Wetenschap vertaald: de vertaalschool van Toledo    53-59

Arie Schippers

Abstract: Voor de ontwikkeling van de middeleeuwse universiteiten in Europa zijn de vertalingen van Arabische wetenschappelijke werken in het Latijn van groot belang geweest. Wetenschappen als astronomie en kosmologie werden geïntegreerd in een filosofisch en theologisch wereldbeeld en kregen zo een belangrijke positie in West-Europa. Het centrum van deze vertaalactiviteit was Toledo, waar sinds 1085 een aantrekkelijk wetenschappelijk klimaat heerste met goede bibliotheken en waar islamitische Arabieren en Berbers, en Arabisch en Romaans sprekende christenen en joden vredig samenleefden. Schippers noemt de belangrijkste vertalingen die aan het einde van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw tot stand kwamen en schetst de werkwijze van de vertalers in deze periode.

 

De vertalingen van Arabische wetenschappelijke werken in het Latijn, die dateren van het einde van de twaalfde en het begin van de dertiende eeuw, zijn van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de mid­deleeuwse universiteiten in Europa. Het centrum van deze vertaalactivi­teit was Toledo. Deze Arabische werken, waarin onderwerpen als astronomie, natuurkunde, biologie, medicijnen en kosmologie werden behandeld, waren veelal gebaseerd op werken van klassiek-Griekse au­teurs als Aristoteles, Euclides en Ptolemaeus. De Arabische versies wer­den vaak door de Arabische auteurs – zoals in De Anima (‘Over de Ziel’) van Avicenna (Ibn Sina; 980-1037) en in de Physica en de Metaphysica van Averroës (Ibn Rushd; 1126-1198) – bewerkt of voorzien van commentaar. Wetenschappen als astronomie en kosmologie werden geïntegreerd in een filosofisch en theologisch wereldbeeld. Zo kregen deze wetenschap­pen een belangrijke positie in West-Europa, die mede te danken was aan de islamitische en joods-Arabische filosofie.

De grote vertaalbeweging ontstond na de verovering van Toledo op de moslimvorsten door Koning Alfons VI in 1085. In Tole­do woonden islamitische Arabieren en Berbers, gearabiseerde en Ro­maans sprekende christenen en Arabisch en Romaans sprekende joden vredig tezamen. Een aantal van hen was afkomstig uit de islamitische staatjes in het zuiden van het Iberisch Schiereiland, waar na de komst van de Almoraviden (1091-1147) en later van de Almohaden (1147-1247) het aanvankelijk vreedzame en tolerante klimaat werd aangetast door onderdrukking en intolerantie.

Toledo, waar reeds een aantrekkelijk wetenschappelijk klimaat heerste met goede bibliotheken, waarin zich onder andere een grote collectie judaica bevond, werd zo de schakel tussen de oosterse en westerse filosofie en wetenschappen. Het initiatief tot de vertaalactivi­teit kwam van de aartsbisschop van Toledo, Raimundus (1125-1151), in een tijd waarin veel christenen en joden nog Arabisch spraken.

De ‘Raimundische periode’ (1138-1187)
De vertaalactiviteit in de ambtsperiode van Raimundus richtte zich in de eerste plaats op de zogenaamde speculatieve wetenschappen: filosofie en theologie; verhandelingen over natuurkunde, sterrenkunde, wiskun­de en astrologie kwamen duidelijk op het tweede plan. De vertalers wa­ren afkomstig uit verschillende landen. Ze hadden alle het Latijn als wetenschapstaal gemeen, zoals reeds lang gebruikelijk was. Naast de Spanjaard Dominicus Gundissalinus (Domingo Gonzalvo) en de tot christen bekeerde joods-Spaanse Iohannes Avendehut Hispanus (ook wel bekend als Juan Hispano; gestorven 1215), vestigden zich veel niet-­Spaanse geleerden in Toledo, onder wie de Engelsman Adelard van Bath (gestorven circa 1145) en de Italiaan Gerard van Cremona (1114-1187).

Het vertalersduo Avendehut/Gundissalinus legde, dankzij hun vertalingen van filosofische werken met hellenistisch en neo-Platoons gedachtegoed, de basis voor de werken der middeleeuw­se scholastische filosofen. Onder leiding van Raimundus bestonden de vertaalequipes uit een arabist, over het algemeen een jood die viva voce (hardop) de Arabische teksten in de volkstaal, het Romaans, overzette, en een latinist die deze tekst vervolgens direct in het Latijn vertaalde. Sommige geleerde vertalers maakten gebruik van joodse tolken die wel­iswaar voor hun diensten werden betaald, maar niet met naam in de wer­ken werden vermeld. Het Romaans (Romance) werd in die tijd, bij gebrek aan schriftelijke conventies, uitsluitend als spreektaal gebruikt.

In het voorwoord van De Anima (‘Over de ziel’), een La­tijnse vertaling van een werk van Avicenna, wordt deze vertaaltechniek helder beschreven. De reeds genoemde Johannes Hispanus, wiens naam in het Arabisch Ibn Daud (Avendehut) luidt, vertelt ons het volgende: ‘me singula verba vulgariter proferente, et Domino Archidiacono singu­la in latinum convertente ex arabico translatum’ (‘Doordat ik de woorden een voor een in de volkstaal noemde en mijnheer de aartsdeken deze woorden een voor een in het Latijn omzette, werd het werk uit het Ara­bisch vertaald’). Op deze wijze vertaalden Johannes en Dominicus filoso­fische geschriften van onder anderen Arabische geleerden als al-Kiridi (801-866), al-Farabi (870-950) en Avicenna. Deze werden opgedragen aan de ‘Reverendissimo Toletanae Sedis Primati’, aartsbisschop Raimundus.

Ook na de dood van Raimundus zette de vertaalactiviteit te Toledo zich voort, hoewel er bij gebrek aan financiële ondersteuning een zekere teruggang was. Tot deze periode behoren echter nog belang­rijke geleerden die, op zoek naar kennis, heel Europa afreisden. We me­moreren hier de vertaler van Aristoteles’ ‘Over de bepaling van de he­melse bewegingen’ (De uerificatione motuum coelestium), Michael Scotus (gestorven in 1236). Deze kwam oorspronkelijk uit Schotland of Ierland, maar had zijn opleiding genoten aan de universiteiten van Oxford, Parijs of Bologna. Hij leerde Arabisch in Toledo, maar kende waarschijnlijk al Grieks en Syrisch toen hij daar aankwam. Ook leefde hij enige tijd in Ita­lië, onder andere aan het hof van de Paus en aan dat van Frederik II (1194-1250) op Sicilië.

De regeringsperiode van Alfons de Wijze (1252-1284)
In de tijd van Koning Alfons X, bijgenaamd de Wijze, vertaalde men niet meer zo veel in het Latijn, maar vooral in het Castiliaans. Dit was de offi­ciële prozataal, die eerder al was aangewend in kanselarijdocumenten. Alfons de Wijze bracht in zijn rijk een taalkundige eenheid teweeg, zoals hij ook op juridisch vlak met zijn Wetboek, de Siete partidas, trachtte te doen. Dankzij het gebruik van het Castiliaans voor wetenschappelijke vertalingen werd deze taal in toenemende mate ook daadwerkelijk ge­schikt als wetenschappelijke taal. Het aantal vertalers nam in hoge mate toe. De kern van het vertalerscollectief werd nu gevormd door een ara­bist, een romanist, een corrector (emendador) en een notulist (glosador).De arabist was meestal een jood. Deze maakte samen met de romanist de eer­ste mondelinge vertaling. De arabist drukte zich ongetwijfeld in meer ‘gearabiseerde’ varianten uit dan de romanist, die juist arabismen tracht­te te vermijden. Over deze eerste vertaalde versie boog zich de corrector, een soort autoriteit op taalgebied, die bepaalde welke uitdrukking het origineel het best weergaf. De notulist fungeerde tenslotte als getuige van de discussies tussen zijn drie collega’s, soms ook als secretaris. Hij maakte zowel inhoudelijke als taalkundige notities van wat de vertalers bespraken en schreef die in de kantlijn. Zo vinden we de volgende aante­kening: ‘De corrector en de vertalers wijzen er alle op dat hij [de auteur van het werk] hier ‘voorspoed’ moet zeggen in plaats van ‘tegenspoed’, en wie dit wil nagaan, raadplege het XXVste hoofdstuk hiervoor over hetzelfde geval.’

Koning Alfons zag er persoonlijk op toe dat alles tot in de puntjes werd uitgevoerd, zoals we in een voorwoord kunnen lezen: ‘En opdat dit eerste deel van het boek niet zou mislukken, hebben Wij, Ko­ning Don Alfonso, onze geleerde Rabiçag (rabbi Yishaq ibn Sa’id) van To­ledo, bevolen dat hij dit werk met grote precisie en perfectie moest uit­voeren.’ De uitdrukking bien paladino wordt gebezigd om uiting te geven aan de wens dat de tekst goed begrijpbaar is. Uit de voortdurende herha­lingen van woorden in de vertalingen kan men opmaken dat het Castili­aans nog in de kinderschoenen stond. De vertalers namen grote vrijheid in het hanteren van achtervoegsels om abstracte nomina aan te duiden. Zo worden in één tekst longueza en longura in voortdurende afwisseling met elkaar gebruikt en zonder enige systematiek, hetzelfde geldt voor al­teza en altura (‘lengte’ respectievelijk ‘hoogte’).

Joodse vertalers werden verhoudingsgewijs steeds belangrijker. Koning Alfons stond erop dat hun namen werden vermeld in de vertalingen. Een belangrijke joodse vertaler was bijvoorbeeld Judah ben Moshe ha-Kohen. Hij nam deel aan het project van de zogenaamde Tablas Alfonsíes (de astronomische tabellen van Koning Alfons, tabellen met de bewegingen van de planeten, gebaseerd op een werk van een elf­de-eeuwse Andalusisch-Arabische sterrenkundige). Tijdens het bewind van Alfons drongen de natuurkunde, de astronomie en de wiskunde de ‘speculatieve wetenschappen’, filosofie en theologie, naar een secundai­re plaats. Bovendien werd er nu tevens aandacht geschonken aan ver­haalliteratuur en spelen.

Tot de belangrijkste anonieme vertalingen uit deze peri­ode behoren El Calila e Dimna (de bekende vorstenspiegel van Indische oorsprong die enigszins lijkt op de Nederlandse Van den Vos Reinaerde), El Sendebar (‘Het Boek der Zeven Wijzen’, een bundel van niet altijd vrouwvriendelijke verhalen van Indische oorsprong), het Liber Picatrix (‘Het boek van Hippocrates/Buqratish’, de bekende medicus uit de Oud­heid), en Los libros del Açedrez, dados y tablas (‘De boeken van het schaken, dobbelen en triktrakspel’).

Nu het Castiliaans als prozataal in vertalingen het Latijn naar het tweede plan had gedrongen, oefende Toledo minder aantrek­kingskracht uit op geleerden uit de rest van Europa. Het waren voorna­melijk Spanjaarden die zich met het vertalen bezighielden. Die eenzijdig­heid werd gecompenseerd door de multiculturele en veeltalige oriëntatie van Alfons’ hof. Occitaanse (Provençaalse) troubadours als Guiraut Ri­quier (1254-1296) en Hebreeuwse dichters in de Arabische traditie, zoals Todros Abulafia (1247-1298), verkeerden aan één hof. De dichterstaal die Alfons zelf gebruikte was Galicisch-Portugees; aan hem worden zowel obscene gedichten als devote Maria- liederen toegeschreven. Als proza­taal gebruikte de koning het Castiliaans, zoals in het hierboven vermelde handboek voor ‘goede wetten’, de Siete partidas. Het multiculturele ka­rakter van Alfons’ hof blijkt ook dikwijls uit de illustraties bij hand­schriften: in het bovengenoemde boek over schaken bevinden zich illu­straties van schaakspelers afkomstig uit diverse bevolkingsgroepen. Zo is op een bij dit artikel afgedrukte illustratie een christelijke jongen van Gothische oorsprong te zien die schaakt met een ‘Moors’ meisje wier han­den met henna zijn geverfd. In sommige handschriften zijn musici uit de verschillende bevolkingsgroepen broederlijk naast elkaar afgebeeld. 

De vertaalschool te Toledo
Naar bovengenoemde vertaalactiviteiten wordt doorgaans verwezen on­der de noemer de vertaalschool van Toledo. De vraag rijst of hier sprake was van een school in de betekenis van een onderwijsinstelling. Volgens sommige geleerden was dat het geval, een school opgericht door Ara­bisch sprekende christenen en joden, die gedurende ruim een eeuw heeft bestaan. De leidende figuur van deze school was Gerard van Cremona, die tot zijn dood in 1187 een zeventigtal werken uit het Arabisch in het Latijn vertaalde. Volgens de bekende middeleeuwse Engelse geleerde Roger Bacon (1220-1292) bestond er te Toledo een ononderbroken keten van vertalers: van Gerard van Cremona tot aan Michael Scotus en Her­man Germanicus (gestorven 1272). Wat Toledo echter wel degelijk tot een onderwijsinstelling maakte, was dat deze vertalers niet alleen boeken publiceerden, maar dat zij tevens openbare lessen hielden. De school was niet helemaal gelijk aan een studium generale, maar een soort onvolledige universiteit, waar alleen wereldse wetenschappen werden gedoceerd. Ondanks haar wereldse, wetenschappelijke karakter was de school nauw verbonden met de kathedraal en met de persoon van de aartsbisschop van Toledo.

Op basis van het getuigenis van de twaalfde-eeuwse En­gelse geleerde Daniel van Morley nam men aan dat er in Toledo colleges werden gegeven. Deze Engelse geleerde beweerde zich naar Toledo te hebben gehaast om de doctrina Arabum te beoefenen, nadat hij aan de Uni­versiteit van Parijs slechts pretentieuze betweters trof. Nadat hij was te­ruggekeerd, zou hij door de bisschop van Norwich zijn uitgenodigd om zijn belevenissen in Toledo op schrift te stellen. In dit werk, Philosophia of Liber de Naturis inferiorum et superiorum (geschreven tussen 1175-1187), vertelt hij hoe hij van Galippus (Arab. Ghalib), een Arabisch sprekende christen die ook het Romaanse dialect van Toledo machtig was, de Arabi­sche wetenschappen leerde op het gebied van de kosmos, de materie, de elementen, de ondermaanse wereld, de bewegingen der sterren en het nut van de astrologie. Hij beschrijft een door Gerard van Cremona gege­ven les, waarbij Galippus als assistent optrad, met verscheidene toehoor­ders en een wetenschappelijk debat. Dit verslag van Daniel van Morley zou aantonen dat Gerard van Cremona astrologie onderwees in Toledo.

Recentelijk is echter komen vast te staan dat Van Morley geen enkele tekst heeft gebruikt die door Gerard van Cremona is ver­taald, zelfs niet diens vertaling van de Almagest (een encyclopedisch werk van Ptolemaeus, waarin het heelal met zijn hemelse sferen, waaron­der die van de zon, maan, planeten en vaste sterren, wordt beschreven, met de aarde als centrum). Sterker nog, Daniel van Morley maakte alleen gebruik van teksten die bekend zijn in Engelse of Anglo-Normandische handschriften. Zo gebruikte hij de werken van Adelardus van Bath, zo­wel diens bekende Quaestiones Naturales alsook diens minder bekende De opere astrolapsus (‘Over de astrolaab’). Hieraan ontleende Daniel zijn be­schrijving van de hemelse sferen en de baan van de planeten. Het valt dus te betwijfelen of Daniel van Morley ooit wel in Toledo is geweest.

We moeten Van Morleys verslag van Gerard van Cremo­na’s les daarom niet zonder meer geloven, als er verder geen bewijzen voor te vinden zijn. Gerard zou immers ook privélessen gegeven kunnen hebben. Bovendien had hij geen officiële functie binnen de kathedraal van Toledo. Ook in het geval van de andere vertalers is er geen enkele aanwijzing dat ze onderwijs gaven. De vertalers combineerden het verta­len met kerkelijke functies als die van aartsdeken. Daarnaast is het on­waarschijnlijk dat de kerk betaalde voor wereldse wetenschappen. Er is ook geen bewijs dat de vertalers hun vertalingen in de bibliotheek van de kathedraal onderbrachten. Integendeel, zij stuurden hun vertalingen naar de academische centra van Europa. Veel van Gerard van Cremona’s handschriften zijn bijvoorbeeld in Italië te vinden.

Pas in de dominicaanse scholen van de dertiende eeuw werden het vertalen en doceren tegelijkertijd beoefend. Dit onderwijs heette niet studium generale, maar studium arabicum. En het duurde tot de zestiende eeuw voordat de oosterse talen hun plaats kregen in het cur­riculum van de Europese universiteiten.

Ofschoon ‘vertaalschool van Toledo’ waarschijnlijk niet van toepassing is in de betekenis van onderwijsinstelling, kunnen we, dunkt me, de term ‘vertaalschool’ toch blijven gebruiken in de betekenis van een methode van vertalen die gedurende ruim een eeuw ononderbro­ken werd gevolgd.

Met dank aan Julie-Marthe Cohen voor haar hulp bij de totstandkoming van dit artikel.

 

Bibliografie
Brasa Diez, Mariana. 1984. ‘Alfonso X el Sabio y los traductores espanoles’, Cuadernos Hispanoamericanos 410, p. 21-33.

Burnett, Charles. 1992. ‘The Translating Activity in Medieval Spain’, in: Salma Kh. Jayyu­si, (ed.). The Legacy of Muslim Spain. Leiden: E.J. Brill, p. 1036-1058.

Burnett, Charles. 1995. ‘The institutionat context of Arabic- Latin translations in the Middle Ages: a reasseesment of the ‘School of Toledo,’ In: Olga Weijers, (ed.), Vocabulary of Teaching and Research Between Middle Ages and Renaissance, Proceedings of the Colloquium, London Warburg Institute, 11-12 March 1994, = Civicima: Etudes sur Ie vocabulaire intellectuel du Moyen Age VIII. Turnhout: Brepols, p. 214-235.

Dunlop, Duncan Macdonald. 1960. ‘The Work of Translation at Toledo’, Babel, Revue In­ternationale de la Traduction 6: 2, p. 55-59.

Gil, José S. 1985. La escuela de traductores de Toledo y los colaboradores judios. Tole­do: Instituto provincial de investigaciones y estudios ioledanos, Diputación provincial [137 pp.].

Rose, Yalentin. 1874. ‘Piolemaeus und die Schule van Toledo’, Hermes 8, p. 328-49.

Naschrift van de gastredactie:
Het is wellicht aardig om te melden dat de illustere vertaaltraditie van Toledo zeer recentelijk nieuw leven is ingeblazen door de oprichting van de ‘Escuela de Traductores de Toledo’, als onderdeel van de Universiteit van de autonome regio Castilla-La Mancha. Bij de presentatie van deze opleiding naar buiten toe wordt, zoals te verwachten, nadrukkelijk naar dit verleden verwezen. Maar de gelijkenis lijkt niet beperkt te blijven tot de naam en de locatie: ook in de opzet en de taalkeuze (momenteel voor­namelijk Arabisch-Spaans en Hebreeuws-Spaans) is de echo van het ver­leden hoorbaar. Door een combinatie van wetenschappelijke activiteiten zoals symposia en ronde-tafel-conferenties en praktisch georiënteerde vertaalcursussen worden nu, zo’n acht eeuwen na de hierboven beschre­ven bloeiperiode, de twee betekenissen van het begrip ‘school’ waarge­maakt.

Lees meer over: