Liefhebben en vertalen     78-84

Staša Pavlović

Enkele jaren geleden werd mij gevraagd of ik voor een publicatie antwoord wilde geven op de vraag hoe belangrijk het voor mij is dat de namen van vertalers vermeld worden op de kaft van hun vertalingen. Ik las de vraag en moest meteen een blokje om gaan wandelen. Ik begreep direct dat op de vraag een bepaald antwoord verwacht werd – iets bijna plechtigs, iets om deze mijlpaal, vertalers die erkenning krijgen voor hun werk, te vieren. Dat kon ik niet geven. Ik liep langs de herenhuizen die het park achter mijn appartementsgebouw omzomen en keek op naar hun gevels, versierd met de namen van architecten in krulletters, en vroeg me af of zij ook werden gebeld met dezelfde vraag, hoe belangrijk ze het vonden dat hun naam in hun werk gebeiteld stond. Ik zag plots een groep architecten voor me die hierover discussieerden uit persoonlijke en symbolische voldoening wanneer ze ’s avonds aan hun ontwerpen werkten –, een beetje vermoeid na een dagje kantoor waar ze heen waren gegaan om geld te verdienen. Daar deden ze andere zaken, belastingen, projectmanagement, verkoop. Maar ontwerpen was hun passie. Het klonk weinig geloofwaardig.

Een paar jaren geleden was ik literair vertaler. Vijftien jaar lang was ik dat. Het begon met één boek in een periode tussen twee landen, tussen twee jobs, en het werd mijn beroep, dat ene waar ik me van alle beroepen die ik ooit beoefende het meest mee vereenzelvigde. In het begin van mijn carrière, toen ik nog hoopte om van vertalen mijn enige beroep te maken, zat ik ’s avonds aan de keukentafel met mijn boekhouder, die zuchtend en hoofdschuddend door mijn papieren bladerde, heel eventjes stil was, zijn bril afnam, me ernstig aankeek en zei: zoek een job. Ik vond het grappig, ik had nochtans niet zo veel nodig, en dat kon hij natuurlijk niet weten, maar heel snel daarna zocht ik inderdaad een job om erbij te doen. Zo kreeg mijn professionele bestaan een amfibische vorm – ik deed drie dagen per week iets waar ik geld mee verdiende om vervolgens twee dagen lang en bijna alle avonden te kunnen vertalen (ik kreeg daar ook wat geld voor, maar daar deed ik het niet voor, althans niet voornamelijk). Een rare constructie was dat eigenlijk, een andere identiteit aannemen om een identiteit die bij jou past te kunnen behouden – conferenties en feesten op poten zetten, met eurocommissarissen rond de tafel zitten, projectvoorstellen schrijven, om dan op het einde van de dag op mijn niet-ergonomische stoel te gaan zitten en doen waar ik al de hele dag naar snakte. Toch deed ik dat, ik deed dat heel lang. Ik was tenslotte literair vertaler, stoppen kon niet.

Lees verder in de papieren Filter