‘Het mooiste vak van het heelal’    52-59

De verrassende loopbaan van selfmade vertaler C.A.G. van den Broek

Anton Wesselingh

‘Rondwandelen en tegen steentjes schoppen en zo.’


Op 17 april 2014 overleed de Colombiaanse schrijver Gabriel García Márquez, 87 jaar oud. In 1982 ontving hij de Nobelprijs voor de Literatuur voor zijn hele oeuvre, waarvan het grootste deel in het Nederlands is vertaald. Zijn bekendste werk is het epos Cien años de soledad uit 1967, in Nederland uitgebracht onder de titel Honderd jaar eenzaamheid in 1972. De vertaler kreeg in 1974 de Martinus Nijhoffprijs voor zijn gehele vertaaloeuvre,1 in het bijzonder voor Honderd jaar eenzaamheid. Het was Theo Sontrop, destijds hoofdredacteur bij uitgeverij Meulenhoff, die rond 1970 de Zuid-Amerikaanse literatuur in Nederland introduceerde.

Na Márquez’ dood was er in de hele wereld veel aandacht voor zijn leven en werk. Ook in de Nederlandse media, waarbij opnieuw Honderd jaar eenzaamheid werd geprezen, niet in de laatste plaats vanwege de briljante vertaling.2 Het boek is op dit moment toe aan de 72ste druk en de vertaling heeft haar frisheid nog altijd behouden. Hoe vaak wordt niet de openingszin van het magistrale werk geciteerd: ‘Vele jaren later, staande voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendía denken aan die lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs’? Velen hebben het ruim 400 bladzijden dikke meesterwerk met veel genoegen gelezen en herlezen.3

Wie was de vertaler, die vrijwel nooit in de publiciteit trad? Hoe kwam hij ertoe vertaler te worden en hoe beleefde hij zijn vertalerschap? Hoe zag zijn dagelijks leven eruit? Wat waren zijn ideeën over het vertalen? Vijfentwintig jaar na zijn dood wil ik in dit artikel een niet alledaagse vertaler wat meer op de voorgrond plaatsen.

In de ongeveer 135 boeken die hij vertaalde wordt hij steeds vermeld als C.A.G. van den Broek. De voornaam die achter deze initialen schuilgaat: Kees. Hij werd geboren in Zoetermeer op 30 januari 1935 als Cornelis Andries Gerardus van den Broek, de jongste zoon in een eenvoudig milieu. Zijn vader was als boekhouder procuratiehouder bij een klein bedrijf in Zoetermeer, zijn moeder huisvrouw. Het gezin woonde in de Dorpsstraat, met lage huisjes in de oude kern van het vroeger agrarische dorp, inmiddels omgeven door hoogbouw met veel beton en glas. ‘Ons dorp van zelfrijzend beton,’ zoals Van den Broek op 7 augustus 1973 zijn woonplaats beschreef. De lagere school volgde hij in Zoetermeer en daarna de mulo in het naburige Pijnacker. Omdat de leraren van de mulo kennelijk iets zagen in de bescheiden en wat stille jongen, kreeg hij bijles van twee docenten klassieke talen die verbonden waren aan het Haagse Aloysius College: dr. B.L. Meulenbroek voor Grieks en dr. Th.J.W. Nicolaas voor Latijn. Meulenbroek zou altijd bevriend blijven met een aantal van zijn oud-leerlingen, die regelmatig bij hem thuis bijeenkwamen. Onder hen bevond zich Kees van den Broek.

Op een van de eerste dagen van het nieuwe schooljaar 1950 sloop zo onopvallend mogelijk – hij was te laat – een nieuwe leerling klas 3c van het Aloysius binnen en nam plaats op de achterste bank, schuin achter mij. We zouden elkaar tot het eindexamen gymnasium alfa in de zomer van 1954 niet uit het oog verliezen. Bij hem thuis in Zoetermeer trof ik als schoolvriend het gezin rond de tafel van de kleine woonkamer, zijn vader meestal in een klassieke rookstoel met ernaast een metalen asbak met draaiende opvangbak op een hoge voet die tot aan de stoelleuning reikte. Aan de muur een kruisbeeld en een aquarel, gezicht op de haven van Rotterdam bij zonsondergang, in elk geval met veel rood. Ik meen me ook een prent van de Goede Herder met zijn schapen te herinneren. Een lieve, hartelijke moeder. In het schuurtje achter het huis woonde ‘Ome Jan’, die tegen etenstijd naar binnen slofte en verder aan de conversatie niet deelnam. De broers van Van den Broek en zijn twee zussen waren het meest aan het woord.

In 1954 ging Kees in Leiden sociologie studeren en werkte hij daarnaast als administratief medewerker bij enkele firma’s in Zoetermeer om de schamele studiebeurs aan te vullen. Van die studie kwam weinig terecht, zelfs voor het propedeutisch examen heeft hij zich niet opgegeven. Hij moest weer aan het werk bij de gebroeders Noordam, in zuivel, of de firma Verhoef, in granen, veevoeders en kunstmest. Zo trof ik hem aan toen ik zelf in 1956 na mijn militaire dienst aan de studie sociologie begon in Leiden. Daar maakte ik hem een jaar of vier mee, in wisselende stemmingen. Meestal vol humor, altijd bezig met taalvondsten en -grappen, soms cynisch, over sociale wetenschappen en over politiek. Hij toonde belangstelling voor poëzie en toneel (hij speelde op het gymnasium tweemaal de rol van de blinde ziener Teiresias in de klassieke drama’s van Sophocles en Euripides onder de regie van Meulenbroek). Maar ook was hij voortdurend op zoek naar een eigen identiteit. 

Deze jaren waren voor de intelligente Van den Broek niet de ‘années glorieuses’ die hij zich misschien had voorgesteld: de universitaire studie ging de mist in en hij keerde zich af van de universiteit en de studentenwereld wegens diepe teleurstelling. Daar kwamen geldgebrek en andere, meer persoonlijke moeilijkheden nog bij, zoals de worsteling met zijn homoseksualiteit. Zelf noemt hij dat alles in een brief van 4 februari 1963 ‘mijn capitulatie voor de omstandigheden’. Zoetermeer kwam hij tussen 1960 en 1970 nauwelijks uit, behalve voor bezoek aan een uitgeverij, aan familie en aan de ‘kring Meulenbroek’ in diens woonplaats Voorburg. 

Geldgebrek zal voor hem ook een beweegreden zijn geweest toen hij in mei 1962 elf uitgeverijen zijn diensten aanbood, waarop alleen De Arbeiderspers positief reageerde met een vertaalopdracht. Zijn eerste vertaling verscheen begin 1963 in druk: Pamela Branch’ Met moord meer mans in de ‘bloedspatreeks’ van De Arbeiderspers.4 Met dat boek zag ik hem bezig als ik hem bezocht in Zoetermeer, waar hij tot diep in de nacht aan het werk was en het gerammel van de oude kofferschrijfmachine door het stille huis klonk. Hij vertaalde in die tijd alles wat op zijn weg kwam, uit het Engels, Duits en Frans, over dokters en verpleegsters (grijnzend: ‘Ik hou mij bezig met Zuster Anna van zaal 7 en met een chirurg in tweestrijd’), heiligenlevens, seksuele voorlichting en wat niet al. Een keer vertrouwde hij mij toe dat hij een slechte detective aan het vertalen was en een van de bijfiguren had weggelaten, waarmee volgens hem het verhaal een stuk beter was geworden. Later kwam hij terecht bij Het Spectrum, waar hij weer vertrok na onenigheid over veranderingen die zonder overleg in zijn vertalingen werden aangebracht. Daar kon hij, perfectionist, absoluut niet tegen. Maar het laatste boek dat hij daar vertaalde werd opgemerkt door Bruna, waarvoor hij vervolgens vele sf-titels vertaalde en wat ander werk, en waar hij werd gewaardeerd.

Tussen 1964 en 1973 hadden wij weinig contact. Enerzijds omdat hij zich opsloot in Zoetermeer met veel zorgen voor zijn (zieke) ouders, broers en zussen, anderzijds omdat ik het druk had met mijn werk in Leiden en Amsterdam. Nadat ik in 1973 in Nijmegen ging werken, kwam onze briefwisseling weer op gang.5 Van den Broek was toen als vertaler al aan een nieuwe en succesvolle periode begonnen.

Hoe dat precies zo gekomen is, is niet helemaal duidelijk. Zeker is wel dat hij na een motorongeluk in 1962 van hersenletsel moet herstellen. Met dezelfde motor rijdt hij in het late najaar van het jaar daarop over de Pyreneeën naar Zuid-Spanje en strijkt hij neer in Almería om er vervolgens wekenlang in een onverwarmd pension te verblijven. Daar moet het zijn begonnen: zijn enthousiasme voor de hartelijkheid van de bevolking, vooral van gewone Spanjaarden, straatventers, huisvrouwen, pensionhoudsters, schoenpoetsers, lotenverkopers, obers, arbeiders van allerlei aard en slag. Hun trots, hun muziek, hun traditionele dansen, het geklap van de hakken, hij raakt er niet over uitgepraat. Hij dompelt zich helemaal onder in de dagelijkse parade op het centrale plein van de stad en bezoekt talloze cafés en bars voor de koppige Spaanse wijn en de tapas. Dat doet hij in later jaren overal in Spanje: in Salamanca, Burgos, Segovia, Córdoba, Mérida enzovoort. Nog veel later, op 11 november 1986 vanuit Cáceres, schrijft hij: ‘Weet dat ik in Cáceres opnieuw heb mogen aanschouwen, met een brok in de keel, hoe de jeugd op het hoogtepunt van de weekend-sfeer in El Miajón de rockmuziek vergat en de SEVILLANA begon te dansen, al werd er niet met de hakken geklapt vanwege die sluipgympies die ze allemaal dragen. Het gebeurt dus echt nog, dat dansen, voor de lol en niet voor de toerist. God, wat mooi waren ze weer!’ Het heeft iets merkwaardigs, deze passie voor de extraverte, uitbundige Spaanse cultuur van een zo door en door Nederlandse gewone, bescheiden man, zonder imponerend postuur en met een weinig overtuigende presentatie, zelfs wat ineengedoken, vaak verkouden en lijdend onder griepaanvallen. Hij moet daar kwaliteiten in mensen hebben gezien die hij zelf niet bezat, maar zeer waardeerde. Belangrijk voor zijn toekomst was dat hij hier Spaans leerde, niet aan een academie maar op straat, in de etablissementen die hij bezocht en door de gesprekken die hij voerde. En hij las de kranten. Van den Broek was als vertaler grotendeels autodidact, een omstandigheid die veel vertalers van die generatie vertrouwd moet zijn omdat een opleiding tot vertaler destijds niet bestond. 

Zijn eerste reis naar Spanje – nog onder Franco – heeft een enorme invloed op zijn leven als homoseksueel en zorgt voor een belangrijke wending in zijn bestaan als vertaler. Hij zal na deze tocht vrijwel elk jaar terugkeren naar dat land en zijn hartelijke bevolking. Terug in Nederland staat zijn besluit vast: hij wil – voor een deel zeker uit overwegingen van het aanboren van een markt – zo veel mogelijk naar Spanje en vertalen uit het Spaans. Ik weet dat hij in Nederland een schriftelijke cursus Spaans volgde en Spaanse kranten en boeken las. Maar dat is niet voldoende. Opnieuw schrijft hij zich in aan de Leidse universiteit – in 1965 of 1966 –, nu bij de sectie Spaans van de Faculteit der Letteren, om het Spaans beter te leren beheersen. Zijn hoogleraar Spaanse taal- en letterkunde is dr. J.M. Lechner, die belangrijk zou blijken voor de verdere ontwikkeling van de vertaler Van den Broek, maar hun relatie is verre van ideaal. Lechner en hij botsen persoonlijk met elkaar, maar ook op het gebied van vertalen. In latere brieven laat hij duidelijk merken dat de hoogleraar en hij maar moeilijk door één deur kunnen.

Hoelang hij in Leiden bij Spaans blijft ingeschreven is niet bekend. Wel bekend is dat hij begin 1963 zijn kamer opzegt in de Moriaansteeg in Leiden, aan de voet van de Hooglandse Kerk, en definitief terugkeert naar het ouderlijk huis in Zoetermeer, waar hij tot zijn overlijden blijft wonen. Op een zeker moment combineert hij daar zelfs het vertalen met het beroep van ‘debitant’ van de Staatsloterij, tot zijn jongste zus het loterijkantoor van hem overneemt. Zoiets is niet bevorderlijk voor de rust die nodig is voor het vertalen, tijdgebrek speelt hem parten. Op de achtergrond van zijn ‘terugtocht’ spelen de harde klappen die het gezin Van den Broek te incasseren krijgt een belangrijke rol: zijn vader overlijdt begin oktober 1962 en in de winter van 1962/63 zijn er in de familie vier andere sterfgevallen, alle ten gevolge van kanker. De zorg voor zijn achtergebleven moeder in die koude winter (hij vergelijkt haar, zittend naast de kachel, met Kniertje uit Op hoop van zegen van Herman Heijermans) en ander ongerief drijven de overgebleven leden van het gezin Van den Broek naar elkaar toe. In een gesloten formatie en met een onuitgesproken solidariteit sluiten ze zich af van een buitenwereld die volgens hen geen oplossing kan bieden. De brief van 4 februari 1963 waarin hij mij dit zelfgekozen isolement probeert uit te leggen – ik had mijn verwondering over zijn aftocht uit Leiden uitgesproken – spreekt boekdelen: als familieman geeft Van den Broek prioriteit aan zijn dierbaren en bouwt een fort om hen heen dat derden, buitenstaanders, op het tweede plan plaatst. Dit alles in een poging te ‘overwinteren’ in afwachting van het voorjaar en betere tijden.

Het vertalen deed hij grotendeels in de avond en de nachtelijke uren. Omdat wij tussen 1963 en 1973 nauwelijks schriftelijk contact hadden, is mij niet helemaal duidelijk wat hij in deze tien jaar heeft vertaald en of daar belangwekkende titels bij waren. Afgaande op de KB-catalogus blijkt dat hij (meestal voor A.W. Bruna) vooral populairwetenschappelijk werk en Engelstalige sciencefiction vertaalde met weinig vrolijk stemmende titels als Het zaad van de ondergang, De goddeloze tuin van Eden, Heksensabbat, Eva en de drie en twintig Adams. En die boekjes over heiligenlevens en over seksuele voorlichting (‘Ik ben de huis-seksuoloog van Lannoo’). Ook een ambitieuze vertaler moet soms alles aanpakken om in leven te blijven, al vraag ik mij af of hij er in deze periode, behalve de wens om uit het Spaans te vertalen, veel ambities op nahield.

In 1969 (inmiddels geslaagd voor het tentamen ‘Vertaling modern Spaans-Nederlands’ en vergeefs op zoek naar werk als vertaler Spaans) kwam Van den Broek weer eens blut terug uit Spanje en werd hij door Erik Lankester van Bruna bij Theo Sontrop geïntroduceerd, op dat moment hoofdredacteur bij Meulenhoff. Die moet iets in deze teruggetrokken vertaler uit Zoetermeer hebben gezien. Totaal onverwacht kreeg hij van hem geen sf-boek ter vertaling aangeboden, maar meteen de roman When she was good van Philip Roth. De Nederlandse versie verschijnt in 1970 onder de titel Een braaf meisje. Het betekent de ommekeer in Van den Broeks bestaan als vertaler.

Later vertelde Van den Broek dat hij tijdens dat eerste gesprek met Sontrop niet heeft gezegd dat hij ook uit het Spaans vertaalde. Toen Sontrop de rechten van Gabriel García Márquez’ Cien años de soledad in de wacht sleepte voor zijn gestarte fonds uitgaven van Zuid-Amerikaanse literatuur,6 zocht hij een vertaler uit het Spaans. Die zullen in die tijd niet in groten getale voorhanden zijn geweest. Zeker is dat Sontrop de hoogleraar Lechner (die in datzelfde jaar een boek van Mario Vargas Llosa voor Meulenhoff vertaalde) om advies vroeg en vermoedelijk beval deze zijn begaafde student Kees van den Broek aan, bij Sontrop al bekend als vertaler Engels.7 Op 8 december 1970 stuurt Sontrop het door de uitgever al ondertekende vertaalcontract naar Zoetermeer. Van den Broek gaat aan het werk en eind 1971 levert hij het manuscript van zijn vertaling in, ruim een halfjaar na de afgesproken deadline, waarna het boek begin februari 1972 verschijnt. Theo Sontrop daarover: ‘Ik heb Kees van den Broek zo’n zes tot zeven keer ontmoet op de uitgeverij, wij hadden een goed contact. Inderdaad, hij overschreed vaak de deadline, maar dat gold ook voor August Willemsen. Van het fonds van de Zuid-Amerikanen en Portugezen waren zij de twee vertalers die vaak te laat waren. Maar daar stond tegenover dat ik voor Van den Broek eigenlijk geen eindredacteur nodig had: zijn manuscripten kon je meteen uitgeven. Vaak kende ik het werk dat hij vertaalde al, hetzij in het origineel of in vertaling in het Engels of Frans. Als ik dan de drukproeven terugstuurde naar Zoetermeer kwamen die altijd razendsnel terug met enkele correcties van fouten die waren gemaakt of waren blijven staan op de redactie, maar nooit heeft hij in die fase wijzigingen in zijn eigen manuscript aangebracht. Hij was een perfectionist, een geniaal vertaler.’8

En zo gebeurde het dat een vertaaldebuut uit het Spaans de selfmade vertaler Kees van den Broek de Martinus Nijhoffprijs opleverde. De weken tussen de aankondiging dat hij de prijs zou krijgen en de uitreiking in Den Haag op 6 februari 1974 bracht hij totaal ontregeld door. Van vertalen was geen sprake, er kwam geen verstandig woord uit zijn oude schrijfmachine. Op de vraag van Paul Beers, die hem na de bekendmaking van de prijs voor de Volkskrant interviewde, hoe hij zijn dagen doorbracht antwoordde hij: ‘Nou gewoon, eerst kalm aan gedaan om ervan los te komen, rondwandelen en tegen steentjes schoppen en zo, je weet wel.’9 Bij de uitreiking van de prijs, in de Raadzaal van de gemeente Den Haag aan de Javastraat, hield hij een fel pleidooi voor een betere honorering van vertalers in Nederland.10 Het juryrapport roemt zijn werk: ‘Voor ieder die slechts een blik in het origineel heeft geworpen, moet het duidelijk zijn dat de vertaler van Márquez over buitengewone gaven, vooral ook over een eigen grote creativiteit moet beschikken om de roman in zijn moedertaal recht te doen. [...] De jury is dan ook van mening dat hij, na tientallen andere vertalingen uit diverse talen, met Honderd jaar eenzaamheid zijn meesterproef heeft afgelegd.’11

Soortgelijke lof voor de hoge kwaliteit van deze vertaling was ook al te lezen in de recensies in de kranten en weekbladen direct na het verschijnen van de roman in 1972. 

Natuurlijk doet dit de vraag rijzen hoe het mogelijk is dat iemand zonder afgeronde studie van het Spaans tot zo’n prestatie in staat blijkt. Wat was Van den Broeks werkwijze? Zelf zegt hij hierover in het eerder vermelde interview met Beers: ‘Voor het eerst heb ik een boek helemaal met de bandrecorder vertaald. Ik wilde horen hoe het klonk, die ononderbroken verhaalstroom. Ik prepareerde eerst een alinea en sprak die in op de band. Dat deed ik meestal ’s nachts als iedereen in bed lag en ik tot een uur of vier, vijf in de morgen kon doorgaan, hardop bezig met de tekst. Daarna draaide ik zo’n alinea af en hoorde wat me niet beviel, wat stroef klonk of gekunsteld. Dat werd dan veranderd. Als een hoofdstuk eenmaal helemaal op de band stond, typte ik het uit en las het over. Maar dan bleek dat sommige dingen die op de band wel aardig klonken, op papier niet uit de verf kwamen. Logisch, dan mis je immers de intonatie, de geladenheid van een stem. Dus weer wijzigen... Tot je ten slotte al te dicht met je neus op de tekst zit en de boel maar uit handen geeft, dat wil zeggen inlevert bij de uitgever, in dit geval zeven maanden te laat.’ In dat gesprek komt ook het eeuwige vertalersdilemma ‘letterlijk’ of ‘vrijer’ ter sprake. Van den Broek: ‘Op dat punt heb ik al lang geleden mijn keus gemaakt; natuurlijk volg ik de tekst zo getrouw mogelijk maar in twijfelgevallen geeft de fraaiheid van het Nederlands voor mij altijd de doorslag. Dat lijkt me alleen maar logisch. Wie een boek in het origineel kan lezen moet dat altijd doen, want daar kan geen vertaling tegenop. Maar wie is aangewezen op een vertaling, heeft recht op een zo mooi mogelijk Nederlands geworden boek. Voor die mensen werk ik.’

Daarna gewoon weer aan het werk, dat wil zeggen met sciencefiction, met het 1500ste Zwarte Beertje voor Bruna en ook nog in 1974 Afval en dorre bladeren van García Márquez, natuurlijk voor Meulenhoff. De schoorsteen moet tenslotte blijven roken: ‘Ik haal nu echt mijn neus niet op voor een goeie sf-bundel of een goeie detective. Ik heb me nog nooit geschaamd voor mijn vertaalwerk, ook niet voor de cowboy-verhalen waarmee ik in de moeilijke jaren in leven ben gebleven,’ aldus Van den Broek in opnieuw de Volkskrant.

Hij is dan 38 jaar en heeft dus, menselijkerwijs gesproken, nog een mooie toekomst als vertaler voor de boeg. Zijn lijst van vertalingen na 1974 laat zien dat het niveau van het werk dat hij krijgt aangeboden omhoog gaat. Zo vertaalt hij voor verschillende uitgeverijen werk van de Japans-Engelse auteur Kazuo Ishiguro, van John Updike, van Alan Hollinghurst en Roald Dahl, van V.S. Naipaul, John Cheever, Elizabeth Hardwick en Julian Barnes, en vooral alle tijdens zijn leven verschenen boeken van John Irving. 

Dat ging bepaald niet vanzelf. Na de Haagse festiviteiten rondom de Nijhoffprijs krijgt hij lange tijd geen letter op papier, meldt hij in juni 1974. ‘Dat is me al meer gebeurd en toen heeft Bruna me met alleraardigste voorschotten een half jaar lang in leven gehouden. Nu volgt de Arbeiderspers dezelfde lijn. Zelfs op uitgeverijen zitten heel goede mensen met grote, begrijpende zielen.’ Hij klaagt nog enkele keren over de moeite die het hem kost om aan een nieuw te vertalen boek te beginnen. De onzekerheid, de tobberij die toeslaat: ‘Zou ik het nog wel kunnen?’ Zoals eind december 1978: ‘Met bloed, zweet, tranen en veel geëtter weer aan het vertalen. Boek van John Irving, geheten: The World according to Garp. Amerikaans, dus te dik en te omslachtig, maar ze betalen per woord dus slik ik mijn ergernis maar in. Op zichzelf is het boek namelijk wel goed. De uitgever is Agathon, gigant te Bussum, die daar weer zo’n halve straat bezit met onderling verbonden villa’s en zo.’ Of op 15 mei 1970: ‘Ik heb vandaag zes bladzijden vertaald, ook nog “a prima vista” en dat viel mee. Want nog steeds is dit het mooiste vak van de wereld, maar het is soms deksels moeilijk om te geloven dat jij dat mooiste-vak-van-het-heelal ook echt beheerst.’ En het wordt steeds moeizamer, zoals blijkt uit een brief van 13 november 1984: ‘En dan is er de gruwel van het beginnen aan een nieuw boek (alleen al dat begínnen duurt tegenwoordig máánden – zorg dus dat je nooit opvalt in je vak want daarna moet alles altijd net iets beter zijn en dat is bijna dodelijk!) Kortom, geen dagen vol gefluit en geneurie, maar weken vol twijfel en paniek.’

Dat neemt niet weg dat zijn contract met Agathon/Unieboek om alle Irvings te vertalen zekerheid biedt voor een paar jaar en dat de royalty’s van Márquez en Irving (inclusief de filmedities!) samen hem eindelijk een redelijk bestaan verschaffen en in april 1985 de aanschaf van een goede tekstverwerker en printer mogelijk maken. ‘Want ik word steeds meer een muggenzifter en blijf mijn teksten almaar bijschaven. En als je dan steeds weer bladzijden moet overtikken... Ik heb het de laatste jaren bijgehouden: voor elke 100 vel die ik inleverde, had ik er ruim zestig afgekeurd thuisliggen. En dat is nu voorbij.’12

Maar altijd is er Spanje, waar hij 9 november 1979 (en daarna vele achtereenvolgende jaren), na een jaar van griep, kou en wankele gezondheid, is aangekomen met de nieuw aangeschafte auto, een Suzuki Alto. Enthousiast schrijft hij over de Romeinse resten (theater, bruggen, tempels, aquaducten) van het stadje Mérida in Extremadura. ‘Maar het was niet alleen oud goud wat er blonk, het nieuwe goud, de gebruinde, levendige, luidruchtige, donkere, felle, besnorde, dansende, deinende, drinkende bevolking, kreeg me evenzeer te pakken. [...] Hun verbazing, en later hun met trots vermengd plezier dat ik steeds weer opdook in hun midden en steeds weer op hun vraag wanneer ik vertrok, antwoordde met zoiets als “Morgen, denk ik, of anders overmorgen of zo. Ik weet het nog niet, eigenlijk.” Ik ben er weken gebleven en heb me moeten losrukken van het Plaza España, van de tempel van Diana (die ik elke dag even gedag ging zeggen), van de Eeuwige Brug, van Bar Pacheco, van Bar San Francisco, van Bar la Universidad, van Bar Pope, van Bar Araña Negra, van Bar Briz, van Bar Quatro Caminos, van Bar los Robles, van Bar la Verdad, van Bar Cine, Bar Extremeño, Bar la Legión en van die paar gewone woonhuizen die ertussen staan.’ Hier is een ander mens aan het woord, ver van ‘Zoetermeer, groenteboer, winter, overhemdenwas, de laatste termijn van de premieheffing, crime de la crime. Uche-uche.’

In 1989 komen er drie vertalingen van hem uit, S. van John Updike, De zwembadbibliotheek van Alan Hollinghurst en de nieuwe Irving Bidden wij voor Owen Meany (vertaald samen met anderen, volgens Van den Broek is de vertaling een flop). In januari 1990 schrijft hij over lichamelijke klachten en zijn besluit voorlopig maar eens een ruime periode vrij te nemen wegens algehele vermoeidheid: ‘Kees is leeg en op.’ Op 11 februari kondigt hij medisch onderzoek aan, met de diagnose slokdarmkanker als uitkomst. In het daaropvolgende voorjaar heb ik hem in Zoetermeer bezocht en spraken wij uitgebreid over allerlei zaken en vooral over de boeken van F.B. Hotz die we beiden zeer bewonderden.

Op een congres in het buitenland in de zomer van dat jaar hoorde ik dat hij er zeer slecht aan toe was en was opgenomen in een ziekenhuis in Leidschendam. Toen ik van Schiphol per taxi het ziekenhuis bereikte, lag hij aan de beademingsapparatuur en was een afscheid in gesproken woorden onmogelijk. ’s Avonds thuis ging de telefoon en meldde zijn zus het overlijden. 14 juli 1990, niks ‘jour de fête’. Tijdens de sobere herdenking voorafgaand aan de crematie lagen daar zijn vertaalde boeken, als stille getuigen van het solitaire leven van een begenadigd vertaler. 

 

Noten
Tenzij anders vermeld, zijn de citaten van Kees van den Broek afkomstig uit brieven aan mij.
1 Een overzicht van door Kees van den Broek vertaalde werken is te vinden in Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/C.A.G._van_den_Broek_%28vertaler%29
2 Zo bijvoorbeeld een profetische Cees Buddingh’ in zijn Dagboeknotities 1967–1972: ‘17 december 1970. Ook gekregen, gisteren van Theo [Sontrop, aw], een exemplaar van Gabriel García Márquez’ Cien años de soledad dat – in de Engelse vertaling – in de V.S. furore schijnt te maken en ook bij Meulenhoff in het Nederlands verschijnt. Theo las er een paar stukjes uit voor – ik ben vergeten hoe de vertaler heette, maar hij lijkt mij nu al een kandidaat voor de Nijhoffprijs. Bijzonder goed.’ Theo Sontrop zelf, in een brief van 23 december 1970 aan Van den Broek na ontvangst van het eerste hoofdstuk in vertaling: ‘Ik vind uw vertaling [...] meer dan voortreffelijk. Na zo’n indrukwekkend begin van een boek kan het niet anders of iedereen zal geboeid verder lezen. Het Nederlands is soepel en mooi van woordkeuze en ruikt nergens naar het Spaans. Kortom, de vertaling wordt met optimaal vertrouwen tegemoet gezien.’
3 Kees Fens, ‘Vijftien jaar’, de Volkskrant, 1-4-1995; Arjen Fortuin, ‘Wereldster “Gabo” was de Nelson Mandela van de literatuur’, NRC-Handelsblad, 18-4-2014; Maarten Steenmeijer, ‘Een goede vertaler is geen buikspreekpop’, de Volkskrant, 7-2-2015.
4 Dat leverde hem later een plaats op in het team van vertalers van een nieuwe reeks van De Arbeiderspers, de crime-de-la-crime-reeks, samen met J. Bernlef, Cees Buddingh’, Dolf Koning en Else Hoog. 
5 Van den Broek beheerde een paar jaar aan huis een loterijkantoor van de Staatsloterij, later overgenomen door zijn zus. Door een permanent abonnement te nemen op een aantal loten kreeg ik maandelijks bericht van hem over het geluk dat de loten mij bezorgden. Niks geluk overigens. Maar de correspondentie bleef ermee op gang, vaak in de vorm van een kaartje, soms via een uitgebreide brief. 
6 Niet alleen van Márquez, maar ook van de Argentijnse auteurs Julio Cortázar en Jorge Luis Borges, de Peruaan Mario Vargas Llosa en anderen werden de rechten aangekocht.
7 Telefoongesprek met Theo Sontrop, 7 september 2015. Of het inderdaad Lechner was die Van den Broek heeft aanbevolen kon Sontrop zich niet meer herinneren.
8 Idem.
9 ‘Vertaler Kees van den Broek, een metselaar met woorden’, gesprek met Kees van den Broek door Paul Beers (vriend en collega-vertaler), de Volkskrant, 2-2-1974. 
10 Zie de website www.vertaalverhaal.nl, een initiatief van de collega-vertalers en Nijhoffprijswinnaars Rien Verhoef en Hans van Pinxteren, waar de volledige tekst van het dankwoord van Kees van den Broek is gepubliceerd.
11 Zie ‘Juryrapport C.A.G. van den Broek’, in: Uitreiking van de Martinus Nijhoffprijs voor vertalingen 1974. Mededelingen van het Prins Bernhard Fonds. Amsterdam: Prins Bernhardfonds, 1974; online raadpleegbaar op www.cultuurfonds.nl/uploads/files/NederlandVertaalt/JuryrapportenMNVP/1974_Van_den_Broek_Dixon.pdf
12 Maar kennelijk gaat het hem toch niet voor de wind. Eind 1986 vraagt hij voor het eerst een werkbeurs aan bij het Fonds voor de Letteren omdat na de toekenning van de Nijhoffprijs en alle perspublicaties erna, ‘toen de rook eenmaal was opgetrokken, mijn financiële positie nog voor geen stuiver bleek te verbeteren’.

Lees meer over: