Over Venus' lentelied. Het Pervigilium Veneris    33-35

Harm-Jan van Dam

Venus’ Lentelied. Het Pervigilium Veneris met vertalingen van A. Rutgers van der Loeff en anderen, bezorgd door Rudi van der Paardt en Cornelis van Tilburg. Leiden: Dimensie Boeken, 2001, ISBN 90-6412-125-7.

‘Een nieuwe lente, een nieuw geluid’. Lang niet alle scholieren en studenten kennen nog de opening van Gorters Mei. Laat staan dat ze die regel herkennen als een verwijzing naar het Latijnse gedicht Pervigilium Veneris, ‘De nachtwake van Venus’, een lentelied waarvan de eerste regel luidt: iam ver novum, iam ver canorum, ‘nu nieuwe lente, nu klinkende lente’. Ook bij Bloem en Van Eyk duiken herinneringen aan dit Latijnse gedicht op, en trouwens in de hele West-Europese literatuur vanaf de renaissance.

Het Pervigilium Veneris is even uniek als raadselachtig: het bestaat uit drieënnegentig regels die geschreven zijn in een zeldzaam metrum, de katalektische trocheïsche tetrameter. Vrijwel elke Nederlander kent dat metrum in de vorm van ‘Jantje zag eens pruimen hangen,/ o als eieren zo groot’. Het gedicht is een verheerlijking van de lente, de liefde en de kosmische scheppingskracht van Venus. ‘Morgen hebbe lief, die nimmer en die wel heeft lief gehad’ is de beginregel (in de vertaling van Jan Prins), die als refrein tienmaal herhaald wordt. Morgen begint het lentefeest van Venus, die in het bos de barstensvolle knoppen doet openspringen, die de purperrode rozen, kinderen van Venus’ bloed en Amors kus, in hun bruidstooi vertoont, die zelf symbolisch opnieuw geboren wordt uit de vereniging van hemel en aarde. Het hele woud behoort Venus toe en is vervuld van liefde en muziek. Alleen de dichter zelf, zo klaagt hij aan het slot, moet zwijgen.

Wie het werkje wanneer geschreven heeft, is onbekend en, zoals dat gaat bij classici, fel omstreden; over de datering is men het niet verder eens dan dat die tussen ca. 150 na Christus en 525 ligt; als auteur zijn zo ongeveer alle ons bekende schrijvers uit die periode gesuggereerd. De tekst is slecht overgeleverd: wat er in de verschillende handschriften staat kan vaak niet juist zijn. Uitgevers hebben daarom in de loop der eeuwen geprobeerd fouten te herstellen door woorden te veranderen en regels te verplaatsen, meer of minder drastisch naar gelang hun temperament en de mores van hun tijd.

Dit boekje is opgebouwd rond de, in 1947/48 in het tijdschrift Hermeneus gepubliceerde, vertaling van het Pervigilium Veneris door de classicus en vertaler Abraham Rutgers van der Loeff (1876-1962). Deze vertaling is hier herdrukt, en daaraan zijn nog drie andere vertalingen waarop geen rechten meer berusten toegevoegd: die van de dramaturg Balthazar Verhagen (1913), van de dichter Jan Prins (1945) en van de schrijver en directeur van de Wereldbibliotheek Nico van Suchtelen (1946), maar niet de recente vertaling van Patrick Lateur (Athenaeum-Polak & Van Gennep 1996).

Er is nog wat bijwerk aan toegevoegd, dat in alle opzichten prima verzorgd is; maar daardoor maakt het boekje ook een enigszins willekeurige indruk: een korte inleiding op het gedicht door Rudi van der Paardt (onmisbaar), de Latijnse tekst die Rutgers van der Loeff als uitgangspunt gebruikte, aantekeningen bij de vertaling van Rutgers van der Loeff, de nieuwste en meest betrouwbare Latijnse tekst (1988, en dus door geen van de vertalers gebruikt), een tekstkritisch commentaar op de verschillen tussen de twee Latijnse teksten, een kort stuk over de vertalingen dat zich vooral op de brontekst concentreert, en informatie over de vertalers. Het geheel is, afgezien van het tekstkritisch commentaar, ‘bedoeld voor de algemeen belangstellende lezer’ (Woord Vooraf), maar helemaal consequent doorgevoerd lijkt me die keuze niet. Inderdaad, in de aantekeningen bij de vertaling wordt zelfs uitgelegd wat nimfen en Muzen zijn, maar elders bijvoorbeeld weer niet wat een katalektische trocheïsche tetrameter is, of ‘de bekende crux van vs. 74’. Ook het afdrukken van de brontekst, vooraan in het boek, duidt op de verwachting dat de lezer tekst en vertaling zal vergelijken, terwijl twee Latijnse teksten zeker voor de Latijnloze lezer wat veel van het goede zijn.

De keuze om meer dan één Latijnse tekst af te drukken is overigens niet onbegrijpelijk: zoals gezegd, kan de tekst van het Pervigilium Veneris per tekstbezorger sterk verschillen. Rutgers van der Loeff ging uit van dezelfde tekst als Van Suchtelen deed, maar hij bracht flink wat wijzigingen aan. Verhagen en Prins baseerden zich op een tweede en derde Latijnse tekst. Hier doet zich dus een verschijnsel voor dat wel vaker optreedt bij oude teksten: verschillende vertalingen van één werk zijn moeilijker te vergelijken doordat de brontekst enigszins verschilt, een punt dat ook speelt bij de twee recente vertalingen van het Gilgamesj-epos.

Rutgers van der Loeff heeft het gedicht vertaald in ‘hetzelfde’ metrum (niet echt hetzelfde, want Latijns metrum is gebaseerd op de lengte van lettergrepen en Nederlands metrum op klemtoon) én op rijm, met overal veel aandacht voor een welluidend geheel. Daar wordt wel een prijs voor betaald: door het archaïsche woordgebruik en vooral de vergezochte syntaxis (veel aanvoegende wijs, inversie, genitiefvormen met ‘der’) moet de lezer soms nog verwoeder puzzelen dan bij de beruchte vertalingen van Boutens: ‘lente…die de vogels paren laat en de bomen lokken slaken’, ‘Zie der stieren schoften rijzen boven ’t bloeien van de brem,/ elk beveiligd door gemeenschap, waarin paring kluistert hem’. Bij Verhagen wordt dit laatste ‘Zie hoe in de rijpe brem de stier zijn kalmen sluimer vindt, /Rustig sinds hij uit de kudde zich een stille gade nam’, en bij Van Suchtelen ‘Ziet, reeds strekken log de stieren in de brem hun flanken neer,/ Vredig met de kudde rondom door der liefde band vereend’, beide ritmisch minder sterk (vooral Verhagen), misleidend (Van Suchtelen), maar wel begrijpelijker.

Alle vertalers hebben gekozen voor ‘handhaving’ van het metrum, maar Jan Prins heeft, net als Hieronymus van Alphen, de regels in tweeën gehakt waardoor direct een veel moderner aandoend en rustiger schriftbeeld ontstaat; daarnaast schrijft Prins in een wat minder ‘hoog’ register dan de anderen. Zowel Prins als Van Suchtelen vertalen in rijmloze verzen, dus zonder rijmdwang.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet houd van Rutgers van der Loeff, niet van zijn melige Catullus, niet van zijn huiselijke Horatius en niet van zijn bombastische Lucretius. De bezorgers vinden duidelijk zijn vertaling de meest geslaagde en (want?) meest congeniale, en daarmee doelen ze, denk ik, vooral op de klankrijkdom van rijm, alliteratie en assonantie – en die is inderdaad groot –, wellicht ook op het idee dat een in zulk eigenaardig Latijn geschreven tekst als het Pervigilium ook een vertaling in eigenaardig Nederlands verdient.

In elk geval is deze uitgave in alle filologische details volkomen geslaagd, en wie ook de vertaling van Lateur erbij koopt, bezit de meeste twintigste-eeuwse vertalingen van dit wonderlijke, fraaie gedicht, waarvan ik de bezwerende refreinregel tot slot in alle vier vertalingen laat volgen als vreugdevol vooruitzicht voor de lezer: ‘Morgen minne wie nog nimmer, minne wie ooit heeft bemind’ (Rutgers van der Loeff), ‘Morgen mint, wie nimmer minde – wie bemind heeft morgen mint!’ (Verhagen), ‘Morgen hebbe lief die nimmer/ En die wel heeft lief gehad’ (Prins), ‘Morgen mint wie nimmer minde; wie ooit minde ook morgen mint’ (Van Suchtelen).