Rugbeeld    19-24

Anne Sytske Keijser

Abstract: In ‘Rugbeeld’ gaat Anne Sytske Keijser dieper in op het ontbreken van woorden in de brontaal. Zo bestaat er in het Nederlands geen equivalent voor het Chinese ‘rugbeeld’, wat de vertaalster parten heeft gespeeld bij het vertalen van de roman Berg van de ziel, van Nobelprijswinnaar Gao Xingjian, temeer omdat dat woord van toepassing is op zowel de gelaagdheid van de vertelinstantie als op het thematische spanningsveld tussen waarnemen en participeren.

 

Soms stel ik me een groot gezelschapsspel voor vertalers voor, waarbij iedere vertaler een woord aandraagt uit zijn of haar brontaal waarvoor in het Nederlands niets bestaat dan een pijnlijke of ergerniswekkende leemte. Met een probleemsignalement alleen ben je er nog niet, het gaat erom dat het hiaat wordt opgevuld met een goed hanteerbaar nieuw woord. Voor het Chinees kun je moeiteloos een lijst van woorden zonder kant-en-klare Nederlandse vertaling opstellen, maar veel van die woorden hebben betrekking op lokaal getinte zaken als flora, fauna, eten en drinken – vertalingen ervan zijn doorgaans beperkt tot de Chinese context en zijn voor het spel daarom niet geschikt. Gao Xingjians roman Berg van de Ziel herbergt een enorme hoeveelheid exotica: vreemde planten, bedreigde diersoorten, obscure rituelen van minderheidsvolken, boeddhistische en taoïstische plechtigheden – allemaal brokken cultureel erfgoed. Zulke woorden en begrippen op een bevredigende manier in het Nederlands te vertalen is een uitdagende klus, maar het resultaat blijft contextgebonden: een schaakbordslang zul je in Nederland niet zo snel tegenkomen en een trigrammenspiegel al evenmin.

Een andere situatie doet zich voor wanneer er voor een ogenschijnlijk heel normaal Chinees woord geen Nederlands equivalent bestaat. Bij het vertalen van Berg van de Ziel ontdekte ik dat het Nederlands geen zelfstandig naamwoord bezit dat omschrijft hoe iemand eruitziet als we hem of haar op de rug zien. Het Chinees noemt dat beiying (rug-schaduw), in Chinese woordenboeken omschreven als ‘iemands rugbeeld’. Wij kennen woorden als ‘gedaante’ en ‘gestalte’, die beide verwijzen naar iemands fysieke aanwezigheid. Maar bij gedaante en gestalte maakt het niet uit waar de waarnemer staat, dat kan voor, opzij of achter de waargenomen persoon zijn, terwijl het bij beiying uitsluitend gaat om een standpunt achter de bewuste persoon. Dan is er nog het woord ‘achteraanzicht’, oftewel de ‘gedaante waarin zich iets van achteren beschouwd vertoont’. Het intrigerende is dat de vertaling ‘achteraanzicht’ niet werkt. De voorbeelden in Chinese woordenboeken bij beiying zijn: ‘Ik keek zijn beiying na en kon mijn tranen niet inhouden’ en ‘Ik had mijn vader nu al meer dan twee jaar niet gezien, maar zijn beiying stond mij nog scherp voor de geest.’ Een beiying hoeft dus niet statisch te zijn; in veel zinnen waarin het woord voorkomt, beweegt iemands beiying zich van de toeschouwer af. In beide genoemde gevallen kan beiying vertaald worden met gestalte. Dat het ‘rug’-aspect van het Chinese woord in het Nederlands verdwijnt is niet zo bezwaarlijk: wanneer je iemand die van je weg loopt nakijkt, zie je meestal diens rug (‘rug’ fungeert als pars pro toto voor de aanblik van het hele lichaam van achteren). Niets aan de hand, zou je dus denken, maar bij Gao Xingjian is er meer aan de hand.

Gao, aan wie in 2000 als eerste Chinese schrijver de Nobelprijs voor de letterkunde werd toegekend, was in eigen land vooral bekend vanwege zijn licht absurdistische toneelstukken. Omdat hij in China een paar keer in aanvaring was gekomen met de overheid over de kritische toon van zijn werk, verliet hij het land in 1987. Sinds 1988 woont hij in Parijs. Berg van de Ziel, dat in 1990 verscheen bij een Taiwanese uitgeverij, is zijn eerste roman. Een centraal thema in Gao Xingjians werk is het onvermogen van de moderne mens (meestal een intellectueel uit de stad) in harmonie te leven met de natuur en met andere mensen. Berg van de Ziel draait om de zoektocht van de hoofdpersoon naar de Berg van de Ziel, een moeizame tocht die hem kriskras door China voert en waarop hij in contact komt met allerhande mensen, van toeristen tot kaderleden, van boswachters tot sjamanen. In het eerste hoofdstuk vertelt een man met wie de ik-figuur in de trein zit, dat hij naar de Berg van de Ziel reist.

Die man daar tegenover je kneep zijn ogen een beetje samen, hij zat wat te peinzen. Jij was nieuwsgierig, zoals mensen dat nou eenmaal vaak zijn, en wilde natuurlijk graag weten welke berg nog ontbrak aan jouw lijst van beroemde plekken van landschappelijk schoon. Je was ook nogal eigenwijs en je kon het niet verkroppen dat er een bestemming bestond waar jij nog nooit van had gehoord. Daarop informeerde je bij hem waar die Berg van de Ziel dan lag.
   Hij opende zijn ogen. ‘Bij de bron van de rivier de You.’
   […]
   ‘Wat valt daar dan te doen? Het landschap bekijken? Staan er tempels? Of zijn er bepaalde bezienswaardigheden?’ Je vroeg dit alsof je je niet interesseerde voor het antwoord.
   ‘Alles is daar in zijn oorspronkelijke staat.’ (Berg, p. 7-8)

De hoofdpersoon, een naamloze intellectueel uit de stad, is op zoek naar echte, authentieke ervaringen. Hij denkt die te zullen vinden op het Chinese platteland, in de ongerepte natuur en in slaperige dorpjes. Zijn zoektocht speelt zich vooral af in de regio’s langs de rivier de Yangzi en in de vele berggebieden die China rijk is. Ook speurt hij in zijn geheugen, waar hij halfvervaagde herinneringen aan zijn jeugd koestert. Een van die herinneringen betreft een jonge vrouw die in een steegje loopt, met een emmer water aan een stok over haar schouder. Het beeld van de vrouw lijkt sereen, maar de herinnering blijkt in verband te staan met Japanse bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als resultaat daarvan besluit zijn moeder met hem naar een veiliger oord te vluchten.

En weer keek je haar op de rug, in een steegje, ze had een lange zwart glanzende vlecht. Die watersteegjes in Wuyi waren ’s winters in de kille wind vast ook heel koud. Ze droeg een last water, en liep met korte snelle passen over de keien, de emmer drukte op haar nog onvolgroeide, tengere schouders, ook voor haar rug was het heel zwaar. Jij hield haar staande door te roepen, het water in de emmer klotste over de rand en spatte op de keien. Ze draaide haar hoofd om, kreeg jou in het oog en lachte even naar je. (Berg, p. 121-122)

In bovenstaande passage heb ik beiying met ‘rug’ vertaald. In het begin van de roman gedraagt het woord zich nog niet opmerkelijk. Dat verandert op het moment dat beiying gebruikt wordt om iets te zeggen over de gelaagdheid van de vertellers. Gao Xingjian heeft in zijn werk veelvuldig geëxperimenteerd met complexe vertelinstanties, ‘taalstroom’ en polyfonie. ‘Taalstroom’ is Gao’s benaming voor een Chinese vorm van stream of consciousness, die minder associatief en gefragmenteerd is dan bij westerse auteurs. In Berg van de Ziel wisselen twee vertellers elkaar af, de nuchtere, verstandelijke ‘ik’ en het gevoelsmens ‘jij’. Gaandeweg blijken ze afsplitsingen van één persoon te zijn. Er is zelfs een derde verteller, een ‘hij’, maar die komt slechts sporadisch aan het woord. Die derde verteller wordt geïntroduceerd als de beiying van de ‘jij’:

Op jouw innerlijke reis zwerf je net zoals ik de hele wereld door, jouw eigen gedachten volgend. Hoe verder je komt, hoe dichterbij je tegelijk raakt, tot een ontmoeting onvermijdelijk is en een scheiding vrijwel onmogelijk. Dan zullen jij en ik een stap achteruit moeten doen om wat afstand te scheppen, en die afstand, dat is hij. Hij is de persoon die ik op de rug kijk wanneer jij je omdraait en van mij weg loopt.
   Of ik het nu ben of mijn beeld, geen van beiden kunnen jij en ik zijn gezicht goed zien, het is genoeg te weten dat hij een persoon is die jij en ik op de rug kijken. (Berg, p. 351)

[…] As the distance increases there is a converging of the two until unavoidably you and I merge and are inseparable. At this point there is a need to step back and to create space. That space is he. He is the back of you after you have turned around and left me.
   Neither I nor my image can see his face, it is enough to know that he is someone’s back. (Soul Mountain, p. 313)

Tu es dans ton propre voyage spirituel, tu erres dans le monde entier avec moi en suivant tes pensées, et plus tu vas loin, plus tu te rapproches jusqu’à ce que, inévitablement, il devienne impossible de nous dissocier; il te faut alors reculer d’un pas et cette distance qui se crée, c’est “lui”, et “lui”, c’est une silhouette lorsque tu me quittes et t’éloignes.
   Que ce soit moi ou mon reflet, on ne distingue pas le visage de “lui”, on sait seulement que c’est une silhouette. (La Montagne de l’Âme, p. 422)

De Engelse vertaalster kiest voor ‘back’, de Franse vertalers voor ‘silhouette’. Ik heb weer voor ‘persoon die je op de rug kijkt’ gekozen, maar liever had ik één enkel zelfstandig naamwoord gehad, iets als ‘rugbeeld’. De misschien moeizaam klinkende formuleringen met ‘jij en ik’ hebben te maken met het feit dat de verteller in een volgende passage verklaart dat ‘wij’ een loze en onbegrijpelijke term is, die hij zoveel mogelijk probeert te vermijden. Na de constatering dat jij, hij en zij afsplitsingen zijn van de ik-verteller, lopen de ik en de jij (en de jij en de hij) soms in elkaar over binnen een hoofdstuk, iets wat eerder in de roman niet gebeurde. Dat duidt misschien op een hervonden identiteit en het opheffen van de kunstmatige scheiding tussen gevoel en verstand die de ik had gemaakt.

Tegen het einde van de roman staan de zoektochten van de ik en de jij in het teken van winterse kou en sneeuw. De ik geeft een uitvoerige beschrijving van een besneeuwd landschap, dat echt kan zijn, maar mogelijk ook een droomlandschap of een schilderij. Het bestaat uit bomen op de voorgrond en een bevroren rivier, met aan de overkant een pad waarop nog vaag een karrenspoor te onderscheiden valt. Het landschap oefent een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de ik uit en hij wil het inlopen:

Door het sneeuwlandschap binnen te gaan zou ik iemand worden die je op de rug keek. Die rug zou natuurlijk geen specifieke betekenis hebben als ik niet bij het raam stond en naar het landschap keek. Sombere lucht, de met sneeuw bedekte grond helderder dan de hemel, geen beo of mussen, de sneeuw had alle ideeën en betekenissen geabsorbeerd. (Berg, p. 533)

[…] j’ai envie d’y entrer, entrer dans ce paysage de neige, ne plus être qu’une silhouette, une silhouette qui bien sûr n’aurait aucun sens, si je n’étais en train de la contempler par la fenêtre. […] (La Montagne de l’Âme, p. 639)

By entering the snow scene I would become the back of someone. This back of course would not have any particular meaning if I were not at this window looking at it. […] (Soul Mountain, p. 483)

Naast het dubbele beeld van waarnemen en waargenomen worden, komt in deze passage een ander belangrijk thema van de roman naar voren: het verlangen opgenomen te worden in het landschap. De ik kan het landschap (of het schilderij, of de droom) buiten het raam in stappen, maar wanneer hij dat doet, verandert hij in zijn eigen beiying. Hij kan niet een afstandelijke waarnemer blijven en participeren tegelijk. Bij het vertalen van deze passage zag ik behalve het tot in detail beschreven Chinese landschap ook Magritte’s ‘De verboden afbeelding’ voor me, het schilderij waarop een man voor een spiegel staat en niet zijn reflectie ziet, maar zijn achterhoofd en schouders.1

Het woord beiying heeft nog een tweede, afgeleide betekenis: ‘oervorm van een personage’, met name als het gaat om de manier waarop een personage in de literatuur wordt uitgebeeld. Nou kunnen we niet stellen dat Gao’s hoofdpersoon gebaseerd is op een bestaand romanpersonage, maar uit zijn zoektocht naar echtheid, naar het laatste restje oerbos in China, naar oude gebruiken die nog intact zijn, naar tempels die niet door recente restauraties verpest zijn en naar ruïnes die niet zijn omgebouwd tot toeristische attracties, spreekt een ware obsessie met oercultuur en -natuur. Tot zijn teleurstelling moet hij steeds opnieuw constateren dat de oervorm der dingen onherroepelijk is aangetast door menselijk ingrijpen. Soms lijkt het of hij nét te laat is – dan is een bepaalde sjamaan precies het jaar voor zijn komst overleden, of had hij een dag eerder in juist een ander dorp moeten zijn om een ritueel bij te wonen. Hij ziet alleen de armzalige restanten van wat ooit is geweest (of van wat men zei dat er ooit was, want zijn zegspersonen zijn niet altijd betrouwbaar) en daar moet hij het mee leren doen. Op het persoonlijke vlak slaagt de zoektocht van de hoofdpersoon ook al niet: zijn relaties met vrouwen lopen stuk en de vage, brokkelige herinneringen aan zijn jeugd kan hij niet meer reconstrueren. De hoofdpersoon zoekt in feite naar een oervorm van zichzelf, naar een ik die compleet en echt is. Daarom denk ik dat de tweede betekenis van beiying, oervorm, ook – zij het indirect – aanwezig is in bovenstaande passage over het sneeuwlandschap. De ik kan niet meer samenvallen met zijn oervorm, elke poging die hij daartoe onderneemt, mislukt. Hij blijft een kritische waarnemer, die op zijn beurt ook in de gaten wordt gehouden. De zoektocht eindigt in berusting:

In de sneeuw buiten zag ik een piepkleine groene kikker. Eén oog knipperde, het andere was wijdopen. Roerloos staarde hij me aan. Ik wist dat het God was.
   Hij verscheen zomaar voor me en keek of ik het zou begrijpen.
   Hij praatte met me door zijn ogen open en dicht te doen. Wanneer God met de mensen spreekt, wil hij niet dat de mensen zijn stem horen.
   […]
   De dingen gebeurden achter me. Steeds was er een mysterieus oog, dus was het het beste als ik deed alsof ik alles snapte, ook al deed ik dat niet.
   Terwijl ik deed alsof ik het snapte, snapte ik er nog altijd niets van.
   In feite begreep ik niets, ik snapte niets.
   Zo was het. (Berg, p. 555-556)

 

Noot
1 In Berg van de Ziel komt goed beschouwd maar één spiegelscène voor, en die is zeer kort. De ik, net aangekomen in een nieuw stadje, gaat daar logeren bij mensen wier adres hij via vrienden in Peking heeft gekregen. Hij kent hen verder niet. In de keurige hal van zijn gastheer hangt een spiegel: ‘Eerst zag ik mijn smerige schoenen, en vervolgens in de spiegel mijn haveloze uiterlijk, mijn haar was al in geen maanden geknipt en ik herkende mezelf amper.’ (Berg, p. 370) Later verspringt in dit hoofdstuk de verteller voor het eerst van de ‘ik’ naar de ‘jij’.

Bibliografie
Gao Xingjian, Lingshan, Taipei: Lianjing Publishing, 1990.

Berg van de Ziel, vertaling Anne Sytske Keijser, Amsterdam: Meulenhoff, 2002.

La Montagne de l’Âme, vertaling Noël en Liliane Dutrait, Paris: éditions de l’aube, 1995 en 2000.

Soul Mountain, vertaling Mabel Lee, Sydney: Flamingo, 2000.

Lees meer over: