Marlene leerde ik in de jaren zeventig kennen door haar werkcolleges aan de Freie Universität Berlin. Ik was onder de indruk van haar manier van lesgeven, haar kennis en kunde. En dat niet alleen met betrekking tot Nederland, waar ze enige tijd had gewoond terwijl ze Nederlands, Duits en kunstgeschiedenis studeerde, maar ook wat de Duitse geschiedenis en cultuur betrof. En haar opvattingen over het werknemerschap, waar ik me tot dan toe weinig om had bekommerd. Ze legde de lat hoog, zeker voor zichzelf. Soms vond ik dat jammer, omdat ze te bescheiden was om veel te willen publiceren, bijvoorbeeld over Astrid Roemer in het kader van vrouwen in Zuid-Amerika.
In de jaren daarna had ik minder met haar te maken – zij had kleine kinderen en ik was bij allerlei andere dingen betrokken. Begin jaren negentig werkten we even samen, bij het vertalen van Krimis uit het Nederlands, een voorlopige vertaling van Astrid Roemers De gekte van een vrouw, een boek dat toen helaas geen uitgever vond, en een vreemd boek over de Pinsel, waar we bij een bezoek in Belgie aan de auteur af en toe een lachbui aan over hielden. En verder Begraben und Vergessen van Marjan Sax, over anders begraven dan in Duitsland gewoon. Ik herinner me dat ze vertelde over haar oma, die een fles drank onder haar bed had voor de begrafenismannen, daar zou de familie dan vermoedelijk niet aan denken. Maar ons Duits – zij met haar enorme kennis van het Duits vanuit haar Zuid-Duitse achtergrond en ik, near native, die een eerder noordelijk Duitse inslag had met een vleugje Schwäbisch – lag toch te ver uit elkaar; bovendien was ik meer op de commercie gericht. Terwijl Marlene voor betere voorwaarden voor literair vertalers streed en af en toe lucratievere wetenschappelijke vertalingen en catalogusteksten afleverde. Ze probeerde boeken die ze de moeite waard vond onder de aandacht van Duitse uitgevers te brengen, maar dat lukte jammer genoeg lang niet altijd. Het bleef ook een punt dat Duitse redacteuren een tekst graag wat wilden gladstrijken, terwijl zij voor de nuance ging en een duidelijk eigen stijl hanteerde met oog voor wat de auteur in zijn of haar tekst had gelegd. Ze sprak altijd graag met 'haar' auteurs, zo vertelde ze bijvoorbeeld over Adriaan van Dis dat die zich met haar over een vertaling gebogen had: ‘hij vindt klank en ritme heel belangrijk, ik zoek daarom oplossingen die ook voor hem goed klinken’.
Ze was in de jaren `90 al lang op weg om een uitzonderlijk goede literair vertaalster te worden. Vanaf 1994/95 woonde ze vaker een tijdje in het Vertalershuis in Amsterdam, waar ze veel contacten aanknoopte met collega-vertalers en uitgevers en in boekhandels rondneusde. In een interview met Maarten Dessing in 2016 vertelde ze daarover. Het was begonnen met de vertaling van Harry Mulisch, De toekomst van gisteren, vervolgens vertaalde ze Tralievader van Carl Friedman – een boek over een Duits concentratiekamp, niet Auschwitz zoals eerder werd aangenomen, maar Sachsenhausen. De oorlog was een thema dat haar bleef begeleiden en bezighouden.
Dessing merkt op dat haar carrière min of meer parallel liep met de grotere Duitse belangstelling voor Nederlandse literatuur, vanaf 1993 toen Nederland en Vlaanderen gastland bij de Frankfurter Buchmesse waren. Ze vertaalde onder andere Armando en bleef met diens familie verbonden.
Een opmerking uit het interview: ‘jammer genoeg gebeurt het niet vaak dat mijn vertalingen bestsellers worden’. Af en toe kreeg ik een door haar vertaald boek, en ik was altijd getroffen door haar keuze voor boeken met inhoud. Als ze me soms wat vroeg, kreeg ik een glimp te zien van haar precieze en gedegen manier van werken, zonder dat dat doorsloeg op haar vertalingen, die altijd de juiste toon troffen zonder je naar het Nederlands te doen verlangen. Terwijl ze zelf altijd uiterst kritisch bleef of het toch niet beter had gekund. Ze was in feite ook een – in Nederland vaak ontbrekende - strenge redacteur met oog voor achtergronden en data, vaker werd daar in een volgende Nederlandse druk dan rekening mee gehouden. Ik herinner me haar inzet voor Charlotte Mutsaers, ik herinner me Kutscher Herbst en vooral Rachels Röckchen – daarvoor deed ze onderzoek in de Koninklijke Bibliotheek en het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie om de originele Duitse zinswendingen die in de roman in vertaling worden geciteerd te vinden en feitenmateriaal te verzamelen over de bezettingstijd en de NSB (aldus Onno Blom in 1997 in een artikel over het Vertalershuis).
In Filter verscheen in 2003 van haar Het plezier van het vertalen, een rede die ze hield toen ze voor Kirschblut van Mutsaers de Else-Otten-prijs in ontvangst nam. Ze benoemde eerst even de frustratie, maar dan met verve vooral het plezier:
De voldoening om na lang zoeken, rechercheren, piekeren, overwegen de juiste oplossing gevonden te hebben.
Het plezier om je telkens weer met een andere tekst, een andere denkwereld in te laten.
Het plezier om te ervaren hoe een auteur die je al eens vertaald hebt je met een nieuwe tekst toch weer voor nieuwe uitdagingen plaatst.
Het plezier om nieuwe begrippen en woorden te leren kennen, zelfs na lang zoeken, omdat mijn oog intussen geleerd heeft op nieuwe dingen alerter te reageren, ook op het vreemde en het andere. Vreugde wanneer je plotseling op een auteur of een tekst stuit die je ertoe aanzet, ja zelfs ertoe dwingt, om eigen woordcreaties te wagen en ongewone woorden of denkwijzen te verdedigen.
Marlene ten voeten uit, denk ik bij het herlezen. En ik zie haar weer in haar huis aan de Berlijnse Einsteinufer zitten, met haar man Hans-Jörg, met veel spannende kunst aan de muur en heel veel boeken. Ik prijs me gelukkig dat ik haar na corona nog twee keer langer heb kunnen spreken, niet ver van haar huis. Ze leek steeds stralender en tegelijk doorzichtiger te worden, wel gauw moe, maar geconcentreerd en betrokken. Ze werd bijgezet op de begraafplaats aan de Heerstraße in Berlijn. Op het laatst citeerde ze uit een gedicht van Mascha Kaleko:
Vor meinem eignen Tod ist mir nicht bang,
Nur vor dem Tode derer, die mir nah sind.
Een citaat nog bij Onno Blom van Peter Bergsma, directeur van het Vertalershuis in 1997: ‘Vertalers moeten wijzer gaan dan ze gekomen zijn.’ Bijna 30 jaar later kun je dat voor Marlene alleen maar volmondig beamen. Maar ze was zoveel meer dan literair vertaalster: een Duitse intellectueel met een groot en warm hart.
Op Wikipedia staat een uitgebreide bibliografie van de vertalingen van Marlene Müller-Haas.