Taalman in oorlogstijd    26-33

Vlaamse tolken tijdens de bezetting van België (1940–1944)

Sien Degeest

 

De neutraliteit van een tolk is een van de voornaamste discussiepunten tussen tolken en in de tolkwetenschap. Al zo lang er relaties tussen verschillende taalgemeenschappen bestaan, wordt er een beroep gedaan op tolken. Toch zijn reflecties over de rol van tolken, over hun neutraliteit en beroepsplichten vrij nieuw. Echte tolkopleidingen zijn er pas gekomen na de Tweede Wereldoorlog; daarvoor waren er algemenere talenopleidingen die soms naar de beroepspraktijk van tolken verwezen, en bijscholingen binnen bepaalde beroepsgroepen. In 1951 werd de Association Internationale des Interprètes de Conférence (AIIC) opgericht. Zij heeft onder meer gedragscodes voor tolken opgesteld, waarin discretieplicht, neutraliteit en ethisch verantwoord handelen centraal staan.

Of die principes in elke context gehandhaafd worden, is nog maar de vraag, maar dat neutraliteit een probleem vormt wanneer tolken actief zijn in conflictsituaties, ligt voor de hand. In dat verband hebben de AIIC en de vertaal- en tolkopleiding in Genève recent een aantal initiatieven genomen. Zo publiceerde de AIIC een handleiding over ethiek voor oorlogstolken en bood de universiteit in Genève tolken in oorlogssituaties een ‘face-to-face-training’ aan (Baker 2013). Daarbij is meestal geen sprake van een klassiek opgeleide tolk, maar eerder van een soort ‘tussenpersoon’ die de communicatie tussen bijvoorbeeld het leger en de plaatselijke bevolking kan vergemakkelijken.

People who participate in wars as interpreters respond to the rules of supply and demand. They are rarely professional interpreters and end up playing that role by chance, simply because they have a functional knowledge of the languages involved. When I say functional knowledge I mean that they are able to keep open [...] the communication channel. (Baigorri-Jalón 2011: 180)

In dergelijke situaties zijn tolken zelden onpartijdig; vaak werkten ze al voor een van de conflictpartijen voordat ze als tolk werden ingeschakeld. Dat was ook het geval tijdens de Tweede Wereldoorlog. Wie bijvoorbeeld als tolk voor het Duitse leger optrad in Finland en Noorwegen was verplicht om elk detail over de geloofs- of politieke overtuiging van de plaatselijke bevolking aan de Duitse overheden te melden: ‘Als Soldaten taten sie, was ihnen jeweils befohlen wurde’ (Kujamäki 2014: 63). Het ging dus om militairen die eerder als informant dan als tolk beschouwd moeten worden. In bezet België was de situatie niet anders: Vlaamse tolken in bezet België moesten net als de ‘Wehrmachtsdolmetscher’ in Scandinavië alle verworven informatie over de Vlaamse publieke opinie doorspelen aan de bezetter. Tijdens het verhoor van een verdachte Vlaming door een Duitse officier, bekleedt de tolk dan ook eerder een actieve dan een neutrale rol; zowel de Duitse machthebber als de tolken beschouwden dat trouwens vaak als vanzelfsprekend:

Most of the times they accept the new functions either because they cannot reject it, for reasons of the chain in the military command, or because it means an improvement in their military or social status and, often, better conditions of work and pay. (Baigorri-Jalón 2011: 180)

Meer dan in elke andere situatie waarin tolken vereist zijn, is hier sprake van ongelijke machtsrelaties. Pöchhacker (2004) vraagt zich terecht af of de bemiddelaar in een dergelijke setting niet sowieso een volwaardige deelnemer aan de dialoog is. Schlesinger stelde een soortgelijke vraag: ‘Should the interpreter just “interpret”, or should s/he interprettoo?’ (2001: 166). Ook buiten conflictsituaties zijn tolken vaak een betrokken partij. Als ze voor een staats- of regeringsleider werken, zullen ze veeleer diens belangen behartigen. Dat is duidelijk het geval bij iemand als Paul Schmidt, de persoonlijke tolk van Hitler. Hij was goed opgeleid en tolkte vooral bij diplomatieke ontmoetingen tussen Hitler en andere staatshoofden. In zijn memoires stelde hij dat een tolk, hoe paradoxaal dat ook klinkt, moest kunnen zwijgen (Schmidt 1949) en dus mogelijk informatie moest verhullen als dat in het belang van zijn land of ideologie leek.

Maar Schmidt kreeg niet direct te maken met conflictsituaties of met de bevolking in door de Duitsers bezette gebieden. De Vlaamse tolken die tijdens de Duitse bezetting van België actief waren, hadden vaak heel andere taken en waren veeleer informanten. In archiefstukken van het Belgische gerecht is veel te vinden over hun werk, hun betrokkenheid bij de Duitse instanties en hun eigen ideologische achtergrond.

Pionnen of spionnen in het Duitse raderwerk?
Tijdens de bezetting van België ontstond er een enorm web van bestuurlijke instanties. Er moesten zo veel posities bekleed worden, dat de bezetter geconfronteerd werd met een tekort aan ervaren personeel. Autochtone werkkrachten, en zeker ook tolken, waren geen overbodige luxe:

De Duitse agenten spraken de taal niet en hadden weinig voeling en contact met de plaatselijke bevolking. Het succes van een politiedienst hangt echter in grote mate af van de omgeving. Het waren de tolken die deze taak van hun Duitse overste overnamen. (Van Eetvelde 2009: 355)

De Vlaamse tolken werden hoofdzakelijk ingezet bij de Duitse Sicherheitspolizei und Sicherheitsdienst (Sipo/SD), waar ze moesten zorgen voor de communicatie tussen opgepakte of verdachte Vlamingen en Duitse politieagenten. De meesten van die tolken hadden toevallig, uit eigen interesse of ook wel om politieke redenen Duits geleerd. Dat blijkt ook uit het onderzoek van Kujamäki: ‘Es handelte sich bei alldem um einen Aufgabenbereich, für den eher Sprachkenntnisse als Erfahrung mit dem Dolmetschen und Übersetzen als maßgeblich angesehen wurden’ (2014: 63). Hoe ze hun talenkennis hadden verworven, was voor elke tolk anders. Dat geldt in het algemeen voor oorlogstolken, zoals in andere contexten is onderzocht: ‘Most of it is performed ad hoc, by people with no task-specific training’ (Schlesinger 2001: 165). Tolken werd in de periode van de bezetting meestal niet als aparte vaardigheid gezien en vaak hielden de tolken er nog een ander beroep op na. Dat stelt ook Baigorri-Jalόn (2011: 180):

The day before they started interpreting, they were not interpreters or linguists. They had their civil job or their occupation in the military or elsewhere and they happened to possess a certain command of the demanded foreign language, which they had acquired for a variety of reasons (seldom learned as an academic subject). 

De Vlaamse tolken vormden de onmisbare schakel voor de Sipo/SD om de publieke opinie in Vlaanderen te doorgronden. Op die manier konden de Duitsers hun nationaalsocialistisch beleid, dat veel vooruitgang had geboekt sinds de machtsovername van de civiele politiediensten onder Himmler, doeltreffender uitvoeren. België stond aanvankelijk immers onder een militair bewind, waardoor civiele politiediensten zoals de Sicherheitspolizei of de Sicherheitsdienst verboden waren. Uiteindelijk kreeg Himmler als chef van de Duitse politie toch voet aan grond in België door een tekort aan mankracht bij het militair bestuur. Uit archiefanalyse van 25 tolken van de Sipo/SD Gent en Antwerpen en één externe tolk blijkt dat de Vlaamse oorlogstolk geen uniform profiel kent. De meeste tolken waren het nationaalsocialisme gunstig gezind, laagopgeleid en gebruikten meermaals geweld om informatie in te winnen (Degeest: 2016). Slechts hier en daar waren ook Duitsers of Nederlanders actief als tolk in Vlaanderen, een enkele keer ging het om een vrouw. Een handvol tolken had wel een hogere opleiding gevolgd, maar niet altijd afgerond. Bovendien hadden ze allemaal hun eigen motieven om voor de bezetter te werken, zowel economische als idealistische (Degeest: 2016). Op basis van hun sociale achtergrond en opleiding zijn er drie typen Vlaamse tolken te onderscheiden.

De doorsnee Vlaamse ‘taalman’
Willy Van de Velde (1922) is een voorbeeld van de typische Vlaamse oorlogstolk. Volgens Van Eetvelde (2009) liep hij tot zijn achttiende school en kwam hij toen al in aanraking met collaborerende bewegingen. Begin 1940 werd Van de Velde, zoals veel andere Vlaamse tolken, lid van het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) en sloot hij zich aan bij de Dietse Militie/Zwarte Brigade, de paramilitaire tak van het VNV (Verhoor 1948). Terwijl hij werkte voor de Werbestelle, een instantie die vrijwillige werkkrachten voor Duitsland moest ronselen (Verhoor 1949), werd hij in 1942 lid van de NSDAP en abonnee van Freude und Arbeit, het tijdschrift van het Deutsche Arbeitsfront Brussel, een afdeling van de NSDAP (Van Eetvelde 2009).

Begin 1943 liet Van de Velde zich bij de Waffen-SS Antwerpen inlijven en werd naar de Sipo/SD Brussel gestuurd, waar hij ‘na een zestal weken training’ als Wachmann de kantoren van de Louisalaan moest bewaken (Verhoor 1949: 1). Die opleiding, die ook andere tolken doorlopen hebben, omvatte een militaire training, talenonderwijs en een tolkcursus (Verhoor Klebeck 1946). Van de Velde zegt zelf dat zijn verworven talenkennis de reden was van zijn overplaatsing naar de Sipo/SD Antwerpen: ‘Op 10 september 1943 werd ik afgedeeld naar Antwerpen om er wegens mijn kennis van de talen als tolk te fungeren’ (Verhoor 1949: 2). Gezien zijn opleiding in Brussel mogen we aannemen dat Van de Veldes kennis van het Duits in ieder geval voor de Sipo/SD goed genoeg was. Er zijn echter geen documenten of getuigenissen teruggevonden waaruit het niveau van zijn taalbeheersing – of beheersing van het tolkvak – blijkt.

Behalve verhoren voerde Van de Velde ook externe politietaken uit zoals aanhoudingen. Zo hielp hij bij de aanhouding van verzetsman Oscar Stroobants en tolkte hij bij het verhoor afgenomen door Ferdinand Frankenstein, hoofd van de Antwerpse afdeling IV D verzetsbestrijding: ‘Ik heb moeten opstaan en ze hebben mij dan aanhoord in een cel voor krankzinnige [sic] van het hospitaal. Van de Velde diende als vertaler’ (Stroobants Verhoor 1948: 2). Een andere tolk, Schuermans van afdeling IV D2, beschrijft Van de Velde als ‘een echt krapuul, zeer brutaal tegenover de gevangenen’ (Verhoor 1944: 31). Getuigen bevestigen die uitspraak:

Op het bureel van Pitz ben ik geslagen geworden […] met een soort stok die knobbels vertoonde en waar rond een ijzeren draad was gevlochten. Deze slagen werden toegediend op het zitvlak door Van de Velde Willy, […] Ik kan aanstippen dat de slagen minstens 20 geweest zijn en dat ze hevig werden toegediend, in zoverre dat de Duitse dokter der gevangenis het zitvlak gans met zalf heeft ingestreken. (Peeters Verhoor 1948: 2)

Van de Veldes gewelddadige optreden was geen uitzondering onder de tolken. Zij moesten vaak deelnemen aan acties buitenshuis, bijvoorbeeld bij arrestaties. De overgrote meerderheid van de tolken bij de Sipo/SD maakte zich dan ook veelvuldig schuldig aan het slaan en verwonden van arrestanten.

De intellectueel
Willem Lauwaert (1914) is dan weer een typisch voorbeeld van de hoogopgeleide, nationaalsocialistisch gezinde Vlaming. Al in zijn jeugd werd hij beïnvloed door Vlaams-nationalistisch gedachtegoed (Gobyn 2002). Toen hij in 1933 met zijn studie Geneeskunde begon, sloot hij zich aan bij het Verbond van Dietse Nationaal Solidaristen (Verdinaso), een vooroorlogse Vlaamse organisatie met fascistische en nationaalsocialistische ideeën. Voor deze beweging was hij zeer actief en vanaf 1936 had hij zelfs een leidinggevende functie bij de jongerenafdeling, het Jongdinaso. Vanaf 1935 studeerde hij Germaanse filologie en reisde hij meermaals naar Duitsland. In een brief aan een Duitse vriend uit Lauwaert zijn sympathieën voor Hitler:

Meine Kenntnismachung mit das neue Deutschland, mit die H.J. [Hitlerjugend] (S.D) und Jungvolk wird bei mir einen bleibenden Eindruck nachlassen; mit solchen Hauptkerle macht A. Hitler Deutschland frei von alle Unterdrückung, sowohl von Judische wie Französische! […] Also geht bei uns die große campagne und Hetzerei gegen das neue Deutschland. Aber Du wirst nicht vergessen, dasz auch in Flandern ein neue Jugend-Jongdinaso aufgestanden ist […]. (Brief 1934: 1)

Uit deze en andere brieven blijkt overigens dat Lauwaerts beheersing van het Duits niet perfect was: er zitten nogal wat grammaticale fouten en interferenties met het Nederlands in. Dergelijke fouten kwamen waarschijnlijk ook voor bij laagopgeleide tolken als Van de Velde, maar in de archiefstukken is daarover weinig terug te vinden. Wel ging het niveau van Lauwaerts Duits er in de loop van de jaren op vooruit. Uiteindelijk stapte hij over naar de Nationaalsocialistische Vlaamse Arbeiderspartij (NSVAP), een overkoepelende partij voor verenigingen die Grootduits en nationaalsocialistisch gedachtegoed aanhingen (De Wever 1994). Verdinasoleider Joris Van Severen had van de aanvankelijk anti-Belgische organisatie veeleer een Belgisch-patriottisch beweging gemaakt (Gobyn 2002). Heel wat radicale Vlamingen maakten daarop de overstap naar de NSVAP. Bovendien was Lauwaert lid van de Vlaams-Duitse Arbeidsgemeenschap of DeVlag (zie afbeelding). Dit was aanvankelijk een intellectuele beweging die de banden tussen Duitsland en Vlaanderen wilde versterken (De Wilde 2008), maar groeide tijdens de bezetting uit tot een politiek-getinte organisatie die voorstander was van opneming in het Duitse Rijk. Met zijn sympathieën stond Lauwaert zeker niet alleen tussen de Vlaamse tolken, die bijna allemaal lid waren van collaborerende organisaties. Wat Lauwaert interessant maakt, is dat hij al vóór de bezetting voor de Duitsers actief was. Tussen 1938 en 1939 reisde hij als spion bij de Abwehr, de Duitse militaire veiligheids- en inlichtingendienst, meermaals naar Duitsland, waar hij opdracht kreeg om bijvoorbeeld verdachte verzetsmensen en -locaties in Vlaanderen op te sporen en informatie daarover door te spelen (Gobyn 2002).

Tijdens de bezetting werd Lauwaert, net als veel andere tolken, ook lid van de Deutsche Akademie. Deze private instelling was in 1925 opgericht om het Duitse intellectuele leven te koesteren en om Duits te promoten buiten Duitsland (Lehmann & Oexle 2004). De Akademie was als het ware de voorloper van het huidige Goethe-Institut. Vanaf 15 november 1941 drukte Hitler er zijn nationaalsocialistische stempel op. De Akademie was actief in verschillende bezette landen en had Belgische vestigingen in Brussel, Antwerpen en Luik. Daar werd hoofdzakelijk de Duitse taal onderwezen, maar met een duidelijke agenda: ‘Spracharbeit wurde dabei nicht nur als Sprachunterricht im engeren Sinne verstanden. Vielmehr handelte es sich hier […] um deutsche Sprachenpolitik, um eine kulturpolitische Aktivität’ (Lehmann & Oexle 2004: 104). De docenten die er lesgaven moesten het nationaalsocialisme welgezind zijn, want er werd tijdens de lessen vaak propagandamateriaal gebruikt (Lehmann & Oexle 2004). Lauwaert had al een gedegen – zij het dus niet perfecte – kennis van het Duits door zijn opleiding Germaanse filologie en zijn lidmaatschap van Duitstalige organisaties.

In januari 1941 ging Lauwaert in dienst bij de Duitse veiligheidsdienst (Sipo/SD) in Gent. Hij zat vooral bij afdeling III, die ‘als taak [had] de algemene stemming van de bevolking in het oog te houden en informatie te verzamelen over alle belangrijke aspecten van de Vlaamse samenleving’ (Gobyn 2002: 45). Zijn takenpakket was zeer uitgebreid: de afdeling hield zich zowel met het politieke en culturele als met het economische leven bezig en moest bovendien de publieke opinie peilen. Daartoe vertaalde Lauwaert verslagen over Nieuwe Ordebewegingen en over het culturele leven in Oost- en West-Vlaanderen, en dan vooral ‘film, schouwburg, pers, concerten’ (Verhoor 1946: 2). Daarnaast vertaalde hij artikelen uit dag- en weekbladen en rapporten van de burgemeester van Oudenaarde (Verhoor 1946). Hij beweert zelf dat hij nooit rapporten heeft moeten opstellen, maar in zijn dossier zijn zogenaamde Stimmungsberichte van zijn hand gevonden, met bijvoorbeeld verslagen van culturele evenementen waaruit moest blijken hoe de bezoekers zich verhielden tot de bezettingsmacht. Lauwaert kan dus gezien worden als een soort informant die de houding en overtuigingen van de Vlaamse bevolking moest doorbrieven aan de bezetter.

Lauwaerts taak als vertaler en tolk beperkte zich niet tot het culturele domein, hij was ook betrokken bij politie-acties. In een verhoor na de oorlog stelde hij: ‘Ik heb nooit onderhoren [verhoren; sd] van aangehouden personen bijgewoond’ (1946: 2). Dat kan niet met de waarheid stroken, want het dossier bevat een getuigenis van een opgepakt lid van weerstandsgroepering Het Legioen:

Een onderofficier der Feldgendarmerie was er pas met ondervragen begonnen, toen een persoon binnentrad, er den Hitlergroet bracht […] en verder in de Duitsche taal sprak. Hij sprak deze taal zo vloeiend dat ik dacht met een Duitser te doen te hebben. Hij zette zich nevens den Duitser en nam deel aan de ondervraging.[…] Dien persoon, waarvan ik later vernam, na vele moeite, dat het een zekere Lauwaert Wim was […]. (Pernot Verhoor 1945: 1–2)

Lauwaert heeft dus wel degelijk ondervragingen uitgevoerd, waarbij hij niet schriftelijk vertaalde, maar tolkte. Uit het archiefmateriaal blijkt dat zijn houding in een dergelijke oorlogssituatie wel professioneler was dan van bijvoorbeeld Van de Velde: hij beperkte zich tot het tolken van de verhoren, zonder zelf actief deel te nemen of geweld te gebruiken.

De spion
Zoals uit bovenstaande voorbeelden blijkt, waren de meeste Vlamingen die voor de Duitsers tolkten in meerdere of mindere mate nationaalsocialistisch gezind. Er waren ook uitzonderingen.

Albert Delbarge (1916) woonde en werkte in het West-Vlaamse Wervik en zou getolkt hebben voor het Duitsgezinde stadsbestuur. In kleinere gemeentes was het minder makkelijk voor de Duitsers om Nieuwe Orde-aanhangers met voldoende talenkennis te vinden dan in de grote steden. Delbarge sympathiseerde niet met de bezetter en was geen lid van collaborerende organisaties; als tolk was hij niet zomaar een pion in het spel van de Duitse machthebbers. Integendeel, hij was een spion die vele inwoners hielp ontsnappen uit handen van de bezetter. Tegen hem is na de oorlog dan ook geen gerechtelijk onderzoek gevoerd; zijn biografie is te reconstrueren op basis van van archiefstukken van de gemeente en van getuigenissen van zijn zoon en zijn oud-collega Bernard Delvoye.

Delbarge vervulde zijn dienstplicht in het Belgische leger tijdens de Achttiendaagse Veldtocht (10 – 28 mei 1940), toen België de opmars van de Duitse troepen probeerde tegen te houden. Hij kreeg daar achteraf ook erkenning voor; hij kreeg bijvoorbeeld een heldhaftige rol toegeschreven door Félicien Rousseaux, die in Ma Deuxième Guerre (1941) zijn herinneringen aan het Albertkanaal neerschreef. Hoewel hij geen tolkopleiding had gevolgd, was hij de meest geschikte kandidaat om in Wervik als tussenpersoon te fungeren tussen de bezetter en de Duitsgezinde burgemeester. Hij was namelijk als onderwijzer opgeleid en had als keuzevakken ook Duits en Engels gevolgd. Delbarge had verschillende taken op het stadhuis. Volgens Delvoye (2016) tolkte Delbarge wanneer mensen naar het stadhuis kwamen. Vermoedelijk tolkte hij dan vooral Nederlands-Duits. Ook tijdens de inkwartieringen, waarbij de Duitse overheid woonruimtes opeiste om haar soldaten en officieren onder te brengen, hielp hij de communicatie tot stand brengen (Stedelijke Oudheidkundige Commissie [St.O.C] 2009). Hij begeleidde Duitse militairen naar een woning en moest de eigenaars meedelen dat er Duitsers ondergebracht zouden worden.

Op 6 oktober 1942 vaardigde de Militärverwaltung een verordening uit, die ‘mannen tussen 18 en 50 jaar’ en ‘ongehuwde vrouwen tussen 21 en 35 jaar’ verplichtte om in Duitsland te gaan werken (Jacquemyns 1984: 97). Ook Wervik bleef niet gespaard. De fabrieken die stillagen sinds de Duitse inval, kwamen niet opnieuw op gang (St.O.C. 1994). Delvoye (2016) stelt dat Delbarge verantwoordelijk was voor de ‘opeisingen’ van werklozen. Hij wist ook wie geen gehoor had gegeven aan de oproep en dus door de Feldgendarmerie of de Gestapo gezocht werd. Wat de bezetter niet wist, was dat Delbarge zelf lid was van het Geheim Leger, de grootste beweging binnen de gewapende weerstand in België. Zo kon hij cruciale informatie doorspelen aan mensen die opgepakt zouden worden.

Delbarge benutte, zo blijkt uit de getuigenissen, zijn brede talenkennis in het verzet tegen de Duitse bezetters. Dankzij zijn kennis van het Engels kon hij bijvoorbeeld Engelse radio-uitzendingen beluisteren om informatie voor het Geheim Leger te verzamelen. Hij gebruikte bovendien zijn Duits om bij de stadsbestuurders inlichtingen in te winnen. Zijn Duits verbeterde nog doordat hij de communicatie tussen de stad en de bezetter verzorgde. Andere opdrachten, zoals schriftelijke vertalingen of verhoren, voerde hij niet uit. Hoe ‘neutraal’ Delbarge zich gedroeg bij het tolken, is moeilijk uit te maken, maar onpartijdig kun je hem moeilijk noemen, aangezien hij informatie die hij tijdens gesprekken tussen de burgemeester en de bezetter vergaarde, doorspeelde aan derden. Als verzetsstrijder was hij dus informant op het stadhuis. Met de nodige diplomatie en gewiekstheid slaagde hij er vermoedelijk in de achterdocht van de bezetter weg te nemen.

‘De’ tolk tijdens de bezetting
De hier geschetste profielen van ‘oorlogstolken’ maken duidelijk dat in situaties van ongelijke machtsrelaties neutraliteit zo goed als onmogelijk is. De context is cruciaal om de rol van de tolk in te schatten. Sommige tolken konden zich mogelijk tot een enigszins neutrale bemiddelaarsrol beperken, maar veel vaker waren ze ook informanten voor een van de partijen in het conflict. Over het algemeen zijn het de machthebbers – of in oorlogstermen: de bezetters – die de regels vastleggen voor de tolken die bij hen in dienst zijn. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog konden tolken niet autonoom beslissen welke informatie ze mochten of konden overbrengen. Tijdens de bezetting van België bleek bovendien dat tolken heel wat meer taken uitvoerden dan gewoon tolken; ze waren op z’n minst informant, maar soms ook actief medeplichtig aan gewelddadige acties.

Daarnaast moeten we er rekening mee houden dat er in de beschreven periode geen tolkopleiding in België (of elders) bestond, zodat de tolken die toen actief waren noch een aangepaste taaltraining, noch een besef van beroepsplichten hadden gekregen. Pas vanaf 1950 kregen ze uitgebreid les over notitietechniek, consecutief, simultaan tolken en de ethiek van het tolken. Vandaag de dag worden er door instellingen zoals de AIIC initiatieven ontwikkeld speciaal voor tolken in conflictgebieden om hen op een zo ethisch mogelijke manier met neutraliteit te laten omgaan, hoe moeilijk dat in het veld ook is. Het mag duidelijk zijn dat machtsverhoudingen de bewegingsvrijheid van de tolk altijd zullen beïnvloeden – en in een oorlog, of in een sterk geïdeologiseerde context zal een ethisch principe als ‘neutraliteit’ altijd onder druk staan.

 

Bibliografie

Archieven
Auditoraat-Generaal. Dossier Lauwaert Willem. N° 136/47/G; 4/8.

Brief Lauwaert, 21/08/1934

PV Verhoor Pernot Willy, 11/12/1945

PV Verhoor Lauwaert Willem, 25/10/1946

Auditoraat-Generaal. Dossier Pitz, Von Hören, Van Thielen. 30/03/1950; 1/3

PV Verhoor Peeters Walter, 29/09/1948

Auditoraat-Generaal. Dossier Schuermans, Dirckx, Backx. N° 851.

PV Verhoor Schuermans Jan, 20/10/1944

Auditoraat-Generaal. Dossier Van Laere Firmin. N° 136/47/G; 7/8.

PV Verhoor Klebeck Hans, 13/09/1946

Auditoraat-Generaal. Dossier Van de Velde Willy. N° 33.

PV Verhoor Stroobants Oscar, 02/05/1948

PV Verhoor Van de Velde Willy, 04/06/1948

PV Verhoor Van de Velde Willy, 02/04/1949
 

Literatuur
Baigorri-Jalón, Jésus. 2011. ‘Wars, languages and the role(s) of interpreters’, in: idem, Les liaisons dangereuses: langues, traduction, interprétation. Beirut: Université Saint Joseph, p. 173–204.

Baker, Mona. 2013. Ethics in the Translation and Interpreting Curriculum. Surveying and Rethinking the Pedagogical Landscape. [Geraadpleegd via http://www.monabaker.org/?p=660.]

De Wever, Bruno. 1994. Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933–1945. Tielt: Lannoo. [Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.]

De Wilde, M. 2008. België in de Tweede Wereldoorlog. Deel 3: De Nieuwe Orde. Kapellen: Pelckmans. [Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.]

Degeest, Sien. 2016. ‘Taalman’ in oorlogstijd. Vlaamse tolken tijdens de bezetting van België (1940–1944) [ongepubliceerde masterproef]. Katholieke Universiteit Leuven, België.

Gobyn, Winne. 2002. De Sicherheitspolizei und Sicherheitsdienst. Een case-studie van de Gentse Aussenstelle (1940–1945) [ongepubliceerde masterproef]. Universiteit Gent, België.

Jacquemyns, Herman. 1984. België in de Tweede Wereldoorlog. Deel 2. Een bezet land. Kapellen: Pelckmans. [Geraadpleegd via http://www.dbnl.org.]

Kujamäki, Pekka. 2014. ‘Im Dienst des Reiches im Hohen Norden. Wehrmachtsdolmetscher im besetzten Norwegen und beim Armeekommando 20 Finnland’, in: Dörte Andres, Julia Richter & Larisa Schippel (eds.), Translation und ‘Drittes Reich’. Menschen – Entscheidungen – Folgen. Berlin: Frank & Timme, p. 51–63.

Lehmann, Hartmut. & Otto G. Oexle (eds.). 2004. Nationalsozialismus in den Kultur­wissen­schaften. [Geraadpleegd via http://www.google.be/books.]

Pöchhacker, Franz. 2004. Introducing Interpreting Studies. London: Routledge.

Rousseaux, F. 1941. Ma deuxième Guerre. Bruxelles: Les éditions de Belgique.

Schlesinger, Miriam. 2001. ‘Shared ground in interpreting studies too’, International Journal of Translation Studies, 13:1, p. 165–168.

Schmidt, Paul. 1949. Statist auf diplomatischer Bühne 1923–45: Erlebnisse des Chefdolmetschers im Auswärtige Amt mit den Staatsmännern Europas. Bonn: Athenaum.

Stedelijke Oudheidkundige Commissie Wervik. 1994. Jaarboek 1994, p. 108–109.

Stedelijke Oudheidkundige Commissie Wervik. 2009. Jaarboek 2009, p. 156–157.

Van Eetvelde, Robby. 2009. ‘De weg van Vlaamse ‘daders’ naar de Gestapo. De tolken van de Antwerpse Sipo-SD’, Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden (BMGN Low Countries Historical Review), 124:3, p. 349–368. [DOI: 10.18352/bmgn-lchr.7010.]

Lees meer over: