De beestjes en hun namen    46-51

Derek Walcotts Omeros

Onno Kosters

 

Derek Walcotts Omeros (1990), het bijna achtduizend regels lange epische gedicht dat de auteur in 1992 de Nobelprijs voor de Literatuur opleverde, werd in 1994 in een vertaling van Jan Eijkelboom uitgebracht door De Arbeiderspers. Vorig jaar, vlak na Walcotts overlijden, verscheen de nieuwe vertaling van Han van der Vegt in een tweetalige uitgave bij uitgeverij Bananafish.

In Omeros wordt een tekstwereld opgeroepen die sterk is geworteld in de échte wereld: Walcott onderzoekt ‘zowel het koloniale verleden als het complexe heden van de Caraïbische eilanden, het verdwijnen van de inheemse bevolking en de tragiek van de Afrikaanse slaven’, aldus de achterflap van de recente vertaling. De personages die hij schept spiegelen, zonder dat zij zich daarvan bewust zijn, enigszins hun epische voorgangers uit Homerus’ werken,1 maar het zijn vooral gewone mensen: vissers, avonturiers, pechvogels, die zichzelf met al hun falen en feilen overeind proberen te houden. Het gedicht bestaat uit 64 hoofdstukken (of canto’s), elk opgebouwd uit drie afdelingen van wisselende lengte. De versvorm is een vrije variant op de terza rima (aba bcb cdc, etc.).2 ‘Elk rijm,’ schrijft Van der Vegt op de website van Athenaeum Boekhandel, ‘wordt dus drie keer gebruikt. Het is een veeleisende manier van rijmen, en Walcott houdt zich er dan ook lang niet consequent aan.’ Dat laatste tot verdriet van de dichter-vertaler: ‘Dat vind ik eigenlijk het moeilijkste: een regel niet consequent toepassen. In mijn eigen poëzie ben ik gewend de regels die ik stel rigoureus door te voeren, maar hier eiste het origineel van een vertaling dat ik inconsequent was. Ik heb geprobeerd dat probleem op te lossen door allereerst te kiezen voor een lossere rijmvorm dan Walcott: ik heb klinkerrijm gebruikt in plaats van vol rijm.’ (Walcott zelf gebruikt trouwens naast vol rijm ook klinkerrijm en oogrijm.) Het resultaat van Van der Vegts aanpak is een vertaling waarin Walcotts eufonische wereld een volwaardige pendant in het Nederlands heeft gekregen, hetgeen deze nieuwe uitgave dan ook volledig rechtvaardigt.

Lyriek en denotatie
Voor literair tijdschrift Raster schreef ik in 1995 een stuk over Omeros. Ik citeerde daarbij uitgebreid uit Eijkelbooms vertaling, zonder evenwel op de kwaliteit ervan in te gaan. Vooral omdat ik nu de gelegenheid heb de vertalingen van Van der Vegt en Eijkelboom met elkaar te vergelijken, wil ik daar in dit artikel wat dieper op ingaan.

Eijkelboom heeft de grote lijnen van Omeros wat betreft denotaties, verhaal en technische complexiteit overwegend zeer acceptabel overgebracht. Hij heeft echter ook veel steken laten vallen, zowel op lexicaal als op lyrisch niveau. Om met dat laatste te beginnen: de terza rima laat Eijkelboom grotendeels varen. Soms ontstaan er strofen die de complexe vorm weerspiegelen, maar dat lijkt dan eerder toeval.3 Dat wil niet zeggen dat de verzen in zijn vertaling weinig klankrijk zijn (de klankrijkdom van de brontekst is soms bijna overdadig; een onsje minder mag best), maar wanneer we Van der Vegt ernaast leggen blijkt hoezeer de laatste Walcotts versvorm vrijwel constant en consistent volhoudt, zonder dat er sprake is van geforceerd aandoende regels. Van der Vegts aanpak doet de brede regels sprankelen als de vermiljoenen schubben van de roodbaars, klinken als de zilverachtige makrelen die het geklater van munten in een bak vermenigvuldigen.4

Hieronder een voorbeeld waaruit blijkt hoe razend ingewikkeld Walcott het zichzelf soms maakt (vaak vervult alleen oogrijm de ‘klank’-functie en hij houdt zich inderdaad maar mondjesmaat aan zijn eigen ‘regel’), en hoe Eijkelboom en Van der Vegt het er op hun beurt vanaf brengen:

“O-meros,” she laughed. “That’s what we call him in Greek,” [a]
stroking the small bust with its boxer’s broken nose, [b]
and I thought of Seven Seas sitting near the reek [a {vol rijm}]

of drying fishnets, listening to the shallows’ noise. [b {oogrijm/halfrijm}]
I said: “Homer and Virg are New England farmers, [c]
and the winged horse guards their gas-station, you’re right.” [d]

I felt the foam head watching as I stroked an arm, as [c {vol rijm}]
cold as its marble, then the shoulders in winter light [d {vol rijm}]
in the studio attic. I said, “Omeros,” [c {klinkerrijm}]

and was the conch-shell’s invocation, mer was [c {klinkerrijm}]
both mother and sea in our Antillean patois, [c {klinkerrijm?}]
os, a grey bone, and the white surf as it crashes [e] [maar patois klinkt ook mee]

and spreads its sibilant collar on a lace shore. [f]
Omeros was the crunch of dry leaves, and the washes [e {oogrijm}]
that echoed from a cave-mouth when the tide has ebbed. [g] [‘ebbed’ wordt in de volgende regel gepaard met ‘webbed’] (28)5

Eijkelboom:

‘O-mèros,’ lachte zij. ‘Zo noemen we hem op z’n Grieks’, [a]
en streelde het kleine borstbeeld met zijn gebroken boksersneus, [b]
en ik dacht aan Zeven Zeeën zittend bij de vislucht [c] 

van drogende netten, luisterend naar het lawaai van de zwaluwen. [d]
Ik zei: ‘Homer en Virg zijn boeren van New England, en [e]
het gevleugelde paard bewaakt hun benzinestation, dat klopt.’ [f]

Ik voelde het schuimhoofd kijken terwijl ik een arm streelde, zo [g]
koud als zijn marmer, dan schouders in winterlicht [h]
op het zolderatelier. Ik zei: ‘Omèros’, [f {klinkerrijm}]

en O was de oproep van de kinkhoorn, mer was [f {halfrijm}]
zowel moeder als zee in ons Antilliaans patois, [f {halfrijm}]
os, een grijs bot, en de witte branding als zij breekt [g]

en haar sissende kraag spreidt over een kanten kust. [h]
Omèros was het knisperen van droge bladeren, en de golfslag [f {halfrijm}]
die echode uit de mond van een grot bij laag water. [i] (19-20)

Van der Vegt:

‘O-meros,’ lachte ze. ‘Dat is in het Grieks zijn naam’, [a]
ze streelde de kleine buste met de gebroken boksersneus, [b]
en ik dacht aan Zeven Zeeën die zat te luisteren naar [a {klinkerrijm}]

de branding in de buurt van de opdrogende-visnettenreuk. [b {klinkerrijm }]
Ik zei: ‘Klopt. Homer en Virg zijn boeren uit New England, [c]
en over hun benzinepomp waakt het paard met vleugels.’ [b {klinkerrijm }]

Ik voelde het schuimhoofd toekijken toen ik haar arm [c {klinkerrijm }]
streelde, koud als zijn marmer, haar schouders in het winterlicht [d]
van een atelierzolder. Ik zei: ‘Omeros,’ [e]

en was de roep van de vleugelhoorn, mer wasin [e {halfrijm}, maar ook d, klankrijm]
ons Antilliaans patois, zowel moeder als zee, [f]
os een grauw bot, en de slag van branding die haar witte, [d {halfrijm}]

sissende kraag uitspreidt over het kantwerk van de ree. [f {vol rijm}]
Omeros was het kraken van droge bladeren, en het spoelen [g]
van water dat echode in de grotmond als het tij week. [f {klinkerrijm}] (29)

Waar het kan, houdt Van der Vegt zich aan Walcotts vorm, en ‘verbetert’ deze hier en daar zelfs. Paradoxaal genoeg hanteert hij over het algemeen een natuurlijker, vloeiender Nederlands dan Eijkelboom, ofschoon hij zich strikter aan het door Walcott voorgeborduurde patroon houdt. Daar komt bij dat de spreektaal die de personages bezigen door Van der Vegt heel natuurlijk wordt overgebracht. Philoctete, bijvoorbeeld, spreekt het pidgin-Engels van een deel van de bewoners van het eiland. Dat wijkt vaak behoorlijk af van het Standaardengels. ‘Ga je dat letterlijk vertalen,’ schrijft Van der Vegt op de website van Athenaeum, ‘dan krijg je een soort Klukkluk-Nederlands waardoor de inwoners ineens nogal dom lijken. […] Ook het vertalen van dit Engels naar een Nederlandse regionale taal zou rare associaties hebben opgeleverd. Vandaar dat ik ervoor gekozen heb om de taal van de eilandbewoners te vertalen naar “gewoon” Nederlands’:

For some extra silver, under a sea-almond,
he shows them a scar made by a rusted anchor,
rolling one trouser-leg up with the rising moan 

of a conch. It has puckered like the corolla
of a sea-urchin. He does not explain its cure.
“It have some things”— he smiles —“worth more than a dollar.” (8)

Eijkelboom:

Voor wat extra zilver laat hij, onder een zeeamandel,
Een litteken zien, veroorzaakt door een roestig anker;
Één broekspijp rolt hij op onder aanzwellend kreunen

Van een kinkhoorn. Het is gerimpeld als de kroon
Van een zeeëgel. Hij legt niets uit omtrent de genezing.
‘D’r zit iets in,’ glimlacht hij, ‘voor meer dan een dollar.’ (9)

Van der Vegt:

Voor een paar extra zilverstukken laat hij achter
de katappenboom zijn litteken zien, gemaakt door een roestig anker,
hij rolt zijn broekspijp omhoog op de stijgende klacht 

van de roze vleugelhoorn. Het heeft een getuite krans
als een zee-egel. Hoe het geheeld is, legt hij verder niet uit.
‘Sommige dingen’ – hij lacht – ‘kosten meer dan een dollar.’ (9)

Vergelijking laat zien hoeveel scherper Van der Vegts oor voor de spreektaal is en hoeveel rijker het klinker- en halfrijmschema, maar ook dat zijn lezing van de denotaties vaak overtuigender is. Bij die laatste observatie hoort een slag om de arm: beide vertalers moeten een enorme hoeveelheid research hebben verricht, maar Van der Vegt heeft in tegenstelling tot Eijkelboom met behulp van internet ongetwijfeld gerichter kunnen zoeken.

Naamgeving
Een interessant geval uit bovenstaande regels, waarvoor ik uiteindelijk niet weet wat de beste oplossing is, is ‘under a sea-almond’: Van Dale noch de OED noch de Encyclopaedia Britannica kent het begrip, maar volgens Wikipedia is het de ‘Terminalia catappa […] a large tropical tree in the leadwood tree family, Combretaceae, that grows mainly in the tropical regions of Asia, Africa, and Australia.’ En in het Caraïbisch gebied, blijkbaar. Een ‘zeeamandel’ is volgens Van Dale een ‘amandelvormige zeeslak uit de Middellandse Zee’ – dat lijkt me hier niet toepasselijk – maar ‘zeeamandel’ levert via Wikipedia ook een link op naar https://species.wikimedia.org/wiki/Terminalia_catappa, waar onder ‘Vernacular names’ inderdaad ‘zeeamandel’ wordt vermeld. ‘Katappenboom’ (dat Van Dale niet kent) levert op internet sneller overtuigende resultaten op en het wordt de lezer wellicht ook sneller duidelijk dat het om een boom gaat, maar beide lijken wat betreft de denotatie uiteindelijk correct. Gezien de geheimzinnigheid die Philoctete hanteert, lijkt me ‘achter’ (Van der Vegt) de katappenboom/zeeamandel echter scherper.

Dan de ‘conch’, net als de ‘swift’, de snelvleugelige gierzwaluw (niet ‘zeezwaluw’, zoals Eijkelboom wil; die bestaat niet), een belangrijke troop in het gedicht: volgens Eijkelboom een ‘kinkhoorn’ (Van Dale: ‘gedraaide schelp van zeeslakken’); Van der Vegt vertaalt ‘roze [waarom roze?] vleugelhoorn’ (Van Dale noch Wikipedia kent ‘vleugelhoorn’,Van Dale geeft de suggestie ‘Flügelhorn’ [Nederlands: bugel], dat het gebruik van de ‘vleugelhoorn’ als blaasinstrument mooi verantwoordt). ‘“It have some things”—he smiles—“worth more than a dollar”’ is een fraai staaltje patois, rechttoe rechtaan en begrijpelijk vertaald door Van der Vegt. Wat Eijkelboom bedoelt is mij niet duidelijk (en vanwaar zijn vervanging van de gedachtestreepjes door komma’s?).

De wijze waarop beide vertalers met de namen van de hoofdrolspelers zijn omgesprongen verdient ook aandacht; met name de illustere namen Helen, Hector, Achille (zonder s) en Philoctete (idem). ‘Als je er dapper uitzag, werd je Achilles genoemd,’ vertelde Walcott in een interview in Vrij Nederland aan John Albert Jansen. ‘Veel slaven heetten ook Caesar. […] Het was oprecht bedoeld als aanvulling op de deugden die de slaaf al had.’ Van der Vegt behoudt de s-loze Achille en Philoctete, bij Eijkelboom wordt Achille Achilles, en Philoctete Philoctetes. Hij geeft hun dus de namen uit de Ilias – maar zo héten ze niet. Op verscheidene plaatsen trekt de verteller expliciete parallellen tussen ‘zijn’ Achille en Homerus’ Achilles. Omdat Eijkelboom geen onderscheid in de schrijfwijze maakt, werken de betreffende strofen in zijn vertaling nogal verwarrend.

Dag vogels, dag vissen
Omeros is een gedicht waarin flora en fauna van het Caraïbisch gebied uitbundig en met naam en toenaam tot leven worden gewekt. Een quilt die wordt gemaakt door een van de personages in het gedicht, Maud Plunkett, is zó prachtig versierd met (een homerische opsomming van) allerlei vogels, dat ze waarachtig wel lijken te zingen: 

Mockingbirds, finches, and wrens,
nightjars and kingfishers, hawks, hummingbirds, plover,
ospreys and falcons, with beaks like his scratching pen’s, 

terns, royal and bridled, wild ducks, migrating teal,
pipers (their fledgling beaks), wild waterfowl, widgeon […] (170)

Eijkelboom:

Spotvogels, vinken, sterns,
nachtzwaluwen en ijsvogels, kolibries, valken,
pluvieren en aigrettes, met bekken als zijn kroontjespen, 

eenden, tamme en wilde, talingen die migreren,
knorhanen, fluiteenden, smienten en merels […] (96)

Van der Vegt:

Spotvogels, winterkoninkjes en vinken,
nachtzwaluwen, ijsvogels, kolibries, plevieren, haviken,
visarenden en valken, met bekken net als zijn krassende pen, 

konings- en brilsterns, en wilde eenden, trekkende talingen,
piepers (met hun jonge vogelbekjes), wilde watervogels, smienten […] (171)

Eijkelboom en Van der Vegt vertalen beiden ‘mockingbirds’ foutief met ‘spotvogels’ (dat moet zijn ‘spotlijsters’), maar Eijkelboom verliest los daarvan toch wel heel erg de precisie uit het oog: ‘wrens’ worden ‘sterns’, ‘ospreys’ worden ‘aigrettes’ (zilverreigers, maar strikt genomen wordt met ‘aigrette’ alleen naar de veer van een zilverreiger op een hoed verwezen), ‘terns’ (sternen!) worden ‘eenden’ (royal and bridled: tamme en wilde eenden, terwijl het inderdaad gaat om konings- en brilsterns), ‘pipers (their fledgling beaks)’ worden ‘knorhanen en fluiteenden’ en ‘widgeon’ worden ‘merels’. Het is jammer dat Eijkelboom niet de redacteur of de tijd heeft gehad (of genomen) om een op dit niveau adequate vertaling te realiseren.6

De meeste hoofdrolspelers in Omeros zijn vissers en elke vis verdient alleen daarom al de juiste naam. Een mooi voorbeeld van hoe denotatie met de vertaler op de loop kan gaan, haal ik uit Van der Vegts stuk op de website van Athenaeum: de moot ‘dolphin’ die Achille voor Helen heeft bewaard is niet een moot dolfijn (zoals Eijkelboom, een valse vriend omarmend, meent),7 maar een moot goudmakreel: ‘“Achille put the wedge of dolphin / that he’d saved for Helen in Hector’s rusty tin.” Een prachtige regel die de drie hoofdpersonen van het gedicht, van wie er een dood is, verenigt. […] [I]n een naslagwerk vond ik dat hier niet de dolfijn maar de “dolphin fish” wordt bedoeld, een vis die veel gegeten wordt. In het Nederlands heet die goudmakreel.’ Interessant is dat Van der Vegt opmerkt dat wanneer de dolfijn ‘een grote rol in de rest van het gedicht had gespeeld of van bijzondere symbolische waarde was geweest’ hij ‘dolfijn’ had laten staan. Gelukkig heeft hij deze mijns inziens ongelukkige keuze niet hoeven maken: deze ‘dolphin’ ís geen dolfijn en de goudmakreel zou bovendien bij een zo grote rol in de rest van het gedicht ook prima een goudmakreel hebben kunnen blijven. ‘Het nadeel van een tweetalige uitgave zoals deze is wel dat je de lezer in dit soort ingewikkelde gevallen het idee geeft dat je een fout hebt gemaakt,’ schrijft Van der Vegt. Ik zou de redenering omkeren: juist een tweetalige uitgave laat zien hoe belangrijk het is om bij het vertalen van poëzie het beestje bij de juiste naam te noemen.

In haar recensie van Van der Vegts vertaling in De Groene Amsterdammer schrijft Fiep van Bodegom: ‘De vormvastheid en barokke taal van Walcott doen aanvankelijk ouderwets aan, maar de dichter heeft zich deze stijl zo eigen gemaakt dat hij er moeiteloos een moderne en multiculturele wereld mee weet te beschrijven.’ Datzelfde kan worden gezegd over de vertaler. De Nederlandse Omeros is in de handen van Van der Vegt een onderhoudend, precies, eufonisch, euforisch gedicht geworden, dat niet voor het origineel onderdoet.

Derek Walcott, Omeros. Vertaald door Han van der Vegt (tweetalige uitgave). Amsterdam: Bananafish, 2017.

 

Noten
1 In tegenstelling tot wat de achterflap van de recente vertaling beweert, is Omeros volgens Walcott zelf ‘geen herschrijving’ van de Ilias en de Odyssee: ‘De schaduw van Homerus boven het Caraïbische Gebied moet juist verdwijnen. […] Soms ben ik bang dat die voortdurende nadruk op afstamming en culturele erfenis het Caraïbisch Gebied berooft van haar [sic] eigen identiteit’ (interview met John Albert Jansen, Vrij Nederland, 1992).
2 De uitzondering is hoofdstuk XXXIII, deel III, dat uit drievoetige distichons is opgebouwd.
3 In een uitstekende bespreking van Eijkelbooms vertaling in NRC Handelsblad schrijft Guus Middag: ‘Hij heeft maar niet geprobeerd het eindrijmschema van Walcott over te nemen. Daarvoor in de plaats kwamen veel binnen- en halfrijmen. Daar is eerlijk gezegd wel veel van de flonkering van het origineel mee verloren gegaan. Zijn regels zijn wat slomer en omslachtiger dan die van Walcott. Zijn regelafbrekingen maken, zo zonder eindrijm, vaak een willekeurige indruk, waardoor er toch een floers van proza over zijn terzinen trekt.’
4 ‘De vermiljoenen schubben van roodbaars / verbleekten als de zonsondergang’ (Van der Vegt 637), ‘Tussen het uitgespreide / net vermenigvuldigden de zilverachtige makrelen het geklater / van munten in een bak’ (639).
5 Ook de brontekst citeer ik uit de tweetalige uitgave die hier wordt besproken.
6 In een interview met Reinjan Mulder beschrijft Eijkelboom hoe de maandelijkse toneeluitvoering van Omeros door het Ro Theater hem dwong ‘door te werken’. Eijkelbooms werkwijze verklaart misschien voor een deel de soms rommelig aandoende kwaliteit van zijn vertaling: ‘Doordat de toneeluitvoering elke maand plaatsvond, was Eijkelboom gedwongen stukken van Omeros naar buiten te brengen op een moment dat het slot nog onvertaald was. Hij vond dat wel spannend. […] Vóór hij bladzijde 1 begon te vertalen las hij niet eerst de hele tekst.’
7 Eijkelboom vertaalt ‘snapper’ met ‘snapper’, Van der Vegt met ‘roodbaars’. Aanvankelijk dacht ik dat Eijkelboom ook hier op een valse vriend was te betrappen, maar Van Dale geeft hem gelijk. De keuze voor ‘roodbaars’ is trouwens ook correct; het voordeel van Van der Vegts keuze is dat de vis niet voor verwarring zorgt, en kleurrijker is.

Bibliografie
Bodegom, Fiep van. 2017. ‘Een nieuw Eden’, De Groene Amsterdammer, 30 augustus.

Jansen, John Albert. 1992. ‘Derek Walcott over het licht van de poëzie en de zee’, Vrij Nederland, 17 oktober, p. 25–27.

Kosters, Onno. 1995. ‘Tijdelijk verblijf: Derek Walcott, Omeros’, Raster #70, p. 61–69, herdrukt in Vreemd genoeg onvertaald, Uitgeverij Bananafish, 2016, p. 203–215.

Middag, Guus. 1994. ‘Helena werkt als serveerster; Omeros van Derek Walcott, een epos voor de Nieuwe Wereld’, NRC Handelsblad, 28 januari.

Mulder, Reinjan. 2013. ‘Vijf jaar na de dood van dichter J. Eijkelboom (1926-2008): – “Alles moet echt zijn, alles moet kloppen”’, https://www.reinjanmulder.nl/2013/05/een-teruggevonden-interview-met-jan-eijkelboom-alles-moet-echt-zijn-alles-moet-kloppen/.

Vegt, Han van der. 2017. ‘Pidgin, rijm, planten en dieren in Derek Walcotts Omeros, vertaald door Han van der Vegt’, https://athenaeum.nl/nieuws/2017/pidgin-rijm-en-planten-in-derek-walcotts-omeros-vertaald-door-han-van-der-vegt/.

Walcott, Derek. 1994. Omeros. Vertaald door Jan Eijkelboom. Amsterdam: De Arbeiderspers.

−. 2017. Omeros. Vertaald door Han van der Vegt (tweetalige uitgave). Amsterdam: Bananafish.

Lees meer over: