De erfenis van een vertalende duizendpoot    6-16

J.J.A. Goeverneur als vertaler voor de jeugd

Jan Van Coillie
Walter Verschueren

Literair vertalers komen in alle maten en gewichten. Sommige specialiseren zich in een auteur, een genre of een taal, andere kiezen voor een bredere aanpak. Maar er is nog die derde groep van de absolute veelvraten, vertalers van het slag van Ernst van Altena, over wie Martin de Haan ooit monkelend stelde dat hij ‘vertaalde, hertaalde en schreef sneller dan God en Vestdijk samen konden lezen’ (de Volkskrant van 7 oktober 2000). Eenzelfde grenzeloze geestdrift en technisch gemak kunnen worden toegedicht aan Jan Jacob Antonie Goeverneur (1809–1889), een van de meest vruchtbare literair vertalers en bewerkers uit de Nederlandse negentiende eeuw, een man die een even important als imposant en gevarieerd oeuvre bijeen vertaalde, maar van wie 125 jaar na zijn dood nog amper een paar versjes blijven voortleven.

Hoog tijd voor een eerherstel voor deze markante figuur die de geschiedenis van het vertalen voor kinderen een eigen wending gaf en in hoge mate heeft bijgedragen tot de canonisering van jeugdklassiekers als Robinson Crusoe, Gullivers Reizen, Baron von Münchhausen en Don Quichot. Een man die bovendien een niet te verwaarlozen rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van een ware volksleescultuur in Nederland. Want net als voor Conscience in Vlaanderen, geldt voor Goeverneur dat hij zijn volk leerde lezen. In de woorden van Taco de Beer, toch een centrale figuur in het letterkundig leven van Nederland in de tweede helft van de negentiende eeuw, had Goeverneur ‘heel het lezende Nederland spelende geleerd, ingelicht aangaande al het voornaamste en wetenwaardigste, wat er op de wereld gebeurde en goede en goedkoope lectuur verschaft in een tijd, toen wij bij de omliggende rijken in dat opzicht verre achterstonden’ (De Beer 1899: 54).

Als zoon van een predikant leek Johan Jacob Antonie Goeverneur voorbestemd om in het spoor van zijn vader te treden. In 1825 ging hij in Groningen theologie studeren, maar een ziekte hield hem van de studie af en bovendien, zo schrijft hij in zijn autobiografie, maakten de lessen hem ‘even suf en ziek’ als de medicijnen die hij moest slikken. De Griekse, Latijnse, Franse, Engelse, Italiaanse en vooral Duitse literatuur boeiden hem naar eigen zeggen ‘oneindig meer’ (Goeverneur 1899: 54). Met enkele vrienden richtte hij in 1829 de Groninger Studenten-Almanak op, waarin hij als Jan de Rijmer zijn eerste gedichten publiceerde. In 1831 ontsnapte hij aan de theologie door deel te nemen aan de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen. Bij zijn terugkeer in 1832 trok hij in bij zijn oom in Delft, waar hij klassieke letteren ging studeren. Daar kreeg hij een bundel fabels voor kinderen in handen van de Duitse predikant Wilhelm Hey en hij stak die ‘in een Hollansch pak’ (‘Johan Jacob Antonie Goeverneur’ 1899: 56). Het werd het begin van een buitengewoon productieve carrière als vertaler en auteur voor jong en oud.

Vertaler om den brode
Als de productiviteit het enige criterium zou zijn, aldus Buijnsters (2001: 193), dan was Jan Goeverneur zonder meer onze grootste kinderboekenschrijver uit de negentiende eeuw. De Nederlandse centrale catalogus vermeldt ruim vijfhonderd titels, waarbij Buijnsters opmerkt dat de lijst lang niet compleet is. Het leeuwendeel van deze publicaties zijn vertalingen; vooral uit het Duits, enkele ook uit het Frans, Engels en Italiaans. Goeverneur vertaalde en bewerkte zowel voor kinderen als voor volwassenen en in verschillende genres: poëzie, fabels, historische romans, novellen en volksromans, sprookjes, avonturenverhalen, prentenboeken, informatieve boeken over natuur-, land- en volkenkunde, leesboekjes voor schoolgebruik en liedjesbundels. Daarnaast redigeerde hij bijna veertig jaar lang het populaire tijdschrift De Huisvriend (1843–1882), waarvoor hij veel teksten zelf schreef en vertaalde.

Vooral dat redactiewerk zorgde voor enige financiële zekerheid. Als broodschrijver was hij voor het overige afhankelijk van de opdrachten van zijn uitgevers. Zijn werk verscheen bij meer dan vijftig verschillende uitgevers (Gideonse 1963) en vertalingen waren volgens Goeverneur zelf noodzakelijk om te overleven: ‘Daar een geheel onbemiddeld auteur in ons land van “oorspronkelijke” producten onmogelijk leven kon, bleef hem alleen vertalen, omwerken en dan de literatuur voor kinderen over’ (‘Johan Jacob Antonie Goeverneur’ 1899: 56). Uitgevers namen daarbij allerlei clausules op in hun contracten om zichzelf in te dekken, met vertalingen als een soort wisselgeld, zoals blijkt uit volgende voorwaarde uit het contract bij Goeverneurs Gedichten en rijmen (1836): ‘Bijaldien het getal Intekenaren of het debiet niet zoodanig zijn mogten, dat de verschoten gelden uit den opbrengst kunnen worden goedgemaakt, neemt de eerst ondergeteekende op zich, voor den laatsten zoodanig werk, als deze zal goedvinden te vertalen tegen 4,- per blad’ (Wiebenga 1999: 5). Bovendien werden auteurs verplicht hun rechten af te staan en werden ze ook niet gehonoreerd voor herdrukken, wat betekende dat ze moesten blijven produceren, ook al werden hun werken vele keren herdrukt (Saalmink 2006: 104).

Goeverneurs debuut, Fabelen en gedichtjes voor kinderen (1835) verscheen bij Van Boekeren zonder vermelding van auteursnaam, volgens Wiebenga (1999: 6) ook een vaak gebruikte manier van uitgevers in die tijd om zich in te dekken. De voorzichtigheid bleek niet nodig, want Goeverneurs werk werd een succes. Een jaar later publiceerde Van Boekeren een tweede bundeltje fabels en in 1838 nog twee. De vier deeltjes beleefden herdruk na herdruk. Toen Hugo Suringar de bundels overkocht in 1864, typeerde Het Nieuwsblad voor den boekhandel het werk als ‘het alom gunstig bekende Fabelboek’ (Wiebenga 1999: 9). Het succes was zo groot dat Goeverneur in 1849 bij Van Bolthuis een tweede reeks van vier fabelboekjes startte, die in 1900 als J.J.A. Goeverneur’s Fabel- en versjesboek bij Wolters een elfde druk beleefde. Ook de meeste van Goeverneurs sprookjes-, prenten- en schoolleesboeken, en klassiekers voor de jeugd werden meermaals herdrukt, maar zonder twijfel zijn populairste werk is Reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen (1858), waarvan meer dan twintig drukken verschenen bij verschillende uitgevers tot in de eenentwintigste eeuw.

De verzwegen bronnen
Goeverneurs debuut verscheen niet alleen zonder zijn eigen naam, maar ook zonder die van Hey, de auteur van de brontekst. Ook dat blijkt een gebruikelijke negentiende-eeuwse praktijk te zijn. Blomhoff (1989) suggereert dat Goeverneur dat deed als broodschrijver om zelf alle inkomsten te kunnen incasseren. Het voorwoord van de eerste en tweede druk vermeldt enkel dat het om een ‘overbrenging op onzen bodem’ gaat van een Hoogduits werkje. Dat Goeverneur zich de fabels als het ware toe-eigende, blijkt ook uit de titel van de verzamelbundel Goeverneur’s fabelboek. Ook de titel van het eerste deeltje uit de nieuwe reeks Nieuwe fabelen en versjes (1849) vermeldde niet dat het deels om een vertaling ging, maar hier blijkt dat uit het voorwoord: ‘Onder de versjes zonder prentjes zijn enkele aan Duitsche kinderdichters, met name aan Richard Löwenstein, ontleend.’ In het boek zelf wordt nergens vermeld om welke versjes het gaat. Bij de volgende drie deeltjes bracht de ondertitel wel verduidelijking. Prettige deuntjes en liedjes (1866) vermeldde ‘Eigen en Hoffmann von Fallersleben nageschreven’, bij Wat Oom Jan nog in zijn zak vond (1866) klonk het ‘naar vreemden en eigen’ en bij Laatste Sint Nicolaas (1866) ‘vreemden gevolgd en eigen’.

Zelfs Goeverneurs bekendste werk, Reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen, noemt nergens de brontekst, de ondertitel vermeldt enkel: ‘Naar teekeningen van Rudolpf [sic] Töpffer; voor de Nederlandsche jeugd berijmd door J.J.A. Goeverneur’. Ook bij zijn vertalingen van andere populaire prentenboeken zoals De ondeugende kinderen [1852] of Moeder Trot en haar poesje (1870) wordt niet vermeld dat het om een vertaling gaat. Joosen wijst erop dat hetzelfde geldt voor veel van zijn sprookjesvertalingen (Joosen 2012: 16), al zijn ook hier de aanduidingen divers. J.J.A. Goeverneur’s Gulden kinderboek [1888] vermeldt inderdaad nergens de namen van zijn bronnen. Bij de jeugdbewerkingen van volwassenenliteratuur laat Goeverneur de oorspronkelijke auteur dan weer vaak weg, maar in de regel vermeldt hij wel duidelijk dat het gaat om een bewerking of ‘vertaling’. Zo luidt de volledige titel van Gulliver’s Travels: Gulliver’s Reizen naar Liliput en andere vreemde landen ‘voor de jeugd bewerkt door J.J.A. Goeverneur’.

Omdat vertalers voor kinderen zelden op het voorplan treden (‘invisible storytellers’, zo typeert Gillian Lathey hen), hebben ze meestal een ‘dringende’ reden als ze dat wel doen (Lathey 2010: 111). Als broodschrijver had Goeverneur er alle belang bij om zijn naam centraal te stellen bij zijn vertalingen. Ook zijn uitgevers hadden daar voordeel bij: zijn naam verkocht. Overigens was de praktijk om vertalingen onder eigen naam te publiceren in de negentiende eeuw heel gebruikelijk binnen de jeugdliteratuur. Daarbij waren de grenzen tussen oorspronkelijk werk en vertaling en tussen vertalen, bewerken en hervertellen veel vager dan nu. Uit een studie van Cees Koster blijkt dat deze omgang met bronteksten ook in de twintigste eeuw nog heel courant was. Hij noemt Pieter de Zeeuw, die net als Goeverneur tal van jeugdklassiekers vertaalde, als representatief voor deze ‘vorm van vertalende omgang met teksten die eigen is aan het verschijnsel kinder- en jeugdliteratuur’ (Koster 2005: 63).

Zwanen, musicerende hazen en mopjes
Toen Fabelen en gedichtjes voor kinderen in 1835 verscheen, gaf het voorwoord duidelijk aan waarom ‘de overbrenging van hetzelve op onzen bodem geen onnut of doelloos werk zijn zoude’. Het noemt ‘de gemoedelijke strekking, de echt kinderlijke toon, de lieve plaatjes, kortom de, niet alleen in ons oog, wezenlijke verdienste van het Hoogduitsche werkje’. Wat verder gaat het ook over het werk van de vertaler of bewerker: ‘wat deze Hollandsche bewerking betreft, zij heeft den vertaler meer moeite en tijd gekost, dan hij zich aanvankelijk van dezelve had voorgesteld’. Welke impact hadden die ‘moeite en tijd’ op de vertaling?

Goeverneur vertaalde alle honderd fabels uit Heys Fünfzig Fabeln für Kinder (1833) en Noch fünzig Fabeln für Kinder (1837), behalve twee. Hij verspreidde zijn vertalingen wel over vier bundels en veranderde de volgorde. Opmerkelijk is dat hij in de religieuze gedichten uit de ‘Anhang’ bij de twee bundels wel drastisch selecteerde. Mogelijk vond hij de vaak zware, abstracte verwoording en de strekking van de gedichten over de Bijbel, doopsel, dood, God en hemel niet geschikt voor de kinderen die hij voor ogen had. Zijn vertalingen waren vaak ingrijpende bewerkingen, al behield hij op enkele uitzonderingen na wel steeds de inhoudelijke kern van de gedichten. Zijn vertaling van ‘Schwan und Kind’ bijvoorbeeld bewaart de dialoog tussen een zwaan en een kind, waarbij het dier het brave kind dankt omdat het hem brood voert. Goeverneur brengt de fabel in zijn eigen woorden, waarbij hij in de tweede strofe meerdere regels toevoegt:

Das Kind trat zu dem Teich heran
und freute sich an dem schönen Schwan,
wie rein und weiβ war sein Gefieder,
wie sanft er schwamm so hin und wieder!
Es wurde bald mit ihm bekannt,
lieβ das Brot ihn nehmen aus seiner Hand. 

De knaap ging zitten aan den kant,
De zwaan at kruimpjes uit zijn hand;
De knaap zei: Zwaan, ik heb niet meer,
De zwaan zei: Kind, dat spijt mij zeer,
Maar breng mij morgen nog eens wat!
En ’t kind zei: ik beloof u dat. –
Toen speelden zij nog langen tijd,
En waren vrolijk en verblijd,
Totdat het kind naar huis moest gaan
En zei: Tot morgen, lieve zwaan!

Woorden als ‘vrolijk en verblijd’ of ‘lieve’ en het toevoegen van directe rede zijn typisch voor Goeverneur: ze maken zijn gedichten kinderlijker en expressiever. In andere gedichten verhoogt hij de expressiviteit door de jonge lezers direct aan te spreken, of klanknabootsingen, binnenrijmen, ritmische opsommingen, herhalingen, uitroepen en interjecties toe te voegen. Ook versterkte hij geregeld de impliciete moraal van de gedichten. Als een boek niet wil antwoorden op de vragen van het kind, reageert dat met een wijze uitspraak in de traditie van Van Alphen: ‘’k Zet mijn speelgoed in een hoekje/ En ga leeren uit mijn boekje’. Bij Hey gooide het kind het boek geërgerd in een hoek, zonder commentaar.

Zijn bewerking van Friedrich Blauls Der Jugend Lust und Lehre in neuen Fabeln, Märchen und Erzählungen (1846) maakte Goeverneur samen met zijn vriend H. Ilpsema Vinckers. In hun voorwoord noemen ze hun bron expliciet, waarbij ze ook wijzen op de aanpassing aan de jonge lezers. Ze brachten ‘hier vertaling, elders geheel vrije bearbeiding van het oorspronkelijke, gewijzigd naar den geest van het jeugdig publiek, dat zij zich voorstelden’. Hierbij maakten ze de versjes vaak concreter en expressiever. De bedelaar die moet aanzien hoe een vrouw hem wegstuurt terwijl ze haar huisdieren voedert, bedenkt bij Goeverneur: ‘“Ach”, dacht hij, “ware ik hond of kat,// ’k At mij ook alle dagen zat!”’ Bij Blaul klinkt het veel abstracter: ‘Wie war der Bettemann so froh,/ hätt er es nur halberwege so!’

Goeverneurs bekendste kindergedichten ‘De musicerende hazen’ en ‘Mop en Mopje’ (‘Toen onze mop een mopje was’) ontleende hij aan Hoffmann von Fallersleben. Ongetwijfeld spraken diens eenvoudige, klankrijke versjes, geïnspireerd door oude kinderrijmen en volksliedjes, hem bijzonder aan. Zijn vertalingen blijven dan ook dicht bij de bronteksten, al versterkt hij ook nu soms nog de expressiviteit. ‘In einem grünen Thälu-Thälulein wordt bij Goeverneur: ‘Al in een groen, groen, groen knollen-knollen-land’ (1866: 4).

Zowel Goeverneurs debuut voor kinderen als dat voor volwassenen werd positief onthaald in het toonaangevende tijdschrift De Gids, waardoor zijn faam als vertaler meteen gevestigd was. In zijn recensie van de tweede druk van Fabelen en gedichtjes prijst Potgieter (1838) Goeverneurs ‘veelzijdig talent’ als vertaler en zijn ‘uitmuntende versificatie’. Ook in zijn recensie van Vertelseltjes bij moeders schoot oordeelt Potgieter (1839) uiterst positief over Goeverneurs talent als vertaler: ‘Schoon titel noch voorberigt het vermeldt, zijn wij de vertaling dezer gedichtjes, weder aan het uitstekend talent van den Heer Goeverneur verschuldigd; het schittert op elke bladzijde.’

De grote doorbraak komt wanneer De Génestet in 1857 in zijn ophefmakende lezing ‘Over kinderpoëzie’ Van Alphen – die hij typeert als ‘vervaardiger van allerlei ouwe mannetjes-gedichtjens’ – onttroont ten voordele van Goeverneur. Hij roemt Goeverneurs kindergedichten als ‘melk der poëzy, die den aesthetischen mensch – wien de opvoeding meestal ten eenemale verzuimt – kan voeden en ontwikkelen’ (De Génestet 1865: 103). Hierbij rept ook De Génestet overigens met geen woord over het feit dat Goeverneur zijn versjes vertaalde.

 Ook voor Busken Huet heeft Goeverneur Van Alphen ‘overschaduwd en verdrongen’ en verdient hij een plaats in elke literatuurgeschiedenis. Ook hij behandelt Goeverneur als een oorspronkelijk auteur en niet als vertaler. Dat is anders bij Nicolaas Beets. Hij noemt Hey expliciet en wijst er meteen op hoe zijn boekjes onder Goeverneurs naam bekend zijn: ‘Men mag wel zeggen dat de boekjes van Hey, of zoo als men ze hier te lande gewoonlijk noemt, de boekjes van Goeverneur, vóór dertig jaren een nieuw tijdperk in de kinderliteratuur geopend hebben.’ Goeverneurs vertaling roemt hij als ‘een meesterwerk van bevalligheid en losheid’ (Crito 1867: 38–39).

Ongetwijfeld hebben de positieve commentaren van gezaghebbende critici een belangrijke rol gespeeld bij Goeverneurs succes. Vooral De Génestet en Busken Huet vertolkten een nieuwe kijk op de literatuur voor kinderen waar Goeverneur perfect bij aansloot. Zij zwoeren de vroegere expliciete en vaak pedante moraal af en pleitten voor meer vrolijkheid en kinderlijkheid (Brantas e.a. 1989: 290–291 en De Vries 1989: 23–27). Precies die eigenschappen kenmerkten Goeverneurs (vertaalde) werk.

De commentaren van Beets, De Génestet en Busken Huet leven door in de latere receptie. In Een eeuw kinderpoëzie (1926) noemt Wirth Goeverneur de belangrijkste kinderdichter van zijn tijd. Hij prijst zijn vertalingen om hun natuurlijkheid, maar wijst tegelijk op ‘slordige’ (190) en ‘slechte’ (192) vertalingen in later werk. Overigens had ook De Gids in 1868 al gewezen op Goeverneurs ‘bekende eigenaardigheden’ als vertaler, ‘aan de eene zijde losheid en naïeve eenvoud, aan den anderen kant slordigheid tegen de taal’. Die slordigheid zou hem nog talloze malen aangewreven worden. Ook Daalder (1950) sluit aan bij de gekende typeringen. Hij noemt Goeverneur ‘een werkelijke kindervriend’ (82) en stelt dat hij Van Alphens roem ‘verduisterde’ met zijn vertalingen van Hey.

De gekuiste vlindervanger
Voor Salverda en Korteweg (1986: 78) zal Goeverneur niet alleen blijven verder leven als dichter van versjes als ‘Toen onze Mop’, maar vooral als ‘kuisend herschepper van Rodolphe Töpffers Monsieur Cryptogame’ (1846). Ze vermelden er niet bij dat het ‘kuisen’ al gebeurd was door Julius Kell in zijn Duitse bewerking voor de jeugd Fahrten und Abenteuer des Herrn Steckelbein (1847). Kell veranderde niet alleen de naam van zijn hoofdpersonage, maar bracht ook een groot aantal wijzigingen aan die typerend zijn voor de manier waarop veel klassiekers in de negentiende eeuw werden aangepast voor kinderen (zie Parlevliet 2009). De verstokte vrijgezel en vlindervanger wordt niet langer achternagezeten door zijn verloofde Elvire, maar door zijn zuster Ursula. Kell schrapte ook enkele passages met bijhorende tekeningen die hij wellicht niet geoorloofd vond voor het jeugdige publiek. Zo trouwt Steckelbein niet langer met een schone Provençaalse in de maag van de walvis en doodt Ursula niet langer de vorst van Algiers met haar zwaard.

Zowel inhoudelijk als vormelijk blijft Goeverneur dicht bij de versie van Kell. Hij neemt het verhaal helemaal over, met de aanpassingen die Kell eerder aanbracht. Alleen net voor het einde schrapt hij één strofe. Maar ook hier zet hij de inhoud om in eigen bewoordingen en legt daarbij vaak eigen accenten. Net als bij zijn fabelbewerkingen verhoogt Goeverneur de expressiviteit, waarbij hij zich vaker direct tot de jonge lezers richt, al meteen bij het begin: ‘Kindren, komt en hoort mij aan;/ ’k zal je hier vertellen gaan,/ Hoe ’t heer Prikkebeen verging,/ die zo graag kapellen ving’ (1). Bovendien vernederlandst hij namen en andere culturele verwijzingen.

Asschepoestertje en de ondeugende koningin
Goeverneur was niet de eerste die de sprookjes-uit-1001-nacht of van Perrault, Grimm en Andersen in het Nederlands vertaalde (Buijnsters 2001), maar hij was zeker een van de eersten die ze op grote schaal hielpen verspreiden. Joosen (2012: 122) wijst erop dat hij verschillende versies van dezelfde sprookjes publiceerde. Dat blijkt alvast uit een vergelijking van Oude Sprookjes opnieuw verteld [1861] en Het boek van de mooiste kinder- en volkssprookjes (1874). Het eerste boek bevat acht sprookjes van Perrault, Grimm en Hauff. Het tweede is een ruimere verzameling met tientallen sprookjes van vooral Grimm, maar ook van Bechstein en Andersen. In geen van de bundels is de oorsprong van de sprookjes aangegeven. Vermoedelijk maakte hij gebruik van tussenvertalingen, wat de verschillende versies zou kunnen verklaren. Zo blijft zijn versie van ‘Sneeuwwitje’ uit 1874 veel dichter bij die van de gebroeders Grimm (uit 1857) dan zijn versie uit 1861, althans wat de verwoording betreft, want inhoudelijk zijn er nauwelijks verschillen.

Niet alleen tussen, maar ook in de bundels verschilt de mate waarin de sprookjes van Grimm of Perrault zijn aangepast. ‘Assepoester’ uit 1874 staat veel verder van de versie van Grimm af dan ‘Sneeuwwitje’. De versie uit 1861 gaat dan weer terug op die van Perrault, met de toverende petemoei, maar verwerkt wel elementen uit Grimm, zoals het fragment waarin de vogels de erwten uit de as halen. Goeverneurs sprookjesbewerkingen kwamen ook op de markt in verschillende vormen en formaten. Zo verschenen zijn sprookjes van Andersen eerst in 1882 in vijftien stukjes en later in 1891 in drie delen, met een derde druk in 1899 en een Vlaamse uitgave in meerdere deeltjes als prentenboeken bij Opdebeek in de jaren vijftig van de twintigste eeuw.

In elk geval sloot Goeverneur met zijn sprookjesbewerkingen aan bij de heropbloei van de romantiek in de Nederlandse letteren na 1850, die samenging met een romantisch opvoedingsideaal (De Vries 1989: 28–29). Toch kregen ze nauwelijks aandacht in literatuurgeschiedenissen en recensies. In de Vaderlandsche Letteroefeningen verschijnt in 1856 een korte bespreking van de Oostersche vertellingen van Duizend-en-één-nacht, maar de anonieme recensent heeft het niet over de vertaling. Dat doet R.T.N. wel in De Gids van 1899. Hij stelt dat Goeverneurs vertaling van de sprookjes van Andersen ‘lang niet zoo geslaagd is als zijn Prikkebeen’ (597).

Praatjes bij plaatjes
Goeverneur heeft ook heel wat prentenboeken vertaald en bewerkt. Het valt op dat hij daarbij inspeelde op populaire figuren en motieven met boeken over Jan Klaassen, Sinterklaas, ondeugende kinderen en het ABC. Ook hier is de verhouding tot de bronteksten wisselend en vaak diffuus, waarbij slechts zelden de brontekst genoemd wordt.

Met Ondeugende kinderen: een vermakelijk prentenboek met rijmen [1852], sloot Goeverneur aan bij de stroom prentenboeken in het spoor van Der Struwwelpeter van Heinrich Hoffmann (1845). Typisch voor het genre zijn de vaak absurd strenge straffen die de stoute kinderen in het boek ondergaan. Goeverneur vertaalde een epigoon (opnieuw zonder die te vermelden), de Lachende Kinder mit Bildern van Adolf Glasbrenner en Theodor Hosemann (1851). Ook hier blijft hij inhoudelijk en vormelijk dicht bij de brontekst (waarbij hij ook gebonden is aan de illustraties), maar breidt hij dialogen uit, voegt hij details, uitroepen en klanknabootsingen toe, naturaliseert hij en past hij hier en daar de inhoud licht aan onder druk van het rijm. In ‘Het luistervinkje’ (vertaling van ‘Vom Horch und Klatsch Porchen’) wordt hierdoor de gruwel enigszins verzacht. Waar in de brontekst de reus het kind dreigt op te eten (‘wird’s vom Griesgram aufgespeist’) luidt het bij Goeverneur: ‘Moeder, kom, of ze is verloren,/ En de reusman bijt, tot straf/ De arme meid den neus nog af.’

Verhalen uit den vreemde voor jong en oud 

Lieve zuster Ursula!
Ik ga naar Amerika;
Dat is ’t echt kapellenland

Aldus de bekende regels waarmee Prikkebeen de afscheidsbrief aan zijn zus aanvangt. Dat Prikkebeen Amerika als bestemming kiest, hoeft niet te verbazen: maar de reden heeft minder met ‘kapellen’ (vlinders) te maken, dan wel met de fascinatie die Jan Goeverneur zijn hele leven lang ervoer voor de ongerepte, braakliggende uitgestrektheid van het land en zijn heldhaftige bevolking van indianen, woudlopers en pioniers. Goeverneurs liefde voor Amerika leidde in de eerste plaats tot vertalingen van een aantal laagdrempelige werken die behoren tot de populaire, ‘scenische’ literatuur (‘tafereelen’, ‘schetsen’) en waarin de lezer op vermakelijke wijze kennismaakt met het vreemde. In 1856 verschijnt zo De woudloper: schetsen en tafereelen uit de wouden en prairiën van Amerika (1853) van Gabriel Ferry, een voorloper van Karl May, die het jaar tevoren in Californië was gestorven. In 1862 volgt De pelsjagers van Arkansas: tafereelen uit de wouden en prairieën van Amerika van de Franse avonturenschrijver Gustave Aimard. Die vertaling wordt uitermate goed ontvangen als een geschikt boek voor jong en oud, zoals blijkt uit de aanbeveling van de criticus H.G. Hartman in de Vaderlandsche Letteroefeningen:

Liefhebbers van natuurtooneelen! wilt gij uwe zucht naar het grootsche en schoone genoegen, – koop dan dit werk. Beminners van romantische schetsen! wilt gij uwen dorst naar het romaneske en wonderbare voor een groot gedeelte bevredigen, zoo al niet geheel lesschen, schaf u dan dit boek aan. Directeuren van leesgezelschappen! wilt gij, dat uwe leden uwen goeden smaak prijzen, laat dan deze schetsen onder hen rondgaan en gij zult uw verlangen voldaan zien. Huisvaders! wilt gij uwe zonen iets goeds in handen geven, dat bij het nuttige tevens het aangename paart, en hunnen lust tot studie opwekt, – geeft hen dan ‘de Pelsjagers van de Arkansas?’ (jaargang 1862: 122)

Zoals vaak het geval is bij Goeverneur, zijn de vertalingen van beide Franse werken zeer waarschijnlijk tot stand gekomen via Duitse tussenvertalingen, een praktijk die heel courant was bij jeugdliteratuurvertalingen in die tijd in heel Europa (Lathey 2010: 113–114). Rond de tijd dat de vertalingen van Ferry en Aimard verschijnen, brengt Goeverneur nog twee vertalingen van gelijksoortige Duitse teksten op de markt. In 1860 verschijnen de Jagt- en reisavonturen in Amerika naar het origineel van de Duitse Amerikapionier Friedrich Armand Strubberg uit 1858 (Amerikanische Jagd- und Reiseabenteuer aus meinem Leben in den westlichen Indianergebieten). En in 1863, een jaar na zijn succesvolle Aimardvertaling, publiceerde hij Onder de Yankee’s: schetsen en verhalen uit het Noord-Amerikaanse volksleven naar een werk van de Duitser Otto Ruppius uit 1861 (Genrebilder aus dem deutsch-amerikanischen Leben). Over dit werk is de recensent van dienst bij de Vaderlandsche Letteroefeningen heel wat minder enthousiast. In onomwonden bewoordingen verwijt Van der Mast de vertaler verregaande slordigheid en professionele oneerlijkheid:

Er zijn menschen, die wanneer iets omtrent hen, of hunnen arbeid gezegd wordt, dat niet met den algemeenen lof overeenstemt, den mond vol hebben met spreuken als deze: het zijn niet de slechtste vruchten, waaraan de wespen knagen! Zou het ook niet zoo in sommige gevallen met Goeverneur zijn? Hij wane toch niet boven elk vooroordeel verheven, en geve zich daardoor niet over aan achteloosheid, die weldra in slordigheid ontaardt. Het voor ons liggende werkje draagt er weder sporen van, dat de vertaler niet die zorg aan zijne vertaling besteed heeft, welke zij verdient. Men heeft wel eens gezegd, dat Goeverneur er tegenwoordig eenige ‘Goeverneurtjes’ op nahoudt; indien dit waar is, dan zou het ons niet verwonderen, dat dit werkje door een zoodanig ‘Goeverneurtje’ is vertaald geworden. (jaargang 1863: 283)

De insinuatie dat Goeverneur gebruik zou hebben gemaakt van ghostwriters (‘Goeverneurtjes’) is niet helemaal onbegrijpelijk in het licht van zijn adembenemende output. Hij was uitstekend op de hoogte van het boekenvak en wist heel goed met welke auteurs en titels op de Nederlandse markt succes (en geld) viel te rapen.

Jeugdklassiekers
Dat Goeverneur zich niet enkel beperkte tot het vertalen van kinderverzen en sprookjes, blijkt uit zijn vele vertalingen (bewerkingen) van klassieke werken uit de literaire canon voor de jeugd. De lijst is lang en gevarieerd en bevat werken als Captain Frederick Marryats jeugdklassieker De kinderen van ’t woud (1848), Cervantes’ Don Quichot (1871), Charles De Costers Tijl Uylenspiegel (1872), Jonathan Swifts Gulliver’s Reizen (1878) en Daniel Defoe’s Robinson Crusoe (1884; met zes herdrukken in vijftien jaar!). Ook hier is Goeverneurs grote voorliefde voor Amerika opmerkelijk: van de toen populaire James Fenimore Cooper bewerkte hij maar liefst vier romans, waaronder het bekende De laatste der Mohikanen (1886). Enkele jaren tevoren had hij gezorgd voor een bewerking van Harriet Beecher Stowes internationale bestseller Uncle Tom’s Cabin (De Negerhut van Oom Tom, 1882).

In zijn analyse van Goeverneurs bewerkingen van Marryat en Cooper merkt Degreef (1982) op dat hij daarbij steevast dezelfde strategieën hanteerde, met name een reductie van het aantal afwijkingen van de hoofdplot en van het aantal beschrijvende momenten, een ‘minimale uitwerking’ van de personages en de setting, en ten slotte een vereenvoudiging van het vertelstandpunt en de stijl. Het is niet altijd even duidelijk of die strategieën bewust door Goeverneur werden gebruikt, dan wel het gevolg zijn van het mogelijk gebruik van tussenvertalingen (die op zich al jeugdbewerkingen waren). In zijn bewerkingen ging Goeverneur niet altijd even subtiel te werk. Hij had de neiging om de oorspronkelijk wijdlopige plotlijnen te reduceren en de avontuurlijke actie te benadrukken, waardoor vrouwelijke personages werden weggedrukt. De typische romance in de romans van Cooper bijvoorbeeld, verdwijnt volledig in Goeverneurs bewerking van The Last of the Mohicans. Daardoor krijgt de bewerking een meer ‘jongensachtig’ karakter dan bij Cooper het geval is en moet de liefde wijken voor een verheerlijking van de vriendschap van mannen onder elkaar. Ook andere elementen, die essentieel zijn voor het goede begrip van Coopers tekst, zoals het moeilijke thema van interraciale relaties, komen niet meer voor in de bewerking. Cora Munro, in het oorspronkelijk verhaal het kind uit een interraciale relatie, wordt bij Goeverneur enkel afgeschilderd als iets donkerder van huid dan haar blanke zus. Gamut, de door Cooper satirisch geportretteerde zangleraar en fanatieke volgeling van het calvinisme, komt bij Goeverneur helemaal niet meer voor, waardoor ook de oorspronkelijke kritiek op de protestantse zendingsdrift verloren gaat.

Hoe dan ook kenden Goeverneurs bewerkingen met name in de tweede helft van de negentiende eeuw een groot succes en was de eigentijdse kritiek in de regel vol lof. Zo prijst Willem Hecker Goeverneur onder meer omdat hij erin slaagde ‘in bevattelijken trant klassieke meesterstukken voor ’t opkomend geslacht toegankelijk en aantrekkelijk te maken’ (Hecker 1889: 378). Ook vandaag de dag blijft de toon bijzonder waarderend, zeker onder de connaisseurs van jeugdliteratuur. Brantas e.a. (1989) introduceren Goeverneur als ‘de grote man’ op het gebied van de bewerkingen, die voor hen ‘een belangrijk onderdeel’ van de Nederlandse jeugdliteratuur uitmaken, al situeren ook zij zijn grootste verdienste in zijn kinderversjes. Voor Zuurveen (1996) hebben Goeverneurs vertalingen veel klassiekers ‘op smakelijker wijze dan voorheen vaak gebeurde, voor kinderen toegankelijk gemaakt’.

Tot slot: een vergeten monument
Wanneer in februari 1889 – een maand voor zijn dood – zijn tachtigste verjaardag wordt gevierd, schrijft Goeverneurs goede vriendin Maria Carolina Frank volgend eerbetoon in Goeverneurs Oude Huisvriend:

Meer dan een halve eeuw wijdde Goeverneur zich aan [het vertalen en bewerken voor kinderen], en daardoor aan zijn volk, zijn vaderland, ijverig en stil voortwerkende . . . en zoo goed als hij het kon, heeft hij zich in vele harten een denkmaal opgericht, dat langer zal bestaan, dan stoffelijke eerbewijzen; en door zijn letterkundige vruchten zal Goeverneur’s naam nog leven en vereerd worden, wanneer hij – moge hij nog vele jaren leven! – én wij én onze kinderen reeds lang tot stof en asch zijn vergaan. (40)

De geschiedenis, helaas, besliste anders. Maar ook al heeft bitter weinig de vertaler en kinderdichter overleefd, toch heeft Goeverneur − ‘één van de bescheidenste loonslaven in dienst van de Nederlandse literatuur’ − zoals Ab Visser hem ooit typeerde als vertaler (Visser 1965: 67), zonder twijfel een belangrijke impact gehad op de ontwikkeling van de kinderliteratuur in de Nederlanden. Met zijn vertaalde fabels voor kinderen liet hij een nieuwe wind waaien door de kinderpoëzie en had hij een niet te onderschatten invloed op kinderdichters van na 1850 als Ant. L. de Rop, W.F. Oostveen of P. Louwerse, die de eerste druk van zijn bundel Alles zingt (1878) aan Goeverneur opdroeg. Zijn vertalingen en bewerkingen van sprookjes onderscheidden zich door hun vlotte vertelstijl, waardoor ze zich beter lieten voorlezen dan die van zijn voorgangers. En men kan samen met Buijnsters en Buijnsters-Smets (2001) besluiten dat ‘de Nederlandse jeugd dankzij Goeverneur met een flink deel van de verhalende wereldliteratuur kennis heeft kunnen maken’ (197).

 

Bibliografie
‘Johan Jacob Antonie Goeverneur’. 1899. Noord en Zuid, 22, p. 53–57.

Beer, Taco H. de. 1899. ‘Nawoord’, Noord en Zuid, 22, p. 58–60.

Beets, Nicolaas. 1867. ‘Over kinderboeken’, in: idem, Verscheidenheden meest op letterkundig gebied, dl. 3. Haarlem: Erven F. Bohn, p. 1–66.

Berg, Willem van den & Piet Couttenier. 2009. Alles is taal geworden. Geschiedenis van de Nederlandsche literatuur 1800–1900. Amsterdam: Bert Bakker.

Blomhoff, Josien. 1989. ‘Boeken en levensgeschiedenis van Goeverneur’, Hoevelakens Nieuwsblad, 20-12-1989.

Brantas, Gerard, Monique Konings, Maud de Sitter & Peter van Zonneveld. 1989. ‘Van Brave Hendrik tot Dik Trom. De negentiende eeuw’, in: Harry Bekkering e.a., De hele Bibelebontse berg. De geschiedenis van het kinderboek in Nederland en Vlaanderen van de middeleeuwen tot heden. Amsterdam: Querido, p. 229–293.

Buijnsters, P.J. & Leontine Buijnsters-Smets. 2001. Lust en Leering. Geschiedenis van het Nederlandse Kinderboek in de negentiende eeuw. Zwolle: Waanders.

Busken Huet, Cd. 1863. ‘Kinderboeken’, in: Literarische fantasieën en kritieken, dl. 8. Haarlem: Tjeenk Willink, p. 35–36.

Crito [ps. Nicolaas Beets]. 1867. ‘Over kinderboeken; gesprek met Crito; eene voorlezing’, in: idem, Verscheidenheden meest op letterkundig gebied, dl. 3. Haarlem: Erven F. Bohn.

Daalder, D.L. 1950. Wormcruyt met suycker. Amsterdam: De Arbeiderspers.

Degreef, J. 1982. ‘J.J.A. Goeverneur als “vertaler” van Cooper en Marryat’. Ongepubliceerde licentiaatsthesis. Leuven: KU Leuven.

Génestet, P.A. de. 1865. Over kinderpoëzy. Amsterdam: Gebroeders Kraay.

Gideonse, C.L.T. 1963. ‘J.J.A. Goeverneur. Proeve van een bibliografie’, Werkstuk bibliotheek- en Documentatieschool Amsterdam.

Hecker, W. 1889. ‘Levensbericht van Jan Jacob Antonie Goeverneur’, in: Handelingen en Mededelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. Leiden: E.J. Brill, p. 376–389.

Joosen, Vanessa. 2012. Wit als sneeuw, zwart als inkt. De sprookjes van Grimm in de Nederlandstalige literatuur. Leuven: Lannoo Campus.

Koster, Cees. 2005. ‘En Famille. De positie van vertaling in de Nederlandstalige kinder- en jeugdliteratuur’, Literatuur zonder leeftijd, 67, p. 57–69.

Lathey, Gillian. 2010. The Role of Translator’s in Children’s Literature. Invisible Storytellers. New York/London: Routledge.

Parlevliet, Sanne. 2009. Meesterwerken met ezelsoren. Bewerkingen van literaire klassiekers voor kinderen 1850–1950. Hilversum: Verloren.

Potgieter, E.J. 1838. ‘Schriften voor de jeugd’, De Gids, 2, p. 438–445 en 1839, 3, p. 344–345.

Saalmink, Louis. 2006. ‘Door bevordering van deszelfs verspreiding. De populariteit van Van Alphen, Goeverneur en Heije’, in: Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis, 13. Nijmegen: Vantilt, p. 99–120.

Salverda, Murk & Anton Korteweg. 1986. ’t Is vol van schatten hier… Amsterdam: De Bezige Bij.

Visser, Ab. 1965. Leven van de pen. Den Haag: Kruseman.

Vries, Anne de. 1989. Wat heten goede kinderboeken? Opvattingen over kinderliteratuur in Nederland sinds 1880. Amsterdam: Querido.

Wiebenga, Sandrijn. 1999. ‘Er is een nobel volkje onder uwe confraters’. J.J.A. Goeverneur en zijn uitgevers’, in: Jaarboek Letterkundig Museum, 8, p. 1–15.

Wirth, Louise J.Th. 1926. Een eeuw kinderpoëzie (1778–1878). Groningen: Wolters.

Zuurveen, Toos. 1996. Van Zedenleer tot Bruintje Beer. Kind, kindbeeld en kinderboek door de eeuwen. s.l.: Roorda.
 

Selectieve bibliografie van vertalingen voor de jeugd van J.J.A. Goeverneur (alfabetisch op titel; voor een uitgebreide bibliografie − meer dan 500 titels − zie Gideonse 1963)

Andersen’s sprookjes. 1882. Naverteld door J.J.A. Goeverneur. Leiden: A.W. Sijthoff.

Avonturen en ontmoetingen van den kleine Hans. Een prentenboek met muziek en zang voor kinderen. s.d. Italiaanse tekst en muziek van Salvatore C. Marchesi. Leiden: A.W. Sijthoff.

Het boek van de mooiste kinder- en volkssprookjes. 1874. Nijmegen: Blomhert & Timmerman.

Don Quichot de La Mancha. 1871. Naar Miguel Cervantes de Saavedra. Voor de Nederlandsche jeugd uitgegeven. Leiden: Noothoven van Goor.

Fabelen en gedichtjes voor kinderen. 1835. Groningen: W. van Boekeren.

Goeverneur’s fabelboek. 1873–80. Met illustraties van Otto Eerelman. 4 delen (bevat: Fabelen en gedichtjes voor kinderen (1835); Hoe langer hoe liever (1836); Vertelseltjes bij moeders schoot (1839); Het laatste boekje (1839). Leeuwarden: Hugo Suringar.

Goeverneur’s fabel- en versjesboek. s.d. 4 delen (bevat: Nieuwe fabelen en versjes (1849) ; Prettige deuntjes en liedjes (1866); Wat Oom Jan nog in zijn zak vond (1866); Laatste Sint Nicolaas. Groningen: J.B. Wolters.

J.J.A. Goeverneur’s gulden kinderboek. 1889. Leiden: A.W. Sijthoff.

Grimm’s sprookjes. 1894.Naverteld door J.J.A. Goeverneur. Leiden: A.W. Sijthoff.

Gullivers reizen naar Liliput en andere vreemde landen. 1872. Bewerkt voor de jeugd. Leiden: Noothoven van Goor.

Jagt- en reisavonturen in Amerika. 1861. Naar het origineel van de Duitse Amerika-pionier Friedrich Armand Strubberg. Utrecht: Dekema.

Jongenspret: een geschenk aan Nederlandsche jongens. 1857. Met illustraties van G.J. Schreurleer. Sneek: Van Druten & Bleeker.

De kinderen van ’t woud. Een verhaal voor de jeugd. 1848. Naar het Engelsch van kapitein Marryat. Groningen: W. Van Boekeren.

De laatste der Mohikanen. 1886. Naar Cooper. Bewerkt en aanbevolen door J.J.A. Goeverneur. Leiden: A.W. Sijthof.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe. 1871. Aanbevolen door J.J.A. Goeverneur. Leiden: Noothoven van Goor.

Lust en Leering. Fabelen, sprookjes en vertelsels voor hollandsche jongens en meisjes. 1848. Door J.J.A. Goeverneur en H. Ilpzema Vinckers. Groningen: Van Bolthuis Hoitsema.

Lustige avonturen en avonturen van Tijl Uylenspiegel. 1872. Aan de jeugd verhaald. Deventer: H.J. Ter Gunne.

Moeder Trot en haar poesje. Eene kluchtige vertelling voor jonge kinderen. 1870. Met illustraties van P.W. Trap. Deventer: H.J. ter Gunne.

Onder de Yankee’s. Schetsen en verhalen uit het Noord-Amerikaanse volksleven. 1863. Uit het Hoogduits door J.J.A. Goeverneur. Groningen: Noordhoff.

Oostersche vertellingen uit de Duizend-en-één nacht. 1855. Naar de hoogduitsche bewerking van M. Claudius voor de Nederlandsche jeugd uitgegeven door J.J.A. Goeverneur. Groningen: J.B. Wolters.

Oude Sprookjes opnieuw verteld. Met acht gekleurde platen. 1861. Schiedam: H.A.M. Roelants.

Reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen; eene wonderbaarlijke en kluchtige historie. 1858. Met illustraties van Rodolphe Töpffer. Groningen: Erven C.M. van Bolhuis Hoitsema.

De negerhut van Oom Tom; of De verschrikkingen van het slavenleven in Amerika. 1882. Leiden: A.W. Sijthof.

De ondeugende kinderen. Een vermakelijk prentenboek met rijmen. 1852. Sneek: Druten & Bleeker.

De pelsjagers van de Arkansas: tafereelen uit de wouden en prairieën van Amerika. 1862. Naar de negende Fransche uitgave. Met eene voorrede van J.J.A. Gouverneur [sic]. Leiden: Van Den Heuvel – Van Santen.

De vertellingen van Moeder de Gans. 1866. Naar het Fransch van Charles Perrault. Arnhem: J. van Egmond Jr.

De woudloper: schetsen en tafereelen uit de wouden en prairiën van Amerika van Gabriel Ferry. 1871 [4de ed.]. Naar de tweede Hoogduitse uitgave van Julius Hoffman. Utrecht: Dekema.