Can I laugh now?    3-5

Op jacht naar bosvruchten en le mot juste in Arnon Grunbergs Tirza

Sam Garrett

‘We spelen,’ zei hij ten slotte, ‘mijn echtgenote en ik, we spelen, als twee jonge honden. We kennen onze eigen kracht niet. Het spel loopt uit de hand. Dan belt ze de politie. Ze kan niet tegen haar verlies. Maar het hoort bij haar spel. Ze is een kunstenares. Wat ik zei, ze schildert. Appels, sinaasappels, bosvruchten, maar ook mannen. Werklozen, vermoed ik. Langdurig werklozen. Ze krijgen er niets voor, een kopje thee, maar ze moeten wel al hun kleren uittrekken. Zou u al uw kleren uittrekken voor een kopje thee?’ (Tirza, Nijgh & Van Ditmar, 2005)

“We play games,” he said at last, “my wife and I, we play like two little puppies. We don’t know our own strength. Sometimes the game gets a little out of hand. Then she calls the police. She’s a sore loser. But it’s part of the game. She’s an artist. As I said, she paints. Apples, oranges, summer fruit, but also men. Unemployed men, I suspect. The long-term unemployed. They don’t get paid for it, a cup of tea at most, but then they have to take all their clothes off. I ask you, would you take off all your clothes for a cup of tea?” (Tirza, Open Letter Press, 2013)

‘En hoe doe je dat met humor?’ wordt de vertaler wel eens gevraagd. ‘Onze (Nederlandse of Vlaamse) humor is toch heel anders dan de Amerikaanse. En al helemaal niet te vergelijken met de Britse!’ Humor heeft volgens velen een nationaal karakter. De humor van de Nederlanders zou uitsluitend hard en belegen zijn en die van de Vlamingen smeuïg en lichtelijk absurd, terwijl Amerikanen alleen om meligheden en oneliners kunnen lachen. Britten daarentegen worden uitentreuren tot connaisseurs van het understatement gebombardeerd. ‘Het grappige’ zou volgens de aanhangers van deze theorie ook dermate cultuurgebonden zijn dat het niet of nauwelijks te vertalen valt.

Over de humor van de oosterburen kunnen we volgens hen kort zijn: die is er niet. Duitsers, Oostenrijkers, Liechtensteiners en bijna twee derde van de Zwitsers: totaal van humor gespeend. Om dat te onderstrepen noemt men dan de namen van een handjevol grote en serieuze Duitstalige auteurs: Joseph Roth, Robert Musil, Franz Kafka. Roth en Musil schreven over het Avondland in verval, niet echt een onderwerp dat op de lachspieren werkt. Kafka’s verhalen, aldus degenen die het horen te weten, schetsen de ontheemding van de moderne mens. Zijn proza is beklemmend, surreëel, nachtmerrieachtig. Dat kan toch niet grappig zijn?

Of juist wel. In zijn artikel ‘Other Words for Funny: Will Self, Kafka, and the German-English humour gap’1 vertelt schrijver Pete Mitchell over een Kafka-avond aan de Londense City University in de zomer van 2012. Journalist en romanschrijver Will Self ging daar in debat met een keur aan vertalers en vertaalsters uit het Duits, waaronder grande dame Anthea Bell en Kafkavertaalster Joyce Crick. Op een gegeven moment begon Self over De gedaanteverwisseling. Hij herinnerde de zaal aan de passage waarin de arme Gregor Samsa, inmiddels in de gedaante van een gigantisch insect, door de Praagse flat van zijn ouders glibbert, bizar genoeg tobbend over het feit dat zijn insect-zijn hem misschien zijn baan zal kosten. Tijdens het vertellen, merkt Mitchell op, veranderde het gezicht van Self in ‘een masker van pijn en afschuw’. Aan het eind riep hij: ‘and that’s. Not. Funny’.

Maar de zaal was het duidelijk niet met hem eens. De symposiumgangers lachten ‘uitbundig, in ieder geval zo uitbundig als dat kan in een collegezaal’. Toen het gelach verstomde, deed een aantal vertalers een last-ditch poging om de sceptische Self te laten inzien hoe ‘intens grappig’ Kafka juist was, zowel in het Duits als in het Engels. Uiteindelijk, toen Self onvermurwbaar bleek (ik verdenk hem eerlijk gezegd van koketterie), kwam Joyce Crick met de verlossende woorden: ‘wat we nodig hebben zijn wellicht andere woorden voor grappig’.

Er kan ontzettend veel misgaan in de overgang van de ene taal naar de andere. Zo heb ik lang getobd over de vertaling van ‘wij spelen als twee jonge honden’; puppies zijn weliswaar jonge honden, maar bij Grunberg is het beeld iets meer volwassen en ook ruiger. Toch zijn het puppies die ravotten en bijten en van de trap tuimelen in het Engels, en die een licht erotische bijbetekenis geven aan het geheel. Ik ben er eerlijk gezegd nog steeds niet uit. Zo zie je, een vertaling is eigenlijk nooit af.

Toch bestaat de weg van de vertaler niet enkel uit lijden en onzekerheid: we genieten ook, af en toe. Een bron van genot is bijvoorbeeld het feit dat wij die ‘andere woorden voor grappig’ waar Crick aan refereert in ons bezit hebben. Sterker nog, wij vertalers beschikken over (op zijn minst) een paar talen vol andere woorden en woordspelingen. Wij pendelen steeds heen en weer tussen het een en het ander, en ontwikkelen wat je misschien een bewegende blik zou kunnen noemen, een soort parallax view. We bezitten meerdere landkaarten die we naast of zelfs over elkaar kunnen leggen, en die we bovendien vanuit verschillende oogpunten kunnen bekijken, om zo het landschap van het verhaal beter te begrijpen.

Dat de Nederlandstalige lezer van Tirza in lachen uitbarst bij het simpele (nee, laten we wel wezen, het lullige) woord ‘bosvruchten’, bijvoorbeeld, heeft te maken met de wonderlijke werking van humor en het kundig toepassen ervan. Maar dat de Engelstalige lezer van Tirza om dezelfde reden kan lachen als hij het andere woord voor bosvruchten tegenkomt, ligt behoorlijk dicht bij het waarom en waarvoor van ons beroep. Als het goed is, krijgt de lezer door de vertaler geen woordenboek aangereikt, maar een bril. Door de glazen van de vertaalbril wordt de hinderlijke woordblindheid van de anderstalige lezer opgeheven.

De vertaler verkoopt dus geen woordenboeken. Een woordenboek, hoe prachtig en verzorgd het ook mag zijn, is een stilleven, een vlinderverzameling onder glas. Een verhaal daarentegen – zoals een taal – is beweeglijk, het fladdert nog, en daardoor is het niet altijd even makkelijk te vangen, zeker niet als het humor (of pathos) bevat. En toch zijn het vaak verhalen met juist die ingrediënten die vertaald worden, en soms op zo’n manier dat zelfs Will Self erom kan lachen. Hoe kan dat? Om daarop antwoord te geven kan ik alleen maar afgaan op mijn eigen ervaring.

Om mijn werkwijze te verduidelijken, moet ik terug naar bovenstaande passage en mijzelf aan een klein verhoor onderwerpen: waarom lachte ík de eerste keer toen ik het woord ‘bosvruchten’ las? Bosvruchten an sich zijn niet erg grappig; dat ik toch gelachen heb – tenzij ik volslagen gek ben, maar daar moet ik maar niet te lang over nadenken – moet een indicatie zijn dat hier méér staat dan alleen een opsomming van fruitsoorten. Omdat ik op dat moment aan het vertalen was en niet alleen aan het lezen, ben ik geloof ik een stap verder gegaan. Wanneer, vroeg ik me af, wordt zo’n woord gebruikt in het dagelijkse leven? En in het verlengde daarvan: hoe past ‘bosvruchten’ in de context van deze passage? Dat wil zeggen, waar haalt het woord zijn komische lading vandaan? De vertaler sleept dus noodgedwongen een hoop bagage met zich mee: we zijn de bag ladies van de literatuur. Net als de lezer merkt de vertaler dat ‘bosvruchten’ in deze context een lach triggert, en omdat hij die trigger wil reproduceren probeert hij te begrijpen waarom er wordt gelachen en hoe dat werkt.

Als een soort vlinderverzamelaar van woorden en begrippen, besluipt de Tirza-vertaler het woord ‘bosvruchten’ om te zien waar het zich ‘in het wild’ ophoudt. Eenmaal oog in oog met de passage kan ik met mijn net gaan zwaaien: vele pogingen zullen mislukken. Wild fruit? Nee, wie zegt zoiets? En het klopt trouwens ook niet, in Nederland zijn de meeste frambozen en aardbeien helemaal niet wild. Forest fruit? En te hoog Hans-en-Grietjegehalte. Een specifieke vrucht noemen, zoals blueberries (bosbessen, ook een bosvrucht), doet geen recht aan het origineel: niemand lacht om blueberries, ook niet per ongeluk. Hetzelfde geldt voor raspberries, blackberries, enzovoort, of voor een opsomming van de hele rits: blueberries, raspberries and blackberries. Niet alleen omdat die veel te langdradig is in vergelijking met ‘bosvruchten’, maar ook omdat het beeld veel te gedetailleerd is, te specifiek, en dus niet juist. Not. Funny. Terug naar de context.

Wat is hier aan de hand? In de betreffende passage zien we Jörgen Hofmeester zijn best doen om zich tegenover twee achterdochtige politieagenten uit een vervelende situatie te wurmen. Hij heeft net zijn vrouw, de moeder van zijn kinderen, bijna gekeeld, maar tegenover de agenten doet hij alsof het allemaal een groot misverstand is. Erger nog, hij doet alsof het eigenlijk de schuld van zijn vrouw is. Zíj kan niet tegen haar verlies. Ze is zo’n weekendschilder, weet je wel. Een would-be kunstenares. En als ze schildert zijn het óf naakte mannen (nudge nudge) óf stillevens.

Hofmeester moet zich eruit kletsen. Op quasi-amicale wijze probeert hij een band te smeden met de politieagenten, als nuchtere kerels onder elkaar. Om dat te bewerkstelligen typeert hij de schildersmodellen als belachelijke armoedzaaiers, sukkels die nooit een baan hebben kunnen vinden, die hun kleren uittrekken voor een kopje thee. En die stillevens van zijn vrouw zijn eigenlijk net zo belachelijk; een appel hier, een paar sinaasappels daar, wat bosvruchten.

Maar met het woord ‘bosvruchten’ doet Hofmeester iets ongewoons; hij valt heel even uit zijn toon van ‘kerels onder mekaar’… en de lezer lacht. Hoe komt Hofmeester bij die belachelijke verzamelnaam? Het klinkt gezocht. Veel meer dan aan fruit herinnert het de lezer aan marketing, aan een theesmaak of aan een modieuze drinkyoghurt. Nu met echte bosvruchten! Het soort waterige gedoe dat je van een kleinzerige zondagsschilder zou verwachten. Maar het klinkt ook raar. Je ziet de politieagenten fronsen wanneer Hofmeester het zegt. Als Arnon Grunberg zijn protagonist het woord ‘peren’ of ‘meloenen’ of ‘druiven’ in de mond had gelegd was er niets aan de hand geweest, en was er ook geen lach. Maar er is wél iets aan de hand, en dus moet er in het Engels een verzamelnaam gevonden worden die niet zozeer het beeld van fruit oproept als wel van iets fruitachtigs. Een term met een raar smaakje, gerelateerd aan fruit, maar dan zoals de marketingmensen bij Unilever willen dat wij fruit beleven.

Summer fruit. Wanneer die twee woorden op mijn beeldscherm verschijnen, lach ik. Het is ook een behoorlijk lullige term, met als bijkomend voordeel dat het een soort Yoki-drinkbijklank heeft: als je ‘made from summer fruit’ op een verpakking ziet, ben je al op je hoede. Ik ben eruit. Mijn lach is, net als zo vaak bij Grunberg, niet wat men ‘de bevrijdende lach’ noemt: het is eerder een lachje van herkenning. Net goed. Als dat kwartje valt in het Engels ben ik tevreden.

 

Noot
Op 26 juli 2012 gepost op de weblog Booktrust: http://www.booktrust.org.uk/news-blogs-and-press/blogs/booktrust/395.