Het is gelukt. Na een zomer hard doorwerken heb ik weer een vertaling af. Non-fictie, veel citaten, veel research. Heerlijk werk, maar na twee van dit soort boeken snak ik naar personages, dialogen, een verhaal om in te verdwijnen.
Gelukkig heb ik over mijn volgende opdracht, Il compagno dagli occhi senza cigli van Gabriele d’Annunzio, niets te klagen. Voor uitgever Marc Vleugels is de novelle uit 1928 (werktitel: De wimperloze vriend) zijn eerste Italiaanse uitstapje. Zijn prachtige fonds richtte zich tot nog toe vooral op Franse literatuur.
Bij eerste lezing overheerst de gebruikelijke overmoed: zo moeilijk is dit niet, dit moet ik toch kunnen? Goed, het zal even duren voordat ik D’Annunzio’s weelderige stijl onder de knie heb. De vele historische en intertekstuele verwijzingen vergen vast wat extra inspanning, maar niets om voor terug te deinzen. Bovendien heb ik eerder literatuur uit deze periode vertaald, en daar heb ik me – met heel wat minder ervaring – toch ook aardig doorheen geslagen?
Ik ken Gabriele d’Annunzio (1836–1938) van zijn romans, zijn poëzie, zijn toneelstukken: een groot oeuvre, doortrokken van esthetiek en sensualiteit. In Nederland was hij lange tijd bijna vergeten, maar in Italië is hij nog altijd een grote naam. D’Annunzio was het boegbeeld van het Italiaanse decadentisme, een man die zijn leven tot kunstwerk wilde verheffen. Een dandy en een narcist, die het érg met zichzelf had getroffen. Een enorme vrouwenverslinder, ook. Hij was de poeta-eroe, de dichter die tijdens de Eerste Wereldoorlog uitgroeide tot nationale held, de massa bespelend met zijn leuzen. Hij nam actief deel aan de strijd en verloor daarbij in 1916 zijn rechteroog. Teleurgesteld over de afloop stichtte hij in 1919 een vrijstaatje in Fiume, het huidige Rijeka in Kroatië, tot de Italiaanse regering na een jaar ingreep. Hij flirtte met het fascisme, maar werd nooit actief binnen het regime; tegenover Mussolini had hij een ambivalente houding.
Overdadig in alles
Tijdens mijn vakantie bezoek ik alvast het laatste woonhuis van Gabriele d’Annunzio, het Vittoriale degli Italiani aan het Gardameer. Hier trok de schrijver zich in 1921 terug, na zijn tijd in Fiume. Door zijn landgoed én verzameld werk aan de Italiaanse staat te schenken, waren zijn financiële zorgen eindelijk voorbij. (Voor de oorlog had D’Annunzio zelfs enkele jaren als balling in Frankrijk geleefd om zijn schuldeisers te ontlopen.) Mussolini stelde tien miljoen lire beschikbaar om het complex op te knappen en uit te breiden – naar D’Annunzio’s eigen, krankzinnig dure smaak. Het werd een waar monument voor de Italiaanse krijgsdaden en vooral voor zichzelf. De schrijver noemde het zijn laatste kunstwerk, een ‘boek van levende stenen’. Het is nog altijd door iedereen te bewonderen.
Ik dwaal door de woonvertrekken, half verduisterd voor de lichtschuwe D’Annunzio. Ze staan stampvol kunstwerken en curiosa, muziekinstrumenten, landkaarten, bustes en relikwieën, alles zwaar van symboliek. De bibliotheek telt meer dan dertigduizend boeken. Ik kom langs de aparte afdeling voor vrouwelijke bezoekers, langs die voor genode én ongenode gasten (Mussolini kwam op de laatste terecht). Langzaam maakt mijn enthousiasme plaats voor vertwijfeling: hoe kan ik ooit grip krijgen op deze figuur, die in alles naar overdaad lijkt te streven? Hoe kan ik hem genoeg doorgronden om zijn woorden overtuigend weer te geven in een andere taal? Ben je als vertaler überhaupt ooit ‘klaar’ om aan een auteur als D’Annunzio te beginnen, wanneer weet je genoeg?
Pennenvonken
Thuis begin ik verwoed te studeren. Ik lees nawoorden, analyses, een biografie. Ik lees de recente vertaling van drie egodocumenten door Jan van der Haar, gebundeld in De schoonheid van de nacht. Ik sla zijn inleiding erop na, ik zie hoe doeltreffend hij D’Annunzio’s voluptueuze taal weet over te brengen.
‘Mijn’ novelle behoort tot een tweedelige verhalenreeks, Le faville del maglio (De vonken van de hamer). Deze teksten schreef D’Annunzio tussen zijn grotere werken door, als ‘vonken’ die van zijn pen afspatten. Een deel was vanaf 1911 gepubliceerd in de krant Corriere della Sera, maar pas in 1924 en 1928 verschenen de Faville in boekvorm.
In het sterk autobiografische Il compagno dagli occhi senza cigli komt al in de eerste zin zijn ‘Venetiaanse roman’ ter sprake, die dan bijna klaar is. Het gaat om Il fuoco (in de jaren twintig vertaald als Het groote vuur), geïnspireerd op D’Annunzio’s verhouding met de wereldberoemde actrice Eleonora Duse. Aan haar is deze novelle ook opgedragen, al was de relatie allang voorbij toen ze werd gepubliceerd; in 1928 was La Duse zelfs al overleden.
Hoewel D’Annunzio Il compagno dus moet hebben afgerond in het Vittoriale, is het verhaal jaren eerder gesitueerd (en gedateerd!): in 1900, vóór de oorlog, voordat hij zijn rechteroog verloor, vóór Fiume, toen hij nog in de Toscaanse heuvels woonde om dicht bij zijn geliefde Eleonora Duse te kunnen zijn.
Deze novelle draait nu eens niet om liefde, maar om vriendschap. De schrijver wacht op het bezoek van een oude jeugdvriend, Dario, die hij twintig jaar niet heeft gezien. In de tijd dat Gabriele – net als in het echt – in Prato op kostschool ging, waren de jongens onafscheidelijk. Dario heeft lange tijd in Engeland gewoond, maar keert terug naar Italië omdat hij ernstig ziek is. Alleen al de gedachte aan zijn komst brengt bij Gabriele allerlei herinneringen boven. Het is onduidelijk of deze Dario heeft bestaan, lees ik in het nawoord bij de Duitse vertaling. Voor de schrijver is het bezoek vooral een aanleiding om te mijmeren over de werking van zijn geheugen, over verloren vriendschap en verval.
Langzaam groeit mijn vertrouwen, ik kan de tekst steeds beter plaatsen in dat veelbewogen leven, in dat wijdvertakte oeuvre. Voorzichtig zet ik de eerste zinnen op papier. Het voelt nog altijd onwennig, alsof ik op de tast vertaal, zonder het effect te overzien.
Ik stuit op een passage waarin de volwassen Dario een oude munt tevoorschijn haalt met een afbeelding van Napoleon Bonaparte, hun vroegere idool. Het brengt Gabriele onmiddellijk terug naar een winderige avond in Prato, waarop zijn vader de jongens verraste met een achtdelige uitgave van het Mémorial de Saint-Hélène. De schrijver gaat het stoffige werk meteen tevoorschijn halen.
Heb ik Napoleon niet voorbij zien komen in het Vittoriale? Zoals alle helden van de schrijver zal hij er toch ook een plaats hebben gekregen? Ik open nog eens de (zeer uitvoerige) Vittoriale-app en zie dat de Stanza del Mappamondo, de kamer met de grote globe, deels aan Napoleon is gewijd. Hier liggen het dodenmasker van de keizer, enkele bezittingen uit de tijd van zijn ballingschap én D’Annunzio’s exemplaar van het Mémorial de Saint’Hélène. Best interessant voor de vertaler van Il compagno dagli occhi senza cigli. Overweldigd door alle indrukken ben ik er straal aan voorbij gelopen.
Dan begint het me te dagen. Ik zal nooit ‘klaar’ zijn voor Gabriele d’Annunzio. Vertalen is altijd een kwestie van voortschrijdend inzicht, van gewoon maar ergens beginnen. Eerst behoedzaam, dan steeds trefzekerder. Tot de vonken er uiteindelijk van afspatten.
Bibliografie
D’Annunzio, Gabriele. 1921. Het groote vuur. Uit het Italiaans vertaald door E.A. Keuls-Schuur. Amsterdam: Scheltens & Giltay.
D’Annunzio, Gabriele. 1991. Der Kamerad mit den wimpernlosen Augen. Aus dem Italienischen übersetzt von Karin Fleischanderl und mit einem Nachwort versehen von Katharina Maier-Troxler. Frankfurt am Main: Suhrkamp.
D’Annunzio, Gabriele. 2002 [1900]. Il fuoco. Milano: Mondadori.
D’Annunzio, Gabriele. 2005 [1928]. ‘Il compagno dagli occhi senza cigli’ in: Opera completa – Prose di ricerca II. Milano: Mondadori.
D’Annunzio, Gabriele. 2018. De schoonheid van de nacht. Uit het Italiaans vertaald en ingeleid door Jan van der Haar. Amsterdam: De Arbeiderspers.
De wimperloze vriend is in 2019 verschenen bij Uitgeverij Vleugels.