Van aardige bomen en bazige spaanvissen    37-40

Eva Wissenburg

David Vann brak in 2008 internationaal door met zijn semi-autobiografische Legend of a Suicide. In 2010 werd dit boek in een vertaling van Arjaan van Nimwegen door De Bezige Bij uitgegeven onder de titel Legende van een zelfmoord. Sindsdien werd al zijn fictiewerk door dezelfde uitgever binnen het jaar uitgebracht, hetzij vertaald door Arjaan van Nimwegen, hetzij door zoon Thijs van Nimwegen. De vijfde titel van Vann die bij De Bezige Bij verscheen was Aquarium, dit keer een vertaalproject van Arjaan en Thijs van Nimwegen samen.

In Aquarium zien we de wereld door de ogen van de twaalfjarige Caitlin en samen met haar ontdekken we stukje bij beetje het geheim dat Caitlins moeder Sheri al sinds haar tienerjaren met zich meedraagt. Een bekend procedé dat plotmatig voor weinig verrassingen zorgt, maar Caitlins beleving van de wereld levert vaak mooie, beeldende passages op.

Omdat Caitlins moeder veel moet werken, brengt het meisje een groot deel van haar tijd door in het Aquarium. Haar liefde voor vissen vormt een rode draad in het verhaal: personages worden gespiegeld aan vissoorten, ruimtes zijn als aquaria en iedereen zoekt de veiligheid die een aquarium kan bieden of probeert zich te verstoppen zoals de vissen met hun diverse camouflagetechnieken ook voortdurend doen. Caitlin beleeft de wereld haast alsof ze zelf een vis is en dat zorgt voor een intense leeservaring. Wanneer de druk te hoog wordt ontsnapt ze aan de werkelijkheid door in bedreigende details op zoek te gaan naar overeenkomsten met haar vertrouwde onderwaterwereld: ‘Mijn moeder rekte zich uit als een inktvis, overal armen, ze kon mijn gezicht en armen en benen allemaal tegelijkertijd slaan terwijl ze ook nog het stuur vasthield, ze ontvouwde zich in het duister, een angstaanjagende slagenstorm waaraan ik niet ontsnappen kon’ (136).

Deze beklemmend realistische uitvluchten van een meisje in een drukkende thuissituatie, de momenten waarop ze als het ware een glazen muur tussen zichzelf en de wereld plaatst, maken de kracht uit van het boek, maar waarschijnlijk was minder meer geweest. De passages waarin Caitlin in haar sprookjesachtige vissenwereld veiligheid zoekt en de plaatsen waar mensengedrag met vissengedrag wordt vergeleken zijn helaas wat al te talrijk en regelmatig te expliciet. Het is alsof de auteur bang is dat zijn lezer de spiegeling niet zou opmerken.

Beide vertalers hadden zoals gezegd al ervaring met het werk van Vann. Arjaan van Nimwegen is een veelzijdig literair figuur. Hij schreef onder meer de romans Westerlingen en Huisgenoten, is dichter, criticus en boekhandelaar en hij vertaalde onder meer gedichten van Verlaine, maar vooral Engelse prozateksten. In 1979 vertaalde hij Gullivers reizen voor Het Spectrum en recentelijk was hij betrokken bij de vertaling van Donna Tartts The Goldfinch (Het puttertje, De Bezige Bij, 2013). Aquarium is het derde vertaalproject dat hij uitvoert met Thijs van Nimwegen; eerder verschenen De Zoon van Philipp Meyer en Een beknopte geschiedenis van zeven moorden van Marlon James. Thijs van Nimwegen vertaalde daarnaast Verborgen van James Scott en werkte mee aan de vertaling van 12 jaar slaaf, onder anderen samen met Arjaan van Nimwegen. 

Wat allereerst opvalt aan de vertaling is dat de kleurrijke vissenafbeeldingen uit de brontekst ontbreken. Dit is ongetwijfeld om kostentechnische redenen gebeurd, maar de vormgeving van de brontekst was niet zonder functie: de afbeeldingen in combinatie met de grote, oceaanblauwgekleurde beginletter van ieder hoofdstuk geven je het gevoel dat je een sprookjesboek in handen hebt, wat nog eens extra bijdraagt aan de schrijnende tegenstelling tussen Caitlins onderwaterwereld en de realiteit waarmee ze wordt geconfronteerd.

Mijn algemene indruk van de vertaling is positief. Vanns beeldende taalgebruik wordt niet afgevlakt en de vertalers hebben duidelijk met zorg aan de vertaling gewerkt. Dit blijkt bijvoorbeeld uit hun aandacht voor terugkerende woorden, die de Van Nimwegens consciëntieus concordant hebben vertaald. Over het algemeen pakt dat goed uit, maar helaas zijn er ook passages waarin het vasthouden aan woordherhaling minder geslaagde constructies lijkt te forceren. Zo zegt Caitlins grootvader op een zeker moment ‘I guess you learn a certain range in your life’ (110), waarna hij uitlegt dat voor een vis die altijd in koud water zwemt het kleinste temperatuurverschil misschien gigantisch is, terwijl wij, die veel grotere temperatuurverschillen gewend zijn, diezelfde verandering niet eens zouden opmerken. Daarna verzucht hij: ‘My life has had a narrow range for too long’ (111). Dit laatste is vertaald met: ‘Mijn leven is te lang te begrensd geweest’ (107), en dat is nog niet eens een gekke oplossing voor een duidelijk lastig vertaalprobleem, toch brengt de keuze voor ‘begrenzing’ een verwarrende vertaling van de eerstgenoemde zin met zich mee: ‘Ik denk dat je in je leven leert wat je grenzen zijn’ (106–107). Dit doet zozeer denken aan het welbekende ‘nee leren zeggen’ dat het de lezer direct aan het begin van de interessante overpeinzing van Caitlins grootvader de verkeerde kant op zou kunnen sturen.

Ook bij het woord ‘sleepover’ leidt de behoefte aan concordant vertalen tot een verwarrende keuze. ‘Sleepover’ wordt steevast vertaald met een constructie waar het woord ‘slapen’ in zit. In zinnen als ‘Mijn moeder zegt dat je morgen wel kan komen slapen’ (62) zorgt dat niet echt voor problemen – al dringt de vraag zich hier al op waarom er niet voor ‘logeren’ is gekozen – maar aan de zin ‘Ik was zo blij dat het slapen bij haar doorging’ (62), als vertaling van ‘I was so happy about the sleepover’ (60), zou je op basis van alleen de vertaling weleens een verkeerde interpretatie kunnen geven. Kort voor deze opmerking beschrijft Caitlin namelijk het gelukzalige gevoel dat ze ervaart wanneer ze haar vriendin Shalini ’s ochtends vroeg nog half slapend en ‘een paar minuten na haar dromen’ in haar armen kan houden. De vermoedelijke verklaring voor de keuze voor ‘slapen’ komt een paar bladzijden verder aan het licht: ‘I don’t know about sleepovers, my mother said. You do need to sleep. They’re not called wakeovers’ (74). Hier werkt een constructie met ‘slapen’ uiteraard wel: ‘Ik weet het niet hoor, die slaappartijtjes, zei mijn moeder. Je hebt je slaap nodig. Het zijn geen wakkerblijfpartijtjes’ (75). 

Een belangijker punt van kritiek betreft het register. De verteller in het verhaal is een volwassen Caitlin die terugkijkt op het meisje dat ze was toen ze twaalf was. Het register is dan ook vrijwel nooit kinderlijk, integendeel. De bijna willekeurig gekozen alinea ‘Het portier zwaaide open als het contragewicht van een hijskraan, duizenden kilo’s zwaar. Ik moest altijd met twee handen trekken om het weer te sluiten’ (12) had met een keuze voor ‘deur van de auto’ of ‘dicht te krijgen’ gemakkelijk eenvoudiger kunnen klinken. Dat de Van Nimwegens dit niet doen laat zien dat ze er niet op uit zijn de vertaling een kinderlijke toets te geven, in mijn ogen volledig terecht. Des te opmerkelijker is het dat de ‘policewoman’ (o.a. 79 en 212), die op school met Caitlin komt praten en aan wie ze later in het boek nog eens terugdenkt, steevast wordt vertaald met het kinderlijke en daardoor uit de toon vallende ‘politiemevrouw’ (o.a. 80 en 201).

Tussen kinderlijk en niet-kinderlijk zijn er verder geen opvallende botsingen, maar tussen modern en wat oubollig wel. Het register doet overwegend ouderwets aan, bijvoorbeeld wanneer Caitlin over de bomen in haar wijk zegt dat ze er ‘net zo aardig’ uitzagen als de bomen in de duurdere buurten (14) (brontekst: ‘as nice’ (8)) of wanneer ze over iemand zegt dat ze dacht dat hij haar ‘aan het foppen’ was (55) (brontekst: ‘I thought he was making fun of me’ (52)). Ook de consequente keuze voor ‘hollen’ in plaats van ‘rennen’ en de zeer regelmatig voorkomende constructies à la ‘Je krijgt alles wat je hebben wilde’ (180) en ‘Ik wilde dat ze blijven zou’ (215) geven de vertaling een licht gedateerd karakter. Hiertegenover staan het veel modernere ‘Hou je kutkop’ (186) (brontekst: ‘Shut the fuck up’ (196)) en het momenteel zo veel gehoorde ‘[…] Dat is jouw ding’ (32) (brontekst ‘You should become an ichtyologist. This is who you are’ (27)).

Op andere punten lijken de vertalers zich juist sterk bewust van hun woordkeuze en vertalen ze contextgericht. Zo wordt het woord ‘shit’ vier regels van elkaar vandaan de ene keer met ‘poep’ en de andere keer met ‘stront’ vertaald en die keuze werkt goed. Caitlin denkt: ‘De afschuwelijke, overweldigende stank van poep’ (160) en haar moeder zegt: ‘Je laat je moeder in haar eigen stront liggen, als een beest’ (160). Waar de vertalers duidelijk ook veel aandacht aan hebben besteed zijn de woordspelingen met vissennamen; hierin tonen ze zich erg inventief: ‘He’s called the dealfish, even, and isn’t that what bosses do, make deals using other people’s lives’ (40) wordt ‘Hij heet trouwens spaanvis, en dat heb je met baasjes, ze laten geen spaan van je heel’ (44).

Over het algemeen worden ook Caitlins intense ervaringen van de wereld heel krachtig vertaald, al zijn er met name in het begin een paar stroeve constructies aan te wijzen. Op bladzij 47 vinden we: ‘De douanemensen in hun nieuwe jeeps waren er altijd, controleren, stalen deuren openmaken, met zaklampen schijnen’ voor ‘Customs officers in their new Jeeps always here, checking, opening steel doors and shining flashlights’ (45) en iets eerder: ‘Die zijn net als wij, niks exotisch. Wat takjes en steentjes, koud, in een groepje bij elkaar bibberen’ (44) met in de brontekst ‘They’re just like us, nothing exotic. Some sticks and rocks, cold, bundled up in a group, shivering’ (41). In de brontekst zijn het ook geen gladde volzinnen, zeker niet, maar in vertaling rekken ze de regels van de grammatica nog iets verder op, waardoor ze wat al te poëtisch lijken te willen klinken en van de weeromstuit aan kracht verliezen. Dat dit niet nodig is bewijzen de vertalers zelf veelvuldig verderop in het boek: ‘Darkness and shadow, teeth chewing and nothing else moving, the way I imagined all the tanks after the aquarium closed’ (102) wordt ‘Duister en schaduwen, kauwende tanden en verder niets wat bewoog, zoals ik me al die glazen bakken voorstelde als het Aquarium eenmaal dicht was (99). En van de toch wel erg fraaie zinnen die de vertaling rijk is nog eentje: ‘Snow falling more heavily now, the world whited out and passing at high speed, flakes curving midair and sucked into our windshield as if we were a magnet, as if we had gained a tremendous and impossible weight’ (248) wordt ‘Het sneeuwde nu harder, de wereld verdween in het wit, schoot met hoge snelheid voorbij, vlokken die midden in de lucht een bocht maakten en tegen onze voorruit werden gezogen alsof we een magneet waren, alsof we ontstellend, onmogelijk zwaar waren geworden’ (236). 

Er is een moment in het boek waarop Caitlins moeder omslaat van lief naar gemeen en ongeveer daar lijkt ook een omslagpunt in de vertaling te liggen. Vanaf dat moment, op een derde van het boek ongeveer, is het aantal stroeve zinnen beduidend kleiner. Het is verleidelijk het vermoeden te uiten dat hier een wisseling van vertalers heeft plaatsgevonden, maar het kan ook andere oorzaken hebben. De toon wordt een tikje wranger en wie weet lag dat de vertalers beter. Het kan ook zijn dat ze pas op dit punt de smaak van Vanns weliswaar niet spiegelgladde, maar toch zeker ook niet schokkerige – eerder golvende, kolkende – zinnen te pakken hebben gekregen. Bovendien zou je verwachten dat in dat geval het deel van Van Nimwegen junior moderner klinkt dan dat van zijn vader, maar modern en ouderwets wisselen elkaar door het hele boek af. De vraag wie welk deel heeft vertaald is ook eigenlijk niet zo belangrijk, waar het om gaat is dat de Van Nimwegens een vertaling hebben afgeleverd die op veel punten zeer sterk is, maar die met iets meer slijpen aan kwaliteit had kunnen winnen. 
 

David Vann, Aquarium. Vertaald door Arjaan en Thijs van Nimwegen. Amsterdam: De Bezige Bij, 2015.

David Vann, Aquarium. New York: Atlantic Monthly Press, 2015.

Lees meer over: