Vertalersprobleem: de abominabele schrijfstijl van een groot schrijver    23-28

Hans Boland

1.
Lev Tolstoi hoort tot de coryfeeën van de Europese literatuur, en zijn Anna Karenina wordt door velen gezien als een of zelfs het hoogtepunt van de romankunst.

Terecht. Tolstoi, het is al vaker opgemerkt, wordt zodra hij de pen oppakt God zelf. Hij zet de wereld naar zijn hand. Niet alleen de romanpersonages maar ook de lezer wordt voorgeschreven hoe ze moeten denken en voelen. Eigen initiatief, laat staan verzet, is bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Kritiek mag nog zo gefundeerd en intelligent zijn, de criticus blijft met lege handen achter. De overtuigingskracht van Tolstois scheppingen – zelfs van de meest onbenullige, als zijn pamflettistische gedachtespinsels – is totaal, maar de rationaliteit ervan nihil. Zijn universum is er een van geboden en verboden. Voor elke gram liefde wordt betaald met een kilo wreedheid. Allemaal net als bij de God van de Joden, de christenen en de moslims.

Het basisthema van Anna Karenina is ‘het gezin als hoeksteen van de samenleving’. Een gecompliceerder thema is nauwelijks denkbaar. Een roman over ‘het’ gezin – iets heel anders dan een roman over een gezin – moet gaan over vele thema’s: de verhouding man-vrouw (liefde, seks, macht en het hele register van emoties waarover de mens beschikt), de huwelijkse staat als probleem en eventueel levensvervulling voor het individu, de verhouding ouders-kind, de rol van geboorte en dood in de context van gezin en familie, en nog veel meer. Wanneer de schrijver zich daarbij ook nog het specifieke doel stelt het gezin te verbeelden als onderdeel, fundament en spiegel van de samenleving kan hij niet om de grote thema’s van godsdienst, politiek en kunst heen. Geen wonder dat Tolstoi voor zijn roman bijna duizend pagina’s nodig had. Dat het nog een góéde roman is geworden ook, is te danken aan zijn vlijmscherpe observaties van zowel uiterlijke verschijnselen als psychologische processen, en aan zijn onovertroffen vertelkunst, waarmee hij een spanningsboog weet te creëren die niet onder zo’n kolos bezwijkt.

Wat ons bij Anna Karenina de adem beneemt is de geniale – excusez le mot, maar het enige alternatief, ‘goddelijk’, is nog banaler – structuur van de thema’s en de motieven. Niet complexiteit maar eenvoud is het kenmerk van het geniale en goddelijke. God schiep licht en donker, aarde en water, man en vrouw. Tolstoi heeft dezelfde binaire voorkeur. Twee man-vrouw verhoudingen vormen de thematische pijlers van Anna Karenina. Aan de ene kant Anna en Vronski, die een speelbal zijn van de liefde sec, met seks als fundament en destructie als doel, en aan de andere kant Ljovin en Kitty, die de bekroning van de liefde vinden in het huwelijk, waarin seks is gesublimeerd in erotiek en het leven de dood overwint. Tegenover de bijna maagdelijk monogame Ljovin staat zijn beste vriend, de diehard polygame Stiva Oblonski. Diens vrouw, Dolly, is moeder van vele kinderen en geeft zich met hart en ziel over aan die rol; haar tegenpool, tevens schoonzuster en vriendin, is Anna, met een zoontje van een gehate man, waarvan ze houdt als van een schoothondje maar dat ze opgeeft voor haar minnaar, en met een dochtertje van die minnaar, waarvan gezegd wordt: ‘Het meisje was heel lief maar raken deed het haar [Anna] niet.’ Anna vormt nog een derde binaire oppositie, met haar man: zij is de vleesgeworden levensdrift, hij de belichaamde dood. Behalve met zijn vrouw vormt Alexé Karenin met Ljovin een dipool: de eerste heeft God gevonden in een geloof van gewapend beton, de tweede is atheïst maar een volgeling van Christus van het zuiverste water. Ljovin en zijn halfbroer verschillen radicaal in hun benadering van de wetenschap, die hen allebei mateloos boeit, terwijl Ljovin en zijn (volle) broer in hun queeste naar de waarheid een tegengestelde richting volgen. Enzovoort enzovoort enzovoort. Elk facet van weten en gevoel valt bij Tolstoi uiteen in these en antithese, waarbij de synthese niet van belang is, want een roman is geen filosofisch traktaat en het leven geen compromis.

Op het niveau van de motieven ontdekken we diezelfde tweeledigheid. De trein is zoals bekend een leidmotief in Anna Karenina. De ontmoeting die allesbepalend is voor de liefde tussen Vronski en Anna vindt plaats tijdens een treinreis in een uitzinnige sneeuwstorm, wanneer ze zich beiden in het holst van de nacht op een tussenstationnetje vertreden; daartegenover geplaatst wordt het moment dat Ljovin beseft dat hij nooit van iemand anders zal houden dan van Kitty, en dat is gesitueerd in het puurste zonnegloren van de schepping, wanneer hij haar als een bovenaards droombeeld voorbij ziet komen in een ouderwets rijtuig op een verlaten Russische landweg. ‘Het paard’ fungeert zodoende als motief in oppositie met ‘de trein’, maar Tolstoi zou zichzelf niet zijn als het niet aan nog een tegenstelling wordt onderworpen: enerzijds de episode waarin Vronski zijn geliefde merrie – die beschreven wordt als was ze een ovidiaanse metamorfose van Anna – de dood in jaagt tijdens een steeplechase, en anderzijds Ljovin, die half in extase raakt wanneer hij oog in oog staat met een pasgeboren kalf van zijn lievelingskoe Pava, in een veilige, warme, levenszwangere, naar mest en melk geurende stal.

Anna Karenina Title

2.
Misschien is het onbegrijpelijkste – goddelijkste? – van het fenomeen Tolstoi dat hij in al zijn grootheid zo slecht schrijft. Alsof God de bergen maakt vol spectaculaire gletsjers en vulkanen zonder zich te bekommeren om de mensen die óók ergens moeten wonen, of ons de liefde inblaast zonder zich er rekenschap van te geven dat geld óók een rol speelt. Nog wonderlijker is dat die slechte schrijfstijl nauwelijks opvalt: Tolstoi wordt weliswaar zelden de hemel in geprezen als stilist, maar de hoon die Dostojevski uit bepaalde hoek op dat vlak ten deel valt blijft hem bespaard. Toch schrijft Tolstoi in schrille tegenstelling tot Dostojevski zoveel dermate slechte zinnen en kiest hij zijn woorden zo onnauwkeurig en wazig dat een middelbare scholier een onvoldoende voor zo’n krakkemikkig geschreven opstel zou krijgen (van mij althans).

De lange zinnen van Dostojevski zijn functioneel in de lawine waarin hij de lezer meesleurt; de lange zinnen van Tolstoi zijn meestal alleen maar moeizaam en onbeholpen. Hij lijkt dat te willen oplossen door ze te laten beginnen met een zinsdeel uit de voorafgaande zin, in de trant van: ‘Ik woon in Yogya. Yogya ligt op Java. Java is een eiland van de Indonesische archipel. Die archipel is de grootste ter wereld. Dat het de grootste archipel is heeft tot gevolg...’ etcetera. Doordat Tolstois zinnen zo lang zijn valt de primitieve wijze waarop ze aaneengeregen worden minder op dan in mijn fictieve, uit korte zinnetjes samengestelde – papierbesparende – voorbeeld, maar het principe en de uitwerking zijn gelijk: irritatie om de drammerigheid van de schrijver, zoals je je ook kunt ergeren aan het niet-aflatende ge-godisgroot in de uitoefening van een religie waar op zichzelf best mee te leven valt.

Tolstois grote makke is de repetitio, de herhaling. De keren dat hij drie, vier, vijf zinnen achter elkaar laat beginnen met ‘Hij wist dat’ of ‘Zij voelde hoe’ zijn legio. Eén keer kan zinvol zijn, functioneel, en in een boek van duizend pagina’s kan men het zich mogelijk twee of zelfs drie keer permitteren, maar vaker wordt te veel van het goede. Vier alinea’s achter elkaar openen met ‘Weliswaar’ is een teken van stilistische gemakzucht. Verba dicendi (als ‘zeggen’) en sentiendi (als ‘zien’) strooit Tolstoi in zo’n overdaad uit dat men zich begint af te vragen of er ook nog dingen in het ondermaanse zijn die niet gezien of gezegd worden. Bovendien wint een fragment als ‘Ljovin stond op de dijk. Hij zag dat Kitty naar hem toekwam’ aan helderheid en zeggingskracht wanneer we het inkorten tot ‘Ljovin stond op de dijk. Kitty kwam naar hem toe.’ Geen lezer die zich afvraagt of Ljovin haar wel ziet, want hij staat de hele tijd al naar haar te koekeloeren. En wat te denken van een hakende Anna die met snelle bewegingen van haar pols snel de ene lus na de andere op de naald legt, waarna haar gezichtsuitdrukking snel verandert op het moment dat ze haar ogen opslaat? Of van: ‘Ljovin reed tegen de avond terug naar huis. Het weer was tegen de avond nog slechter geworden [...].’ Zelfs in de NRC zouden zulke stilistische gaffes wellicht worden gecorrigeerd. Tolstoi zit er bomvol mee.

Wat zijn inkt nog kleiiger maakt is zijn gewoonte om aan driekwart van de zelfstandige naamwoorden minimaal twee – tot wel vijf – bijvoeglijke naamwoorden en/of participia vast te plakken; ook heeft hij zelden genoeg aan één bijwoord per werkwoord. Zelfs het voegwoord ‘en’ kan dan gaan irriteren: mooi én duur, lief én aardig, goedkoop én plat, ongelukkig én verdrietig en ga zo maar door, duizend pagina’s lang. Het krijgt iets obsessiefs, en een obsessie is voor degene die eraan lijdt meestal een stuk draaglijker dan voor zijn omgeving.

In de eerste vijf reeds door mij vertaalde delen – van de acht – van Anna Karenina wordt vierhonderdnegen keer geglimlacht, ruim meer dan een keer per anderhalve bladzijde!

Is een vertaler van dit meesterwerk moreel verplicht al dit gruis en geruis mee te slepen of mag hij de handen uit de mouwen steken en de boel opschonen? Uiteraard dat laatste. Het argument voor die stellingname is heel eenvoudig: Russisch is geen Nederlands, en ook geen Engels, Frans of Duits. Het Russisch verdraagt Tolstois handschrift, maar in de West-Europese literatuur zijn zijn halfbakken, eigenzinnige ‘stijlgrepen’ en zijn simplistische vocabulaire domweg onacceptabel en hooguit gangbaar onder politieke dwepers en cowboypredikanten. Hoe dat zo komt is een vraag die buiten het bestek van een vertaaltijdschrift valt.

17.05_AKvertalingBoland

3.
Ondanks dat het hele innerlijke leven van Vronski vervuld was van zijn hartstocht, rolde zijn uiterlijke leven onveranderlijk en onstuitbaar over de vroegere, gewone rails van zijn wereldlijke en regimentsconnecties en -interesses. De regimentsinteresses namen een belangrijk plaats in het leven van Vronski in, zowel omdat hij van het regiment hield, alsook, nog meer, omdat ze in het regiment van hem hielden. In het regiment hielden ze niet alleen van Vronski maar respecteerden ze hem ook en waren ze trots op hem, ze waren trots op het feit dat deze man, zo enorm rijk, met een prachtige opleiding en capaciteiten, met een open weg naar elk soort succes zowel van ambitie als van ijdelheid, dat allemaal veronachtzaamde, en dat van alle levensinteresses hem de interesses van het regiment en de kameraadschap het meest aan het hart gingen. Vronski kende die visie van zijn kameraden op hem en behalve dat hij van dit leven hield voelde hij zich verplicht die vastgewortelde visie op hem te ondersteunen.

 Aldus het begin van deel twee, hoofdstuk achttien, van Anna Karenina in een zo woordelijk mogelijk Nederlandse vertaling.

Niemand zal het in zijn hoofd halen duizend pagina’s tot zich te nemen van een auteur die zich van een dergelijke taalbroddelarij bedient. Om te laten zien in wat voor stijl zo’n fenomenaal boek door zo’n fenomenale schrijver zou zijn gevat indien hij een Nederlander was geweest, heb ik op dit fragment de volgende correcties toegepast:

I De lexicale herhalingen zijn weggeschaafd, of beter: weggehakt, zodat het juweel uit het erts vrijkomt. Ik heb ze hierboven gecursiveerd. Ze zijn in drie groepen onder te brengen:

a ‘het innerlijke leven van Vronski’ (a), ‘zijn uiterlijke leven’ (b), ‘het leven van Vronski’ (c), ‘van Vronski’ (d), ‘Vronski’ (e), ‘dit leven’ (f).

b ‘regiments(connecties en) -interesses’ (a), ‘De regimentsinteresses’ (b), ‘van het regiment hield’ (c), ‘ze in het regiment van hem hielden’ (d), ‘In het regiment hielden ze (niet alleen) van’ (e), ‘van alle levensinteresses de interesses van het regiment en de kameraadschap’ (f), ‘die visie van zijn kameraden op hem’ (g), ‘van (dit leven) hield’ (h), ‘die (vastgewortelde) visie op hem’ (i).

c ‘waren ze trots op hem, ze waren trots op het feit dat’.

Ik heb als volgt zitten knutselen:
Bij a heb ik gekozen voor een opening met: ‘Ondanks de liefde waaraan Vronski zich volledig had overgeleverd’. Daardoor is (a) in zijn geheel overbodig geworden, terwijl (b) gehandhaafd kan blijven, zij het met een kleine ingreep. Van (c) hoeft alleen ‘het’ te blijven staan, (d) kan vervangen worden door ‘hem’ en (e) door ‘hij’. ‘Dit leven’ (f) ten slotte wordt ‘het kazerneleven’, wat de tekst zowel ritmisch – de basis van elke literaire tekst – als semantisch op een hoger niveau tilt.

Bij b heb ik de in het Nederlands onmogelijk lelijke herhaling van (a) en (b) gekuist; pas daarna (c) hoeft ‘regiment’ voor het eerst te worden gebruikt. De vierde keer dat het gebruikt wordt (d) kan het worden geparafraseerd met ‘de officieren en soldaten’, waardoor het de vijfde keer (e) met een simpel ‘ze’ kan worden vertaald. ‘Houden van’ is beide eerste keren (c en d) vervangen door ‘gehecht zijn aan’ en in (e) uit de tekst verwijderd: het is immers geheel overbodig en tamelijk hinderlijk om te zeggen dat meneer X van meneer Y houdt meteen nadat je hebt verteld dat meneer X en meneer Y van elkaar houden. Het dubbele gebruik van het eerder ook al twee keer door Tolstoi van stal gehaalde ‘interesses’ (f) is op natuurlijke wijze opgelost door er het woord ‘betrokkenheid’ voor in de plaats te stellen. De zesde en laatste keer dat ‘regiment’ om de hoek komt kijken valt samen met de tweede maal dat het in de vertaling precies dat is wat we nodig hebben. De herhaling van ‘kameraden’ is vermeden door er een keer ‘mannen’ van te maken. Het dubbele gebruik van ‘visie op hem’ in de laatste zin (i) is opgelost door de Russische woordjes los te laten en in schoon Nederlands te formuleren wat er staat, onder andere met het loepzuivere equivalent ‘imago’; daarbij is de vierde keer dat ‘houden van’ door Tolstoi wordt gebruikt (h) door de vertaler gehonoreerd en staat er ook in het Nederlands – ‘gewoon’ – ‘hield gewoon van’.

Bij c zou de herhaling van de uitdrukking ‘trots zijn op’ in het Nederlands lege dikdoenerij zijn, die simpelweg is te neutraliseren door het gebruik van ‘want’.

II Tolstois slabberdewaskilexicon, dat niet zelden louter lulkoek oplevert – ‘een antwoord op een feit’, ‘een onzichtbaar gesprek van blikken’, ‘een tedere glimlach van protectie’ – heb ik body gegeven. Een paar voorbeelden: ‘onstuitbaar’ kan hier even vrij als exact worden vertaald met ‘eigenmachtig’; het bizarre beeld van ‘de vroegere rails van connecties’ leek me adequaat genormaliseerd met ‘hetzelfde patroon’ (van die connecties/relaties); en het pas na lang, lang nadenken te begrijpen ‘open weg naar elk soort succes zowel van ambitie als van ijdelheid’ is ondergebracht in de frase ‘successen van velerlei aard waardoor zijn eerzucht en ijdelheid werden geprikkeld’.

Zo ontstaat de volgende tekst:
Ondanks de liefde waaraan Vronski zich volledig had overgeleverd verliep zijn leven aan de buitenkant onveranderd, eigenmachtig, volgens hetzelfde patroon als voorheen. Het was gevuld met zijn relaties en belangen in de beau monde en in het leger. Die laatste telden heel zwaar voor hem, omdat hij aan zijn regiment gehecht was en meer nog omdat de soldaten en officieren aan hem gehecht waren. Ze hadden respect voor hem en waren trots op hem, want hij was ontzaglijk rijk, had een zeer goede opleiding genoten en beschikte over uitzonderlijke capaciteiten, zodat zijn voorland successen van velerlei aard garandeerde waardoor, zou men veronderstellen, zijn eerzucht en ijdelheid werden geprikkeld; zijn ware betrokkenheid lag echter bij het regiment en de kameraadschap die hij daar ontmoette. Hij wist dat de mannen hem hierom enorm waardeerden en behalve dat hij gewoon hield van het kazerneleven voelde hij zich moreel verplicht geen afbreuk te doen aan zijn imago.

4.
Het Nederlands Letterenfonds heeft het beleid ten aanzien van extra toelages bij vertaalsubsidies gewijzigd: vroeger kon men daar aanspraak op maken wanneer het voorgestelde project van eminent belang en de vertaling van eminente kwaliteit werd geacht, tegenwoordig wordt gefocust op de ‘moeilijkheidsgraad’.

Nu is ‘moeilijk’ een relatief begrip: als je iets kunt is het niet moeilijk en als je iets niet kunt is het wél moeilijk. Wie goed kan rijmen en over een zekere muzikaliteit beschikt kan twintig of meer regels van Poesjkin op een dag vertalen; wie het eerste niet kan en het tweede ontbeert bokst er in een jaar nog geen vier voor elkaar – al is het maar omdat hij het na één dag opgeeft.

Is Anna Karenina moeilijk te vertalen?

Extreem moeilijk, daar kan geen twijfel over bestaan. En dan heb ik het nog niet eens over de specialistische – vaak niet in woordenboeken te vinden – terminologie op het gebied van de landbouw en veeteelt, de jacht, de kerkliturgie, de borduur- en haaktechniek, de anatomie van het paard; of over de dozijnen planten- en vogelsoorten waarvan de eigenschappen, kleuren en geluiden exact dienen te worden weergegeven; of over de culturele en historische achtergrond die benodigd is om allerlei passages uit een van de belangrijkste romans uit de tweede helft van de negentiende eeuw – nog wel uit Rusland! – op de juiste manier te interpreteren; of over de lange, voortmeanderende zinnen die nu eenmaal niet een-twee-drie zonder haperen vanuit een flectietaal in een niet-flectietaal zijn om te zetten; of over de volkstaal waarvan Tolstoi meer dan welke andere Russische schrijver ook – inclusief Leskov – gebruikmaakt; of over de eindeloze hoeveelheid interjecties en spreektalige uitroepen die alleen op de juiste manier kunnen worden geïnterpreteerd door iemand die jaren in Rusland heeft gewoond. Ik heb het zelfs niet over de immense concentratie die een boek van duizend pagina’s alleen al vanwege zijn omvang van de vertaler vergt.

Waar het mij hier vooral om gaat, is dat een adequate vertaling van een in prulstijl geschreven geniaal boek een veelvoud van problemen opwerpt in vergelijking met het vertalen van grote stilisten als Poesjkin en Dostojevski. Uit het voorbeeld dat ik hierboven heb beschreven moge blijken in wat voor onmogelijke bochten de vertaler zich moet wringen om van Tolstois Russisch goed Nederlands te maken. Dat is niet moeilijk voor iemand die met taal kan toveren.

Toch heeft de adviescommissie van het Nederlands Letterenfonds geoordeeld dat Tolstoi geen bijzondere moeilijkheden oplevert voor de vertaler. Waarop dat oordeel is gebaseerd kan ik slechts raden, maar erg moeilijk valt me dat niet: de betreffende adviseur, die zich ongetwijfeld slavist mag noemen, moet hebben gedacht dat een niet extreem moeilijk leesbare en redelijk te begrijpen tekst ook makkelijk vertaalbaar is. Dat is een amateuristische denkfout, die niettemin schering en inslag is, ook onder deskundigen.

Als ik het Nederlands Letterenfonds was zou ik zo spoedig mogelijk terugkeren op mijn heilloze schreden en het beoordelen van categorieën waar het niet om gaat weer overboord zetten, waar het thuishoort. Het enige wat telt, lijkt mij, zijn a. de kwaliteit van een vertaling en b. het belang van het origineel voor onze cultuur.

Overigens ben ik het Letterenfonds ook voor een ‘gewone’ subsidie meer dan dankbaar.

Lees meer over: