‘Een vrouw moet haar eigen werk hebben’    31-39

De vertalersloopbaan van Clara Eggink

Cees Koster

Voor het Nachleben van elke kunstenaar geldt: wiens graf nog bezocht wordt is niet vergeten. Gaan we van dit adagium uit dan is schrijfster en vertaalster Clara Eggink (1906–1991) verre van vergeten, maar eigenlijk vooral om één reden: haar graf ligt naast dat van haar echtgenoot, daarna ex-echtgenoot, daarna verloofde en daarna levensgezel, de dichter J.C. Bloem – die zeker niet vergeten is, zo bleek maar weer eens bij de herdenking op de begraafplaats in Paasloo van zijn zestigste sterfdag op 10 augustus jl. Toch is Eggink ook om zichzelf een gedenkwaardige vrouw, met een eigen literaire loopbaan die zo’n vijftig jaar omspande en waarin ze zich onder meer manifesteerde als dichter, schrijver, criticus en vertaler. Het dichterschap duurde eigenlijk maar tot in de Tweede Wereldoorlog, toen ze haar derde bundel publiceerde. Het kritisch werk heeft ze volgehouden tot en met het einde van de jaren zestig. Het vertaalwerk beslaat de langste periode van haar carrière, van 1937 tot 1978, waarin zij zo’n zeventig werken vertaalde. Vooral in de laatste tien, vijftien jaar van haar werkzame leven lijkt zij het grootste deel van haar tijd met vertalen bezig te zijn geweest.

Jong getrouwd
De eerste helft van haar leven kan zonder overdrijving onrustig genoemd worden. Een jaar na haar geboorte ging het bedrijf van haar vader failliet en vertrok hij naar de Verenigde Staten om daar zijn geluk te beproeven. Het was de bedoeling dat de rest van het gezin zou volgen, maar na verloop van tijd kwam het bericht dat hij bij een bergtocht om het leven was gekomen. Haar moeder hertrouwde toen Eggink acht was, wat enige stabiliteit en financiële zekerheid bracht. Rond die tijd had haar moeder echter besloten dat ze Clara wilde afstaan aan een bevriend Brussels echtpaar, maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog belette dat (Vermij 1994: 13). Dat de verhouding tussen Eggink en haar moeder daarna nog slechts moeizaam kon zijn, wekt geen verbazing. Zelf heeft Eggink haar jeugd als moeilijk ervaren, zo komt duidelijk naar voren uit haar toch wel enigszins bittere herinneringen aan die tijd (Eggink 1962 en 1980). Zij schetst een beeld van een geïsoleerd kind, dat het liefst de afzondering zoekt om te lezen of rond te zwerven in Rotterdam, waar ze met haar ouders woonde – de stad ‘die heeft gemaakt dat [zij] een mens geworden [is] in plaats van de mevrouw waar [ze] toe voorbestemd was’ (Eggink 1962: 7). Dat ‘mens’ was tamelijk eigenzinnig, een ´eenling´ (idem: 28) en beslist geen ‘aanpassertje’, zoals ze het zelf noemde (Lammers 1980). Het burgerlijke middenklassemilieu waarin ze opgroeide ervoer ze vooral als benauwend. Hetzelfde gold voor de scholen, waar ze geen aansluiting vond bij haar leeftijdgenoten. Ze had graag het gymnasium willen volgen, maar daartoe achtte men haar zowel thuis als op school niet in staat, dus werd het de vijfjarige MMS. Ze kreeg niet de kans om medicijnen te gaan studeren, wat ze graag had gewild, maar de eindexamens werden op een geheel andere manier een keerpunt in haar leven. Bij haar mondelinge examens Duits, Frans en Engels was Bloem gecommitteerde. Ze had op school voldoende literaire belangstelling en kennis opgebouwd om te weten dat de man tegenover haar, ‘tamelijk gezet en al aardig kaal’ (Eggink 1977: 14), een van de bekendere Nederlandse dichters was. Hij bleek nogal geïnteresseerd in haar en stuurde een briefje waarin hij liet weten haar wat beter te willen leren kennen. Ze hield het af, maar toen ze elkaar een jaar later bij vrienden van haar ouders alsnog ontmoetten, leidde dat toch tot een wederzijdse verliefdheid. Na een ‘vrolijke’ verlovingstijd van een jaar, waarin Eggink ‘volkomen losgeweekt’ (idem: 73) raakte van haar eigen omgeving, trouwden ze op 4 november 1926 – zij was 20, hij 39. Legendarisch zijn haar woorden dat Bloem de eerste man was ‘die haar niet verveelde’ en daarom aantrekkelijk was als partner, maar het is moeilijk aan de indruk te ontkomen dat voor haar het huwelijk een manier was, als voor zovele jonge vrouwen, om haar ouderlijk huis te ontvluchten. De felheid en eigenzinnigheid van Eggink en de indolentie van Bloem gingen niet heel goed samen, dat bleek al tijdens de huwelijksreis naar Parijs. Toen zij op een ochtend alleen de stad in was gegaan, bleek Bloem bij terugkomst razend, waarop zij dan weer besloot weg te lopen. Pas ’s avonds volgde de verzoening, nadat bij haar het besef was doorgedrongen dat ze zonder een cent op zak niet ver zou komen – ‘Sedertdien ben ik wel gaan overwegen hoe ik zelf geld zou kunnen verdienen, maar dat was toen niet eenvoudig,’ schrijft ze in haar memoires (idem: 77).

Daarna kwam een periode van veel verhuizingen (wat Eggink al uit haar jeugd gewend was), vanaf 1927 met kind, en steeds meer gedoe (vooral omdat Bloem zich steeds meer tot een alcoholist ontwikkelde), wat uiteindelijk leidde tot een scheiding in 1932. Daarna is Eggink nog twee keer kort getrouwd geweest, met Jan Campert van 1936 tot 1939 en met Hans Ivens, broer van filmer Joris Ivens en directeur bij Heineken, van 1945 tot 1949, waarvan twee jaar in Egypte. Al die tijd is ze ook met Bloem blijven omgaan, een tijdje heeft ze zelfs met Campert en Bloem gedrieën samengewoond. Er bleef altijd een wederzijds gevoel van lotsverbondenheid bestaan, dat hen tot aan de dood van Bloem naar elkaar toe trok.

Dichter en criticus
Al tijdens haar huwelijk met Bloem begon Eggink zelf een literaire loopbaan op te bouwen. Toen ze nog op de MMS zat had ze ook al wel geschreven, maar zonder het idee dat daar haar toekomst zou liggen. Al was ze dan aan haar ouderlijk huis ontkomen, door haar vroege huwelijk werd ze toch in een rol geplaatst die haar mogelijkheden zeer beperkte; in feite heeft ze in die periode het laatste deel van haar vormingsjaren ondergaan. De keerzijde van het huwelijk met Bloem was dat ze ‘al [haar] vrienden en eigenlijk [haar] hele leven van jonge vrouw [heeft] laten schieten’ (idem: 17).

Eggink heeft altijd ontkend dat zij een literaire carrière heeft kunnen ontplooien dankzij haar relatie met J.C. Bloem. Die stelling zou inderdaad haar talent en persoonlijkheid miskennen, maar het blijft een feit dat zij door haar huwelijk met Bloem in een netwerk terechtkwam van gekende literatoren (Roland Holst, Marsman, Du Perron – geen biografie van een literator uit het interbellum of Clara Eggink komt erin voor) dat haar later de nodige mogelijkheden heeft geboden. Haar eerste gedichten werden gepubliceerd in erkende literaire tijdschriften als ForumDe Gids en Gemeenschap. Haar tweede bundel, Schiereiland uit 1938, werd in 1940 bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs door een jury waarin onder meer Bloem zitting had. 

Wel aantoonbaar is dat zij via Bloem met vertalen is begonnen. Aanvankelijk ‘assisteerde’ zij Bloem bij diens vertaalwerk. Dat gold vooral voor de vertaling van Precious Bane van de Britse schrijfster Mary Webb; de vertaling verscheen in 1932 bij uitgeverij Wereldbibliotheek onder de titel Kostbaar gif, met de vermelding van Bloem als enige vertaler. Het werk aan de vertaling bracht haar op het idee dat ze met dit soort werk wel zelf aan de kost kon komen. Voor de Tweede Wereldoorlog komt het daar nog maar mondjesmaat van, al is het goed mogelijk dat ze meer vertaalwerk heeft gedaan dan is gedocumenteerd in catalogi. Er bestaat documentatie van drie vertalingen vóór 1945: twee boeken voor uitgeverij Boucher en voor Wereldbibliotheek de novelle Of Mice and Men van de latere Nobelprijswinnaar John Steinbeck. De contacten verlopen via Bloem, zoals blijkt uit de correspondentie tussen Eggink en Nico van Suchtelen, uitgever bij Wereldbibliotheek: ‘Tot mijn groot genoegen hoorde ik van den Heer Bloem, dat U mij toestaat door te gaan met de vertaling van Of Mice and Men en bereid bent deze vertaling uit te geven in uw Wereldbibliotheek’ (Brief gedateerd 16 november 1939 van Clara Eggink aan Nico van Suchtelen). In 1941 komt het boek uit onder de titel Muizen en menschen. Zelf zei ze later dat ze zich in de jaren na de scheiding goed kon ‘bedruipen met vertalen en dergelijke’ (Eggink 1977: 119). Het ‘dergelijke’ omvat een veelheid aan schrijfwerk: ‘Ik ben al heel gauw begonnen met journalistiek werk, bij de NRC, altijd als free-lance. Kritisch werk, en cursiefjes ook bij het Utrechtsch Nieuwsblad, bij de Telegraaf. Naderhand ook bij vrouwenbladen’ (N.N. 1977). Werk was voor haar een principiële levensvoorwaarde: ‘[E]en vrouw moet haar eigen werk hebben, voor haar ontplooiing en omdat het maatschappelijk juister is,’ zei ze in een interview uit 1978 (Engelbrecht 1978).

Nadat aan haar huwelijk met Ivens een einde kwam, besloot Eggink voortaan ongetrouwd door het leven te gaan en de zorg voor haarzelf boven al het andere te plaatsen, al blijft de zorg voor Bloem een factor in haar leven, aanvankelijk op afstand, maar als Bloem daadwerkelijk hulpbehoevend wordt, neemt zij hem onder haar hoede. In 1957 verhuist zij haar woonboot De Wijze Uil vanuit Amsterdam naar Kalenberg, in Overijssel, en biedt hem aan, hij is inmiddels zeventig, om in de boerderij te wonen die op haar grond staat. Tot aan zijn dood in 1966 heeft ze hem verzorgd.

Een vertaalloopbaan
In haar literaire leven nam vertalen dus een prominente plaats in, naast de journalistiek, de literaire kritiek en bij vlagen ook de productie van eigen literair werk. Begin jaren zestig publiceerde ze een roman, Gewoon mensen (Meulenhoff, 1961), en een biografische studie De merkwaardige reizen van Henriëtte en Alexandrine Tinne (Meulenhoff, 1962). In de jaren vijftig publiceerde ze geregeld kritieken in De Gids onder de titel ‘Kroniek van het proza’ en in de jaren zestig verzorgde ze wekelijks in het Leidsch Dagblad de rubriek ‘Zoeklicht op de boekenmarkt’. Ook was ze actief als bestuurder in het literaire veld. Ze is een tijd voorzitter geweest van de Vereniging van Letterkundigen en later ook nog voorzitter van de afdeling Letteren van de Haagse Kunstkring. 

Duidelijk is wel dat voor Eggink het vertalen altijd heeft samengehangen met de mogelijkheid een zelfstandig en autonoom leven als literator te leiden. In de vele interviews met haar die gedurende haar leven gepubliceerd zijn, wordt vertalen wel als een van haar activiteiten vermeld, maar nooit wordt er over doorgevraagd of gaat Eggink er dieper op in. Ook in haar memoires bespreekt ze vertalen voornamelijk in verband met materiële zaken. Wanneer ze in 1953 haar woonboot koopt, dan nog in Amsterdam, is dat mogelijk door ‘een goed vertaaljaar’ (Eggink 1977: 147). Een paar jaar later krijgt ze de mogelijkheid een stevige zescilinder Vauxhall, die ze aanvankelijk voor een Citroën Sport had aangezien, te kopen: ‘Ik vroeg wat het geval moest kosten. F. 650 zeiden ze en daar ik net een vertaling had ingeleverd, heb ik hem maar ineens gekocht’ (idem: 167). 

Het goede vertaaljaar moet 1952 of 1951 geweest zijn, aan het begin van haar naoorlogse vertaalperiode. In die jaren heeft ze vier, respectievelijk drie boeken vertaald. De oeuvrelijst overziend is er van haar vanaf 1950, op een enkele uitzondering na, elk jaar een aantal vertalingen gepubliceerd. Alle vertalingen bij elkaar vormen in meerdere opzichten een bonte verzameling (zie ook de selectieve lijst onderaan dit artikel). Er zit een enkele non-fictietekst tussen – van Bewijzen over de buitenaardse oorsprong van het leven op aarde van de frauduleuze pseudowetenschapper Erich von Däniken tot Etiquette, of De sierlijkheid des levens voor uitgeverij Bergmans uit Tilburg bijvoorbeeld – en een enkel kinderboek, maar het overgrote deel van de vertalingen betreft bellettrie, voornamelijk middlebrow, al ontbreekt ook de canon niet. 

Aanvankelijk, begin jaren vijftig, werkte ze veel voor De Geïllustreerde Pers, niet alleen uitgever van het stripblad Donald Ducken het damesblad Margriet (waar ze kennelijk ook voor schreef), maar ook van de Margriet-bibliotheek, een reeks met vooral literaire titels. Hierin verschenen van haar de vertalingen Wilde hoogten (Wuthering Heights, Emiliy Brontë), Jane Eyre (Charlotte Brontë), Liefde en noodlot op Borneo (Almayer’s Folly, Joseph Conrad), Generaal des konings (The King’s General, Daphne du Maurier) en Schuld en boete (Fjodor Dostojevski). Schuld en boete is een curiosum in haar vertaaloeuvre. Ze vertaalde bijna uitsluitend uit het Engels, een enkele keer uit het Frans en ze was zeker het Russisch niet machtig. Ze zal Dostojevski’s klassieker via een tussenvertaling hebben vertaald, vermoedelijk via de versie van Rössing uit 1885. Al even curieus is dat in haar versie van Jane Eyre de zelfdeclaratie wordt vermeld ‘vertaald en bewerkt door Clara Eggink’. De declaratie ‘bewerking’ heeft waarschijnlijk betrekking op het inkorten van de tekst.

In totaal heeft ze voor zo’n dertig verschillende uitgeverijen vertaald, geregeld betrof dat maar een of twee boeken, vooral bij de wat meer obscure uitgeverijen. Het gevolg was dat ze ook een veelheid aan auteurs heeft vertaald en nooit de vaste vertaler van specifieke auteurs is geworden.

Ook voor de vertaalde auteurs in haar oeuvre geldt dat er een heel aantal obscure namen tussen zit, al bestaat de meerderheid toch uit auteurs waar wel de nodige literaire eer mee viel te behalen. Ze heeft een aantal werken van Angelsaksische modernisten vertaald, zij het niet de meest in het oog lopende titels: D.H. Lawrence (De beminnelijke dame/The Lovely Lady – 1958), Ernest Hemingway (Mannen zonder vrouwen/Men without Women – 1965, In onze tijd/In Our Time – 1968 en Alle verhalen/The First Forty-Nine Stories – 1973) en F. Scott Fitzgerald (Deze kant van het paradijs/This Side of Paradise – 1971). Van de Amerikaan Charles Jackson vertaalde ze de alcoholische cultroman The Lost Weekend (Het verloren weekend – 1967), in 2014 nog hervertaald door Johannes Jonkers. Van een andere Amerikaan, John Steinbeck, schrijver van realistische sociale romans, vertaalde zij East of Eden/Ten oosten van Eden (1953) en het al eerder genoemde Of Mice and Men. De Steinbeckvertalingen zijn, qua drukgeschiedenis, haar meest succesvolle geweest. Van Egginks versie van Ten oosten van Eden verscheen in 1983 een veertiende druk en van haar vertaling Van muizen en mensen verscheen in 2012 in de serie ‘Verboden boeken’ van de Volkskrant nog een twaalfde druk, zonder enige aanpassing anders dan in de titel en de spelling – voor de eenentwintigste-eeuwse lezer een opmerkelijke ervaring, met passages als de volgende:

George zei: ‘Er zal nog wel herrie om d’r komen. D’r zal nog donderse herrie om d’r komen. Ze is een galgebrok, dat op springen staat. Een hoeve met een stel lui er op is geen plaats voor een meid en zeker niet voor zo een als zij.’ (Steinbeck 2012: 63)

Of zinnen als: ‘Hij was van een weloverwogen, nadenkende langzaamheid’ (idem: 67).

Uitgeverij Contact
Vanaf halverwege de jaren zestig tot aan het eind van haar vertaalcarrière in 1980 werkt Eggink vooral veel voor uitgeverij Contact. Haar verbinding met de uitgeverij dateert van tijdens de Tweede Wereldoorlog: zij is een van de schrijvers die in de oorlog vertaalopdrachten en honoraria kregen voor ‘uitgaven-in-voorbereiding’, een regeling van de uitgever om schrijvers te ondersteunen. De in de oorlog gemaakte vertalingen zouden dan na de oorlog worden uitgegeven (zie Kuitert 2006). In de catalogi is van dergelijke vertalingen echter geen spoor te vinden. De eerste vertaling die Eggink volgens deze bronnen voor Contact maakt is Mannen zonder vrouwen van Hemingway in 1965. Contact was in die jaren een uitgever die zich profileerde met een groot vertaald fonds van vooral contemporaine auteurs (zie Van der Voorst 1997) en als zodanig een belangrijke opdrachtgever voor vertalers. In totaal heeft Eggink zeventien boeken voor Contact vertaald, meer dan ze voor enige andere uitgever heeft gedaan. Negen van de titels betroffen boeken van de Britse contemporaine schrijfsters Iris Murdoch en Brigid Brophy. Eggink kreeg haar eerste Murdoch aangeboden omdat de vertaling van een eerdere roman de vertaalster, Nina Funke-Bordewijk, dochter van, ‘zoveel inspanning [had] gekost dat zij liever geen tweede wilde aanvaarden’ (Brief van G.P. de Neve, directeur van Contact, aan Clara Eggink, 10 juni 1965). 

Eggink was blij de kans te krijgen om werk van schrijfsters te vertalen met wie ze zich verwant voelde. Bij de uitgever waren ze ook blij met haar vertaling van Brigid Brophy’s Flesh, in het Nederlands verschenen als Onder de huid. De Neve schrijft haar na ontvangst van het manuscript dat hij ‘verrukt [is] van de vertaling, die volkomen leest als een eigen Nederlandse creatie’ (De Neve aan Eggink, 3 maart 1966). 

Het werk van Brophy en Murdoch, die rond die periode als een van de speerpunten in het fonds van Contact gold, verscheen in de serie Auteurs van de tweede eeuwhelft, waarvan James Brockway (zelf literair vertaler Nederlands-Engels en in 1966 gelauwerd met de Martinus Nijhoffprijs) de redacteur was voor de Engelse romans. Brockway stond erop dat hij alle vertalingen uit het Engels voor die serie onder ogen zou krijgen voordat ze in druk verschenen. Nadat ze dat had gehoord reageerde ze daar nogal ironisch op, want bij het inzenden van de vertaling van Flesh liet zij weten: ‘Bijgaand zult u mijn vertaling vinden, het was een zwaar karwei en ik hoop nu maar dat uw groot-inquisiteur er geen bezwaren tegen heeft’ (Eggink aan De Neve, 20 juli 1965).

Van bezwaren was bij tijd en wijle wel sprake; haar werk werd regelmatig door Brockway en redacteur Foeken (voornaam onbekend) onder het vergrootglas gelegd en te min bevonden. In een reactie op haar vertaling van The Snow Ball van Brigid Brophy noemt Foeken de vertaling ‘treurig’ en stelt hij zelfs dat het boek er ‘tweede-rangs’ van is geworden – de kritiek richt zich veelal op lokale interpretatiefouten en wonderlijke formuleringen. Niettemin werd de vertaling in 1968 onder de titel De bal van sneeuw door Contact uitgegeven en bleef Eggink voor hen werken. 

Rond de vertaling van de ontwikkelingsroman The Dark van de Ierse schrijver John McGahern, een jaar later, komt de situatie tussen haar en Brockway tot een kookpunt. Aanvankelijk was er enig geharrewar over de vraag of zij de vertaling wel zou moeten maken, mede vanwege een lange reis van Eggink naar Australië, waarheen haar zoon was geëmigreerd. Vanuit Rawalpindi laat zij weten dat het misschien beter is wanneer iemand anders het werk onder handen neemt als er haast bij is. Ze vervolgt: ‘Dat zal ook de heer Brockway een pak van het hart zijn, want hij was geloof ik bang, dat ik als vrouw mij niet zou durven wagen aan “letterlijk vertalen”’ (Brief van Eggink aan Contact, 20 maart 1968). Ondanks de ironie in haar reactie zal de opmerking over de relatie tussen een vertaalopvatting en haar vrouw-zijn haar als feministe geïrriteerd hebben. Uiteindelijk heeft ze de vertaling wel gemaakt en ook deze moest voorgelegd worden aan Brockway, die er in dit geval in opdracht van de auteur, een vriend van hem, naar keek. Uit een brief aan Eggink van de uitgeverij blijkt dat hij maar matig tevreden is, hij wordt geciteerd: ‘Veel is heel goed, maar op vele plaatsen is het Engels niet goed weergegeven’ (Contact aan Eggink, 12 juni 1969). 

In een persoonlijke brief aan Brockway, ingesloten bij haar herziene manuscript, reageert Eggink andermaal met een soort superieure ironie, maar valt hem toch ook rechtstreeks aan:

Mijn dank voor de donkerblauwe stortbui, die je over mijn vertaling van McG. hebt laten neerdalen. Ik heb het in het rood weer op laten klaren.

De talrijke commentaren waarvan je die tekst voorzien had, waren grotendeels werkelijk overbodig. Je kunt gerust aannemen dat ik mijn redenen heb om soms eens iets een tikje te veranderen. Dat wijst niet altijd op onwetendheid. En dan die toon… ik neem maar aan dat die veroorzaakt is door je gebrek aan kennis van de waarde van sommige ned. woorden en uitdrukkingen.

Overigens ben ik je dankbaar voor de vele goede aanwijzingen die ik met vreugde overgenomen heb. Er viel heus wel wat te schaven met die vertaling. […]

En fin, ik vergeef je met genoegen je emotionaliteit waar het hier gaat om het werk van een vriend van je […]. (Eggink aan James Brockway, 28 juli 1969)

Op dezelfde dag stuurt ze de verbeterde drukproeven naar Contact met een venijnige opmerking over Brockway: ‘Ik denk dat ik om bij te komen van de Brockway-iaanse dramatiek om deze ierse jeremiade heen, maar eens een week op de Wipselberg [hotel en kuuroord op de Veluwe, ck] ga zitten’ (Eggink aan Contact, 28 juli 1969). Twee maanden later volgt een nieuwe revisie van ‘ons zorgenkind’. Ze stelt: ‘Het boek “klinkt” volgens mij in het nederlands ook McGahern en dat is toch maar waar we het op aan moeten sturen’ (Eggink aan Contact, 11 september 1969). 

Dat mag als een klinkende vertaalopvatting gelden. In haar kritische werk heeft Eggink zich bijna nooit over vertalen uitgelaten, er is één uitzondering bekend. In 1955 bespreekt zij in het boekentijdschrift Boek van Nu een vertaling door Jan Vrijman (voornamelijk bekend geworden als journalist en later als filmmaker, maar in de eerste helft van de jaren zestig ook werkzaam als vertaler) van The Echoing Grove/De echo van het hart van Rosamond Lehmann. Haar voornaamste verwijt is dat hij de tekst te veel zou hebben gladgestreken. De tekst is in het Nederlands wel consistent en leesbaar, maar is ‘slechts een echo van haar tekst’. Ze belijdt in een lange inleiding bij haar kritiek een traditionele vertaalopvatting: 

Het doel van het vertalen van een [literair] werk is de lezers die een bepaalde taal niet of niet voldoende machtig zijn, de gelegenheid te geven kennis te nemen van wat belangrijk is in een andere literatuur dan de Nederlandse. Hier is het dus een allereerste vereiste dat de bedoelingen en de taal van de oorspronkelijke schrijver zo zuiver mogelijk in een equivalent Nederlands overkomen. (Eggink 1954–1955: 91)

Opmerkelijk is dat zij vervolgt met de stelling dat ‘in de eerste plaats Nederlandse schrijvers in aanmerking komen’ voor die taak: ‘Zij toch kennen uit hoofde van hun schrijverschap de waarde van de taal tot in zijn nuances en bezitten de eerbied tegenover het werk van een collega, die er hen van weerhouden zal daar onverantwoordelijk mee om te springen’ (idem). Zij ziet daarbij een groot praktisch voordeel: ‘De Nederlandse auteur kan gewoonlijk van zijn pen niet leven en, indien hij neiging heeft in die richting, dan kan dus het ontvangen van geregelde vertaalopdrachten hem een broodwinning bezorgen, die past bij zijn aard en aanleg’ (idem). We mogen veronderstellen dat dit ook het motief van Eggink zelf was om een groot deel van haar leven aan vertalen te wijden. 

De vraag is of zij zelf altijd zo consequent haar vertaalopvatting heeft toegepast, gezien ook de discussies over haar vertalingen met de redacteuren van Contact. De brief bij het inleveren van de vertaling van F. Scott Fitzgeralds debuut, This Side of Paradise/Deze kant van het paradijs, laat zien dat zij de bedoelingen van de auteur niet altijd hoog in het vaandel had staan en dat zij het gemak van de lezer ook tot haar eigen gemak kon maken. Ook spreekt er een neiging tot culturele neutralisering uit.

Hierbij This Side of Paradise. Ik had de vertaling wel eerder kunnen sturen maar ik was niet tevreden en heb hem nog eens doorgenomen. Ik heb de wat verwarde denkkronkels van Amory Blaine met moeite in begrijpelijk nederlands overgebracht zonder echter de stijl werkelijk te veranderen. Voorts heb ik die verzen maar weggelaten. Ten eerste lijkt het mij wat erg veel gevergd van een vertaler om hem te laten zwoegen op verzen van Browning en Swinburne. De dichtsels van Scott Fitzgerald zelf zijn niet van dien aard dat iemand er veel aan mist. Alleen als de contekst het nodig maakte, heb ik rijmende regels vertaald. Bovendien slaat iedere lezer van vertalingen die verzen toch prompt over.

Van de vele genoemde schrijvers- en staatsliedennamen heb ik alleen die overgenomen die mogelijk bij enige nederlandse lezer nog een verre echo zouden kunnen oproepen. Ook heb ik enkele toespelingen op onbelangrijke gebeurtenissen of gewoonten waar men in Nederland totaal niets vanaf weet, laten vervallen. Ik hoop dat een en ander uw goedkeuring heeft. 
(Eggink aan Contact, 14 april 1969)

Er moet van goedkeuring sprake zijn geweest, want nog tot 1974 zijn er vertalingen van Eggink bij Contact verschenen. Dat zij daarna niet meer voor hen heeft gewerkt, zou te maken kunnen hebben met het overlijden van directeur G.P. de Neve in 1973; hij was haar eerste contactpersoon.

In 1978, zij is dan 72 jaar, verschijnt de allerlaatste vertaling van Eggink, het al eerder genoemde boek van Von Däniken, naast herdrukken van Muizen en mensenJane EyreOnder de huid van Brigid Brophy en Sterk als de dood van Guy de Maupassant, een van haar weinige vertalingen uit het Frans. Het jaar daarvoor had zij haar memoires over Bloem gepubliceerd, wat haar nog veel aandacht opleverde. Uit de vele interviews rond die tijd komt zij nog altijd naar voren als de sterke, zelfbewuste en eigenzinnige vrouw die ze haar hele leven wilde zijn en was. In 1980 maakt ze nog een wereldreis op een vrachtschip van rederij KNSM en publiceert ze haar laatste werk, de novelle Kind. Een jaar later wordt ze getroffen door een lichte beroerte en verhuist ze naar het Rosa Spierhuis, het tehuis voor oudere kunstenaars. Van werken kwam het daarna helemaal niet meer. Een tweede beroerte kwam ze nog te boven, maar op het laatst sloeg de vergetelheid toe in de vorm van dementie. Ze overleed op 3 maart 1991 op 84-jarige leeftijd.

Besluit
Wat was Clara Eggink nu voor vertaalster? Zij heeft zich in de loop van haar carrière ontwikkeld van iemand die zich vooral profileerde met eigen literair werk en daarnaast af en toe vertaalde, tot een min of meer standaard professioneel vertaler die daarnaast ook nog af en toe wat schreef. Al die tijd hield het vertalen voor haar nauwelijks verband met haar literaire en kritische werk, zij was niet de ambassadeur van een specifieke auteur en qua vertaalopvatting vrij traditioneel. In het Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland schrijft Vera Weterings dat ‘het leven van Clara Eggink in het teken [heeft] gestaan van haar verhouding met Bloem’ (Weterings 2014). Dat lijkt me aanvechtbaar, want het is eerder de herinnering aan haar leven die in het teken van Bloem staat; haar leven heeft zij grotendeels weliswaar naast hem, maar toch vooral zelfstandig geleefd door haar eigen werk. Een groot deel van dat werk bestond uit vertalen en het vertalen was voor haar vooral gewoon dat: werk, om van te leven. 

 

Bibliografie
Briefwisseling tussen Clara Eggink en Contact, Letterkundig Museum, signatuur Contact/inv.nr. 20/13, Contact/inv.nr. 21/13, Contact/inv.nr. 22/11, Contact/inv.nr. 24/9, Contact/inv.nr. 25/8

Briefwisseling tussen Clara Eggink en Wereldbibliotheek, Letterkundig Museum, signatuur E 00184 B 2

Eggink, Clara. 1954–1955. ‘Over vertalen in het algemeen en een vrijmoedig bedrog in het bijzonder’, Boek van nu, jg. 8, p. 91–92.

Eggink, Clara. 1962. Een Rotterdams kind en andere ontmoetingen. Amsterdam: Meulenhoff.

Eggink, Clara. 1977. Leven met J.C. Bloem. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep.

Eggink, Clara. 1980. Kind. Den Haag: Leopold.

Engelbrecht, Corina. 1977. ‘Geluk, dat heb ik nooit gezocht’, interview met Clara Eggink, Het Vaderland, 29-4-1978.

Kuitert, Lisa. 2006. ‘Talrijke uitgaven-in- voorbereiding. Uitgeverij Contact’, in: Hans Renders, Lisa Kuitert & Ernst Bruinsma (eds.). Inktpatronen. De Tweede Wereldoorlog en het boekbedrijf in Nederland en Vlaanderen. Amsterdam: De Bezige Bij, p. 180–203.

Lammers, Fred. 1981. ‘Clara Eggink blijft het avontuur zoeken’, interview met Clara Eggink, Trouw, 30-3-1981.

N.N. 1977. ‘Clara Eggink, Een natuurlijk bestaan in de letterkunde’, Rotterdamsch Nieuwsblad, 16-4-1977.

Steinbeck, John. 2012. Van muizen en mensen. Amsterdam: de Volkskrant.

Vermij, Lucie Th. 1994. Ik stortte mij over de grenzen. Leven en werk van Clara Eggink. Amsterdam: Feministische Uitgeverij VITA.

Voorst, Sandra van. 1997. Weten wat er in de wereld te koop is. Vier Nederlandse uitgeverijen en hun vertaalde fondsen 1945–1970. Den Haag: Sdu Uitgevers.

Weterings, Vera. 2014. ‘Eggink, Clara Hendrika Catharina Clémentine Hélène’, Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Clara_Eggink (geraadpleegd 6-9-2016).
 

Vertalingen Clara Eggink (selectie)
1937           Richard Sherman, Voor Mary (Boucher)
1941           John Steinbeck, Muizen en menschen (Wereldbibliotheek)
1946           William Saroyan, De menschelijke comedie (De Bezige Bij)
1950           Charlotte Brontë , Jane Eyre (De Geïllustreerde Pers)
1950           Emily Brontë, Wilde hoogten (De Geïllustreerde Pers)
1951           Joseph Conrad, Een banneling van de eilanden (Meulenhoff)
1951           W. Somerset Maugham, Gekluisterde levens (Wm. Heinemann)
1953           John Steinbeck, Ten oosten van Eden (Van Holkema & Warendorf)
1955           Nancy Mitford, Madame de Pompadour (De Lange)
1965           Ernest Hemingway, Mannen zonder vrouwen (Contact)
1958           D.H.Lawrence, De beminnelijke dame (Meulenhoff)
1962           Irving Stone, Tussen mens en marmer (Hollandia)
1966           Brigid Brophy, De finishing touch (Contact)
1966           Brigid Brophy, Onder de huid (Contact)
1967           Brigid Brophy, De aap van Hackenfeller (Contact)
1967           Charles Jackson, Het verloren weekend (Bruna)
1968           Brigid Brophy, De bal in de sneeuw (Contact)
1968           Iris Murdoch, De tijd van de engelen (Contact)
1968           Iris Murdoch, Het aardige en het goede (Contact)
1969           John McGahern, Het donker (Contact)
1969           Iris Murdoch, Bruno’s droom (Contact)
1971           F. Scott Fitzgerald, Deze kant van het paradijs (Contact)
1972           Ernest Hemingway, Verhalen uit de Spaanse burgeroorlog (Contact)
1973           William Trevor, Elisabeth (Sijthoff)
1978           Erich von Däniken, Bewijzen over de buitenaardse oorsprong van het leven op aarde (Van Holkema & Warendorf)

Lees meer over: