Tussen fantasy en filologie    27-36

Tolkiens eigen Edda

Jaap van Vredendaal

In mei 2009 verscheen een niet eerder gepubliceerd werk van J.R.R. Tolkien (1892–1973) met de titel The Legend of Sigurd and Gudrún, bezorgd en becommentarieerd door Christopher Tolkien, zoon van de auteur. Het boek was in Engeland onmiddellijk een bestseller. Twee maanden later volgde een Nederlandse vertaling (De legende van Sigurd en Gudrún) van de hand van Piet Verhagen en Renée Vink. Mijn interesse werd gewekt doordat de nieuwe Tolkien op de radio werd aangekondigd als een ‘wetenschappelijke vertaling’ van een Oudnoorse tekst. In het gesprek dat volgde werd het begrip ‘vertaling’ echter genuanceerd tot ‘hervertelling’.1 Een recensie op de digitale boekensite van NRC liet de onduidelijkheid over de status van Tolkiens tekst voortbestaan: ‘The Legend of Sigurd and Gudrún is Tolkiens vertaling en bewerking van twee epische gedichten uit de dertiende-eeuwse Noorse mythologie.’2

Ook voor wie het boek ter hand neemt, is niet in één oogopslag duidelijk hoe de tekst van Tolkien moet worden gekwalificeerd. De tekst op de voorflap van het boekomslag van de Nederlandse vertaling begint zo: ‘Jaren geleden componeerde J.R.R. Tolkien met De Legende van Sigurd en Gudrún zijn eigen versie van een van de grootste legendes uit de Noorse oudheid…’. Op de achterflap staat: ‘De Legende van Sigurd en Gudrún is een mythische vertelling gebaseerd op de Noorse legendes over Sigurd de Völsung en De val van de Niflungs, dat [sic] door Tolkien in modern Engels werd herverteld.’ Van een vertaling wordt niet gesproken, maar hoe de tekst van Tolkien zich dan wel tot de bronnen verhoudt, wordt niet helemaal duidelijk. Een ‘eigen versie’ suggereert immers een grotere afstand ten opzichte van de brontekst dan een hervertelling. Ook het voorwoord bij de uitgave door Christopher Tolkien helpt de lezer niet helemaal uit de brand. Zo schrijft hij: ‘These poems stand in a complex relation to their ancient sources; they are in no sense translations.’ Geen vertalingen dus, maar wat dan wel?

Het werk dat is uitgegeven onder de titel The Legend of Sigurd and Gudrún omvat twee teksten. Het eerste gedicht of lied, bestaande uit 339 strofen van acht halfverzen, voorzag J.R.R. Tolkien van de Oudnoorse titel Völsungakviða en nýa, ‘het nieuwe Völsungenlied’. Het gaat over de voorouders, de geboorte, de avonturen en de dood van de held Sigurd uit het geslacht der Völsungen. Het tweede lied, dat 166 strofen omvat, is Guðrunarkviða en nýa, ‘het nieuwe Gudrunlied’. Het gaat over de lotgevallen van Gudrun na de moord op haar man Sigurd. Christopher Tolkien zegt in het voorwoord dat de liederen waarschijnlijk begin jaren dertig zijn geschreven, toen zijn vader aan de universiteit van Oxford Oudnoorse taal- en letterkunde doceerde. Van het bestaan ervan hoorde Christopher Tolkien pas kort voor het overlijden van zijn vader. De enige referentie vond hij in twee brieven aan W.H. Auden. In de eerste brief, uit 1967, bedankt Tolkien Auden voor de toezending van diens vertaling van de Völuspá (het eerste gedicht van de Edda). Als dank belooft hij hem ‘if I can lay my hands on it (I hope it isn’t lost) a thing I did many years ago when trying to learn the art of writing alliterative poetry: an attempt to unify the lays about the Völsungs from the Elder Edda, written in the old eight-line fornyrðislag stanza.’ Een jaar later schrijft hij: ‘I believe I have lying about somewhere a long unpublished poem called Völsungakviða en nýa written in fornyrðislag 8-line stanzas in English: an attempt to organise the Edda material dealing with Sigurd and Gunnar.’

Tolkiens bronnen
Als bron voor zijn teksten noemt Tolkien dus de Edda, een verzameling Oudnoorse of Oudijslandse gedichten die grofweg kunnen worden onderverdeeld in goden- en heldenliederen. Het bekendste godenlied is de al genoemde Völuspá, het ‘visioen van de zieneres’. De proloog van Tolkiens Völsungakviða en nýa is hierop geïnspireerd. De heldenliederen in de Edda gaan voor een belangrijk deel over de held Sigurd. Bekende episodes uit het leven van Sigurd zijn de overwinning op de draak en de verwerving van de schat, de verloving met Brynhild, het huwelijk met Gudrun, prinses uit het geslacht der Gjukingen of Niflungen, en de moord op Sigurd door de broers van Gudrun. Op deze stof is Völsungakviða en nýa gebaseerd. Aansluitend volgen in de Edda liederen over Gudrun en Atli, Gudruns tweede echtgenoot. Atli aast op de schat die nu in handen is van de broers van Gudrun (Gunnar en Högni). Hij lokt hen naar zijn hof en doodt hen. Gudrun wreekt de moord op haar broers en doodt zowel Atli als de twee zoons die zij met Atli heeft. Tolkien behandelt deze stof in Guðrunarkviða en nýa.

Tolkien Young
J.R.R. Tolkien

Dat Tolkien behoefte had om, zoals hij in zijn brieven aan Auden schreef, de stof uit de Edda te ordenen en te harmoniseren, is op zich goed te verklaren. Het beeld dat uit de heldenliederen rond Sigurd en Gudrun oprijst, is verre van eenduidig: de liederen sluiten niet op elkaar aan, stammen uit verschillende tijden, spreken elkaar nogal eens tegen en zijn zeer episodisch van karakter. Bovendien mist het handschrift waarin de Edda-liederen zijn overgeleverd (de Codex Regius) acht bladzijden, waardoor diverse sleutelscènes uit het leven van Sigurd in de Edda ontbreken. Het verhaal is echter wel bekend uit de eveneens Oudnoorse Völsunga Saga, die een prozaversie van de heldenliederen uit de Edda biedt. Dit werk vormde voor Tolkien een zeker zo belangrijke bron voor zijn liederen als de Edda. Ook ontleende hij enkele passages aan het Middelhoogduitse Nibelungenlied, dat van dezelfde stof gebruikmaakt als de Oudnoorse teksten, maar de bouwstenen tot een andere plot samensmeedt. In de commentaren die Christopher Tolkien op de beide liederen van zijn vader laat volgen, wordt overigens uitvoerig toegelicht welke passages op welke bronnen zijn gebaseerd.

Herdichting
Hoe is Tolkien bij zijn harmonisering te werk gegaan? Wie begint te lezen, krijgt wellicht de indruk dat Tolkien strofen uit verschillende Edda-liederen in een logisch verband heeft geplaatst en die strofen min of meer heeft vertaald. Zo verging het mij in elk geval toen ik de eerste twee strofen las van de proloog bij Völsungakviða en nýa. Ik herkende daarin strofen uit de Völuspá, het openingsgedicht van de Edda. Hier volgen eerst de strofen van Tolkien, zowel in het origineel als in de Nederlandse vertaling van Verhagen en Vink:

Of old was an age
when was emptiness,
there was sand nor seaer
nor surging waves;
unwrought was Earth,
unroofed was Heaven –
an abyss yawning,
and no blade of grass. 

The Great Gods then
began their toil,
the wondrous world
they well builded.
From the South the Sun
from seas rising
gleamed down on grass
green at morning.

In verleden eeuwen
was leegte alom,
was zand noch zee
noch zwellende golf;
ongewrocht de Aarde,
ongewelfd de Hemel –
een gat gaapte
en gras was nergens. 

Voor de Grote Goden
begon het werk,
de wondere wereld
werd wél gebouwd.
De zon, in het zuiden
uit zee rijzend,
glom op het gras,
groen in de morgen.

Ter vergelijking volgen hieronder de twee corresponderende strofen uit de Völuspá, zowel in het Oudnoors als in vertaling. Ik kies hier voor de vertaling van Jan de Vries en niet voor die van Marcel Otten, omdat de stijl van De Vries dichter bij die van Tolkien staat waardoor een vergelijking beter mogelijk is:3

Ár var alda
þat er Ymir bygði,
vara sandr né saer
ne svalar unnir;
iorð fannz aeva
ne upphiminn,
gap var ginnunga
enn gras hvergi. 

Áðr Burs synír
bioðom um ypþo,
þeir er miðgarð,
moeran scópo;
sól scein sunnan
á salar steina,
þá var grund gróin
groenom lauki.
 

In oertijd was het
dat Ymir leefde:
noch zand noch zee
noch zilte golven,
er was geen aarde,
noch wijde hemel,
slechts gapende afgrond,
en gras nergens. 

Eer Burs zonen
de aarde hieven,
de wijdvermaarde
Midgaard schiepen:
de zon bescheen
de stenen in het zuiden
de grond werd begroeid
met groene look.

Ook al vervangt Tolkien de eigennamen door algemenere noties (de oerreus Ymir door ‘emptiness’, de zonen van Bur – Bur was de vader van Odin, Vili en Vé – door ‘the Great Gods’) en voegt hij elementen toe, zoals het vers ‘from seas rising’ in de tweede strofe, toch zou men hier nog wel van vertalingen kunnen spreken. Leest men echter verder, dan blijkt dat er maar weinig strofen zijn die echt corresponderen met een strofe uit de Edda. Soms zijn het parafrases van verschillende Edda-strofen, maar de meeste strofen zijn eigen composities, geïnspireerd op stof uit Edda en Völsunga Saga. Wat alle strofen gemeen hebben is de vorm, een nabootsing van het compacte alliteratievers uit de Edda (zie onder). Zo beschouwd lijkt Tolkiens werk een ‘hervertelling’ of liever een ‘herdichting’ van de verhalen over Sigurd en Gudrun uit de Edda en de Völsunga Saga.

Of toch een eigen schepping?
Tolkien doet echter meer dan het herdichten van oude stof. In Völsungakviða en nýa brengt hij een nieuw element in dat het dragende motief wordt voor het hele lied. De basis daarvoor wordt gelegd in de op de Völuspá geïnspireerde proloog. De Völuspá gaat over het ontstaan en de ondergang van de bestaande aarde, met godenwereld en al, en over haar wedergeboorte. Hoe de aarde uit haar as herrijst, vertelt de zieneres niet. Tolkien introduceert echter een redder die de wereld voor haar ondergang kan behoeden:

If in day of Doom
one deathless stands,
who death hath tasted
and dies no more,
the serpent-slayer,
seed of Ódin,
then all shall not end,
nor Earth perish.

Als op dag van Doem
de dood niet smaakt
die, eens gestorven,
voor immer leeft:
de slangendoder,
uit ’t geslacht van Ódin;
dan eindigt niet alles,
Aarde houdt stand.

In de laatste strofe van de proloog noemt Tolkien deze nazaat van Odin, die de slang kan doden en zo de wereld kan redden, ‘the World’s chosen’. Deze ‘verkorene’ of ‘hope of Ódin’ keert in de volgende hoofdstukken terug en blijkt uiteindelijk Sigurd te zijn. In een losse aantekening, die Christopher Tolkien in de inleiding heeft opgenomen, noteerde Tolkien zelf over deze rol van Sigurd: ‘None of the Gods can accomplish this, but only one who lived on Earth first as a mortal, and died. (This motive of the special function of Sigurd is an invention of the present poet, or an interpretation of the Norse sources in which it is not explicit.).’

Tolkien en Wagner
Christopher Tolkien ziet dit motief terugkeren in andere werken van Tolkien en beschouwt het als een element uit Tolkiens eigen mythologie. Opvallend is dat Christopher Tolkien, die elders pijnlijk nauwkeurig de bronnen probeert bloot te leggen die zijn vader voor bepaalde passages gebruikt heeft, hier niet wijst op de overduidelijke parallel met Wagners Ring des Nibelungen. Ook daar is Siegfried, Wagners pendant van Sigurd, door Wotan (Odin) uitverkoren voor een opdracht die de wereld van haar dreigende ondergang (veroorzaakt door de vervloekte ring) moet verlossen. Ook bij Wagner kan die taak alleen door een sterveling worden volbracht. Christopher Tolkien gaat zelfs zover dat hij elk verband tussen Tolkiens liederen over Sigurd en Gudrun en Wagners Ring ontkent. In het voorwoord schrijft hij dat beiden weliswaar gebruik hebben gemaakt van hetzelfde bronnenmateriaal (Edda en Völsunga Saga), maar, zo vervolgt hij:

Wagner’s treatment of the Old Norse forms of the legend was less an ‘interpretation’ of the ancient literature than a new and transformative impulse (…) Thus the libretti of Der Ring des Nibelungen (…) must be seen less as a continuation or development of the long-enduring heroic legend than as a new and independent work of art, to which in spirit and purpose Völsungakviða en nýa and Guðrunarkviða en nýa’ bear little attention.

Ik citeer deze passage niet alleen vanwege de categorische ontkenning van elke relatie met Wagners Ring, die ook in het licht van Tolkiens beroemdste werk – In de ban van de ring – verbazing wekt, maar vooral omdat de bezorger hier (impliciet) zegt dat de tekst van Tolkien – in tegenstelling tot die van Wagner – dus niet als een ‘new and independent work of art’ moet worden beschouwd, maar meer als een ‘interpretation’ en ‘continuation’ van de oude heldensage. Met zoveel woorden zegt hij in feite dat Tolkien dichter bij de bronteksten is gebleven dan Wagner. Je vraagt je af waarom dat voor Christopher Tolkien zo belangrijk is, als hij tegelijkertijd benadrukt dat Tolkiens liederen ‘in no sense’ vertalingen zijn. Ik vermoed dat dit te maken heeft met het tweede doel dat Christopher met dit boek nastreeft, namelijk de lezer kennis te laten maken met Tolkiens wetenschappelijke reflectie op de Edda en aanverwante teksten. Zo bevat de inleiding een deel van een college van Tolkien over de Edda. Ook elders in de inleiding en in de toelichtingen bij de liederen grijpt Christopher Tolkien veelvuldig terug op aantekeningen die zijn vader maakte voor zijn colleges Oudnoors. Let wel: die aantekeningen hebben betrekking op Oudnoorse thema’s en teksten, niet op Tolkiens liederen. Zoals Christopher Tolkien zelf aangeeft, bevatten de collegeaantekeningen geen enkele verwijzing naar de liederen. Omgekeerd is er ook geen enkele aanwijzing dat Tolkien de liederen schreef in het kader van zijn wetenschappelijke activiteit. Werelden die Tolkien zelf gescheiden hield, die van de fantasy en de filologie, wil zijn zoon alsnog bij elkaar brengen. En daarvoor mag de afstand tussen beide werelden niet te groot zijn. Ik vrees dat de verwarring bij sommige recensenten over de status van Tolkiens Sigurd-en-Gudrunliederen (‘wetenschappelijke vertaling’) daarop is terug te voeren.

Tolkiens liederen in vertaling
Zoals Tolkien vermeldde in een van zijn brieven aan Auden schreef hij deze teksten ‘when trying to learn the art of writing alliterative poetry’. In dat licht lijkt het een juiste beslissing van de vertalers om Tolkien in de keuze van de versvorm te volgen. De versvorm is die van de klassieke Edda-strofe, die uit vier langverzen bestaat, waarbij elk langvers weer uiteenvalt in twee halfverzen (in de uitgave begint ieder halfvers op een nieuwe regel). Elk halfvers heeft twee beklemtoonde lettergrepen (heffingen). De twee halfverzen van elk langvers worden door alliteratie met elkaar verbonden volgens de principes van het Oudgermaanse alliteratievers: de eerste heffing van het tweede halfvers allitereert met de eerste en/of tweede heffing van het eerste halfvers. De laatste heffing van het tweede halfvers is altijd van alliteratie uitgesloten: ‘If in day of Doom / one deathless stands.’ In de vertaling worden de kenmerken van het alliteratievers nauwgezet gehandhaafd. Dat levert soms mooie resultaten op. De twee onderstaande halve strofen mogen als voorbeeld dienen: 

Ten times Völsung
towering wrathful
casque and corslet
clove asunder 

Tienmaal sloeg Völsung
torenhoog razend
kuras en kolder
klievend in twee. (86)

‘Serpents seize him!
snakes shall sting him.
in the noisome pit
naked cast him!’

‘Dat slangen hem grijpen,
sissers hem bijten!
Werp Gunnar naakt
in die gruwelkuil!’ (299)

Een ander kenmerk dat Tolkien van het Edda-vers overneemt is de gedrongen stijl. Mede door de morfologie van het Oudnoors (waardoor o.a. minder lidwoorden en voorzetsels nodig zijn) is de Oudnoorse poëzie doorgaans compacter dan poëzie die uit andere Oudgermaanse talen is overgeleverd. Dat gaat bij Tolkien echter wel ten koste van de zinsbouw. Het is jammer dat de vertalers hem ook daarin volgen. Neem bijvoorbeeld de volgende strofe uit deel 2 van Völsungakviða en nýa, een dialoog tussen Völsung en Sigmund:

‘What saith Sigmund?
Shall his sister go
with lord so mighty
league to bind us?
‘With lord so mighty
league and kinship
let us bind, and grant him
bride most lovely!’

'Wat zegt Sigmund?
Zal zijn zuster gaan?
Verbinden wij ons
met gebieder machtig?'
'Met gebieder machtig
verbond en maagschap
laat ons sluiten,
'de lieflijkste huwe hij!' (81)

‘Lord so mighty’ kan in het Engels misschien nog net (al wordt met deze ‘lord’ niet God, maar koning Siggeir bedoeld), maar ‘gebieder machtig’ is onacceptabel. Dat geldt ook voor verzen als ‘Vogelzang vreugdig / boven volle tafels’ (p. 82), ‘Echt zij u eed / in ere houd die’ (p. 129) of ‘Gehelmde vorst / van gehelmde maagd / de naam wilde weten’ (p. 156). Vaak vinden we zulke gewrongen constructies ook op plaatsen waar Tolkien ze niet heeft:

But grey Grani
gladly swam there

Maar grauwe Grani
gaarne zwom daar (113)

Oaths swore Sigurd,
all fulfilled them

Eden zwoer Sigurd
alle vervulde ze (181)

Where I feasted long
are fell serpents

Waar ik vaak feestte
zijn valse slangen (289)

De vertaling evenaart het origineel ook in archaïsmen. Zo lezen we ‘wrocht’ voor ‘maakte’, ‘docht’ voor ‘dunkte’ en ‘wrook’ (!) voor ‘wreekte’. Soms wordt het lachwekkend, zoals bij: ‘Heil, Hunnenvorst / heul breng ik u!’ Nu kan men zeggen: Maar dat is Tolkien! Als Tolkien spot met de regels van de Engelse syntaxis en grossiert in archaïsmen, dan mag (of moet) de vertaler dat in het Nederlands ook doen. Een vertaler wil ‘trouw zijn aan de raarheid van het origineel’, zoals Piet Gerbrandy in een eerder nummer van Filter schreef. Hij kon daarom sympathie opbrengen voor de (in mijn ogen tenenkrommende) Homerusvertaling van Boutens. Gelukkig zegt hij ook dat een vertaling de lezer niet moet afschrikken, ‘want als vertaler ben je óók een ambassadeur’.4 En dat is mijn vraag bij deze Tolkienvertaling: is de lezer ermee geholpen? Die vraag dringt zich vooral op omdat naast de vertaling het origineel staat afgedrukt. Een dergelijke beslissing moet mijns inziens gevolgen hebben voor het doel van de vertaling. De lezer heeft in dit geval wellicht niet zo zeer behoefte aan een vertaling die ‘de raarheid van het origineel’ overbrengt, die het origineel als het ware vervangt, als wel aan een meer verklarende vertaling, die de lezer helpt het origineel te begrijpen. Wie de Engelse tekst leest, zal de vormkenmerken (alliteratie, metrum en archaïsche stijl) gemakkelijk herkennen, maar haken op ondoorzichtige syntactische constructies en onbekende woorden. De vertaling laat de lezer juist op die punten vaak in de steek en brengt de lezer soms nog verder van huis. Over het paard van Sigurd wordt bijvoorbeeld het volgende gezegd:

In the stud of Sleipnir,
steed of Ódin,
was sired this horse,
swiftest, strongest.

Moeder van dit ros
de merrie van Sleipnir,
hengst van Ódin,
gehard en snel. (113)

Een Nederlandse lezer met een gemiddelde kennis van het Engels stuit op woorden als ‘stud’, ‘steed’ en ‘sired’, maar vindt ze niet terug in de vertaling. De vertaling is door het ontbreken van werkwoorden bovendien niet te volgen. De lezer zou hier gebaat zijn bij een vertaling die dichter bij de tekst blijft, bijvoorbeeld: 

In de stal van Sleipnir,
het strijdros van Ódin,
werd dit paard verwekt,
het snelste, het sterkste.

Helaas moeten we gissen naar de overwegingen voor het simultaan afdrukken van vertaling en origineel en naar de motivering van de vertaalkeuzes die zijn gemaakt, want een verantwoording van de vertalers ontbreekt.5

Vertaling van de toelichtende teksten
Ook al zegt Christopher Tolkien in het voorwoord dat de twee liederen van zijn vader in het boek voorop staan en dat de rest van bijkomstig belang is, toch beslaan alle ondersteunende teksten (inleiding, commentaren en appendices) zeker de helft van het boek. Of ze de lezer ook werkelijk helpen, is de vraag. De informatie wordt erg verbrokkeld gepresenteerd. Na het voorwoord volgt een onoverzichtelijke inleiding met een amalgaam aan teksten, verdeeld over een ‘inleiding’ en een ‘ter inleiding’. Na Völsungakviða en nýa volgt een commentaar, dat per hoofdstuk bestaat uit een algemeen deel en noten bij afzonderlijke strofen. Na Guðrunarkviða en nýa volgt eveneenseen commentaar met een algemeen deel en noten. En of dit nog niet genoeg is, wordt het boek afgesloten met drie appendices, die, zoals het hele boek, ook weer een mix bieden van feiten en fictie: een stuk over de oorsprong van de Nibelungensage, een ander gedicht van Tolkien (eveneens geïnspireerd op de Völuspá) en ‘fragmenten van een Oudengels heldendicht over Attila’ (in tegenstelling tot wat de titel suggereert, is ook dit een fantasietekst van Tolkien – in het Oudengels). De onoverzichtelijkheid wordt versterkt doordat Christopher Tolkien voortdurend teksten en tekstfragmenten citeert uit collegedictaten van zijn vader.

Een hindernis voor de lezer is ook de breedsprakige stijl van Christopher Tolkien. Het is jammer dat de vertalers op dit punt niet wat meer vrijheid hebben genomen. Integendeel, de toelichtende teksten zijn niet alleen te ‘letterlijk’, maar vaak ook moeizaam en foutief vertaald, wat voor de Nederlandse lezer een extra barrière opwerpt. Sommige passages zijn daardoor niet te volgen. Dat is bijvoorbeeld het geval met de volgende alinea uit het voorwoord, waarin Christopher Tolkien naar aanleiding van de brieven aan Auden (zie boven) ingaat op de vraag wat zijn vader met de twee liederen beoogde. De vertaling luidt als volgt (de cursiveringen zijn niet van mij):

‘Eenheid scheppen’ in het materiaal van de oudere Edda, ‘het tot een geheel smeden’: zo drukte hij het een jaar of veertig later uit. De Völsungakviða en nýa, zijn gedicht, een verhaal noemen is in wezen een ordenen en verhelderen, een opleggen van een begrijpelijk patroon of inzichtelijke structuur. Daarbij moeten we evenwel steeds in het oog houden wat mijn vader hierover zei: ‘De mensen die deze gedichten [in de Edda] geschreven hebben – niet de verzamelaars die ze later kopieerden en excerpeerden – schreven ze als afzonderlijke individuele dingen die op zichzelf gehoord moesten worden, gewapend met slechts de algemene kennis van het verhaal in gedachten.’

De tweede volzin (‘De Völsungakviða en nýa een verhaal noemen…’) is onbegrijpelijk. In het Engels staat er: ‘To speak only of Völsungakviða en nýa, his poem, as narrative, is essentially an ordering and clarification, a bringing out of comprehensible design or structure.’ De vertaling zou iets moeten zijn als: ‘Om ons te beperken tot de Völsungakviða en nýa: zijn gedicht – als verhaal – is in wezen een ordenen en verhelderen, bedoeld om de opzet of structuur inzichtelijk te maken.’ Het laatste, gecursiveerde deel van de geciteerde alinea is eveneens ondoorgrondelijk: gedichten ‘als afzonderlijke individuele dingen’; de contaminatie van ‘gewapend met’ en ‘met … in gedachten’ en een zinsconstructie die suggereert dat de gedichten algemene kennis van het verhaal bezaten (in plaats van de mensen die de gedichten hoorden). Een tweede voorbeeld is afkomstig uit de inleiding:

In zijn college (p. 35) merkte mijn vader op dat het geven van de naam ‘Edda’ aan de gedichten van de grote Codex, die in 1643 zijn eigendom werd door bisschop Brynjólf van Skálaholt historisch ongerechtvaardigd is.

Pas als men het origineel erbij haalt, wordt duidelijk wat er staat: ‘In my father’s lecture (p. 29) he noted that the application of the name Edda by Bishop Brynjólf of Skálaholt to the poems of the great Codex that he acquired in 1643 was without historical justification.’ Bisschop Brynjólf kreeg dus in 1643 een handschrift met gedichten in handen. Daar gaf hij de naam ‘Edda’ aan. Daarvoor bestond geen historische rechtvaardiging.

Bijzonder veel van de lezer vergt de paragraaf over de versvorm van de gedichten (§5 van de inleiding). De tekst is al ingewikkeld doordat Christopher Tolkien ook hier een tekst van zijn vader inlast, die nota bene niet over de Edda, maar over de metrische aspecten van het Beowulf-vers gaat. De Nederlandse vertaling werpt ook hier extra hindernissen op. In de uitleg van het metrum van het Edda-vers staat de volgende zin:

Men gelooft dat de naam fornyrðislag ‘oudeverhalenmetrum’ of ‘oudekennismetrum’ betekent – een naam die, zoals mijn vader opmerkte, pas ontstaan kan zijn nadat de latere versierselen uitgevonden en vertrouwd geworden waren.

Wat moeten we ons voorstellen bij ‘de latere versierselen’? En kan iets in het Nederlands ‘vertrouwd geworden zijn’? In het origineel luidt de zinsnede als volgt: ‘a name which, my father observed, cannot have arisen until after later elaborations had been invented and made familiar.’ Hoewel ‘later elaborations’ ook tamelijk vaag is, kan uit de context wel worden opgemaakt dat het gaat om uitbreidingen van de oorspronkelijke versvorm die in latere tijden zijn bedacht en waarmee men inmiddels vertrouwd was. Je zou ook kunnen zeggen dat de versvorm in de loop der tijd complexer was geworden en dat men daaraan gewend was geraakt. De context (aangevuld met enige kennis van de ontwikkeling van de Oudnoorse dichtkunst) biedt een vertaler voldoende aanknopingspunten om hiervan een begrijpelijke zin te maken. Ook worstelen de vertalers in deze taalkundige paragraaf met de terminologie: ‘regel’ in plaats van ‘vers’, ‘halve regel’ in plaats van ‘halfvers’, ‘stijging’ in plaats van ‘heffing’, ‘hoofdalliteratie’ in plaats van ‘hoofdstaf’, ‘benadrukte lettergreep’ in plaats van ‘beklemtoonde lettergreep’ en ‘ondergeschikte nadrukken’ voor ‘nevenaccenten’.

Stilzwijgende toevoegingen
De vertalers hebben op verschillende plaatsen informatie toegevoegd zonder dat te verantwoorden. Dat geldt met name voor de toelichtingen bij afzonderlijke strofen. Herhaaldelijk wordt een noot van Christopher Tolkien stilzwijgend uitgebreid met informatie voor de Nederlandse lezer. Een voorbeeld: in een noot bij een strofe waarin sprake is van ‘the Need of the Niflungs’, wijst Christopher Tolkien erop dat dit refereert aan het slotvers van het Nibelungenlied: ‘diz ist der Nibelunge nôt’. Dan zegt hij: ‘The word nôt, which is in origin the same as English need, refers to the terrible extremity and end of the Nibelungs.’ In de vertaling wordt dit:

Het woord nôt, dat dezelfde oorsprong heeft als het Engelse need en het Nederlandse nood, verwijst naar de uiterste beproeving en het eind der Nibelungen.

Natuurlijk is het nuttig om in de vertaling te wijzen op het Nederlandse ‘nood’, maar nu lijkt het alsof ook Christopher Tolkien naar het Nederlandse equivalent verwijst. Soms breiden de vertalers een noot van Christopher Tolkien uit met een toelichting op de Nederlandse vertaling van het desbetreffende vers, ook weer zonder zo’n toevoeging te verantwoorden of op zijn minst grafisch te markeren. Zo noteert Christopher Tolkien bij een strofe: ‘‘‘choosing not the slain”: a reference to Brynhild as Valkyrie’. In de vertaling luidt de noot:

‘choosing not the slain’ (‘geen keur van doden’): een verwijzing naar Brynhild als Walkure. De Nederlandse term ‘keur’ is hier als vertaling gekozen vanwege de etymologische verwantschap met het tweede element in Walkure/Valkyrja.

In al dit soort gevallen ontbreekt een waarschuwing als: ‘Noot van de vertalers’ of – in plaats daarvan – een algemene verantwoording vooraf waarin de vertalers hun aanpak toelichten.

Tot slot
Is het boek alle opwinding (en ook deze bespreking) waard? Literair noch inhoudelijk biedt het veel verrassingen. Tolkienfans wijzen er graag op dat de liederen duidelijk maken hoezeer het latere werk van Tolkien door de Oudnoorse verhalen is beïnvloed. Maar dat was allang bekend. Mij viel juist op dat Tolkien een aantal elementen laat liggen waarvan ik verwacht had dat hij die zou gebruiken. Zo zoeken we in de liederen tevergeefs naar het Tolkieniaanse begrip Midden-Aarde of een equivalent daarvan, terwijl het Tolkien door de Völuspá in de schoot werd geworpen (miðgarð – ‘Midgaard’: zie de eerder geciteerde strofe). Aan diezelfde Völuspá ontleende Tolkien ook de namen voor de vele dwergen en andere wezens in De Hobbit. Maar die namen heeft hij in zijn eigen Völuspá-bewerking nu juist geëlimineerd. Wie de inspiratiebronnen voor Tolkiens oeuvre wil leren kennen, kan dus beter de Edda zelf lezen – én zich onderwerpen aan Wagners Ring.

 

Noten
1 TROS Nieuwsshow van 9 mei 2009, waarin over het daags tevoren verschenen boek werd gesproken met René van Rossenberg (Tolkienwinkel/Tolkienmuseum Leiden). Ook het ANP sprak van een ‘wetenschappelijke vertaling in het Engels van een duizend jaar oude Noorse tekst’.
2 ‘Postume Tolkien bestseller’. Recensie door Dirk Leyman van maandag 11 mei 2009 op www.nrcboeken.nl.
3 Zie voor Ottens kritiek op de vertaling van De Vries de inleiding bij zijn Edda-vertaling en zijn artikel ‘Den gevers heil! De Edda in de vertaling van Jan de Vries’, Filter, 11:2, p. 49–58.
4 Piet Gerbrandy, ‘Het lichaam van de tekst. De vertaling als verleidster’, Filter, 16:4. Over de Homerusvertaling van Boutens schrijft hij o.a.: ‘Boutens kiest ervoor de gebruikelijke woordvolgorde in het Nederlands geweld aan te doen, hetgeen een prettig soort ontregeling teweegbrengt: je beseft meteen dat je in een vreemd universum terecht bent gekomen’ (p. 7).
5 Op de website van het Tolkiengenootschap Unquendor (www.unquendor.nl) vond ik een interview met Renée Vink, een van de vertalers, gedateerd 16 juli 2009. Zij zegt niets over de beweegredenen voor een tweetalige uitgave, maar bevestigt dat bewust gekozen is voor het laten prevaleren van de vorm boven de inhoud: ‘Bij gedichten als deze van Tolkien, waarbij de vorm zeker zo belangrijk is als de inhoud en ook specifiek is gekozen om die inhoud tot zijn recht te laten komen, […] moet je voor de vorm gaan.’

Bibliografie
Tolkien, J.R.R. 2009. The Legend of Sigurd and Gudrún. Edited by Christopher Tolkien. London: HarperCollins.

Tolkien, J.R.R. 2009. De Legende van Sigurd en Gudrún. Bezorgd door Christopher Tolkien. Amsterdam: Mynx.

Edda. Die Lieder des Codex Regius nebst verwandten Denkmälern. 1962 [1914]. Herausgegeben von Gustav Neckel. I. Text. Vierte, umgearbeitete Auflage von Hans Kuhn. Heidelberg: Universitätsverlag Winter.

Edda. Goden- en heldenliederen uit de Germaanse oudheid. 1978 [1938]. Vertaald en van inleidingen voorzien door dr Jan de Vries. Zesde druk, herzien door Aleid Boon-de Vries en prof. dr. J.A. Huisman. Deventer: Ankh–Hermes.

Edda. De liederen uit de Codex Regius en verwante manuscripten. 2008 [1994]. Vertaald uit het Oudijslands, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Marcel Otten. Amsterdam: Ambo.

Lees meer over: