Argeloosheid versus studie    37-46

over het vertalen van de eerste regels van de Quijote

Barber van de Pol

Abstract: Van de Pols basale voornemen bij haar vertaling van de Quijote was: ‘zo argeloos mogelijk met volledige inzet van eigen kunnen en begrip en met de intentie van een schrijver de Quijote vertalen.’ Aan de hand van vijf illustratieve voorbeelden uit de titel en de eerste twee zinnen laat zij zien ‘hoe bont en soms hilarisch de overwegingen en afwegingen waren’ die tot haar keuzes leidden.

 

Dit is een boutade, maar de kern van een boutade is altijd waar: de kunst bij het vertalen van een klassiek boek is doen alsof het nieuw is, doen als­of het pas nu gaat ontstaan, onder jouw handen, in jouw taal. Een verta­ling wordt geacht een nieuwe literaire eenheid te vormen en daar kan al­leen de vertaler voor zorgen. Sterker nog: een goede vertaler moet stréven naar een nieuwe literaire eenheid. Wie te weinig waagt, kon wel eens een dood kind baren. De Spaanse schrijver en vertaler Javier Marías gewaagde onlangs in dit verband, in een recent gesprek met Maarten Steenmeijer dat is afgedrukt in Vrij Nederland (11-1-1997) van het ‘lite­raire instrument’ van een vertaler. Een vertaler moet zijn boeken schrij­ven, en dat dat schrijven óók herschrijven is, doet daar niets aan af. Toch wordt deze waarheid zelden onderkend en dat zegt iets over het betreu­renswaardige gebrek aan ambitie in de vertalersstand.

Alles goed en wel, maar het te schrijven boek is niet nieuw. Om concreter te worden – ik zal het immers hebben over het verta­len van de Quijote – het boek, dat dateert van 1605 (deel I) en 1615 (deel II), is al bijna vier eeuwen oud. Bovendien is het niet zomaar klassiek, maar super klassiek: het bekendste en geliefdste boek uit de hele Spaans­talige literatuur en een nooit opdrogende bron voor lezers, schrijvers en academici om zich aan te laven. Het is in deze eeuw al eens eerder in het Nederlands vertaald, en uit die vertaling van Van Dam en Werumeus Bu­ning is veelvuldig geciteerd, tot in Van Dale toe. Wie de Quijote vertaalt, torst een geweldige erfenis met zich mee.

De erfenis helemaal negeren? Dat is natuurlijk onzin. Proberen zo argeloos mogelijk te zijn is iets anders dan onnozel zijn. De erfenis van mijn voorgangers maakt deel uit van de wereld van het boek dat de Quijote is, zoals studies over het boek er deel van uitmaken, en zelfs biografieën van de schrijver die juist zo meesterlijk zijn best doet om zijn vertellersrol te camoufleren en te doen alsof alles is neergeschre­ven door geschiedschrijvers – onder wie een Arabisch-schrijvende –, ver­talers en zelfs in deel II lezers van deel I, alsof hij niet persoonlijk van A tot Z verantwoordelijk voor het geschrevene is.

Dat ik voor een vertaling zonder noten heb gekozen, be­tekent dus niet dat ik geen lering heb getrokken uit de noten van andere uitgaven, om te beginnen de noten bij de editie die mijn uitgangspunt vormde, die van Luis Andrés Murillo (Castalia). Via al die noten kon ik bij voorbeeld in onbruik geraakte woorden en uitdrukkingen leren be­grijpen. Een vat vol lering en vermaak tijdens het vertalen van de Quijote was het op een hallucinerende manier zorgvuldige commentaar van Cle­mencin, onvolprezen pionier van de Cervantes-vorsers, die zijn monni­kenwerk verrichtte in de vorige eeuw met zijn verregaande illusies om­trent vervolmaking en vooruitgang. Clemencin is vaak bestraffend jegens Cervantes: ‘de schrijver vergist zich’; ‘de schrijver vergist zich opnieuw’. Het moet een echte Droogstoppel zijn geweest, zonder veel er­barmen voor Cervantes’ tijd, waarin het uitgeverswezen uiteraard nau­welijks ontwikkeld was en zelfs de grammatica van het Spaans nauwe­lijks vastlag.

Ik had honderden, duizenden noten kunnen maken, in­formatieve, grappige, wellicht onthullende noten, maar mijn keus was het boek voor zichzelf te laten spreken. Cervantes heeft ook geen noten gemaakt. Het boek kan het nog altijd makkelijk stellen zonder noten. Wie zich, zoals ik, veel meer tot literatuur dan tot literatuurwetenschap voelt aangetrokken, speelt liever voor Cervantes dan voor Cervantes-kenner.

Ik sta onverminderd achter dat basale voornemen: zo ar­geloos mogelijk met volledige inzet van eigen kunnen en begrip en met de intentie van een schrijver de Quijote vertalen, maar nooit heb ik zo vaak een beroep moeten doen op encyclopedieën, woordenboeken en deskun­digen. De moeilijkheden mogen niet van het resultaat af te lezen zijn en liggen opgeslagen in mijn geheugen. Er mag, los van het boek, over ge­praat worden. Ze zijn soms interessant, de problemen. Ik wil ze niet be­nadrukken, maar aan de hand van een vijftal illustratieve voorbeelden uit de titel en de eerste twee zinnen – met het begin begonnen – laten zien hoe bont en soms hilarisch de overwegingen en afwegingen waren die tot mijn keuzes leidden. Men vergete ze weer als het uiteindelijke resultaat ter hand wordt genomen. Zonder werkproces kan geen boek ontstaan, maar bestaat een boek eenmaal, dan is het werkproces verleden tijd.

Twee constanten
Voor ik op die vijf concrete vertaalproblemen kom, wil ik twee algemene opmerkingen maken in verband met deze vertaling. Losse problemen zijn interessant, maar minstens even interessant, en belangrijk, zijn de keuzes die het hele boek bepalen, keuzes wat de globale interpretatie aangaat. Hoe lees ik de Quijote? Om het filosofischer te zeggen: wat voor boek is de Quijote voor mij? Het antwoord daarop heeft de hele vertaling gekleurd: in toon, in geest, in opbouw.

a) Voor mij is de Quijote een avonturenroman. Het is niet alleen een rid­derroman die wilde afrekenen met alle vorige ridderromans, maar het is er zelf één, hoe spottend ook. Een avonturen- annex ridderroman heeft spanning, vaart. Een direct gevolg van mijn overtuiging dat de Quijote in de eerste plaats spannend bedoeld is, is dat ik een zinsbouw heb gezocht die die spanning niet in de weg staat. In het Spaans werd en wordt aan­houdend gebruik gemaakt van constructies met het voltooide deelwoord (bijvoorbeeld ‘geslagen zijnde’) en het onvoltooide deelwoord (bijvoor­beeld ‘slaande’). Er zijn twee manieren om die constructies op te lossen: in de vorm van onderschikkend zinsverband, door er bijzinnen van te maken die beginnen met voegwoorden als hoewel, omdat, nadat; of in de vorm van nevenschikkend zinsverband, door bij voorkeur te werken met voegwoorden als ‘en’, ‘maar’, ‘en toen’). Dat laatste hoort meer bij de avonturenroman en ook bij de orale traditie waar de Quijote nog op aller­lei manieren in staat. Ter vergelijking: mijn voorgangers in het Neder­lands gebruikten veel meer onderschikkend zinsverband, vanuit een duidelijk andere filosofische benadering. Hun vertaling heeft de smaak van de negentiende eeuw, toen de burgerlijke roman hoogtij vierde, waarin dat onderschikkend zinsverband vaste troef is.

b) Cervantes spot al direct in zijn woord vooraf en in de reeks gedichten vooraf met bepaalde literaire trucs, met name met mooischrijverij. Als hij mooi schrijft, is het spottend of satirisch bedoeld. Zijn gedichten zijn vir­tuoos maar ook erg mal. Hij is dus per se geen mooi- of schoonschrijver, geen rederijker zoals onze landgenoten uit die tijd (Vondel, Hooft) dat waren. Hij is gewoon, om zo te zeggen, maar wel voortdurend bewust geestig. Hij speelt spelletjes met zijn lezers, met zijn personages, met zijn verhaal. Het is bekend dat hij vooral als toneelschrijver had willen triom­feren, en wat je daarvan navoelt is zijn sublieme vermogen om dramati­sche effecten te sorteren. Het mooiste op dit punt zijn de vele gesprekken tussen Don Quichot en Sancho Panza, meesterlijke staaltjes van dialogi­seerkunst. Cervantes klinkt altijd als een klok en verhult nooit.

Dat hij geen mooischrijver was, heeft uiteraard conse­quenties voor het woord- of taalgebruik. Ik ben ervan overtuigd dat hij geen versierende exotica of archaïseringen zou hebben gebruikt als hij mij was geweest. Mijn Cervantestaal mag het zicht op toen niet wegne­men, u mag niet denken: ‘hoe kan dat nou in een boek uit de zeventiende eeuw’, maar ook het zicht op nu moet bewaard blijven. Toch mag de taal niet al te neutraal zijn. Dat in taal laveren tussen de eeuwen door mag niet hinderlijk zijn. Don Quichot praat hoogdravend, maar hij speelt dan ook een dolende ridder van weleer na, met hoofse opvattingen over lief­de en belangeloosheid. Zijn omstanders lachen om hem: wat praat die deftig. Maar afgezien van het feit dat hij deftig praat, valt op dat hij in volzinnen praat, in boekentaal, soms slechte boekentaal (met kitscherige beelden), soms wat je noemt prachtige boekentaal (vooral in zijn beto­gen, vol fraaie retoriek).

Een klein idiomatisch grapje heb ik me hier en daar wel veroorloofd. Zo gebruik ik ergens het word ‘atoom’ (geen atoom van de waarheid afwijken) waar Cervantes het ook gebruikt, want het woord is zo oud als Democritus. Wij hebben er tegenwoordig snel nucleaire asso­ciaties bij. Maar het boek speelt nu eenmaal niet tegenwoordig. Tover­woord bij dit soort problemen van woordkeus is frequentie. Zou ik te veel hebben gegrapt op deze manier, dus te veel atomen, bij wijze van spre­ken, hebben opgevoerd, of juist iets te vaak ‘hozen’ (broek) of ‘chirurgij­nen’ hebben gebruikt – dus proefbaar oude begrippen – dan was de smaak van mijn vertaling evengoed te weinig van alle tijden geweest. Ik meende te weten hoe Cervantes het boek nu, in het Nederlands, geschre­ven zou hebben – zoals ik dus, wat moest ik anders denken? – maar na­tuurlijk weten we allemaal dat hij al bijna vierhonderd jaar dood is.

Vijf problemen
Ik ben gekomen bij de vijf concrete problemen van het begin, die hopelijk iets zeggen over mijn aanpak in het algemeen.

1. Hoe de naam Quijote weer te geven in het Nederlands? We weten uit manuscripten dat hij door Cervantes met een x werd geschreven. Die x, had ik al eens lang geleden in een essay van Borges over het boek gele­zen, werd in Cervantes’ tijd uitgesproken als sj of zj,dus zo’n beetje zoals wij in Nederland het tegenwoordig nog uitspreken. Maar talen maken ontwikkelingen door en met een taal de uitspraak. Tegenwoordig schrij­ven ze in Spanje Quijote, uit te spreken als Kiechottè, want de j (jota) is onze scherpe ch en de è moet niet worden uitgesproken als uh.

Mijn plan was lange tijd de nieuwe Spaanse schrijf- en uitspraakwijze over te nemen. Dat was ronduit revolutionair want die in­tentie zag ik bij geen enkele andere moderne vertaler of Nederlandse scribent over het boek weerspiegeld. Alleen Thomas Mann heeft het in zijn adembenemende essay/verslag over het lezen van het boek tijdens een cruise over de Quijote (‘Meerfahrt mit Don Quijote’, 1934). De be­roemdste en tot op heden beste Duitse vertaler van het boek, Ludwig Tieck, schrijft de naam als Don Quixote, maar dat was twee eeuwen gele­den. En toch: waarom zou ik een andere schrijfwijze aanhouden dan de Spanjaarden? Waarom zou ik niet met hen meeontwikkelen?

Om drie redenen niet, luidde het antwoord dat enkele ja­ren nodig had voor het overtuigend door mijn aarzeling heen kon bre­ken. Om te beginnen kon het overnemen van Quijote wel eens vreemde, ongewenste gevolgen hebben. Er zijn heus veel Spanjegangers in Neder­land die zullen weten dat de j (jota) als ch wordt uitgesproken, maar er zijn vast nog veel meer Nederlanders die dit niet weten of er niet bij stil­staan. Die gaan misschien wel Don Kiejootuh zeggen, en dat is geenszins de bedoeling.

Ten tweede geeft de bij ons bekende schrijfwijze in feite de juiste uitspreekwijze in. Ik weet wel dat men in Nederland voorlopig Kiesjot zal blijven zeggen, maar eigenlijk staat er met Quichot keurig Kiechot, al kan het zijn dat een enkeling aan Kwiechot denkt.

Ten derde riekt dat Quijote in het Nederlands domweg te veel naar academisme. Ik hoorde de honende kritiek al: de specialist wil laten zien dat ze het beter wist! Gelukkig fungeerden enkele hooglijk ge­waardeerde mede-Nederlanders uit zowel de literaire als de academi­sche wereld desgevraagd voor mij als literair geweten en zij zeiden een­drachtig dat Quijote in het Nederlands maar het beste Quichot kon blijven. (Uiteraard raadpleeg ik mijn gewetens pas als mijn verstand er eigenlijk al uit is: ze bevestigen wat ik al aan het willen was.) Er was, zei­den ze, enkele jaren geleden al hard genoeg gelachen toen Mozes in secure vertaling (ik geloof van de Koran) ineens Mosje heette, wat alleen maar verwarring had gesticht.

En die slot-e van Quijote? Die is gesneuveld. Wij, Neder­landers, plegen hem niet uit te spreken en als we het doen wordt het die misplaatste uh-klank. (De ‘uh’ bestaat niet in het Spaans.) Laat Quichot maar op de door hem zo bewonderde Lancelot of Lanzerot rijmen, laat er rust zijn in al die uitgangen van al die namen in het boek, laat Rocinante daarom Rocinant worden opdat geen Nederlander meer denkt dat het om een merrie gaat, wat hij niet is, zoals herhaalde malen uit zijn gememo­reerde hitsigheid blijkt.

De naam Quijote vertalen is nauwelijks bij mij opgeko­men. Ik ken geen serieuze vertaling waarin dat wel is gebeurd. Er zitten betekeniselementen in de naam die zouden kunnen leiden naar een woordsamenstelling met ‘dijplaat’ of ‘kaakbeen’ of zelfs ‘kaaskoek’; Cer­vantes speelt een beetje met de oorsprong van de naam. Maar voorzover ik heb begrepen proeft een Spanjaard die betekeniselementen er tegen­woordig niet in. En een Don Quichot is ook voor ons zo gevleugeld gewor­den, dat het fundament onder het boek zou worden weggetrokken als daaraan werd getornd.

2. El ingenioso hidalgo Don Quijote de la Mancha luidt de titel voluit in het Spaans. Een hidalgo is een laag soort edelman, die verder geen titel voert. Het Spaanse caballero is behalve een ruiter ook een ridder, en dat is wat Don Quichot wil zijn. Hij wordt in het boek om de haverklap uitgelachen en ook wordt fijntjes opgemerkt dat hij boven zijn stand leeft door zich caballero te noemen terwijl hij maar een eenvoudige hidalgo is. In studies en commentaren is de adellijke hiërarchie van weleer terug te vinden. Don Quichot dacht ordentelijk tot caballero te zijn geslagen, maar in een rangen- en standenmaatschappij als de zijne wist men wel beter. Een beetje doen alsof een herbergier een hoge kasteelheer is, die van jou een ridder kan maken! Don Quichot is een dwaas; hij heeft al te verheven ideeën en draagt het hoofd hoger dan hij het rechtens zijn stand mag heb­ben. De hidalgo uit de titel als ridder vertalen is daarom niet goed. De grap zou ermee weggegeven zijn. Don Quichot is een edelman van niets die ridder wil zijn; dat is juist de grap of de clou. Cervantes maakt keurig on­derscheid. Dat doe ik ook. Staat er hidalgo, dan vertaal ik ‘edelman’, staat er caballero, dan wordt het ‘ridder’.

3. Ook voor ingenioso ging ik bij vele commentaren en noten te rade, maar uiteindelijk vooral bij de Tesoro de la lengua castellana o espafiola (uitg. Alta Fulla, 1993) van Sebastián de Covarrubias, een woordenschat uit 1611, dus uit de tijd van Cervantes. Het woord ‘ingenio’ wordt daarin omschre­ven als ‘een natuurlijke kracht van het verstand, die onderzoekt wat via de rede of de redenatie kan wordt bereikt in iedere soort wetenschap, dis­cipline, en vrije en mechanische kunsten(...)’. Alles wijst erop dat de be­tekenis in de richting van het verstandelijke moet worden gezocht, en niet in die van het fantasievolle of geestrijke (voor dat laatste kozen mijn voorgangers Van Dam en Werumeus Buning in hun vertaling uit 1940- 44), al liggen de gebieden soms nog zo dicht bij elkaar. De Spaanse titel: El ingenioso hidalgo Don Quichot de la Mancha. Van Dam & Werumeus Bu­ning: De geestrijke ridder don Quichot de la Mancha. Ik: De vernuftige edel­man Don Quichot van La Mancha.

Ik heb voor ‘ingenioso’ geaarzeld tussen ‘vindingrijk’ en ‘vernuftig’ maar ‘vernuftig’ benadrukt meer dat verstandelijke dan ‘vin­dingrijk’, dus dat werd het. De ware vernuftige is natuurlijk Cervantes en niet Don Quichot. De titel klinkt ons behoorlijk ironisch in de oren en we mogen aannemen dat dat precies de bedoeling van de schrijver was.

(Hoe logisch, die oplossing, kun je achteraf zeggen. In het Nederlands hebben wij toch ook ingenieus(= vernuftig) voor ‘ingeni­oso’? Het komt vaak voor: de beste vertaling blijkt de trouwste.)

4. Over naar de eerste zin, waarvan het eerste zinsdeel een achtlettergre­pig geheel moet zijn, in overeenstemming met het vijfde vers van een anonieme ballade getiteld ‘Ensaladilla’, waaraan de regel is ontleend, wat eerbiedigd moest worden. Maar het ware probleem zat elders. Die eerste zin luidt in het Spaans: ‘En un lugar de la Mancha, de cuyo nombre no quiero acordarme, no ha mucho tiempo que vivia un hidalgo de los de lanza en astillero, adarga antigua, rocin flaco y galgo corredor.’ Het gaat om dat quiero. Boekenkasten zijn erover vol geschreven. Het is het meest bediscussieerde woordje uit de hele Don Quichot en wie weet uit de hele literatuurwetenschap, dat quiero.

‘In een dorpje van de Mancha, waarvan ik mij de naam niet wens te herinneren, (...),’ zeiden Van Dam en Werumeus Buning. Mijn eerste zin luidt: ‘In een plaatsje in La Mancha, waarvan de naam mij niet te binnen wil schieten, leefde niet lang geleden zo’n edelman met een lans in zijn wapenrek, een antiek leren schild, een magere knol en een hazewind.’

Dat ‘wensen’ voor ‘querer’ komt in veel vertalingen in al­lerlei landen voor, maar hier en daar ook niet. ‘Querer’ heeft in de loop van het boek soms de betekenis van ‘willen’ maar soms is het alleen een hulpwerkwoord, en heeft het geen modale betekenis. En dat laatste is hier het geval, volgens een knots van een noot in de door mij gebruikte editie. Murillo wijst erop dat dat ‘zich niet kunnen herinneren’ een geijk­te formule is in de orale vertelkunst, zoiets als: ‘Ik weet niet precies hoe en waar het begon, maar er was eens (...)’ Cervantes suggereert niet dat hij een naam die hij wel degelijk zou weten hier niet wil noemen.

De verklaring die vaak in commentaren is gegeven als zou dat plaatsje dat Cervantes niet wil noemen Argamasilla de Alba zijn, waar hij gevangen zou hebben gezeten toen hij aan zijn Quijote begon en waar hij derhalve een hekel aan had, mist historische grond. Cervantes zat enkele malen gevangen, maar aan zijn boek is hij begonnen in Sevilla, het is zelfs de vraag of hij ooit in Argamasilla gevangen zat; en zo is er meer.

Ik vond dat ‘zich niet wensen te herinneren’ altijd mooi en bovendien is het een beetje gevleugeld geworden in het Nederlands. En toch, als je eenmaal weet of vermoedt dat daar een dramatisch effect is toegevoegd dat er niet hoort, gaat de vertaling tegenstaan. Het is niet no­dig Cervantes dramatischer en lolliger te maken dan hij is; hij is ijzersterk van zichzelf, en zijn ironie zit soms op andere plekken dan wij met ons platte inlevingsvermogen in eerste instantie denken. Hij is behalve ver­nuftig ook licht en subtiel en daardoor des te geestiger.

Wat te doen, nog wel in een nootloze vertaling? Ik was gewonnen voor Murillo’s interpretatie, die ik al werkende op allerlei plekken bevestigd zag. Maar mocht ik de Nederlander zijn gevleugelde gezegde afnemen? Nee, en dat wil ik ook niet; laat de uitdrukking maar blijven bestaan, als ik die zin maar niet fout hoefde te vertalen. Mocht het gezegde rechtstreeks uit vertalingen van de Quijote stammen, dan is er sprake van een historische onjuistheid, maar dat is niet erg. Als de onlos­makelijke band met Cervantes maar wordt doorbroken, en dat heb ik ge­daan.

Toch kon ik de zaak hiermee niet afdoen. Op de een of an­dere manier wilde ik iets creatiefs met het probleem doen, in de geest van Cervantes. Ik heb een ‘wil’ binnengesmokkeld, maar een ‘wil’ dat net als bij Cervantes alleen maar iets van een helpende waarde heeft en niet de betekenis ‘wensen’. ’(...), waarvan de naam me niet te binnen wil schie­ten, (...)’ is de frase in mijn vertaling geworden. Het is een grapje, maar niet een grapje ten koste van Cervantes, eerder één als eerbewijs aan hem en in zijn lijn bedacht. Dat een polemisch element ten opzichte van vori­ge vertalingen in de vertaling is gebracht, belet eenvoudige lezing van de frase zoals ze is niet.

Op bladzijde 591 in deel II komt de frase terug, maar net iets anders. Daar staat (ik vertaal): ‘Dit was het einde van de vernuftige edelman uit La Mancha, wiens dorp Sidi Hamid niet nauwkeurig wenste te vermelden, want nu konden alle steden en dorpen van La Mancha hem om het hardst opeisen en als hun inwoner beschouwen, zoals de zeven steden van Griekenland streden om Homerus.’ Aha, toch ‘wenst’? Maar hier is het anders. In het Spaans staat hier: ‘(...) no quiso poner Cide Ha­mete puntualmente’. Hier heeft dat ‘wenst’ een heel ander effect, door­dat de reden erbij staat, en die heeft niets humeurigs. Hier heeft ‘querer’ volgens mij wel meer dan modale betekenis, of liever: dat is duidelijk. (N.B.: Ook in zowel Nederland als België was dit het enige punt dat meer dan eens naar aanleiding van mijn Quijote-vertaling met een kritische on­dertoon naar voren werd gebracht. Het betreft werkelijk het heetste hangijzer, mag de conclusie luiden.)

Is mijn oplossing in het tweede geval inconsequent? Na­tuurlijk. Maar volgens mij is het juist die inconsequentie die zoveel dis­cussie over dit ene probleem heeft losgemaakt. Ik ben geneigd het als een onbedoelde grap van Cervantes te beschouwen, en ook als ongeweten lichte spot van hem, jegens de academische wereld van de toekomst.

5. In de tweede zin wordt verteld wat de Don zoal in een gemiddelde week at. De opsomming in het Spaans luidt: ‘Una olla de algo más vaca que carnero, salpicón las más noches, duelos y quebrantos los sábados, lentejas los viernes, algün palomino de afiadidura los domingos, con­sumian las tres partes de su hacienda.’ Mijn vertaling luidt: ‘Driekwart van de opbrengsten van zijn land werd opgeslokt door een dagelijkse stoofpot van helaas wat meer rund- dan schapevlees, ’s avonds meestal een gehakt prutje, hond in de pot op zaterdag, linzen op vrijdag en een enkel duifje toe op zondag.’

‘Duelos y quebrantos’ vormde de grote moeilijkheid bin­nen dit geheel aan gerechten. Van Dam en Werumeus Buning hebben er eieren met spek van gemaakt, precies wat ze nu onder die naam serveren in La Mancha in de herberg die model zou hebben gestaan voor de plek waar vele avonturen in het boek zich afspelen. Er is in die herberg, die authentiek is maar inmiddels sterk toeristische trekken heeft gekregen, aan de eieren en spek wat worst toegevoegd. In andere vertalingen en in commentaren of noten bij Spaanse edities wordt onder meer uitgelegd dat die ‘duel os y quebrantos’ (letterlijk ‘pijnen en smarten’) staan voor bonen, al dan niet met tomatensaus, voor producten van de noodslacht, dat wil zeggen voor het vlees van de beesten die in de week ervoor zijn verongelukt, voor rood orgaanvlees, voor wat niet al.

Het is domweg niet echt bekend wat ‘duelos y quebran­tos’ in Cervantes’ tijd voorstelde of in het boek moet suggereren. Mijn Spaanse editie voegt geen noot toe, waaruit blijkt dat de tekstbezorger er niets nieuws over te melden had. Had hij dat wel gedaan, dan had ik hem graag gevolgd. Van stipjes houden vertalers niet, dus ik ben vier jaar lang met het gerecht aan het experimenteren geweest. Aanvankelijk was ik ge­porteerd voor ‘noodslacht’, een woord dat de nodige ellende in zich bergt, net als die twee Spaanse. Maar ik kon me toch niet goed voorstel­len hoe dat bijna rituele ongelukseten iedere zaterdag weer opnieuw te voorschijn kon komen. Voor ‘kliek’ was wel wat te zeggen, want daar zal het wellicht op neergekomen zijn, maar het is een erg gewone vertaling voor het suggestieve Spaans.

Op bijna het laatste moment bedacht ik de prachtige let­terlijke oplossing ‘kommer en kwel’; dat doet behoorlijk eetachtig aan (komkommer!) en het is net als het Spaans uit twee met een voegwoord verbonden abstracte woorden opgebouwd. Maar het rook naar Marten Toonder, naar Komrij, en niet naar wat het moest zijn. Het stond raar in het rijtje dat het weekmenu van de Don uitmaakte. ‘Duelos y quebrantos’ kan – heb ik begrepen – staan voor schamel eten. ‘Lawaaisoep’ was een mooi equivalent geweest, maar hoe oud het woord ook mag zijn, het klinkt te modern, naar Sesamstraat, naar Radiolawaaipapegaai.

Maar ‘duelos y quebrantos’ zou ook weleens kunnen staan voor eten dat zo machtig is dat je buik er pijn van doet, zoals een dikke kok uit La Mancha me met een plastisch handgebaar vertelde. Maar Don Quichot met een bolle, pijnlijke buik van het eten zag ik een­voudig niet voor me. Hij eet immers uit principe of uit praatzucht onge­veer nooit? Hij praat terwijl anderen eten, en zelfs de eikels die hij prijst als typisch sober dolende-riddervoedsel raakt hij niet aan, omdat hij práát.

Het is ‘hond in de pot’ geworden. De hond van dit gezeg­de heeft zoals men weet het lekkerste al uit de pot gegeten en wat je aan­treft valt derhalve niet mee. Daar heb ik op het allerlaatste moment voor gekozen, vooral ook omdat het goed in dat rijtje met al die andere beesten past. Het was een van de weinige keren in het boek dat ik semantisch voor onoplosbare raadselen werd gesteld, eenvoudig omdat niemand me ervan kon overtuigen wat het nu echt was. Dan moet intuïtie de doorslag geven. Ik hoop dat Cervantes om deze oplossing gelachen zou hebben.

Ik heb deze voorbeelden niet als sluitend bewijs voor mijn gelijk of zoiets aangevoerd. Mijn vertaling blijft een interpretatie, dat weet ik, al heb ik er weinig vrede mee als iemand mij voorhoudt dat over zestig of honderd jaar wellicht een nieuwe vertaling de mijne zal verdringen. Maar wat kan ik anders doen dan leven en laten leven? Ik heb de Quijote niét uit compe­titie met vertalers uit het verleden vertaald. En ik ga al helemaal niet de concurrentie met de toekomst aan. 

Lees meer over: