Dubbelportret met hond    41-51

Gerry Franken en John Vandenbergh

Ton Naaijkens

Wat blijft er uiteindelijk van een leven over behalve wat data? Niet veel meer dan een schema of een zogenaamde extract-persoonslijst van het Centraal Bureau voor Genealogie. Als je er desgewenst voorouders aan toevoegt kun je die lijst uitbreiden tot een kwartierstaat, maar de persoon zelf krijgt daar nauwelijks contour door. Wat je wilt zijn herinneringen of enigerlei vorm van geschiedschrijving: heel de mens dus. Gerardina Maria Franken werd geboren op 29 maart 1920 te ’s Gravenhage. Zij was een dochter van Maria Aletta Louiza – Ietje – van Wely, geboren op 30 september 1879 te Madioen (Nederlands-Indië), en van Arien Franken, geboren op 21 september 1873 te ’s Gravenhage. Zij trouwde op 25 maart 1950 te Wassenaar met Wilhelmus Johannes Coster, geboren op 14 juli 1915 te Winnipeg (Canada), maar dat huwelijk werd al snel ontbonden (Wassenaar, 14 oktober 1955). Alles wijst op goede komaf, ook het feit dat ze de eerste tien jaar van haar leven in Egypte doorbracht en daar onder de hoede was van een gouvernante. 

Gerardina Franken trad een jaar na haar scheiding op 3 november 1956 te Utrecht in het huwelijk met Jan Hendrik Willem Schlamilch, geboren te Zeist op 17 december 1906. In het enige interview met haar – in een serie over vertalers getiteld ‘In hun huid’ (Neefjes 1997) – ‘railleert [ze] met volle inzet, en als een dame’ en beweert ze ‘ergens in de jaren vijftig’ met deze Schlamilch getrouwd te zijn, maar nog wel precies te weten wanneer ze van hem scheidde (‘in 1972’ – in werkelijkheid werd het huwelijk op 2 augustus 1971 ontbonden). Ze woonde voor de helft van het jaar in Amsterdam-Zuid en voor de andere helft in Harfsen in de Achterhoek, waar ze zo nu en dan vroegere kennissen uit Wassenaar tegen het lijf liep die daar een tweede woning hadden betrokken – net als zij. Zij overleed op 24 oktober 2004 te Amsterdam, de gemeente waar zij vanaf 4 december 1956 ingeschreven stond.1 De advertentie in de krant is ondertekend door twee executeurs testamentair en vermeldt haar beroep ‘Vertaler Engels’ en haar roepnaam: Gerry. Gerry Franken is ter aarde besteld op Oud Eik en Linde in haar geboorteplaats ’s Gravenhage. Voor het overige geldt zij als grotendeels verzonken en vergeten.2

Dat zij met Schlamilch samen was, is vertaalhistorisch gezien interessant, want hij was ook vertaler, een bekende zelfs, publicerend onder het pseudoniem John Vandenbergh, iemand van wie al een beeld van betekenis bestaat. Hun huwelijk (1956–1971) beslaat vertaalhistorisch de periode dat in Nederland aandacht werd gevraagd voor het werk van James Joyce, wat resulteerde in de eerste vertaling van Ulysses, waarvoor Vandenbergh in 1970 de Martinus Nijhoff Vertaalprijs in ontvangst mocht nemen. In de aanloop naar zijn Ulysses-publicatie en erna vertaalde Gerry Franken eveneens werk van Joyce. Aangenomen mag worden dat de vertalingen voor een groot deel tot stand kwamen in Harfsen, waar de gemeenschappelijke boerderij in 1964 in opdracht van ‘J. van den Bergh’ verbouwd werd door Jan Cornelis Rietveld, de zoon van.3 Allebei vertaalden ze ook William Faulkner, maar in het genoemde interview in Vrij Nederland benadrukt Franken dat er nauwelijks samengewerkt werd ‘en dat ze buiten hem om met vertalen is begonnen’. Op het moment van het interview werkte Franken aan de vertaling van Virginia Woolfs Between the Acts, maar die is nooit verschenen.4 Als voorbeeld van eigenstandige productie noemt ze de vertaling van het cultboek Nightwood van Djuna Barnes waarmee ze in 1963 debuteerde. Vandenberghs eerste vertaling in boekvorm dateert van 1949; daarvóór, in 1947, stelde hij al wel het boek Americana samen, ‘een verzameling uitdrukkingen’. Waarom hij voor zijn publicaties een pseudoniem gebruikte is niet bekend.

*

John Vandenbergh (1906–1986) is niet bepaald wat je noemt een vergeten vertaler, vooral niet omdat hij de grootste vertaalprijs ontving die je in ons taalgebied kunt krijgen. Hij kreeg volop aandacht in de pers,5 er zijn een juryrapport en een dankwoord bij de Nijhoffprijs, waarmee voldoende eer geformuleerd is en waaruit ook iets van zijn vertaalopvattingen moge blijken. Bovendien is er beschouwend over hem geschreven.6 Dat is niet zo gek, want hij had het geluk een aantal sleutelwerken uit de Engelstalige literatuur te mogen vertalen, ik noem – naast Ulysses – On the Road van Jack Kerouac, Under the Vulcano van Malcolm Lowry en The Sound and the Fury van William Faulkner. Dan schrijf je vanzelf geschiedenis, al levert het je geen plaats op in de biografische woordenboeken. Toch doet Gerry Franken niet voor hem onder: behalve Nightwood vertaalde zij A Portrait of the Artist as a Young Man van James Joyce en Orlando van Virginia Woolf, allebei werken uit de moderne canon. Een aantal belangrijke werken uit de Engelstalige literatuur is dus vertaald door dit tweetal, dat een poos een echtpaar was. Wat hun rol in de vertaalgeschiedenis van de Lage Landen precies is moet nader bepaald worden, maar in de jaren zestig en zeventig zijn zij dominant aanwezig. Evengoed is het nodig het profiel van Vandenbergh, dat gaten vertoont, nader aan te scherpen. Zoals gezegd: John Vandenbergh was het pseudoniem van Jan Hendrik Willem Schlamilch,7 geboren op 17 december 1906 in Zeist en door zijn ouders erkend toen ze op 13 september 1907 trouwden. Schlamilch zelf trad in 1929 te Utrecht in het huwelijk met Wilhelmina Martha Augusta Prins en scheidde weer van haar in 1936; nog in hetzelfde jaar hertrouwde hij te Den Helder met Krina Maatje Hanse. In het bevolkingsregister van Alkmaar is een en ander te vinden op een aktekaart van de gemeente Den Helder, onder meer adressen aldaar en twee kinderen.8 In een door hemzelf aangeleverd biografietje in De Gids lezen we dat hij eind jaren twintig Engels studeerde in Cambridge.9 Op de aktekaart staat echter vermeld dat hij vóór 1933 directeur was van een garagebedrijf aan de Kanaalweg te Den Helder en daarna leraar M.O. Onbekend is wat hij in de oorlog deed, maar begin jaren vijftig verkeert hij in literaire kringen in Amsterdam en woont hij te Utrecht aan de Oudegracht 343, in het huis naast het pand waar de schilder Pyke Koch, de latere schrijver-diplomaat Cola Debrot en de dichter Martinus Nijhoff woonden en Awater werd geschreven. Het is van belang te zien hoe Vandenbergh zich in literaire kringen bewoog en een expert werd op het gebied van het Engels, de Engelstalige literatuur en het vertalen ervan. In zijn Amsterdamse netwerk komen we de namen tegen van niet de minsten: Bert Schierbeek, Gerard van het Reve, James Holmes en Jan Wolkers. Vanzelfsprekend ging Gerry Franken als Vandenberghs vrouw ook deel uitmaken van die kringen.

Toen Gerard van het Reve zich rond 1950 voornam om niet meer in het Nederlands te publiceren maar in het Engels, was daarbij voor Vandenbergh een belangrijke rol weggelegd. Hij leerde hem de taal, bemiddelde voor hem bij de uitgeverij New Directions van James Laughlin (zie Maas 2009: 412), en ‘vertaalde’ samen met hem een paar hoofdstukken uit een roman in wording: ‘In zijn Dagboek van een minor poet in Podium schrijft Hans van Straten in 1951: “Gerard Kornelis van het Reve werkt aan een nieuwe roman, Melancholia, die in Amerika moet worden uitgegeven. Hij schrijft het verhaal direct in het Engels. Het manuscript wordt gecorrigeerd door John Vandenbergh, die er, naar men zegt, niet meer dan 20 fouten per bladzij uithaalt.” Behalve Vandenbergh heeft ook James Holmes zich over de Engelse tekst gebogen.’10 In de biografie van Nop Maas is na te lezen hoe het misging op het moment dat Vandenbergh Reve omzichtig de oren wast: ‘Ik ben het met de opmerking van James Holmes volkomen eens wat het engels van Melancholia betreft. Het is te Engels en te klassiek in bepaalde delen. Het is echter te verwachten dat er geen al te grote stijleenheid in kan komen. Voor Nederland hindert dit natuurlijk niets, daar de lezers er hier toch geen verstand van hebben. […] Natuurlijk kun je binnen enkele jaren redelijk Engels schrijven, vergeet echter niet, dat ook een Engelse stijl erg belangrijk is. Voor jouw stijl is een klassieke Engelse precisiestijl gewenst, met uiterste spaarzaamheid van woord’ (Maas 2009: 380). Intussen had Holmes zich als nieuwe mentor bij de volksschrijver gevoegd – Reve werd verliefd op hem en doopte hem tot zijn Zwarte Prins. Reve wilde niet meer afhankelijk zijn van Vandenbergh, die hij wel aardig, ijverig en deskundig vond, maar ‘He does not understand my conception. I believe you do’ (idem: 382).

Van het Reve had Vandenbergh geïntroduceerd in de bekende salon van Coos Frielink aan de Valeriusstraat 278 in Amsterdam-Zuid. Op een door Van het Reve georganiseerde avond (op 28 maart 1951) las Vandenbergh Amerikaanse gedichten voor, Lucebert Nederlandse. Een van de gasten aldaar was Bert Schierbeek, een schrijver door wie Vandenbergh een nog steviger positie kreeg in het literaire bestel en zo binnenkwam bij uitgeverij De Bezige Bij. Vandenbergh was adviseur van uitgeverij De Driehoek (zie Naaijkens 2010 en 2010a), waar Schierbeek zijn beroemde Het boek Ik had willen plaatsen. Dat ging niet door, de Bij durfde het wel aan en publiceerde het in 1951. Toen de derde druk bij Bruna verscheen als Zwart Beertje was er een inleiding aan toegevoegd van de hand van Vandenbergh. Recensent Em. Janssen S.J. noemde daarop het boek ‘de vervaarlijke en gevaarlijke exponent van de ontredderde en ontredderende tijdsgeest (tegelijk diep hulpbehoevend)’ (Janssen 1950: 305) en drukte daarmee zijn wantrouwen jegens het enthousiasmerende voorwoord van Vandenbergh uit. Hij noemt hem ‘eigenlijk de manager van Schierbeek’, wat mag wijzen op het feit dat de vertaler een positie had verworven in het literaire wereldje en directe banden onderhield met de toenmalige avant-garde (zie ook Vandenbergh 1996).

Het is de moeite waard de ontplooiing van het netwerk na te lezen in de woorden van Bezige Bij-uitgever Wim Schouten: ‘Op De Kring leerde ik de Nederlandse vagebond Apie Prins kennen. Hij was een trouwe gast. Wanneer de bejaarde felle anti-Amerikaan mij zag begon hij onmiddellijk over Faulkner. De Bezige Bij moest As I lay dying uitgeven. Apie was een bekwame doordrammer. Kennis van de moderne wereldliteratuur was niet ons sterkste punt. Bert Schierbeek ondersteunde Apie en bracht ons in contact met John Vandenbergh. Bert kende hem omdat hij, in de tijd dat wij nog twijfelden, John als adviseur van de kleine uitgeverij De Driehoek zijn manuscript van Het boek Ik had laten lezen. Vandenbergh, die op eigen houtje, zonder uitgeversopdracht, verschillende boeken van Henry Miller had vertaald en bezig was met Joyce, stond direct achter Berts boek. Gelukkig durfde De Driehoek de uitgave niet aan. De vertalingen van Miller had hij aan Bert Bakker aangeboden, die zulke vieze boeken niet wilde uitgeven. De gecombineerde overtuigingskracht van Prins, Schierbeek en Vandenbergh was groot. Wij besloten Faulkner uit te geven zonder hoop op goede verkoop. Apie en John verzorgden de vertaling en in 1955 stond de roman onder de titel Uitvaart in Mississippi [in de vertaling van het tweetal Prins en Vandenbergh, tn] op de fondslijst. De kopers lieten het inderdaad afweten’ (zie Schouten 1988: 92). Ook hier wierp de vermenging van kringen van auteurs en literair vertalers haar vruchten af. Later zou Vandenbergh nog anderen adviseren, onder meer Jan Wolkers11 en uitgeverij Contact.12 Daarmee zijn we ver in de jaren zestig en hij is dan dus een gevestigde naam.

*

Ook Gerry Franken refereerde aan Bert Schierbeek, in een brief waaruit blijkt dat ze zich in de jaren vijftig, in ieder geval vanaf 1956, in toonaangevende Amsterdamse literaire kringen bewoog. Als ze in 1978 in een brief aan Pierre H. Dubois pleit voor een vertaling van het door Camus tot toneelstuk bewerkte Requiem to a Nun van Faulkner, bedankt ze hem voor een ‘bijzonder vleiende opdracht in Over Simenon’ en voegt daaraan toe dat afgezien van Bert Schierbeek bijna niemand haar ooit zulke lovende woorden heeft toegevoegd, ‘en wat Bert betreft heb ik wel eens zo’n idee dat hij niet mijn “mooie geest” stond te loven, maar dat kan ook komen doordat ik waarschijnlijk experimentele teksten niet zo goed begrijp’ (Gerardine Franken aan Pierre H. Dubois, brief van 16 april 1978). Aan Dubois schrijft Franken soms persoonlijker, bijvoorbeeld op 2 februari 1980, als ze even de sluier oplicht van haar eigen Werdegang: ‘Toen ik jong was, eigenlijk zo lang ik terugdenken kan, heb ik politiek correspondent of militair waarnemer willen worden (ja, en dat in het begin jaren ’30). In ’40 zou ik naar de Sorbonne gegaan zijn om politiek te studeren (die Haagse Courant was maar een kijken hoe ik het vond), maar het hoefde niet… Hitler bracht zijn universiteit bij mij thuis, te denken dat ik een tweede Geneviève Tabouis wilde worden, wat zeg ik, veel groter natuurlijk, je moet nooit zo laag grijpen –. Enfin, uiteindelijk, na veel baantjes na de oorlog ben ik op “vertalen” uitgekomen. Gelukkig een tweede keus die zover van de eerste afligt dat ik geen frustraties hoef te verwerken. Maar “de krant” was mijn eerste liefde, vandaar het weggepinkt traantje’ (Franken aan Dubois, brief van 2 februari 1980). De internationaal opererende Tabouis, een befaamde historica en journaliste (1892–1985), vooral in de jaren dertig en veertig, was blijkbaar een voorbeeld voor Franken.

De eerste vertaling van Franken (uit 1963) is die van het fameuze Nightwood van Djuna Barnes, een boek dat in 1950 in De Gids door John Vandenbergh al als ‘groots’ werd aangeduid. Van de vertaling zou in 1979 een geheel herziene druk verschijnen (ook bij De Bezige Bij), een aanwijzing hoe belangrijk de vertaling voor Franken geweest moet zijn. De vertaling werd druk besproken en niet door de minsten. Sybren Polet schreef in Het Vrije Volk van 28 september 1963: ‘Het vertalen van dit boek, met zijn barokke taal, zinsritme en beeldspraak, was […] een waagstuk waar ik in het begin niet erg in geloofde. Maar tijdens het lezen steeg mijn bewondering: dezelfde intensiteit die het oorspronkelijk werk kenmerkt, bleek hier in een even rijk Nederlands overgezet.’13 Hij noemt Nachtwoud een van de beste prozavertalingen van de laatste jaren, pleit voor een systeem van subsidiëring van vertalingen (‘zoals dat ook in Zweden gebeurt’), spreekt bovendien de hoop uit dat Gerardine Franken vaker wordt aangezocht als vertaler en levert meteen een wensenlijstje bij met daarop Virginia Woolf en Under the VulcanoUlysses en The Sound and the Fury: drie boeken die vertaald zouden worden door haar echtgenoot. Polet suggereert wel een duovertaling, wat Frankens opmerking dat ze nooit samen vertaalden en dat zij buiten Vandenbergh om aan vertalen was begonnen,14 in een bijzonder licht zet. Later zullen ook Frans Kellendonk en Jacq Vogelaar met egards over haar vertaling Nachtwoud schrijven.15

Midden jaren negentig woonde Gerry Franken met haar Shetland sheepdog Piet de ene helft van de maand in Harfsen, de andere in Amsterdam-Zuid (‘Een fietsenrek? Denk je dat de mensen in deze buurt fietsen? Ze rijden zelfs naar de bakker met hun BMW!’). Annemiek Neefjes interviewt haar voor Vrij Nederland, vooral vanwege haar en haar ‘voorliefde’, vertalingen van het werk van Virginia Woolf. ‘Woolf vertalen doe ik voor de leut. Niet om haar dichter bij me te krijgen, ik wás al dicht bij haar, anders kun je er niet eens aan beginnen, haar boeken zijn godsmoeilijk. Ik streef er in mijn vertalingen naar zo dicht mogelijk bij haar denkwezen te komen, dát is de hoofdzaak. Heb je de film Orlando gezien? Steengoed! Meestal vind ik iets steenslecht. Die filmmaker had de geest van Woolf in film gevangen’ (Neefjes 1997). Franken noemt de maanden research die ze in Woolf stopte en de noodzaak van hervertaling, ‘eigenlijk elke tien jaar’. Woolf vertalen ‘betekent in een andere wereld leven, een die niets met afwas en koffieklets te maken heeft’. Ze is duidelijk onder de indruk van Woolf, in wier huid zij graag kruipt. Maar met Joyce is dat niet het geval: ‘Hij raakt bij mij geen enkele snaar’ (idem).

*

Bij Joyce komen de twee levens samen, en ik vermoed dat dit de nodige spanningen heeft opgeleverd. In ieder geval bedankt Vandenbergh zijn vrouw expliciet als hij zijn Ulysses-vertaling ‘om tweeërlei redenen’ aan haar opdraagt, ‘ten eerste, omdat zijzelf zulk een voortreffelijk en nauwgezet Joyce-vertaalster is en, ten tweede, omdat ze de moeilijkheden, de verzuchtingen, soms de vertwijfeling, heeft moeten meemaken’ (Vandenbergh 19713: 223). 

De opmaat tot Joyce werd in 1965 bij De Bezige Bij gegeven toen Allan M’Clellands toneelstuk Bloomsdag in het Nederlands van Gerardine Franken verscheen met aantekeningen en een nawoord van John Vandenbergh.16 Het is een tijd van koortsachtige Joyce-activiteiten, ook internationaal. Het echtpaar was in ieder geval aanwezig op het eerste internationale James Joyce-symposium in Dublin, aldus Fritz Senn, een vooraanstaand kenner en vertaler in zijn boek Joycean Murmoirs (O’Neill & Senn 2007). Senn is de voorzitter van het tweede symposium (in 1969, weer in Dublin, steevast uiteraard op en rond de 16e juni), waar onder andere een sessie ‘Problems of Translation’ op de agenda staat, waaraan wordt deelgenomen door Vandenbergh en Leo Knuth, een wetenschappelijk medewerker aan de Rijksuniversiteit Utrecht, kenner van Finnegans Wake en de latere vertaler, samen met Gerardine Franken, van Joyces Portrait. Aan het derde symposium (1971 in Triëst) besteedt Adriaan van der Veen al van tevoren aandacht (in NRC Handelsblad in zijn rubriek CS Journaal)17. Joyce is duidelijk in ons taalgebied gearriveerd. Of Franken daadwerkelijk aanwezig is geweest, zoals Van der Veen aankondigt, is onbekend; de scheiding van Vandenbergh is gaande en wordt in augustus 1971 officieel.

Vandenberghs vertalingen werden zo nu en dan kritisch ontvangen, maar niettemin is hij gelauwerd. Ook Franken kreeg (samen met Knuth) in de jaren zeventig een forse aanval te verduren, van Paul Beers in een artikel waarboven deze kop prijkt: ‘Zelfportret van James Joyce bedroevend slecht vertaald’. Beers steekt zijn teleurstelling over de vertaling niet onder stoelen of banken en dist een behoorlijk aantal ‘lelijkheden’ op, waardoor Joyce volgens hem vertaald wordt ‘alsof hij een dichter van ónze generatie van 1910 was’ (Beers 1973). Twee dagen later ontving Beers een brief van Max Schuchart die hem bijviel.18 Franken en Knuth antwoordden in een ingezonden stuk in de Volkskrant (24-3-1973) waarin zij ingaan op de geopperde bezwaren. Die betreffen veelal afzonderlijke woorden terwijl de vertalers wijzen op grotere verbanden. In de brieven aan Pierre Dubois wordt duidelijk hoe gegriefd Franken moet zijn geweest. Daarvoor gebruikt zij het woord ‘wonde’, naar aanleiding van een voorval op een vertalersavond waarop Peter Verstegen haar ‘binnen de eerste twee minuten’ vertelde dat haar wijze van vertalen en geen enkele van haar vertalingen deugde, zich daarbij verlatende op Beers.19 ‘Wie zich de moeite wil geven de vertaling met de oorspronkelijke tekst te vergelijken zal merken dat er zo min mogelijk aan Joyces tekst is getrokken,’ hadden Knuth en Franken in hun aantekeningen geschreven en nader verklaard in een noot: ‘Waar dit wel het geval is, werd het bewust gedaan, bijvoorbeeld om de thematische herhaling van een woord te bewaren, of om een woordspeling, het ritme of een bepaald klankeffect te redden’ (Franken & Knuth 1972: 329). Aan de eerdere, nog maar tien jaar oude vertaling van hetzelfde boek door Max Schuchart, Het portret van de jonge kunstenaar (Joyce 1962), wordt niet gerefereerd. Overigens begint het boek bij Franken en Knuth geheel anders – gedragener, minder kinderlijk, zou ik zeggen.20

Leo Knuth was in die jaren een internationaal erkend Finnegans Wake-specialist. Roland McHugh noemt hem in The Finnegans Wake Experience een ‘leading FW-scholar’ (McHugh 1981: 60).21 In zijn boek vertelt hij verder over discussies in Amsterdam waarbij Joycekenners als Matthew Hodgart en Fritz Senn aanwezig waren. In het bijzonder wordt een sessie genoemd van april 1970 ten huize van ‘mrs. Franken’, die (soms, en ook in de index van het boek) opgevoerd wordt als Gerry Franken. Er zijn veertien mensen in haar salon aan de Sophialaan aanwezig, maar ze dragen niet allen bij aan de discussie, die door McHugh weergegeven wordt: ‘The first meeting was probably the best. About fourteen people sat comfortably in armchairs in Gerry Franken’s large front room’ (O’Neill & Senn 2007: 98). Fritz Senn vertelt in zijn Joycean Murmoirs dat hij langzaamaan betrokken raakt bij het Joycegebeuren in Nederland, kennismaakt met onder anderen De Leeuw, Rein Bloem (die de eerste Dubliners-vertaling maakte) en bevriend raakt met Gerardine Franken: ‘She was tenacious in the pursuit of details, as translators ought to be’ (idem).

Voorts waren de Joycekenners al op bezoek geweest in Utrecht, toen Vandenberghs Ulysses op 28 november 1970 in het Academiegebouw ten doop werd gehouden in aanwezigheid van ‘de televisie’. Men had elkaar ook privé ontmoet ten huize van mr. De Leeuw in Haarlem, alwaar besloten was tot intense internationale uitwisseling. Over de boekpresentatie en de paneldiscussie in het Utrechtse Academiegebouw wordt uitgebreid geschreven in Levende Talen, dat in 1970 een Joycenummer samenstelde (onder redactie van Marius Buning).22 Daarin veel Knuth, Vandenbergh, Senn, veel over de aantekeningen bij de vertalingen, die steeds bekritiseerd, aangevuld en verbeterd moesten worden (en ook werden). 

In dat Joycenummer is ook een bijdrage van Gerardine Franken te lezen, een zeldzaamheid, want zij was paratekstueel oneindig veel spaarzamer en terughoudender dan Vandenbergh. Het betreft een proeve van vertaling van Een portret van de kunstenaar als jongeman, voorzien van een minieme introductie en een tiental noten (Franken 1970). Opvallend is de inzet van een motto: ‘Et ignotas animum dimittit in artes’ (uit de Metamorphosen van Ovidius). Ze neemt het over van Joyce, die ermee op de obscure kunsten van Daedalus wijst. Daedalus wil Icarus laten vliegen, de Stephen van Joyce wil schrijven, de vertaalster wil vertalen, ‘een kunst zoals nog nooit vertoond is, nieuw in de natuur’, zoals M. d’Hane-Scheltema vertaalt.

In 1982 vraagt het tijdschrift New Found Land voor zijn rubriek ‘Vertaallaboratorium’ Gerardine Franken en anderen (Rein Bloem, Anneke Brassinga, het vertaalduo Paul Claes en Mon Nys) om een vertaling van pagina 108 van Finnegans Wake. Franken licht haar vertaling toe, voegt er veel voetnoten aan toe en een literatuurlijst, hetgeen wederom getuigt van een gedegen aanpak. Ook nu weer dankt zij Joycekenners persoonlijk, onder hen Dr. Fritz Senn. Hier is eindelijk een eerste idee te vinden van hoe Franken over vertalen dacht: ‘De volgende vertaalproeve aangevuld met een toelichting moet gezien worden als één van de mogelijke vormen van tekstverklaring van de betreffende bladzijde. Bij het vertalen zijn bepaalde klankeffecten, allusies en betekenissen verloren gegaan en, wat betreft de Armeense woorden die alleen een plaats hebben gevonden in de toelichting, zelfs een hele dimensie. Ondanks de exegese en de zekere “vindingrijkheid”, bij experimenteel vertalen vereist, ziet de vertaler zich in Finnegans Wake telkens weer tegenover schier onoplosbare problemen geplaatst. Hoe frustrerend dit ook zijn moge, het zal hem in ieder geval ervoor behoeden na enkele goede “vondsten” in een stemming van zelfoverschatting uit het oog te verliezen dat Finnegans Wake in wezen onvertaalbaar is’ (Franken 1982: 45). Anneke Brassinga doet het geheel anders en heeft geprobeerd ‘dit stukje tekst in zichzelf te vertalen, of in wat door mijn hoofd wemelde na langdurig lezen in Finnegans Wake. Van mijn Nederlands was toen niet veel meer over dan flarden als “sigilposted in our brievingsbust”. Aangezien mijn woordwellust het wint van de lust me te verantwoorden over mijn schamele kennis van de diepere lagen in Finnegans Wake, heb ik eerder liefdevol verkracht dan zinnig verhelderd’ (Brassinga 1982: 50). 

De aanpak van Franken is duidelijk meer van de gedegen, wetenschappelijk verantwoorde soort, met groot respect voor de taal waarmee zij die van Joyce moet weergeven. Ook als ze Nightwood opnieuw vertaalt laat ze zien hoe diepgravend en serieus zij te werk ging. Ze dankt behalve redacteur Oscar Timmers een aantal deskundigen en twee wetenschappers ‘die samen met vertaler de Engelse tekst hebben doorgewerkt’ (Franken 1979: 209).23 Uiteindelijk zijn de meest directe sporen van haar terug te vinden in Een portret van de kunstenaar als jongeman, dat ze ‘met tweeën’ maakte in een voorbeeldige uitgave met aantekeningen, foto’s, een bibliografie en een inleiding waarin met nadruk ‘hun feilbaarheid’ uitgesproken wordt.

Aan het eind van haar leven moet Gerry Franken vereenzaamd zijn geweest. Daarbij ga ik af op een mededeling van de nieuwe bewoonster van Klein Bielder: ‘Wat wij van Mw. Franken weten is, dat ze inderdaad Engelse vertaalster was en voor de mensen hier in het dorp een beetje zonderling. Ze had ons huis als zomerverblijf en was verder ook in Amsterdam. Ze is gaan dementeren en kon daardoor niet meer naar Harfsen en het huis is door de rentmeester dhr Flipse verkocht. Misschien weet hij nog meer van haar. Wat wij weten is dat ze kind noch kraai had. Ik kan u ook nog wel het adres van onze oud buurvrouw geven. Zij had voor ons nog wel veel contact met haar en via haar hebben wij gehoord dat ze overleden was.’24

 

Noten
1 Op een document van het Centrum voor Familiegeschiedenis (CBP) wordt vermeld dat ‘de ingangsdatum van geldigheid 17 december 1973’ was – een mysterieus gegeven waarna ook het woord ‘verblijfplaats’ zich in nevelen begint te hullen. De opmerkingen over de gouvernante en de Wassenaarders zijn ontleend aan Neefjes 1997.
2 Ik dank mevrouw Dorothé van Oene, de huidige bewoonster van Klein Bielder aan de Bielderweg 17 te Harfsen, voor het toesturen van de advertentie. 
3 Deze informatie betrok ik van Gerda Stokreef, Erna Reuzel en Tonny Roeterdink, allen heemkundig actief in de regio. Ik kwam op het spoor door een briefje (van 3 december 1969) dat Niels Bokhove mij toestuurde, met daarin een afspraak tussen Vandenbergh en Chris Leeflang in verband met een Joycelezing van de eerste in diens Utrechtse boekhandel Broese. Op het gebruikte briefpapier wordt als adres Sophialaan 14 Amsterdam genoemd naast ‘Klein Bielder Harfsen’. Zie verder Bokhove 2013.
4 Pas in 2013 verscheen bij De Bezige Bij Tussen de bedrijven, in een vertaling van Erwin Mortier. Overigens schreef Els Andringa een uitgebreid essay over de receptie van Virginia Woolf in Nederland waarin Franken ter sprake komt (Andringa 2006). 
5 Er zijn ook fraaie interviews met Vandenbergh te vinden (dankzij delpher.nl en het privé-archief van Niels Bokhove) waarin hij zegt zo’n honderd boeken te hebben vertaald (‘medische boeken, economische werken, romans’), op het eind stapelgek was geworden van Joyce, pleitte voor een goede vertaalopleiding (in de GPD-bladen van 21 februari 1970). In de Volkskrant (van 15 november 1969, vlak voor de Ulysses-doop op 28 november) stelt hij dat Joyce hem verpest heeft (hier staan ook wat biografische gegevens, de studie in Cambridge, het lesgeven, op dat moment aan captains of industry en toekomstige werkers in ontwikkelingslanden). Het opvallendste interview is dat met Henk Romijn Meijer in Het Parool van 29 november 1969, dat in zijn geheel de moeite waard is en waarin Vandenbergh zijn vertaling een ‘well-considered first effort’ noemt. Hij komt ook op voor vertaalkwaliteit en windt er geen doekjes om het te hebben over ‘die ellendige rotte vertalingen van Proust, schandelijke vertalingen’ en ‘een beneden alle peil zijnde Günter-Grassvertaling’: ‘Dat kun je allemaal verwachten zolang de vertaler wordt beschouwd als een knechtje dat ergens woordjes zit over te zetten en dat moet hij dan maar kunnen omdat hij ergens Frans of Duits of Engels heeft geleerd. Mijn god, alsof er niet een zootje creatieve arbeid achter zit waar je koud van wordt.’
6 Zie bijvoorbeeld Naaijkens 2010 en Van der Velden 2015. Op het net wordt hij door Holly Moors de slechtste vertaler genoemd die we ooit hebben gehad, maar dat lijkt me niet houdbaar en onhistorisch gedacht (www.moorsmagazine.com/boeken/vertalingen/).
7 De naam wordt met en zonder h gespeld; correct is zonder h; dat zijn pseudoniem met een niet erg noodzakelijke h eindigt is wellicht geen toeval.
8 Hij woont op 2 mei 1933 op de Kanaalweg 130, op 1 mei 1935 aan de Boerhaavestraat 45, op de scheidingsdatum 6 januari 1936 [bij Hellendoorn] aan de Wagenstraat 21, op 23 januari 1936 aan de Molenstraat 194, dan op 16 maart 1936 in de Hector Treubstraat 62 [bij H. Kwast], en op 24 juni 1936 aan de Wilhelminastraat 40 [bij J. Scheuller-Hoevenberg]. De kinderen, die op 4 december 1935 met hun moeder naar Haarlem verhuizen, heten Petronella Martha (1929) en Willem Jan (1931).
9 Vermelding bij Vandenbergh 1950: ‘John Vandenbergh, geb. 1906; studeerde in Cambridge (Eng.), is publicist en philoloog, medew. van litt. bladen ‘Litt. Paspoort’, ‘Podium’ e.a. Voorn. publ.: Americana, en Lexicon v.h. moderne Amerikaans. Adres: Oude Gracht 343, Utrecht.’
10 Geciteerd naar Beekman & Meijer 1973: 61.
11 Uit het Dagboek 1970 van Jan Wolkers blijkt dat John Vandenbergh werd aangezocht om de Engelse vertaling van Turks Fruit (door de Canadese Greta Kilburn) onder de loep te nemen. 
12 Ik citeer uit het ‘Vertaaldossier J. Schalekamp & C.A.G. van den Broek’: ‘Kritiek van vertaler John Vandenbergh: Vandenbergh maakte voor Contact een correctielijst bij Schalekamps vertaling van The Morning and the Evening (14 februari 1963), waarvoor de kosten overigens op Schalekamp werden verhaald. In deze lijst haalt hij er een heleboel fouten uit die naar zijn mening niet acceptabel waren. Zo kwam bijvoorbeeld de zin “vanuit het diepst van zijn longen” in zijn vertaling voor, waar volgens Vandenbergh “zo hard hij kon” volstond. Ook maakt Schalekamp een groot aantal fouten op woordniveau. Zo vertaalde hij “frozen mound” met “bevroren mond”, “when” vaak met “terwijl” in plaats van “als” en “to look for” met “kijken naar” in plaats van “zoeken naar”. Bovendien merkt Vandenbergh op dat Schalekamp te letterlijk vertaalt. Zo zegt hij bijvoorbeeld “that seemed to know all about struggle”: beter niet letterlijk vertalen met “dat alles van strijd scheen te weten”, maar “dat alle sporen van een moeilijk leven vertoonde” of iets dergelijks. In een aantekening bij deze correctielijst komt VandenBergh tot de conclusie dat Jean Schalekamp over een gebrekkige kennis van het Engels beschikt’ (Bos et al. 2011: 31–32).
13 Opvallend genoeg samen met de eerste vertaling van Portrait of the Artist as a Young Man van Joyce door Max Schuchart. Polet heeft nogal wat aan te merken op de vertaling van Schuchart.
14 Zie Neefjes 1997. Opmerkelijk is dat zij wél kon samenwerken met Leo Knuth. Volgens Peter de Voogd waren Franken en Knuth behalve co-vertalers ook enige tijd elkaars geliefden (e-mail van Peter de Voogd aan ondergetekende, 23 mei 2016). Hun ‘Aantekeningen bij James Joyce Een portret van de kunstenaar als jongeman’ (1972) gaan ook vergezeld van een motto uit Prediker 4:9 – ‘Met tweeën is beter dan alleen; dit geeft beiden een groot voordeel bij het werk’.
15 Frans Kellendonk (1982) gebruikt in zijn bespreking een citaat uit het hoofdstuk ‘Wachter, wat is er van de nacht’ en zegt dan: ‘Voor alle eerlijkheid: deze vertaling is niet helemaal die van Gerardine Franken. Zij geeft lyrische passages als bovenstaande niet precies naar de letter en nogal omslachtig weer. Ik geef het je ook te doen, om een proza te vertalen dat zo vaag is en daarbij zo concreet lijkt.’ Vogelaar (1983: 87) zegt dit: ‘De eerste vertaling van Nachtwoud verscheen in 1963. Voor deze herdruk heeft de vertaalster haar hele vertaling herzien. Wanneer je de twee versies naast elkaar legt blijkt er een heel nieuwe versie ontstaan te zijn, waarbij opvalt dat er veel minder “uitleggend” vertaald is en de gedrongen, duistere stijl meer dan in de eerste vertaling intact is gebleven; en misschien is de vertaling van een boek als dit ook nooit echt af.’ 
16 Twee jaar later, in 1967, werd, eveneens door De Bezige Bij, een herdruk van Jacques de Haans essaybundel James Joyce uit 1948 uitgegeven. Daarin vermeldt de auteur dat er een vertaling van Ulysses op komst is, ‘hetgeen zonder meer een heldhaftige onderneming is’ (De Haan 19672: 9).
17 ‘Uit ons land zullen in elk geval aanwezig zijn, de vertaler van Ulysses, zijn vrouw Gerardine Franken, die het enkele jaren geleden gevonden werkje van Joyce vertaalde, Giacomo Joyce, en vermoedelijk de grote kenner van Finnegans Wake, Leo Knuth van de universiteit van Utrecht’ (NRC Handelsblad, 7-5-1971).
18 Ik dank Paul Beers voor het ter beschikking stellen van deze brief, en tevens voor de andere kopieën uit zijn archief.
19 Brief aan Pierre H. Dubois, Harfsen, 25 april 1979, met daarin ook de verzuchting: ‘Als het niet zo intreurig was, zou het geheel lachwekkend geweest zijn. Die man onderricht nu vertalen! U begrijpt dat het voorval toch een enigszins bittere smaak heeft achtergelaten, vandaar dat uw lovende woorden [in Het Vaderland over Flush en Paardedief van Faulkner, tn] dubbel welkom waren.’
20 Cees Koster schreef al eens in Filter over de Portrait-vertaling (‘een genot’) in het artikel de ‘Getroffen door de klokjes der sluimering’: ‘De vertaling van Gerardine Franken en Leo Knuth volgt dit principe evenzeer. Maar een vertaling die alleen maar volgt kan slechts braaf zijn. Deze vertaling is een echte durfvertaling, een vertaling waarin de vertalers keuzes durven te maken die tegen de verwachting ingaan, maar de tekst alleen maar goed doen. De vertalers vormen een kennelijk uiterst geschikt duo voor deze vertaling. Gerardine Franken is een professioneel vertaalster die actief was in de jaren zeventig en tachtig en die vooral veel werk van modernistische schrijvers heeft vertaald (onder meer van Virginia Woolf, De golven en Orlando). Leo Knuth is een Joyceaan, die veel publicaties in de James Joyce Quarterly op zijn naam heeft staan. De vertaling stamt uit 1972 (en beleefde in 2002 een zevende druk) en heeft de perfecte toon voor een vertaling van een boek dat zestig jaar daarvoor is geschreven: enigszins gedragen zonder archaïsch te worden’ (Koster 2006: 71–72).
21 Ook Knuth leverde talloze bijdragen aan A Wake Newslitter, een in kleine kring verspreid, gestencild tijdschrift met wonderbaarlijk gedetailleerde informatie over de Wake; in volume VII, nr. 4 van augustus 1970 voert hij Gerardine Franken op die meer weet van een van de Indonesische restaurants die Joyce bij zijn bezoek in Den Haag in 1927 bezocht heeft (Waroong Djawa, waar ook schilderijen hingen van de Javaanse schilder Basoeki Abdullah). Knuth promoveerde in 1976 op Joyce met de studie The wink of the word: a study of James Joyce's phatic communication.
22 Tevoren werd in dezelfde jaargang ook verslag gedaan van het internationale Joyce-symposium van juni 1969 in Dublin, waar naar verluidt al een dummy van de komende Nederlandse Ulysses te bewonderen was geweest in het Moyne Institute.
23 In Giacomo Joyce (1969, p. 5) dankt Franken drs. A.M.L. Knuth, Fritz Senn en N.N., ‘die haar heeft geadviseerd wat betreft de katholieke terminologie’. Als Knuth en Franken in 1974 Ballingen publiceren danken zij behalve pater J.H.B. Nieuwhof SJ overigens ook John Vandenbergh. Laatstgenoemde voegt van meet af aan na- en voorwoorden toe aan zijn vertalingen, te beginnen bij De wijsheid van het hart, maar onder meer ook bij Onder de vulkaan, Het geraas en gebral en Absalom, Absalom!
24 Mail van mevrouw Dorothé van Oene aan ondergetekende van 7 juni 2016.
 

Bibliografie
Briefwisseling tussen Gerardine Franken en Pierre H. Dubois, Letterkundig Museum, signatuur PHD omslag G. Franken. 

Andringa, Els. 2006. ‘Penetrating the Dutch Polysystem: The Reception of Virginia Woolf, 1920–2000’, Poetics Today, 27:3, p. 501–568.

Beekman, Klaus & Mia Meijer. 1973. Kort revier. Gerard Reve en het oordeel van zijn medeburgers. Amsterdam: Erven Thomas Rap/Athenaeum – Polak & Van Gennep.

Beers, Paul. 1973. ‘Zelfportret van James Joyce bedroevend slecht vertaald’, de Volkskrant, 3-3- 1973.

Bokhove, Niels. 2013. De drempelschroom verdrijven. Literaire activiteiten in de jaren 1932–1973 bij boekhandel Broese onder Chris Leeflang. Utrecht: Stichting GUSTO.

Bos, Kim, Lisa Geijtenbeek, Linda de Man & Marjolein Toet. 2011. ‘Vertaaldossier J. Schalekamp en C.A.G. van den Broek’, werkstuk Master Vertalen, Universiteit Utrecht.

Brassinga, Anneke. 1982. ‘Verantwoording’, New Found Land, 2:2, p. 50.

Buning, Marius (ed.). 1970. Levende Talen. Special Issue James Joyce, p. 413–484.

Franken, Gerardine. 1970. ‘Een portret van de kunstenaar als jongeman’, Levende Talen. Special Issue James Joyce, p. 443–447.

Franken, Gerardine. 1979. ‘Aantekening van de vertaler,’ in: Djuna Barnes, Nachtwoud. Amsterdam: De Bezige Bij, p. 209. 

Franken, Gerardine. 1982. ‘Ten geleide’, New Found Land, 2:2, p. 44–45.

Franken, Gerardine & Leo Knuth. 1972. ‘Aantekeningen bij James Joyce Een portret van de kunstenaar als jongeman’, in: James Joyce, Een portret van de kunstenaar als jongeman. Vertaald door Gerardine Franken en Leo Knuth. Amsterdam: De Bezige Bij.

Haan, Jacques de. 19672James Joyce. Amsterdam: De Bezige Bij. 

Jansen, S.J., E. 1960. ‘46.804 Schierbeek, Bert’, Boekengids, 38, p. 305.

Joyce, James. 1962. Het portret van de jonge kunstenaar. Vertaald door Max Schuchart. Rotterdam: Ad. Donker.

Kellendonk, Frans. 1982. ‘De dieren in het nachtwoud’, NRC Handelsblad, 22-10-1982 (herdrukt in Kellendonk, Frans. 2015. Verzameld werk. Amsterdam: Meulenhoff, dl. 2, p. 359–365).

Knuth, Leo. 1970. ‘Correspondence’, A Wake Newslitter, Volume VII, nr. 4 (August), p. 63. Cited after A Wake Newslitter. Berkeley, Los Angeles: University of California Press 1981.

Koster, Cees. 2006. ‘Getroffen door de klokjes der sluimering’, Filter, 13:3, p. 69–75.

Maas, Nop. 2009. Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven. Deel 1 – De vroege jaren 1923–1962. Amsterdam: Van Oorschot.

McHugh, Roland. 1981. The Finnegans Wake Experience. Berkeley, Los Angeles: University of California Press.

Naaijkens, Ton. 2010. ‘Henri Miller en de lagere hartstochten. Een vertaalgeschiedenis uit de jaren zestig’, Filter, 17:4, p. 7–15. 

Naaijkens, Ton. 2010a. ‘Perspectieven van wordende cultuur verschijnt voor het eerst’, in: Helleke van den Braber & Jan Gielkens (eds.), In 1934. Nederlandse cultuur in internationale context. Amsterdam/Antwerpen: Querido, p. 81–89.

Neefjes. Annemiek. 1997. ‘In hun huid. Gerardine Franken & Virginia Woolf. Vertalers over de schrijver die ze het liefst vertalen. “Bij Woolf staat niets er zomaar”’, Vrij Nederland, 2-8-1997.

O’Neill, Christine & Fritz Senn. 2007. Joycean Murmoirs. Dublin: Lilliput Press.

Polet, Sybren. 1963. ‘James Joyce: Het portret. Djuna Barnes: Nachtwoud. Twee meesterwerken’, Het Vrije Volk, 28-9-1963.

Schouten, Wim. 1988. Een vak vol boekenHerinneringen aan veertig jaar leven in en om de uitgeverij. Amsterdam: De Bezige Bij.

Vandenbergh, John. 1950. ‘Het Amerikaanse proza’, De Gids, jg. 113, p. 130–140. (Biografische notitie, p. 237.)

Vandenbergh, John. 19713Aantekeningen bij James Joyce’s Ulysses. Amsterdam: De Bezige Bij. 

Vandenbergh, John. 1996. ‘Bomen. Gesprek met Schierbeek (Fragmenten)’, Raster, 76, via www.tijdschriftraster.nl/hommage-aan-bert-schierbeek/bomen-gesprek-met-schierbeek-fragmenten (geraadpleegd 9-9-2016).

Veen, Adriaan van der. 1971. ‘CS Journaal’, NRC Handelsblad, 7-5-1971.

Velden, Jeske van der. 2015. ‘Een Amerikaan in Parijs. Over de vertaling van Hemingways A Moveable Feast’, Webfilter via http://www.tijdschrift-filter.nl/webfilter/recensies/2015/amerikaan-in-parijs.aspx

Vogelaar, J.F. 1983. Orientaties. Kritieken en kommentaren 2. Nijmegen: SUN.

Wolkers, Jan. 2012. Dagboek 1970. Amsterdam: De Bezige Bij.
 

Vertalingen Gerardine Franken (selectie)
1963           Djuna Barnes, Nachtwoud
                  [met een inleiding van T.S. Eliot] (De Bezige Bij)
1965           Allan M’Clelland, Bloomsdag
                  [toneelstuk, aantekeningen en nawoord John Vandenbergh] (De Bezige Bij)
1968           Hugh Leonard, Stephen D.
                  [toneelstuk, met aantekeningen en een nawoord van Fritz Senn] (De Bezige Bij)
1969           James Joyce, Giacomo Joyce
                  [voorwoord en aantekeningen Richard Ellmann, nawoord Fritz Senn] (De Bezige Bij)
1972           James Joyce, Een portret van de kunstenaar als jongeman
                  [vertaling GF en Leo Knuth, met aantekeningen door beiden] (De Bezige Bij)
1974           James Joyce, Ballingen
                  [vertaling GF en Leo Knuth, nawoord Bernard Bennstock] (De Bezige Bij)
1975           Nigel Nicholson, Portret van een huwelijk
                  [vertaling gedichten C. Buddingh] (De Bezige Bij)
1976           Virginia Woolf, Orlando [nawoord James Naremore] (De Bezige Bij)
1978           Virginia Woolf, Flush [nawoord Thomas F. Staley] (De Bezige Bij)
1978           William Faulkner, ‘Gegevens van een paardedief’,
                  in: De beste buitenlandse verhalen van De Bezige Bij, samenstelling Oscar Timmers (De Bezige Bij)
1979           Djuna Barnes, Nachtwoud [Tweede, geheel herziene druk] (De Bezige Bij)
1981           Djuna Barnes, Overloop (De Bezige Bij)
1985           Virginia Woolf, De golven (De Bezige Bij)

Publicaties John Vandenbergh (selectie)
1947           Americanazo spreekt Amerika: een verzameling uitdrukkingen
                  [bijeengebracht, vertaald en verduidelijkt door John Vandenbergh] (West-Friesland)
1949           Henry Miller, De wijsheid van het hart (De Driehoek)
1949           Dorothy Sayers, Smaad (De Driehoek)
1952           Erle Stanley Gardner, De zaak van de geleende brunette (Bruna)
1954           Allan Bullock, Hitlerleven en ondergang van een tiran (Bruna)
1955           William Faulkner, Uitvaart in Mississippi, [vertaling JV en Apie Prins] (De Bezige Bij)
1959           Jack Kerouac, De onderaardsen (De Bezige Bij)
1961           John Vandenbergh, Kleine biografie van Henry Miller (Ad. Donker)
1961           Jack Kerouac, Op weg (De Bezige Bij)
1964           Ernest Hemingway, Amerikaan in Parijs (Strengholt)
1964           Henry Miller, De steenbokskeerkring (De Bezige Bij)
1965           Ernest Hemingway, De oude man en de zee (Strengholt)
1965           Ian Fleming, Doctor No (Bruna)
1966           Malcolm Lowry, Onder de vulkaan (De Bezige Bij)
1967           William Faulkner, Het geraas en gebral (Bruna)
1969           James Joyce, Ulysses (De Bezige Bij)
1969           Aantekeningen bij James Joyce's Ulysses (De Bezige Bij)
1969           Henry Miller, Sexus (De Bezige Bij)
1974           Aldous Huxley, Punt contra punt (Contact)
1976           James Joyce, Brieven aan Nora
                  [tekstverzorging Richard Ellmann, voorwoord Fritz Senn] (De Bezige Bij)
1978           William Faulkner, Absalom, Absalom! (De Bezige Bij)
1979           William Faulkner, Licht in augustus (De Bezige Bij)
1981           Henry Miller, Doe wat ge wilt: brieven aan Anaïs Nin (Van der Velden)
1983           M.S. Arnoni, Fela J. (De Haan)
1985           William Faulkner, De beer (Goossens)

Lees meer over: