3.6
(1.5)
N=55
 4.6
(1.3)
N=19
4.3
(1.9)
N=7 
4.3
(1.4)
N=16 
3.8
(1.8)
N=17 
4.1
(1.7)
N=14 
3.9
(1.6)
N=128 
4.1
(1.5)
N=76 
3.7
(1.6)
N=52
Financiële belo-
ning

2.8
(1.5)
N=55 
2.8
(1.9)
N=19
3.1
(1.6)
N=8 
2.6
(1.5)
N=17 
3.3
(1.9)
N=18 
3.6
(1.3)
N=14 
2.9
(1.6)
N=131
2.8
(1.6)
N=78
3.2
(1.7)
N=53 
Contacten met
uitgevers, au-
teurs, vertalers
4.3
(1.5)
N=54
4.9
(1.5)
N=19 
5.0
(2.5)
N=7
4.2
(1.5)
N=17 
4.5
(1.5)
N=17 
4.5
(1.3)
N=13 
4.5
(1.5)
N=127 
4.4
(1.6)
N=77 
4.5
(1.4)
N=50 
Materiële beno-
digdheden (na-
slagwerken,
etc.)
5.3
(1.0)
N=54

5.7
(1.0)
N=19
 
5.3
(1.7)
N=8

5.2
(1.0)
N=17
 
5.1
(1.4)
N=17
 
5.3
(1.3)
N=14
 
5.3
(1.1)
N=129
 

5.4
(1.1)
N=78

5.3
(1.2)
N=51
 
Werkomgeving


5.6
(1.2)
N=55
5.9
(1.1)
N=19
5.9
(1.6)
N=8 
5.7
(1.5)
N=18 
5.4
(1.2)
N=16 
5.4
(1.3)
N=14 
5.6
(1.3)
N=130 
5.6
(1.3)
N=78 
5.5
(1.2)
N=52
Motivatie


5.5
(1.1)
N=54
5.8
(1.2)
N=19 
5.8
(1.3)
N=8 
5.7
(1.4)
N=18 
5.9
(.8)
N=17 
5.6
(1.6)
N=14
5.7
(1.2)
N=130 
5.8
(1.1)
N=79 
5.6
(1.3)
N=51 
Voldoening


5.5
(1.1)
N=55 
5.6
(1.1)
N=19 
5.8
(1.0)
N=8 
5.8
(1.2)
N=18 
6.1
(.8)
N=17 

5.6
(.8)
N=13 

5.7
(1.1)
N=130 
5.8
(1.0)
N=79 
5.4
(1.1)
N=51 
Erkenning en
waardering

4.2
(1.5)
N=55 
4.6
(1.6)
N=19 
4.6
(1.5)
N=8 
4.8
(1.5)
N=18 
4.7
(1.8)
N=18 
4.9
(1.3)
N=13 
4.5
(1.5)
N=131 
4.7
(1.6)
N=80 
4.2
(1.4)
N=51 
Zelfdiscipline


5.2
(1.6)
N=54
6.0
(.6)
N=19 
5.6
(1.6)
N=8 
5.3
(1.8)
N=18 

5.3
(1.3)
N=18 

5.8
(.8)
N=14 
5.4
(1.4)
N=131 
5.5
(1.3)
N=79 
5.3
(1.6)
N=52 
Ontwikkeling
van vaardig-
heden
5.1
(1.0)
N=54
5.3
(1.3)
N=19 
5.3
(.9)
N=8 
5.4
(1.3)
N=18 
5.6
(.7)
N=17 
5.5
(.8)
N=14 
5.3
(1.0)
N=130 
5.3
(1.1)
N=79 
5.3
(1.0)
N=51 
Mogelijk-
heid om
zelf tijd in
te delen
6.1
(.9)
N=55
 
6.3
(.8)
N=19
 
5.9
(1.7)
N=8
 
6.1
(1.4)
N=18 

5.4
(1.5)
N=17

6.2
(.7)
N=14
 
6.0
(1.1)
N=131
 
6.1
(1.1)
N=79
 
5.9
(1.2)
N=52
 
Afwisse-
ling in het
werk
5.2
(1.3)
N=55) 
5.5
(1.3)
N=18 
5.8
(1.2)
N=8 
5.4
(1.2)
N=18 
5.1
(1.0)
N=17 
5.4
(1.2)
N=14 
5.3
(1.2)
N=130 
5.4
(1.3)
N=78 

5.1
(1.2)
N=52 

Zelfstan-
digheid
van het
werk
6.2
(.8)
N=55)

6.6
(.6)
N=19

6.4
(.7)
N=8
 
6.4
(.9)
N=18

6.4
(.7)
N=18
 
5.6
(1.8)
N=14
 
6.2
(1.0)
N=132
 
6.2
(1.1)
N=80
 
6.3
(.7)
N-52
 
Mogelijk-
heid tot
ontplooiing
5.2
(1.2)
N=55
5.3
(1.5)
N=18 
5.4
(1.1)
N=8 
5.4
(1.4)
N=18 
5.5
(1.2)
N=17 
5.6
(1.2)
N=12 
5.3
(1.3)
N=128 
5.3
(1.3)
N=78 
5.4
(1.2)
N=50 
Mogelijk-
heid waar-
devol werk
te doen
5.3
(1.3)
N=54

5.7
(1.3)
N=19
 
5.5
(.9)
N=8
 
5.8
(1.2)
N=18
 
5.7
(1.5)
N=18
 
5.7
(.9)
N=13
 
5.5
(1.2)
N=130
 

5.5
(1.2)
N=80
 

5.5
(1.3)
N=50
 
Interessant
werk

5.8
(1.0)
N=55
6.1
(1.2)
N=19 
5.8
(.7)
N=8 
6.3
(.8)
N=18 
6.2
(.7)
N=17 
6.1
(.8)
N=13 
6.0
(1.0)
N=130 
6.0
(1.0)
N=79 
6.0
(.9)
N=51 

Gemeten op 7-puntsschaal met 1=zeer ontevreden, 7=zeer tevreden, 4=neutraal

Tevredenheid over het beroep
Tabel 4 geeft de tevredenheid over het beroep van literair vertaler in zijn totaliteit en over de verschillende deelaspecten aan. Men is gemiddeld genomen redelijk tevreden over het beroep van literair vertaler als zodanig. Dit blijkt zowel uit het oordeel als totaalindruk (gem.=5.2) als uit het gemiddeld oordeel gebaseerd op deelaspecten (gem.=5.2). Men is het minst tevreden over de financiële beloning, namelijk enigszins ontevreden (gem.=2.9) en men is het meest tevreden over de zelfstandigheid waarmee het werk kan worden gedaan: hierover is men tevreden (gem.=6.2). De onderscheiden groepen (naar brontaal en sekse) verschillen nauwelijks op de afzonderlijke deelaspecten van het beroep. Over de tijd die men krijgt om opdrachten af te ronden is men gemiddeld genomen noch tevreden noch ontevreden. Een tweedeling in immateriële aspecten (zoals motivatie, voldoening, zelfdiscipline, ontwikkeling van vaardigheden, etc.) en materiële aspecten (zoals opdrachten, financiële beloning, materiële benodigdheden, etc.) laat zien dat men tevreden is over het immateriële en redelijk tevreden over het materiële.

Slot
In dit artikel is getracht een beeld te schetsen van de beroepspraktijk van literair vertalers aan de hand van antwoorden op enkele vragen uit een uitgebreide enquête onder literair vertalers. 136 literair vertalers hebben aan het onderzoek meegedaan. Inkomsten uit de opdrachtenmarkt voor literaire vertalingen blijken nog altijd zeer gering te zijn: driekwart van de respondenten haalt minder dan ƒ 20.000,- bruto uit de markt. Iets meer dan de helft van het totaal bruto-inkomen is afkomstig uit het vertalen van literair werk. Hier blijken echter grote verschillen te bestaan wanneer respondenten worden uitgesplitst naar brontaal.

Over het geheel genomen is men redelijk tevreden over het beroep van literair vertaler in zijn totaliteit en de verschillende deelaspecten. Er blijken geen grote verschillen te bestaan tussen vertalers die uit verschillende brontalen vertalen of tussen mannen en vrouwen. Het minst tevreden is men over de financiële beloning en het meest tevreden over de zelfstandigheid van het werk3.


Noten
1 Een uitgebreidere projectbeschrijving is te vinden in E. de Jong, ‘Loopbanen van literair vertalers’, Boekmancahier, 1997, 31, p. 102-104.
2 De standaarddeviatie geeft de mate van spreiding van de scores aan. Hoe hoger de standaardeviatie, hoe hoger de spreiding; hoe lager de standaarddeviatie, hoe dichter de scores bij het gemiddelde liggen.
3 In een later artikel zal worden ingegaan op die aspecten van het onderzoek die met de relatie tussen literair vertalers en het Fonds voor de Letteren te maken hebben.


Bibliografie
Heilbron, J. 1995. ‘Nederlandse vertalingen wereldwijd. Kleine landen en culturele mondialisering’, in: J. Heilbron, W. de Nooy en W. Tichelaar (red.) Waarin een klein land. Amsterdam: Prometheus, p. 206-252.

Jong, E. de. 1997. ‘Het beroep van literair vertaler’, De Talen, 6, p. 204-206.
Stichting Fonds voor de Letteren (1988). Beleidsplan 1989-1992. Amsterdam. Verdaasdonk, H. 198 5. ‘The influence of certain socio-economie factors on the composition of literary programs of large Dutch publishing houses’, Poetics, 14, p. 575-608.

T. IJdens & W. De Nooy 1988. Schrijvers en fonds. Tilburg: IVA.

Lees meer over: