Wat boeit is wat vertaling losmaakt    48-53

Theo Hermans

Abstract: Theo Hermans bespreekt de reeks Vertaalhistorie, waarvan het zesde en (voorlopig) laatste deel is verschenen. Hierdoor is de geschiedenis van het Nederlandse denken over vertalen, van de middeleeuwen tot 1946, de best gedocumenteerde ter wereld. Naar aanleiding van het afsluiten van de reeks, wijdt Hermans beschouwingen aan ‘wat vertaling losmaakt’ in de dubbele betekenis van ‘wat tot vertaling aanleiding geeft’ en ‘wat door vertaling wordt aangericht’, waarbij hij zich vooral concentreert op vertalersvoorwoorden en hervertalingen, die beide neerkomen op vertaalreflectie. De historische vertaalbeschouwing wordt in het algemeen gekenmerkt door bijna dwangmatige herhaling, die volgens Hermans voortvloeit uit het traumatiserende besef dat vertalen ongrijpbaar blijft - zowel onmogelijk als noodzakelijk.

 

Het Nederlands is de best gedocumenteerde taal ter wereld. Dat vindt Hugo Brandt Corstius en hij heeft gelijk. Immers, geen enkel woordenboek overtreft in omvang het Woordenboek der Nederlandsche taal. Het is dan ook meer dan honderd jaar in de maak geweest, de vermoeide spelling draagt er de sporen van. Inmiddels kunnen de Lage landen op een tweede record bogen. Het heeft maar tien jaar geduurd en speelt zich op veel bescheidener schaal af dan het WNT, maar het resultaat mag niettemin tellen. Nu de reeks Vertaalhistorie onlangs met een zesde en laatste deel werd afgesloten, is de geschiedenis van het Nederlandse denken over vertalen, van de Middeleeuwen tot 1946, de best gedocumenteerde ter wereld. 

De cijfers spreken voor zich. De reeks beslaat zo’n 900 bladzijden. In totaal 190 historische documenten of fragmenten vullen samen 700 bladzijden, die worden toegelicht en uitgelegd door zes inleidingen, één per deel, tezamen goed voor 110 pagina’s; de resterende ruimte is aan noten en registers besteed. Zeven samenstellers tekenden voor de zes delen: Bart Besamusca and Gerard Sonnemans voor het deel dat de periode van het begin van de bewaard gebleven geschreven overlevering tot 1550 in kaart brengt, Theo Hermans voor de periode 1550-1670, Cees Schoneveld voor 1670-1760, Luc Korpel voor 1760-1820, Cees Koster voor 1820-1885 en dezelfde met Ton Naaijkens voor 1885-1946. Ieder deel telt rond de 150 bladzijden. Wie het aantal bestreken jaren per deel goed bekijkt, ziet dat de meer recente periodes naar verhouding beter aan hun trekken komen: de eerste drie periodes bestrijken respectievelijk zo’n 350, 120 en 90 jaar, de drie meer recente periodes ieder ongeveer zestig jaar. In het deel Middeleeuwen treft men het grootste aantal primaire teksten aan: veertig; het meest recente deel biedt het kleinste aantal teksten, negentien, maar ze vallen doorgaans langer uit.

In elk van de zes delen Vertaalhistorie zijn documenten aan te wijzen die in lengte boven de overige teksten uittorenen. Die vormen blijkbaar de zwaartepunten in de historische vertaalreflectie. In chronologische volgorde gaat het om het tractaat Super modo vivendi van Gerard Zerbolt van Zutphen uit de tweede helft van de veertiende eeuw, Jan Gymnicks opdracht bij de anonieme Livius-vertaling van 1541, Nicolaus van Winghes voorwoorden bij zijn vertalingen van de bijbel en Flavius Josephus omstreeks het midden van de zestiende eeuw, Johan van Groenewegens voorbericht bij zijn Tacitus-vertaling van 1630 en dat van Sybrant Feitama bij diens Telemachus naar Fénelon in 1733, vervolgens een trits prijsverhandelingen van J. Lublink de Jonge (1788), N.G. van Kampen (1815) en S.I. Mulder (1824), en uit de twintigste eeuw Karel van de Woestijnes ‘Inleidende nota’ bij zijn Ilias-vertaling van 1910 en A.A. Weijnens monografie De kunst van het vertalen uit 1946.

Er staat heel veel in deze zes delen. Er is uiteraard nog veel meer dat er niet in staat. Hoeveel ontbreekt er en hoe representatief is het verzamelde? Daar kunnen we slechts naar raden, want alleen voor het deel 1760-1820 werd in het kader van een proefschrift systematisch naar bronnen gespeurd, de rest is sprokkelwerk. Dat er desondanks constanten optreden in de overwegingen over vertalen kan zijn verklaring vinden ofwel in het bewustzijn van een zekere traditie bij vertalers en beschouwers ofwel in de beperkende selectie die de samenstellers bewust of onbewust hebben toegepast. Terwijl beschouwingen naar aanleiding van het vertalen van de klassieken in iedere periode goed vertegenwoordigd zijn en Ovidius en Homerus daarbij het vaakst aanleiding geven tot vertaalgepeins, bevat de reeks geen enkel document dat de ontmoeting met niet-westerse culturen weerspiegelt. Misschien heeft deze ontmoeting het Nederlandse denken over vertalen niet echt geraakt, misschien is zij over het hoofd gezien.

Hoe dan ook, de weldadige hoeveelheid materiaal die is bijeengebracht kan nu op allerhande manieren uitgevlooid worden. Dat zal ik hier niet doen. Op zich is vertaalgeschiedenis trouwens niet eens zo interessant. Wat boeit is wat vertaling losmaakt, in de dubbele betekenis: wat tot vertaling aanleiding geeft en wat door vertaling wordt aangericht. Ook dat is nog te veel voor een korte mijmering. In wat volgt beperk ik mij tot enkele disparate en speculatieve bedenkingen waartoe het doorbladeren van de zes delen Vertaalhistorie aanleiding heeft gegeven.

Vertalersvoorwoorden
In grote meerderheid bestaan de teksten in Vertaalhistorie uit vertalersvoorwoorden. Daar voeren vertalers dus het woord. In ieder van de zes delen lopen vertalers af en aan, waardoor het uitzonderlijke van hun spreken niet eens meer opvalt. Maar het blijft merkwaardig, om meer dan één reden. De vertalingen waar de voorwoorden bij horen en die in de meeste gevallen veel omvangrijker zijn dan de voorwoorden, komen uiteraard niet in zicht. Daar is in de reeks geen plaats voor. In die vertalingen voeren vertalers ook het woord, maar op een andere manier, doorgaans als spreekbuis, soms als woordvoerder voor andermans, wie weet soms ook voor het eigen gedachtegoed. Door de nadrukkelijke aanwezigheid van vertalersvoorwoorden en de bijbehorende maar aan het oog onttrokken vertalingen wordt de vraag naar wie er in wiens naam spreekt in deze verschillende situaties gedramatiseerd. Daar komt bij dat vertalers ook geregeld als recensent en criticus opduiken en daar weer in andere rollen hun tong roeren. Wie spreekt voor wie?

In een tweetal essays, ‘Footing’ and ‘Radio Talk’, in zijn boek Forms of Talk uit 1981 deelt de Amerikaanse socioloog Erving Goffman het begrip ‘spreker’ op in drie rollen. Zij gaan vaak samen, maar het heeft zijn nut ze te onderscheiden. Goffman heeft het overigens voornamelijk over gesproken taal. Eerst is er de ‘animator’, de fysieke geluidsbron die woorden uitstoot. Dan is er de ‘auctor’ (Goffman heeft ‘author’, maar ik vermijd ‘auteur’ om redenen die zo meteen zullen blijken), diegene die het script componeert en de gedachten, gevoelens en woorden levert waar een taaluiting uit bestaat. De ‘principaal’ ten slotte is degene wiens overtuiging, status en positie gestalte krijgen in wat er gezegd wordt. Vaak vallen de drie rollen samen, bijvoorbeeld wanneer ik zelfbedachte woorden spreek die mijn persoonlijke overtuiging uitdrukken. Maar een nieuwslezer spreekt wel op eigen gezag wanneer hij zich aan het begin van de uitzending introduceert en zijn eigen naam noemt, maar daarna leest hij een grotendeels door anderen geschreven tekst voor die de visie weergeeft van het zendstation. Hij is animator van aanvang tot eind, maar slechts ten dele auctor en maar zeer ten dele principaal.

Wanneer een vertaling inclusief vertalersvoorwoord in boekvorm verschijnt, is de vertaler animator van de eerste bladzij tot de laatste. Ook als hij woorden doorgeeft blijven we zijn stem vernemen. Is hij ook auctor en principaal? In het voorwoord allicht wel, maar in de vertaling? Gebruikelijk is de visie dat hij hier de kansel deelt met de auteur. Wordt het geluid dan tweestemmig, en voert er één de boventoon? Dat zou kunnen afhangen van de opstelling die in het vertalersvoorwoord tot uiting komt. Vertalers die voorgeven interpretatie te schuwen horen we wellicht minder duidelijk meespreken dan de bevlogenen die menen dat alleen dichters dichters aankunnen. Je zou ook kunnen zeggen dat het belang van een vertalersvoorwoord erin bestaat dat het juist de fictie dat in het vertaalde de auteur aan het woord is, ondermijnt. Voor zover de lezer zich herinnert dat de vertaalde woorden in die bepaalde vorm uit de pen van de vertaler gevloeid zijn, wordt het lastig het script uitsluitend aan de auteur toe te schrijven. En de rol van principaal? In voorwoorden vernemen we vaak de stem van het collectieve vertalersgilde, of van een groep echte of gewaande gelijkdenkenden. In het vertaalde lezen we doorgaans het standpunt van de auteur en wie of wat er ook achter hem of haar mag staan, maar men kan net zo goed stellen dat waar dichters dichters vertalen of waar vertalen naar navolgen neigt, de vertaler meer aan de rol van principaal deelneemt dan waar vertalers zich als geruisloze schimmen voordoen. Goffman wijst overigens nog op het belang van ingebedde taaluitingen. Een verhaal laat zich inbedden in een ander verhaal, met secundaire sprekers. Misschien kunnen we, anders dan gebruikelijk, vertalersvoorwoorden lezen als kaderverhalen eindigend op een dubbele punt: de vertaling is dan een spreeksituatie die bij wijze van illustratie in het script van de vertaler wordt ingepast.

Vertalersvoorwoorden verhogen de inzet van de vertaalpraktijk. Ze scheppen verwachtingspatronen en scherpen die tegelijkertijd aan – zal de vertaling aan de beleden intenties en doelstellingen beantwoorden? Dat vergroot de zichtbaarheid van de vertaler, maar ook de kans op gezichtsverlies. Misschien ligt hier de reden dat vertalersvoorwoorden zich vaak zo nadrukkelijk beroepen op meer algemeen geldende denkbeelden over vertalen, literatuur, cultuur, nationaliteit en wat al niet. Die maken immers niet alleen verschillende vormen van vertaalpraktijk mogelijk, zij werken ook gezichtsbeschermend. Zij houden een netwerk in stand dat, horizontaal gezien, auteurs, critici, lezers, vertalers en andere belanghebbenden omvat en, verticaal, een historische traditie voortzet door het verleden selectief te recuperen en te vergeten. In dit perspectief gezien is het verwoorden van vertaalopvattingen van even groot belang als de praktijk van het vertalen. Dat maakt het zinvol te kijken naar wie er nu precies welk spreekrol vervult, op welk moment.

Hervertalingen
Het is opvallend hoe vaak in de zes delen Vertaalhistorie hervertaling tot vertaalreflectie aanleiding geeft. Alleen al Homerus is goed voor negen voorberichten gespreid over vier eeuwen. De historische vertaalreflectie teert op onvrede met voorgangers en collega’s. Hoe daarmee om te gaan? Martinus Nijhoff heeft erop gewezen dat een vertaling nooit de enig mogelijke maar slechts een mogelijke weergave van een vreemdtalige tekst is. Een vertaling biedt een keuze, en doorgaans niet meer dan één, uit een aantal vertaalmogelijkheden. Zolang er van een bepaald origineel slechts één vertaling bestaat, blijven de alternatieven buiten beeld. Ze zijn hooguit in potentie aanwezig, een virtueel en bodemloos reservoir waarin alle uitgesloten keuzes opgeslagen liggen. In de onuitputtelijkheid van dat reservoir ligt de onvertaalbaarheid van het origineel, begrepen als de onmogelijkheid tot een definitieve vertaling te komen. Tegelijk laat een vertaling zien dat de originele tekst vertaalbaar is. Immers, voor hij vertaald wordt, is een tekst vertaalbaar noch onvertaalbaar. Pas als hij vertaald wordt blijkt zijn vertaalbaarheid – en doemt, in vooralsnog virtuele vorm, zijn onvertaalbaarheid op. In de mate waarin een vertaling zich een keuze uit verworpen mogelijkheden weet, in die mate maakt een vertaling reeds de onvertaalbaarheid van een origineel kenbaar. Wanneer een tweede vertaling tot stand komt en tot dusver ongebruikte mogelijkheden aanboort, ligt de weg open naar een onpeilbaar reservoir. Meerdere vertalingen laten zien dat de ene definitieve vertaling utopisch is en dat teksten bijgevolg altijd onvertaalbaar blijven. Hervertaling demonstreert vertaalbaarheid maar maakt tegelijk onvertaalbaarheid zichtbaar en tastbaar. Zowel deliberatieve als polemische vertaalbeschouwing accentueert die dubbele dimensie, de een door haar wikken en wegen, de ander door nadrukkelijk uit de voorraad alternatieven te putten.

Neurotische reflectie
De historische vertaalbeschouwing, en niet alleen de Nederlandse, bevat veel herhaling. Dat is onvermijdelijk, een traditie kan niet anders voortbestaan dan door herneming en mutatie. Vaak echter treft juist vertaalreflectie het verwijt dat dezelfde problemen zich telkens weer onder hooguit lichtjes gewijzigde vorm aandienen. Ik vraag me af of we die herhalingsdrang ook op een andere manier kunnen bezien, namelijk als neurose. De dwangmatige herhalingen, meestal in de vorm van regels, richtlijnen, voorschriften, wetten, taken en plichten van de vertaler, hebben iets van het obsessieve handenwassen van Lady Macbeth. De uiterlijkheden van het vertalen, datgene wat beregelbaar lijkt, worden telkens opnieuw ten tonele gevoerd, uitgerold en rondgebazuind. Maar het onophoudelijke beregelen van uiterlijkheden is misschien slechts het symptoom van iets diepers en verontrustenders, een verborgen trauma. Dat trauma bestaat niet in een eenmalige gebeurtenis maar in de historisch overgeleverde paradox van het vertalen als onuitvoerbare opgaaf, als onmogelijkheid en noodzaak tegelijk – een dilemma dat zowel epistemologische als ethische kanten vertoont. Aan die aporie helpt geen richtlijn of voorschrift, ook al niet omdat de regelgeving telkens weer faalt in pogingen het genre in een stabiel regime te dwingen. Dat onvermogen om vertaling in de greep te houden blijkt in Vertaalhistorie telkens weer. Van de Middeleeuwen tot de twintigste eeuw treedt een veelheid aan termen op, klinken uiteenlopende bevelen en verboden en stoot vrijwel iedere uitspraak op tegenspraak. Dat maakt ook de taak van de hedendaagse beschouwer zo lastig. Die moet immers niet alleen de historische woorden en stellingen in een moderne academische taxonomie onderbrengen, en dus interpreterend en tastend vertalen, maar ook per periode lijnen uitzetten, samenvatten, reduceren en contextualiseren. Alle zes inleidingen verzuchten dat er op de historische vertaalbeschouwing, ondanks enige constanten, voorlopig weinig peil te trekken valt. Misschien beschikken we nog over te weinig materiaal.

Epidemiologisch model
In zijn boek Explaining Culture. A Naturalistic Approach (1996) verdedigt de antropoloog Dan Sperber een epidemiologisch model ter verklaring van culturele evolutie. Epidemiologie is de studie van de spreiding van virussen en bacteriën. Cultuurgeschiedenis werkt met andere maar vergelijkbare eenheden. Opvattingen, ideeën, representaties worden ook doorgegeven, van persoon tot persoon en van generatie op generatie. Daarbij ondergaan ze mutaties, want anders dan virussen vereist iedere representatie een interpretatie. De vraag waar Sperber zich mee bezighoudt, is hoe het komt dat sommige representaties zich blijkbaar op een bepaalde manier en in een bepaalde vorm verspreiden, zowel in de ruimte als in de tijd. Het antwoord is uiteraard niet eenvoudig, en Sperber blijft ook met meer vragen dan antwoorden zitten. Maar zijn vragen doen het gebruikelijke perspectief verschieten. Ze zijn belangwekkend omdat ze tot een gekantelde zienswijze uitnodigen.

Ik maak mij sterk dat aspecten van zijn benadering van cultuur op vertaalgeschiedenis en op de transmissie van vertaalopvattingen toepasbaar zijn. Zo probeert Sperber een functionalistisch model, dat vooral oog heeft voor culturele praktijken en voorstellingen als oplossingen voor bepaalde problemen, aan te vullen met cognitieve elementen zoals het relevantie-principe, dat stelt dat het menselijke brein de voorkeur geeft aan mentale voorstellingen die voor minder inspanning meer resultaat opleveren. Hiermee kan bijvoorbeeld verklaard worden dat bepaalde opvattingen of culturele praktijken meer kans hebben om zich te verspreiden en zich in de tijd te stabiliseren als ze aansluiting vinden bij bestaande culturele opvattingen en praktijken. Dat klinkt nog rijkelijk vaag en algemeen. Het kan echter voldoende zijn te denken aan in de loop van de tijd verschuivende opvattingen over taal en taalverschillen, over culturele eigenheid en traditie, over literaire genres, over ethische en ideologische waarden, om te zien dat opvattingen over vertalen die daar rechtstreeks op aansluiten, een betere kans maken om zich te propageren dan opvattingen die minder raakpunten vertonen met wat in hun omgeving leeft. 

Met het materiaal dat nu in Vertaalhistorie bijeengebracht is kan een dergelijke contextualisering een aanvang nemen. Het zal een bescheiden aanvang zijn. Al is er dan, zoals gezegd, op het terrein van de historische vertaalreflectie in het Nederlands meer bij elkaar gerijfd dan voor welk ander taalgebied ook, het zal altijd te weinig zijn. De vooruitgang zit hierin dat het niet langer zinloos is omvattende vragen op te werpen naar het hoe en waarom van de continuïteit en verandering in het denken over vertalen. Met andere woorden: we komen er misschien niet uit, maar we kunnen er tenminste in.

 

Bibliografie
De reeks Vertaalhistorie is verschenen bij de Stichting Bibliographia Neerlandica (‘s-Gravenhage) en bestaat uit de volgende delen:

Bart Besamusca en Gerard Sonnemans. 1999. De crumen die tvolc niet eten en mochte. Nederlandse beschouwingen over vertalen tot 1550.

Theo Hermans. 1996. Door eenen engen hals. Nederlandse beschouwingen over vertalen 1550-1670.

Luc Korpel. 1993. In Nederduitsch gewaad. Nederlandse beschouwingen over vertalen 1760-1820.

C.W. Schoneveld. 1992. ‘t Word grooter plas, maar niet zoo ‘t was. Nederlandse beschouwingen over vertalen 1670-1760.

Cees Koster. 2002. De Hollandsche vertaalmolen. Nederlandse beschouwingen over vertalen 1820-1885.

Cees Koster en Ton Naaijkens. 2002. Een vorm van lezen. Nederlandse beschouwingen over vertalen 1885-1946.

Lees meer over: