Over de mantel die een jas werd: Gogol hervertaald     37-39

Eric Metz

In 2013 zal het zestig jaar geleden zijn dat uitgever G.A. van Oorschot zijn reeks De Russische bibliotheek in het leven riep. Dankzij dit initiatief kreeg de Nederlandstalige lezer in de loop der jaren toegang tot een aanzienlijk deel van de belangrijkste werken uit de Russische negentiende-eeuwse literatuur, ook wel de ‘klassieke’ literatuur genoemd. De beste prestaties van grote, intussen overleden vertalers zoals Charles Timmer, Thomas Eekman en Marko Fondse verschenen in deze reeks. De laatste tijd lijkt Van Oorschot zich meer op het hervertalen van titels uit haar Russische fonds te richten. Zo deed Arthur Langeveld met De broers Karamazov (2006) recht aan Dostojevski’s stilistische veelstemmigheid en voltooiden Eekman, Aai Prins en Anne Stoffel in 2010 hun in vijf boekdelen uitgegeven hervertaling van Tsjechovs verzamelde verhalen. In 2012 verscheen dan het eerste deel van de nieuwe, tweedelige Verzamelde werken van Nikolaj Gogol.

Is hervertalen de nieuwe trend geworden? In de schatkamer van de negentiende-eeuwse literatuur wachten nog heel wat kleinoden op een eerste Nederlandse vertaling, om nog maar te zwijgen van hedendaagse Russische schrijvers, die vandaag eigenlijk maar mondjesmaat vertaald worden (of maar weinig worden uitgegeven, wat nog iets anders is). Het lijkt erop dat uitgevers – en dan heb ik het vanzelfsprekend niet alleen over Van Oorschot – in deze economisch moeilijke tijd voorzichtiger zijn geworden wanneer het op het lanceren van onbekende namen aankomt. Men houdt het bij vaste waarden, de ‘klassieken’ dus, die door een hervertaling van onder het stof gehaald worden of – vanuit economisch standpunt gezien – opnieuw in de markt worden gezet. Natuurlijk bestaan er ook intrinsiek literaire redenen om een nieuwe vertaling van dezelfde tekst te maken. Hoe rijker en complexer de brontekst, zo lijkt het, hoe vaker vertalers zich uitgedaagd voelen om het op hun manier nog een keer te proberen (denken we voor de Russische literatuur bijvoorbeeld aan de vrij talrijke Nederlandse vertalingen van Jevgeni Onegin). Daarnaast is er de ongeschreven regel dat Nederlandse literaire vertalingen een gemiddelde houdbaarheid van vijfentwintig jaar hebben. Na die termijn krijgt de doeltekst vaak een wat archaïsche of oubollige bijklank. Nieuwe generaties vergen nieuwe vertalingen.

Gogol

Marketing, literaire complexiteit en het voortschrijden van de tijd zijn dus essentiële factoren in de beslissing om een hervertaling te maken. Maar hoe zit het nu eigenlijk met Gogols Verzamelde werken, deel 1,uit 2012? Het boek heeft een rechtstreekse voorganger bij uitgeverij Van Oorschot, namelijk de driedelige Verzamelde werken (1959–1965) in de vertaling van Charles Timmer en Hans Leerink. Verschillende generaties Nederlandse lezers hebben Gogol leren kennen dankzij deze mooie, plastische vertaling, die lange tijd blijkbaar niet als verouderd werd beschouwd: daarvan getuigen de verschillende herdrukken, tot in het begin van de eenentwintigste eeuw. Intussen verschenen wel andere vertalingen van onder meer de Petersburgse verhalen (door Aleida Schot bij Meulenhoff en door Arie van der Ent bij Veen), maar tussen de Verzamelde werken in vertaling en in hervertaling ligt dus een halve eeuw.

Bij herlezing blijkt Timmers vertaling nog altijd goed leesbaar. Toch oogt de nieuwe vertaling door Aai Prins op een aantal punten frisser en – inderdaad – eigentijdser. Het eerst springt dit in het oog bij de titel van het beroemde verhaal dat in het Nederlands gewoonlijk ‘De mantel’ heet. Aai Prins maakte daar ‘De jas’ van, en dat is eigenlijk ook wat het Russische woord sjinélj betekent: een lange jas, of een uniformjas.

Belangrijker zijn de stilistische verschillen tussen beide vertalers. Prins’ vertaling is preciezer en snediger dan die van Timmer. In het verhaal ‘De neus’vinden we een typisch gogoliaanse tussenkomst van de auteur als ironische verteller. In de nieuwe vertaling van Aai Prins lezen we: ‘Maar ik ben een beetje tekortgeschoten omdat ik nog steeds niets heb verteld over Ivan Jakovlevitsj, een in veel opzichten achtenswaardig man’ (Gogol 2012: 518). De formulering van Timmer is hier omslachtig: ‘Maar nu voel ik mij toch tegenover de lezer enigszins schuldig dat ik tot dusver nog niets over Iwan Jakowlewitsj heb verteld, die toch in menig opzicht een eerzaam burger was’ (Gogol 1962: II.83). Het lijkt een nodeloos complexe weergave van een zin die in de brontekst helder en sober is. Het woord ‘tekortgeschoten’ bij Prins is ongetwijfeld ook een betere oplossing dan ‘schuldig’, wat een vrij letterlijke vertaling is van vinovát – een term die dus echter een ruimere betekenis heeft dan wat Timmer erin zag.

Wanneer college-assessor Kovaljov zijn eigen neus in een uniform op straat tegenkomt, ontspint zich tussen Kovaljov en de neus een bizarre dialoog, waarbij laatstgenoemde te horen krijgt dat hij ‘zijn plaats’ moet kennen. In een korte zin van vier woorden laat Gogol de neus zeggen dat hij een zelfstandige persoon is. Timmer bracht deze zin in een hoger register, opnieuw door hem in de vertaling ingewikkelder te maken: ‘ik ben een in ieder opzicht zelfstandig individu’ (Gogol 1962: II.88–89). De vertaling van Prins is eenvoudiger, maar ook accurater en ongeveer even kort als de zin in de brontekst: ‘Ik ben mezelf’ (Gogol 2012: 523). Langer hoeft ook helemaal niet.

Gogol vertalen kan verraderlijk zijn. Zijn ongebonden, associatieve vertelstijl vertoont affiniteiten met de poëtica van de barok, maar zijn taalgebruik is toch vaak heel gewoon. Timmer vertoont af en toe de neiging om Gogols zinnen te verfraaien, waardoor een zweem van maniërisme ontstaat: ‘Precies op dat ogenblik hoorde hij [Kovaljov] naast zich het strelend in het oor klinkende geruis van een damesjapon. Er was een tamelijk corpulente dame op leeftijd binnengekomen, gehuld in een wolk van kant en min of meer de indruk wekkend van een gotisch bouwwerk […]’ (Gogol 1962: II.89; cursivering EM). Vergelijken we dit met de hervertaling: ‘Op dat moment bereikte hem het aangename geruis van een damesjapon; er was een oudere, geheel in kant gehulde dame aan komen lopen […]’ (Gogol 2012: 523). Ook hier is Prins’ vertaling adequater dan die van Timmer – het ‘gotische bouwwerk’ blijkt een toevoeging van de vertaler te zijn.

Het toevoegen van idiomen was een fenomeen waar Karel van het Reve zich aan ergerde bij het lezen van Nederlandse vertalingen van literatuur. In een vermakelijk stuk onder de titel Vertalen klaagde hij over het ‘Dik-Tromkarakter’ dat vertalingen krijgen wanneer ze vol uitdrukkingen staan zoals ‘de plaat poetsen’ en ‘zich geen knollen voor citroenen laten verkopen’ (Van het Reve 2009: III.34–35). Nu had Charles Timmer genoeg stijlgevoel om niet te overdrijven met het idiomatiseren van Gogols teksten, maar toch gebruikt hij een uitdrukking zoals ‘in het huwelijksbootje stappen’ waar de Russische schrijver het gewoon over ‘huwen’ heeft. Wanneer iets ‘onbekend’ is, wordt dat bij Timmer algauw ‘in het duister gehuld’. In al die gevallen houdt Prins goed maat, zodat de stijl van de brontekst overeind blijft (vgl. resp. Gogol 1962: II.86 en 2012: 520; Gogol 1962: II.182 en 2012: 598).

De stilistische ingrepen van Timmer blijken meestal niet te storen wanneer je zijn vertaling los van de brontekst leest – en dat is wat de meeste lezers natuurlijk doen. Neem je echter de Russische tekst én de hervertaling erbij, dan zie je dat Aai Prins zorgvuldiger te werk is gegaan en dat Gogols nieuwe Verzamelde werken bij Van Oorschot een verbetering zijn ten opzichte van de uitgave van vijftig jaar geleden. Dat is niet alleen te verklaren door de evolutie van het Nederlands: veranderde vertaalnormen hebben hier minstens evenveel mee te maken. De nieuwe vertaling van Gogol is dus zeker op haar plaats. De hervertaling lijkt op de restauratie van een kostbaar fresco waarvan de oorspronkelijke kleuren zichtbaar worden. De verwachtingen voor deel twee van deze Verzamelde werken, te verschijnen in 2014, zijn alvast hooggespannen.

Nikolaj Gogol, Verzamelde werken. Deel 1: Verhalen en novellen. Vertaald uit het Russisch en van aantekeningen en een nawoord voorzien door Aai Prins. Amsterdam: Van Oorschot, 2012.

 

Bibliografie
Gogol, Nikolaj. 1959–1965. Verzamelde werken. Vertaald uit het Russisch door Hans Leerink en Charles B. Timmer. Amsterdam: Van Oorschot.

Gogol, Nikolaj. Verzamelde werken. Deel 1: Verhalen en novellen. Vertaald uit het Russisch en van aantekeningen en een nawoord voorzien door Aai Prins. Amsterdam: Van Oorschot, 2012.

Reve, Karel van het. 2008–2011. Verzameld werk. Amsterdam: Van Oorschot.

Lees meer over: