Het meest vertaalde gedicht ter wereld    60-63

Philippe Noble

 

Een paar maanden geleden kreeg ik van een vriend een eigenaardig boekje cadeau: het heeft een ongewoon formaat (klein en breed), een ongewone titel, 136, en een ongewone inhoud: het bevat een kort, vijfregelig gedichtje met zijn vertalingen in… honderdzesendertig talen. Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat auteur of uitgever dit record heeft laten registreren, toch zou ik durven wedden dat het hier gaat om het meest vertaalde gedicht ter wereld. Op dat gedicht en die vertalingen kom ik nog terug, maar dat kan niet zonder dat ik eerst het een en ander onthul over de persoon van de dichter en diens achtergrond.

Een geheimzinnige Zuid-Afrikaanse dichter
De auteur van het gedicht in de oorspronkelijke taal heet Georges-Marie Lory. Klinkt die naam u bekend? Misschien bent u hem dan tegengekomen in Gerrit Komrijs mooie bloemlezing De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten (Bert Bakker, 1999). Daar staat op p. 890 een gedicht van hem, ‘Jou huisie by die see’Omdat de bloemlezer een strikt chronologische volgorde hanteerde weten we dat de dichter in 1950 geboren is, en wie niet beter weet denkt hier te maken te hebben met een ietwat verlate Sestiger, een jongere collega van André Brink en Breyten Breytenbach. Zijn naam doet weliswaar eerder Frans dan Zuid-Afrikaans aan, maar te midden van al die Du Plessis, Joubert, Marais of De Villiers valt het nauwelijks op. Maar Georges Lory is wel degelijk een Fransman, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de enige die regelmatig in het Afrikaans dicht. Uit de laatste regels van ‘Jou huisie by die see’ blijkt trouwens de belangstelling voor, misschien moet ik zelfs zeggen de obsessie met, talen bij deze dichter:

want wie anders kan voel
wat ek in geen taal van Babel
kan uitdruk nie?

Het gaat hier niet om een poëtische metafoor: bij Georges Lory moeten we deze vraag, of verzuchting, letterlijk opvatten. Zijn levenstraject is opmerkelijk: hij zag het licht in Brugge, groeide op in Brussel, studeerde in Parijs politieke wetenschappen en ging – in een tijd dat het begrip ‘uitwisselingsprogramma’ nog moest worden uitgevonden – een academisch jaar in… Stellenbosch doorbrengen. Anno 1973 was het ook behoorlijk gedurfd van een (uiteraard) linkse student, om naar het door de rest van de wereld verguisde en geboycotte Zuid-Afrika af te reizen, en daar ook nog college te lopen bij een instelling die een bolwerk van ‘Afrikanerdom’ was. Actief engagement tegen het apartheidsregime, maar ook onvoorwaardelijke liefde voor het land, zijn vele bevolkingsgroepen, talen en culturen, was het resultaat van dit verblijf. 

Terug in Parijs begon Lory deel te nemen aan activiteiten van ondergrondse groeperingen die de strijd aanbonden tegen het apartheidsregime. In die kringen leerde hij Adriaan van Dis kennen – die in zijn roman Tikkop op zijn engagement van toen terugblikt, hoewel in een sterk gefictionaliseerde context. Those were the days, maar het was allemaal niet zonder gevaar: geheimagenten van Pretoria bleven waakzaam; in 1978 werd de leider van een van die clandestiene netwerken, de Frans-Egyptische advocaat Henri Curiel, in zijn Parijse woning vermoord, onder omstandigheden die nooit opgehelderd zijn. Samen met zijn strijdmakkers zette Georges Lory zich in voor de vrijlating van Breyten Breytenbach, die toen nog in een Zuid-Afrikaanse gevangenis zuchtte. Een van de middelen daartoe was een perscampagne, en in het kader daarvan moest Breytenbachs werk in Frankrijk meer bekendheid verkrijgen. Lory toog als vertaler aan het werk en in 1976 verscheen zijn – gedeeltelijk tweetalige – bloemlezing van poëzie en proza van Breytenbach onder de titel Feu froid bij Christian Bourgois. Het moet een van de allereerste vertalingen uit het Afrikaans in het Frans zijn geweest. Later maakte Georges Lory naam als journalist – onder meer bij het weekblad Jeune Afrique en de zender Radio France Internationale, de Franse wereldomroep –, adviseur bij het Franse ministerie voor ontwikkelingssamenwerking en diplomaat. En uiteraard bleef hij al die tijd vertalen: werk van Nadine Gordimer, John Coetzee, in latere jaren ook Deon Meyer.

‘Démobilisette’
Met deze belangstelling voor andere talen en culturen – en dus ook voor het vertalen – staat hij in zijn familie niet alleen. Een generatie eerder was een oom, Victor-Henry Debidour, een in zijn tijd vermaarde hellenist. Zijn vertalingen van Aristophanes in het bijzonder waren in mijn jeugd razend populair bij (geïnteresseerde) scholieren en studenten, ze waren zelfs in pocketuitgave te krijgen. Debidour had begrepen dat humor en satire in hoge mate, zo niet bijna uitsluitend, op culturele referenties berusten. Naarmate deze voor ons waziger worden, vervluchtigt ook de komische kracht van een tekst. Daaruit had hij radicaal consequenties getrokken en als vertaler gekozen voor een volledig ‘naturaliserende’ aanpak. Beroemd was in dit opzicht zijn behandeling van Lysistrata. Als namen van personages iets betekenden of een toespeling inhielden, wat bij Aristophanes veelvuldig voorkomt, werden ze systematisch vertaald. Zo heette bij hem de heldin, Lysistrata zelf, ‘Démobilisette’, wat niet kwaad gevonden was. En omdat de vrouwen uit Sparta in het stuk hun eigen dialect spreken – wat we niet meer kunnen navoelen – liet hij ze in zijn vertaling spreken als actrices in oude Franse films over Marseille. Over dat soort ingrepen waren wij indertijd wild enthousiast, Debidours academische collegae veel minder. Ik heb die vertalingen, of misschien moet ik zeggen bewerkingen, nooit meer herlezen, heb de boeken ook niet meer in mijn bezit. Hoe zou ik er vandaag over oordelen? En hoe zouden jonge lezers van nu reageren? Debidour werkte voornamelijk in de jaren vijftig en begin zestig; ik vrees dat grapjes in de geest van Pagnol en Fernandel voor middelbare scholieren van nu ongeveer even raadselachtig zijn geworden als Griekse geestigheden uit de tijd van de Peloponnesische Oorlog. Maar nu ben ik wel heel ver van mijn uitgangspunt afgedwaald: ik zou het toch over een gedichtje en de vele vertalingen ervan hebben? 

Een kwestie van accent of tongval
Achterin 136 staat een register met alle in het boek vertegenwoordigde talen, met telkens een paar woorden uitleg. Dat is geen overbodige luxe, want wie weet dat Dari een taal uit Afghanistan, Drehu een taal van de Kanaks uit Nieuw-Caledonië, of Bichelamar een creoolse variant van het Engels uit Vanuatu is? Als ik die namen in een andere context was tegengekomen had ik eerder gedacht dat ze op bedreigde diersoorten sloegen. Wat ook in het boek opvalt is het grote aantal talen uit Afrika, zeker verklaarbaar uit de diepgaande kennis van en voorliefde voor dit continent bij de auteur. Maar wie denkt dat de polyglotte dichter voor al die vertalingen tekent, heeft het mis: hij heeft zich beperkt tot de oorspronkelijke, Franse tekst. Dat alle vertalingen gemaakt zijn door mensen uit zijn kennissenkring, sommige beroemd (zoals Breytenbach zelf of Nimrod), andere onbekend, dwingt respect af: wie dat lukt, beschikt over een indrukwekkend netwerk en mag zich met recht wereldburger noemen. Maar het gedicht, zult u zeggen? Hier komt het, eindelijk:

Cet accent qui traîne
sur le papier
est un cil abandonné
j’aime les accents
étrangers

In het boek staat natuurlijk een Nederlandse vertaling, van de hand van een andere telg uit het geslacht Lory:

Dit zwervende accent
op m’n wit blad
is een verloren wimper
ik ben dol
op exotische accenten 

Raadselachtig, zelfs in vertaling? In een korte verantwoording helpt de auteur ons een handje: uitganspunt voor dit gedicht was een kunstwerk dat hij ooit bij een tentoonstelling zag, een potloodstreep in de vorm van een Frans ‘accent circonflexe’ op een verder blanco vel. Wat hij er niet bij vertelt, maar wat de Frans- of Nederlandstalige lezer onmiddellijk begrijpt, is dat de kern van het gedicht de dubbele betekenis van het woord ‘accent’ is: teken of tongval, waarbij het zichtbare, de geschreven tekst, aan het hoorbare, de gesproken tekst, gekoppeld wordt. Wilde de dichter een grapje uithalen met zijn vertalers? Hij was zich in ieder geval bewust van de moeilijkheden, want in dezelfde verantwoording verwijst hij ook naar ‘de talen waar het woord accent niet bestaat’. Maar in hoeveel talen bestaat ook de dubbele betekenis van het woord? Als ik alleen afga op de talen die geschreven zijn in karakters die ik kan lezen – waardoor helaas meteen alle semitische talen en de meeste Aziatische afvallen – kom ik tot maar liefst 57 vertalingen waar dat het geval is. Dat maak ik tenminste op uit de terugkeer in die paar regels van één woord in precies dezelfde of een vergelijkbare vorm: ik veronderstel dan dat het ‘accent’ betekent, maar ben daarvan allerminst zeker. En vreemd genoeg constateer ik deze terugkeer niet alleen bij Indo-Europese talen, maar ook bij vele Afrikaanse.

‘One language, one translation’
Uiteraard kan men uit mijn empirische telling niets afleiden; maar ook als de talenverzameling nog breder was – en daar wordt door de auteur aan gewerkt, met het oog op een vermeerderde heruitgave – en ook als al die vertalingen door een deskundig team linguïsten werden geanalyseerd, vrees ik dat het ons nog niet veel zou leren over de aard van het vertalen of de intellectuele mechanismen die daarbij ingezet worden. Want aan deze mooie exercitie, die de geest van een Queneau of een Perec doet herleven, kleeft toch één groot nadeel. Door een soort gezichtsbedrog bevestigt de opzet van de uitgave een vooroordeel dat (zolang wij niet zelf vertalen) bij ons allen leeft: van een bepaalde tekst is in een bepaalde taal maar één vertaling mogelijk. En die vertaling is dan de enig juiste, of de meest voor de hand liggende. Alleen al de lay-out van dit fraaie boekje – op elke pagina één vertaling in een nieuwe taal – sterkt ons in die mening. Maar er zijn in het boek zelf al vele tekens dat dit uiteraard niet klopt. Neem bijvoorbeeld de vertaling in het Afrikaans, van niemand minder dan Breytenbach zelf:

Hierdie tongval
wat op die papier draal
is ’n agtergelate wimper
ek hou van vreemde 
aksente

In het Afrikaans, zegt mijn woordenboek, bestaan drie woorden om het Franse ‘accent’ te vertalen: aksent, klank en tongval. Breytenbach heeft ervoor gekozen om twee verschillende woorden te gebruiken, maar hij voert ‘tongval’ al in de eerste regel in, terwijl je dat eerder op het einde zou verwachten, als het in principe om klank en uitspraak gaat. Ik kan het moeilijk anders zien dan als een grapje van de Zuid-Afrikaanse dichter aan het adres van zijn vriend en collega. In ieder geval een hoogst persoonlijke lezing van het Franse gedicht. En wat te zeggen van de Nederlandse vertaling, die ik hierboven aanhaalde? Hier ‘zwerft’ het accent op het papier, maar je zou net zo goed (en misschien zelfs beter) kunnen zeggen dat het ‘slentert’ of dat het ‘rondslingert’ – twee betekenissen van traîner in het Frans. Nu staan die twee vertalingen ook daadwerkelijk in 136, maar respectievelijk onder de noemer ‘Antwerps’ en ‘Westvlaams’, want Lory is vertrouwd met de talige situatie in de Lage Landen en heeft verschillende varianten van het Nederlands aan bod willen laten komen. Maar ik heb een sterk vermoeden dat deze verschillen eerder aan de persoonlijke keuze – dus de interpretatie – van de vertalers liggen dan aan de invloed van hun dialect. Als ik ‘de’ Nederlandse vertaling verder lees vallen me trouwens meer persoonlijke keuzes op: zo is ‘le papier’ een ‘wit blad’ geworden, een interpretatie die erop duidt dat de vertaler – immers familie van de auteur – op de hoogte was van de inspiratiebron van het gedicht, maar die nochtans geen steun vindt in de tekst zelf. Bij ‘abandonné’, letterlijk ‘verlaten’, heb je de keuze tussen ‘achtergelaten’ of ‘verloren’, en inderdaad komen beide varianten in het boek voor. En voor ‘étranger’ kiest de Nederlandse vertaler ‘exotisch’, wat een interessante, maar geheel eigen invulling van het begrip is, terwijl de zogenaamde dialectsprekers opteren voor ‘vreemd’ en ‘buitenlands’, weliswaar met de nodige afwijkingen in de spelling. Op één plaats in het boek wordt openlijk toegegeven dat het principe ‘one language, one translation’ niet functioneert, en wel bij het Perzisch: daar staan opeens twee vertalingen, van twee verschillende mensen. Een verantwoorde vergelijking tussen beide versies moet ik u helaas onthouden, maar al bij de eerste blik op de sierlijke Arabische letters valt op dat de ene bijna twee keer zo lang is als de andere… 

Met andere woorden, 136 bevat veel meer vertalingen dan het zelf toegeeft: achter de afgedrukte versies gaan talloze andere, virtuele, onzichtbare schuil. Als we het boekje met een speciale app voor augmented reality konden lezen zouden we ze allemaal als vrolijke, gele Pikachu’s boven de tekst zien zweven. 

 

Bibliografie
Breytenbach, Breyten. 1976. feu froid, Paris: Christian Bourgois Editeur.

Dis, Adriaan van. 2010. Tikkop. Amsterdam: Uitgeverij Augustus.

Komrij, Gerrit. 1999. De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker. 

Lory, Georges-Marie. 2017. 136. Paris: Editions Bruno Doucey.

Lees meer over: