Franciscus de Smidt vertaalde veel, ongeveer dertig boeken in dertig jaar. Hij was niet de enige in de zeventiende-eeuwse Nederlanden met zo’n hoge productie. De aartsvertaler Jan Hendrik Glazemaker leverde bijna zeventig titels in de veertig jaar tussen 1643 en zijn dood in 1682, en aan het begin van de eeuw hadden Vincentius Meusevoet en Johannes Lamotius tientallen vrome tractaten vertaald ten dienste van wat de Nadere Reformatie ging heten. Alle vier deze vertalers gingen met overgave te werk. Glazemaker, die vrijwel de hele Descartes vertaalde, maakte deel uit van de groep vrijdenkers rond Spinoza. Meusevoet en Lamotius, allebei predikanten, hoorden bij de calvinisten van de harde lijn, de contraremonstranten – hun grote tegenstander, Johan van Oldenbarnevelt, werd in de uren voor zijn executie in 1619 bijgestaan door Lamotius, die goed betaald werd voor de verleende dienst. Franciscus de Smidt stond aan de andere kant, die van de katholieke Contrareformatie. Niet alleen dat, als jezuïet rekende hij zich tot de voorhoede van de Contrareformatie, en dat in het centrum van deze beweging, Antwerpen.
Dat De Smidt zijn werk met overgave deed, lijdt geen twijfel. Hij zal er ook wel genoegen aan beleefd hebben, hij bleef er althans tot op hoge leeftijd mee bezig. Maar liefde voor het vertalen? Misschien is toewijding een gepaster woord, niet alleen gezien het feit dat zijn boeken uitsluitend devote lectuur bevatten maar ook omdat hij snel en routinematig vertaalde, zonder uitschieters of kunstvertoon. Bovendien beloofden jezuïeten bij hun intrede in de orde nadrukkelijk gehoorzaamheid, en in enkele gevallen weten we dat De Smidt handelde in opdracht van zijn oversten.
En wat mijzelf betreft, liefde voor dit soort vertalen? Nee, niet echt. Maar wel fascinatie voor de wereld waar deze vertalingen uit groeien en vervolgens op inwerken, voor de manier waarop vertalingen van dit slag tot stand komen. Die nieuwsgierigheid zal wel te maken hebben met de historische blik: hoe meer je te weten komt, hoe meer je nog te weten wil komen. In dit geval: hoe gewoon was De Smidt? Wie behoorde tot zijn omgeving? Wat maakt een doorsneevertaler toch uniek? Kunnen we uit deze schimmige figuur een concreet individu puren?