'De erfenis der meesters goed beheerd'    13-24

Vertalingen uit de literaire nalatenschap van Ida Gerhardt

Mieke Koenen

Abstract: Latiniste Mieke Koenen is lid van een onderzoeksgroep die werkt aan de inventaris van de literaire nalatenschap van Ida Gerhardt. Zo kreeg ze niet eerder gepubliceerd materiaal onder ogen, zoals vertalingen van de hand van de dichteres die na haar dood te voorschijn kwamen uit haar boeken. In het artikel worden deze onbekende vertalingen voor het eerst gepubliceerd en in een literaire context geplaatst. Het gaat onder meer om vertalingen uit Anthologia Palatina, en om vertalingen van gedichten van Catullus.

 

Na de dood van Ida Gerhardt in augustus 1997 hebben haar erfgenamen haar literaire nalatenschap ondergebracht in het Stadsarchief Zutphen. Enige tijd later hebben zij een groep mensen bijeengebracht die zijn gaan werken aan de inventaris. Als lid van deze onderzoeksgroep, die verder bestaat uit de hoofdarchivaris van Zutphen, Dick van Halsema en een tweetal stagiaires, kreeg ik niet eerder gepubliceerd materiaal onder ogen. Enkele van deze teksten zijn verwerkt in mijn recent verschenen boek: ‘Stralend in gestrenge samenhang’, Ida Gerhardt en de klassieke oudheid (Historische Uitgeverij, 2002). Maar een aantal vondsten liet ik daar buiten beschouwing, zoals vertalingen van haar hand die te voorschijn kwamen uit haar boeken. In dit artikel plaats ik een aantal van deze onbekende vertalingen, die hier voor het eerst gepubliceerd worden, in hun literaire context.

1. Anthologia Palatina
Een van de bekroningen die de dichteres Ida Gerhardt in haar latere leven ten deel vielen was de Martinus Nijhoffprijs voor vertalingen (1968). Zij kreeg deze onderscheiding voor de in Maatstaf opgenomen proeve van de Psalmen-vertaling (1967), voor haar al in 1942 verschenen weergave van Lucretius, maar vooral voor haar eveneens in de jaren veertig gepubliceerde vertaling van Vergilius’ Georgica. In de meest recente uitgave van Gerhardts verzameld werk (19998) zijn deze vertalingen ondergebracht in een apart deel, waarin ook minder bekend werk is afgedrukt: haar weergave van een aantal gedichten uit de Griekse Anthologia Palatina. Omdat over de ontstaansgeschiedenis van laatstgenoemde vertalingen weinig bekend is, zal ik hier eerst op ingaan. Gerhardt heeft de Griekse gedichten vertaald in de laatste fase van haar leraarschap, begin jaren zestig. Zij doceerde toen klassieke talen aan De Werkplaats van Kees Boeke in Bilthoven. Door Peter Gumbert, één van haar oud-leerlingen, werd zij benaderd met het verzoek of zij een bijdrage wilde leveren aan een bloemlezing die zou worden uitgegeven door M.F., een Leids dispuutgezelschap voor studenten klassieke talen. In het eerste jaar van haar studie (1924-1925) was Gerhardt zelf ook lid geweest van deze vereniging, die in 1963 haar vijftigjarig bestaan zou vieren. Om het feest luister bij te zetten werd een bundel samengesteld met vertalingen uit de Anthologia Palatina, een omvangrijke verzameling van korte, vaak anonieme, gedichten die zijn geschreven over een periode van meer dan duizend jaar. De redactie van de bloemlezing van M.F. bestond uit Carola Kloos, Marinus Wes en de zojuist genoemde Peter Gumbert. De auteurs die zij hadden benaderd, mochten zelf bepalen welke epigrammen zij wilden vertalen. Uiteindelijk werd een honderdtal bijdragen geplaatst en onder de vertalers vindt men namen van bekende literatoren (zoals Jan Eijkelboom, Hella Haasse, Jan Hanlo, Marietje d’Hane-Scheltema en Helene Nolthenius), universitaire medewerkers en de samenstellers zelf. Aan de bundel werd de titel Krekels in olijventuinen meegegeven.

Uit brieven die Gerhardt in het voorjaar van 1962 schreef aan Peter Gumbert blijkt dat zij haar taak niet licht opvatte. In een brief van 15 april liet zij hem weten dat het vertalen van de Griekse gedichten ‘animerend’, maar lastig werk was (de bondigheid van de epigrammen zal haar, met haar ervaring in het dichten van kwatrijnen, zeker hebben aangesproken). Op 7 mei voorzag zij moeilijkheden omdat de vertalers niet met elkaar hadden kunnen overleggen en de opzet van de bundel niet precies genoeg omschreven was. Ze wilde niet dat het een oppervlakkig boekje zou worden, maar een waarheidsgetrouwe weergave van de oorspronkelijke gedichten, die nogal wisselend van kwaliteit zijn: ‘Wil men een aardig boekje voor Mijnheren en Mevrouwen, of een selectie + vertaling die laat zien wat er eigenlijk gaande is? Nl: een enorm aantal portretten van epigonen: facie’s, of zó te doorzien (nl. op hun verkalking) of pas langzaam te herkennen. Veel wat aardig lijkt is trucage; elders treft men — haast verscholen — zeer waardevolle epigrammen aan. M.i. moet de vertaling niet een retouche zijn van de portretten, maar een “ophalen” van wat onherkenbaar verbleekt is: het gaat als altijd, om het waarheidsgehalte.’ Uit de verdere correspondentie met haar oud-leerling blijkt dat zij uiteindelijk zeventien vertalingen heeft ingestuurd. De redactie heeft er tien opgenomen, waarmee Gerhardt een relatief grote bijdrage heeft geleverd aan Krekels in olijventuinen.1

In Gerhardts nalatenschap zijn haar zeven niet-gepubliceerde vertalingen bewaard, evenals oudere versies van een aantal van de geplaatste epigrammen. Al deze vertalingen zijn genoteerd op vijf vellen papier, waaronder één blad officieel schrijfpapier van De Werkplaats. Deze bladen zijn opgeborgen in haar exemplaar van een Duitse uitgave van de Anthologia Palatina.2 Zonder uitzondering imiteren Gerhardts weergaven niet alleen de woordvolgorde, maar ook de versmaat van het origineel, het elegisch distichon, een tweeregelige strofe die bestaat uit een dactylische hexameter en een pentameter. Zoals wel te verwachten was van een classica die de ernstige leerdichten van Vergilius en Lucretius had vertaald en van een dichteres die zelf zeer ingetogen poëzie had geschreven, was zij niet aan de slag gegaan met de lichtvoetige, erotische epigrammen. Ook heeft zij zich niet gestort op meer platvloerse gedichtjes zoals Anthologia Palatina XI, 42: ‘Gaapt Diodoros of laat hij een scheet? ’t Is niet te onderscheiden: / een en dezelfde stank vult hem van hoog tot laag’ (vertaling van Helene Nolthenius, die in 1992 een boekje met epigrammen-vertalingen heeft gepubliceerd). Gerhardts selectie is grotendeels afkomstig uit de verzameling graf-epigrammen. Hieronder bevindt zich een grafschrift voor een man die het blijkbaar jammer vond dat hij ooit was geboren. Haar vertaling van deze tekst, die niet is gepubliceerd in Krekels in olijventuinen, luidt als volgt: ‘Zestig jaar oud ben ik, Dionysius, hier begraven. / Thraciër nooit getrouwd. — Waarom was Vader niet zo?’ (VII, 309). Vergelijkt men deze vertaling met die van Nolthenius, dan blijkt dat Gerhardt niet alleen meer recht heeft gedaan aan de woordvolgorde van de oorspronkelijke tekst (die, bijvoorbeeld, begint met de leeftijdsaanduiding), maar dat zij er ook in geslaagd is de verdeling over de beide verzen precies te bewaren: in het Grieks begint de tweede regel met de plaatsnaam, bij Nolthenius is deze al aan het einde van de eerste regel geplaatst: ‘Hier lig ik, Dionysios, zestig jaar oud, en uit Tarsos. / Steeds vrijgezel; ach was Vader dat ook maar geweest.’

Een ander, ernstiger grafdicht is bestemd voor een in de strijd gesneuvelde soldaat. Ook deze vertaling van Gerhardt is niet in de feestbundel opgenomen (VII, 232):

Hier dekt Lydische grond Amyntor, zoon van Philippos.
Strijd van zwaard tegen zwaard is zijn handwerk geweest.
Niet heeft hem kwellende ziekte het huis van de dood ingedragen:
Hij viel toen hij zijn vriend dekte met zijn eigen rondas.

Zou de redactie zijn teruggeschrikt voor de weergave van kukloessan itun (rond schild) met het nogal precieuze, uit het Frans afkomstige woord ‘rondas’, een woord dat een aantal keren bij Vondel voorkomt en, inderdaad, ‘rond schild’ betekent?3 Mogelijk is dit Griekse epigram een bron van inspiratie geweest voor één van de gedichten van Gerhardt die zijn opgedragen aan een leerling van De Werkplaats: ‘Epigram voor een schoolknaap’. Dit gedicht verscheen in 1967 in Maatstaf en is niet opgenomen in het verzameld werk. Het is een eerbetoon van zes jambische versregels voor een jongen die in 1962 was overleden. In het sobere gedicht, dat het opschrift ‘f.h. = 1962’ draagt en uit versregels met louter mannelijk eindrijm bestaat, wordt de jongen beschreven als een Griekse krijger die in de strijd is gesneuveld:

Dek de gevallene met het zware zwaard
en met de helm die om zijn slapen sloot.
Die tegen onrecht streed tot aan zijn dood
had nog zijn jongenskuisheid gaaf bewaard.
Zestien jaar. Onze beste bondgenoot
verloren wij die om hem staan geschaard.

Over ingrijpende gebeurtenissen als deze noteert Gerhardt in een brief van 3 augustus 1979 aan de vertaalster en dichteres Clasina Heering: ‘Het sterven van kinderen heb ik altijd volkomen onbegrijpelijk gevonden. Drie maal verloren wij op school een leerling door een ongeluk; in enkele seconden. De ouders waren zo dapper, maar ik durfde nog heel lang daarna nauwelijks naar hen te kijken. Hun verdriet èn hun waardigheid waren te groot.’

Gerhardt koos ook enkele epigrammen waarin de spreker een geschenk aan de godheid wijdt. Hier komt de lezer personages tegen die ook in haar eigen poëzie optreden, zoals een hardwerkende tuinman, een visser en een boer. Het gedicht over de eenvoudige boer, dat stamt uit de derde eeuw na Christus, doet in de verte denken aan één van haar lievelingspassages uit Vergilius’ Georgica, de idylle van de tuinman uit Tarente. In haar (gepubliceerde) vertaling luidt het epigram als volgt: ‘Dit is het boerenhuisje van Klito. Dit is zijn strookje / zaaigrond. Even daarnaast, smal maar, zijn wingerdland. / Hier nog wat kreupelbos, luttel houts.— Maar op dit gedoetje / Leefde Klito en stierf in zijn tachtigste jaar!’(VI, 226). Door de formulering ‘op dit gedoetje’ (die in het Grieks niet terug te vinden is, daar staat alleen maar ‘hier’) heeft de vertaalster de gezonde armoede van dit boerenleven nog eens extra aangedikt.

Gerhardts vertaling van het wijdingsepigram van de visser, die niet is opgenomen in Krekels in olijventuinen, is inhoudelijk vrij getrouw. ‘Aan Astarte’ is een expliciterende vertaling van het Griekse ‘aan de Syrische godin’, ‘welige’ is een verfraaiing van ‘veel’ in de oorspronkelijke tekst. Beide inkleuringen dragen bij aan de rijkdom aan assonantie en alliteratie die de Nederlandse vertaling kenmerkt (VI, 24):

Aan Astarte gewijd dit net, dat Heliodoros
die zo vergeefs het versleet, hing in het tempelportaal.
Kuis gebleven van visvangst bevatte het toch binnenshavens
welige slierten van wier, wanneer het in werd gehaald.

Haar vertaling van IX, 75 is evenmin afgedrukt in de bloemlezing van M.F.: ‘Vreet mij maar af tot de wortel, toch zal ik mijn druiventros dragen: / ik bied de offerwijn straks, bok, wanneer gij wordt geslacht.’ Vergelijkt men deze weergave met de volgende vertaling van Marietje d’Hane Scheltema (die evenals Nolthenius had meegewerkt aan de dispuutsbundel en zelf naderhand een eigen boekje met vertalingen van epigrammen het licht deed zien), dan valt te zien dat Gerhardts streven de woordvolgorde van de oorspronkelijke tekst te bewaren bijdraagt aan handhaving van de spanning. In het Grieks wordt de toegesprokene pas tegen het eind van de tweede regel onthuld, terwijl de vertaling van d’Hane Scheltema meteen aan het begin al ‘weggeeft’ dat de wijnstok tot een bok spreekt: ‘Bokje, eet me maar af tot de grond: / dan nóg heb ik druiven / voor het plengen van wijn / als jíj offer moet zijn.’ Boven haar vertaling van IX, 75 heeft Gerhardt de volgende titel geplaatst: ‘De wijnstok spreekt’. In haar dichtbundel De adelaarsvarens (1988) vindt men een gedicht over Alexander de Grote die in een vlaag van woede en dronkenschap zijn vriend Kleitos had gedood. Boven dit gedicht staat een verwante titel: ‘De wijnkruik spreekt’.

Tot besluit van dit eerste deel maak ik nog ruimte voor Gerhardts (gepubliceerde) vertaling van epigram XI, 437. In dit tweeregelige grafschrift op een dichter die als onderwijzer in een obscuur stadje zijn brood moest verdienen, zal zij in samengebalde vorm haar eigen leven als leraar en dichter hebben teruggezien:

Een traan voor Diotimos, die op de rotsen gezeten
  aan de Gargarische jeugd alpha en bêta uitlegt.

2. Catullus
Behalve niet-gepubliceerde vertalingen uit de Anthologia Palatina zijn in Gerhardts nalatenschap ook vertalingen van gedichten van Catullus bewaard. Deze heeft zij genoteerd op een aantal losse bladen papier die te voorschijn zijn gekomen uit haar exemplaar van een Franse Catullus-uitgave.4 Op elk vel staat één gedicht en één keer is er sprake van een blad met twee gedichten, een kort gedicht van zes regels (Carmen 83) en daaronder het allerkortste vers van Catullus, het tweeregelige Carmen 85. Beide teksten behoren tot de zogenaamde Lesbia-cyclus: gedichten die verspreid over Catullus’ oeuvre voorkomen en die meer of minder rechtstreeks zijn liefdesaffaire met een zekere Lesbia tot onderwerp hebben. Het tweeregelige gedicht luidt in Gerhardts vertaling als volgt: ‘Ik haat haar en ik houd van haar. Hoe kan dit zult ge vragen? / Dat weet ik niet, maar ik voel — helsche pijn — dat het zoo is.’ Evenals het origineel vormt de vertaling een distichon. In al haar Catullus-vertalingen heeft Gerhardt de versmaat van het origineel gevolgd; behalve het distichon zijn dit jambische regels en hendekasyllaben, elflettergrepige verzen.

Op voor de hand liggende vragen als ‘wanneer en voor wie heeft Gerhardt deze vertalingen gemaakt?’ zijn geen pasklare antwoorden voorhanden. Omdat Marianne Kaas, één van Gerhardts oud-leerlingen aan De Werkplaats, zich herinnert dat haar lerares in de klas Catullus’ gedichten over het gestorven musje heeft behandeld (Carmen 2 en 3), vermoed ik dat de vertalingen bestemd waren voor gebruik op school. Op grond van de door de vertaalster gebezigde spelling (bijvoorbeeld ‘oogen’, ‘vergeefsch’) en haar manier van schrijven (die in de jaren zestig minder scherpe halen en vaker ronde lussen begon te vertonen),5 vermoed ik dat de vertalingen al zijn gemaakt in de tijd dat zij les gaf aan het Gemeentelijk Lyceum in Kampen (1939-1951).

Geheel in overeenstemming met de aard van Gerhardts vermoedelijke doelgroep vindt men onder haar Catullus-vertalingen geen grove schelddichten of gedichten met onverhuld seksuele of obscene thema’s. Bloemlezingen en schooledities die in haar tijd in het onderwijs werden gebruikt bieden eveneens een gekuiste Catullus. De bewaard gebleven vertalingen (Carmen 1, 3, 4, 9, 13, 14, 27, 31, 38, 46, 49, 83, 84, 85, 101) komen voor een deel overeen met de selectie die staat afgedrukt in Serta Romana, een door J. Woltjer samengestelde verzameling van Romeinse gedichten die stamt uit 1880 en menige herdruk heeft beleefd. Onder Gerhardts weergaven bevindt zich het programmatische openingsgedicht, een drinkliedje, een gedicht over Cicero en een spotvers op de snobistische Arrius die zich belachelijk maakt door zijn hypercorrecte uitspraak van het Latijn (Carmen 1, 27, 49, 84). De overige vertalingen laten zich in drie groepen verdelen: gedichten over Lesbia (3, 83, 85), gedichten waarin Catullus zich richt tot één of meer vrienden (9, 13, 14, 38) en gedichten waarin zijn reizen een rol spelen (4, 31, 46, 101). Uit elk van deze groepen zal ik kort een vertaling bespreken. Ik begin met Gerhardts weergave van Carmen 83, waarin Lesbia’s kwaadsprekerij en scheldkanonnades door de dichter worden geduid als een teken van haar liefde voor hem:

Lesbia zegt over mij — haar man is erbij — zéér veel lelijks
  Dat doet dan die imbeciel buitengewoon veel plezier!
Muilezel, je begrijpt niets. Als ze er niet aan dacht ons te noemen
  Was ze genezen, maar nu — immers ze keft en ze scheldt —
Denkt ze aan mij niet alleen; maar, en dat steekt haar veel scherper:
  Kwaad is zij, dat beteekent: zij staat in vuur en in vlam.

Vergelijkt men deze vertaling met die van een contemporaine vertaler (A. Rutgers van der Loeff), dan springt meteen in het oog hoe getrouw Gerhardt de Latijnse tekst heeft gevolgd. Rutgers van der Loeff heeft zich los gemaakt van Catullus’ woordvolgorde; de versmaat van het origineel (distichon) heeft hij vervangen door jambische regels die afwisselend 13 en 12 lettergrepen tellen en op elkaar rijmen. Hierdoor had hij per regel minder lettergrepen beschikbaar dan Gerhardt, wat heeft geleid tot weglatingen (bijvoorbeeld de naam van de geliefde vrouw). Verder is hij in semantisch opzicht veel minder dicht bij het Latijn gebleven dan de dichteres, wat waarschijnlijk niet alleen te maken heeft met het gebrek aan ruimte, maar ook met zijn keuze voor het rijm.

In ’t bijzijn van haar man zit zij op mij te schelden;
  en hij, die ouwe sok, is daar nog blij om ook.
Ezel, begrijp je ’t niet? Had zij geen spat te melden,
  dan zou hij safe zijn; maar nu is zij van de kook.
Zij denkt nog steeds aan mij. Ja ja, zij zit op spelden:
  zij gloeit van kwaadheid, dus ... van liefde gloeit zij ook.

Over de tweede regel kan men opmerken dat ‘ouwe sok’ inhoudelijk goed Catullus’ minachting voor de echtgenoot treft, maar Gerhardts ‘imbeciel’ blijft dichter bij het Latijn, waar fatuo (dwaas, dom) staat, een woord dat aansluit bij het eerste woord van de volgende versregel: mule (muilezel). In de vertaling van Rutgers van der Loeff komt naast ‘ouwe sok’ nog een aantal idiomatische uitdrukkingen voor: ‘geen spat te melden’, ‘nu is zij van de kook’ en ‘zit zij op spelden’. Hoewel Carmen 83 zeker niet verheven van toon is, maakt de clustering van deze zegswijzen de sfeer van Catullus’ gedicht wat al te colloquiaal en oubollig; bovendien is Rutgers van der Loeff ver afgedwaald van het origineel. Bij ‘geen spat te melden’ verdwijnt uit beeld dat de dichter zelf centraal staat in Lesbia’s kwaadsprekerij: si nostri oblita taceret (bij Gerhardt komt dit wel tot zijn recht: ‘als ze er niet aan dacht ons te noemen’). ‘Van de kook zijn’ lijkt mij geen adequate weergave van gannit et obloquitur; gannire duidt het geluid aan dat wordt voortgebracht door honden, obloquitur (smaden) sluit aan bij het in de eerste regel gebruikte mala dicere, ‘kwaad spreken’. Vermoedelijk is ‘van de kook zijn’ ontstaan onder invloed van het laatste woord van het Latijnse gedicht: coquitur, dat ‘wordt gekookt’ betekent en rijmt op obloquitur (ik denk dat Gerhardt dit eindrijm heeft gecompenseerd met haar allitererende weergave ‘in vuur en in vlam’). Gerhardts vertaling van gannit et obloquitur is scherper: ‘ze keft en ze scheldt’; bovendien vind ik ‘keft’ raak getroffen, je hoort hier een venijnig teefje blaffen. ‘Ja ja, zij zit op spelden’ is misschien wel beeldend, maar inhoudelijk niet in overeenstemming met het Latijn, dat bovendien veel prozaïscher is: sed quae multo acrior est res, ‘maar wat een veel scherpere zaak is’. Ook nu is Gerhardts weergave, hoewel iets mooier dan het Latijn, getrouwer: ‘en dat steekt haar veel scherper’. In haar geheel vind ik Gerhardts vertaling van Carmen 83 niet alleen nauwkeurig, maar ook pittig van taal.

Op grond van enkele passages uit Gerhardts proefschrift over Lucretius kan men begrijpen waarom de gedichten waarin Catullus’ vrienden een rol spelen voor haar een speciale betekenis hadden. In het meer theoretische gedeelte van haar dissertatie (dat een basis vormt voor haar hexametrische vertaling uit De rerum natura) beweert zij dat het Lucretius nooit gelukt was zijn verlangen naar vriendschap te verwezenlijken.6 Dit was navrant omdat vriendschap een belangrijke rol speelde in de ethiek van het Epicurisme, de filosofische stroming waartoe de Romeinse leerdichter zijn lezers wilde bekeren. Gerhardts zienswijze was niet nieuw, maar sloot aan bij de opvatting van Lucretius-geleerden die uit zijn verzen hadden afgeleid dat hij in wezen niet overtuigd was van het gelijk van Epicurus. Hoewel wij zo goed als geen betrouwbare biografische informatie over Lucretius bezitten, meent Gerhardt te weten dat hij geen aansluiting had gevonden bij een kring van dichters die in zijn tijd furore maakten en waarvan Catullus de meest bekende vertegenwoordiger is: de Poetae Novi, de Nieuwe Dichters, die zich afzetten tegen de heersende voorkeur voor klassieke en grootschalige genres als epos en tragedie. In hun kleinschalige poëzie streefden zij naar originele behandeling van hun onderwerp, gepolijste perfectie en subtiel vertoon van geleerdheid. Ook prefereerden zij erotische thema’s en waagden zich aan experimenten met versmaat en idioom. In haar dissertatie verdiept Gerhardt zich in de verschillen in persoonlijke aanleg en omstandigheden die er zouden hebben bestaan tussen Lucretius en de Poetae Novi. Zij is ervan overtuigd dat Lucretius niet bij hen paste: ‘niet krachtens zijn aanleg en — het zij met eerbied voor een talent als dat van Catullus gezegd — niet krachtens zijn groot formaat’. Haar opmerkingen over de revolutionaire tijdgenoten van Lucretius zijn dan ook overwegend afkeurend van aard. Zij beticht hen ervan dat zij opzettelijk een gesloten front vormden en dat zij zich gedroegen als mondaine aristocraten die ‘den burger gaarne imponeren door met enige emphase de nieuwe litteraire strooming te zijn’. Ook verweet zij de nieuwlichters dat zij zich niet meer schoolden aan de Griekse klassieke dichters, terwijl het werk van deze grootmeesters een ‘heilzaam correctief had kunnen zijn tegen ijdelheid en mooischrijverij’. Maar Gerhardts lezer moet niet denken dat het voor Lucretius louter van voordeel was geweest dat hij niet tot deze beweging had behoord, want, zo schrijft zij, ‘men vergete niet dat er in den kring van Catullus óók hartelijke vriendschappen bloeiden; — aan den kant te staan valt nimmer licht’. Indirect lijkt deze laatste uitspraak ook iets prijs te geven over de dichteres zelf, die zich al vanaf het begin van haar literaire loopbaan zelfbewust distantieerde van de dichters uit haar eigen tijd die de klassiek-formele poëzie als passé beschouwden en er een mondaine levensstijl op nahielden. Een voorbeeld van deze houding is ‘Kwatrijn XVIII’ uit haar bundel Kwatrijnen in opdracht (1948, VG 175):

De erfenis der meesters slecht beheerd,
het ambacht van de kunstenaar verleerd,
het hoog geheim verraden in de herberg:—
De vlam gedoofd, de kracht der jeugd verteerd. 

Kennelijk vond Gerhardt Catullus ondanks alles een begaafd dichter. Vergelijkt men haar bewuste opmerking over het talent van Catullus met het oordeel van Marie van der Zeyde over Ovidius (een oordeel dat zonder twijfel door de dichteres gedeeld zal zijn), dan is het waarschijnlijk dat de betrokkenheid en oprechtheid die uit Catullus’ werk spreken7 voor haar een positieve factor zijn geweest: ‘Wat mij in Ovidius altijd heeft tegengestaan is het onechte. Hij doet het allemaal fraai, maar je voelt dat hij er innerlijk niet bij betrokken is. Iets van een vrouw die niet meer jong is, te dik, en met te veel schoonheidsmiddelen.’8

Wat zeker ook een rol zal hebben gespeeld in Gerhardts beeldvorming is het feit dat Catullus behoorde tot de geliefde dichters van haar oud-leraar Grieks, de dichter J.H. Leopold. Eén van zijn leerlingen, Frederik Schmidt-Degener, vertelt dat zijn leraar met hem Catullus heeft gelezen: ‘las hij den dichter, het was een frisse muziek’. Schmidt-Degener was ervan overtuigd dat Leopold na zijn dood zou voortleven in een hiernamaals, waar hij zou worden herenigd met de allergrootste dichters. Tot deze schare behoorden niet alleen Vergilius, Sappho en Epicurus, maar ook ‘de fel-frisse Catullus’.9

Uit de door Gerhardt vertaalde gedichten waarin vriendschap een rol speelt, citeer ik Carmen 9. In deze verzen verwelkomt Catullus zijn vriend Veranius, die zojuist is teruggekeerd van een verre reis:

Veranius, die elk vriendental te boven
gaat voor mij: desnoods drie maal honderdduizend.
Ben je terug? In je huis, het oudvertrouwde?
Bij je broers, eensgezind en je oude moeder?
Ben je terug? Wat een òverheerlijke tijding!
’k Zie je straks — zóó maar! — terug en dan vertel je:
’t Ebroland, zijn geschiedenis en volken
zooals jìj dat kunt. Mijn àrm om je, zal ik
van je oogen en blij gezicht genieten.
Menschen, ieder die weet wat het geluk is:
Kan er méér geluk zijn en vreugd dan ìk ken?

Bij deze vertaling heeft Gerhardt enige moeite gehad met het navolgen van de oorspronkelijke versmaat (hendekasyllabi). In de tweede regel had zij blijkbaar ruimte over, want hier heeft zij een woord toegevoegd dat in het Latijn niet terug te vinden is: ‘desnoods’. Zij heeft voor een ‘opvulling’ gekozen die allitereert met ‘drie maal honderddduizend’. Regel 6 begint met een vertaling die ik niet begrijp: ‘’k Zie je straks — zóó maar — terug’. In het Latijn staat er: visam te incolumem, ‘behouden zal ik je weerzien’ (aldus de correcte weergave van Rutgers van der Loeff). In regel 6-7 heeft de vertaalster audiamque Hiberum / narrantem loca... (‘en ik zal je horen vertellen over de plaatsen van de Hiberes’) ingekort tot ‘en dan vertel je: / ’t Ebroland’, waarbij zij de naam van de bewoners van de Spaanse landstreek heeft vervangen door de naam van de aldaar stromende rivier. Het weglaten van het voorzetsel na ‘vertel je’, verleent haar weergave iets van de levendigheid die het origineel zeker ook kenmerkt.

Tot de hierboven onderscheiden derde groep gedichten (de reisgedichten) behoort Carmen 4, een tekst waarin een onderwerp centraal staat dat in Gerhardts eigen poëzie herhaaldelijk terugkeert: een schip. Het is een wijdingsgedicht van 27 jambische versregels (trimeters) waarin de Romeinse dichter zijn jacht opdraagt aan Castor en Pollux, beschermgoden van de scheepvaart. Hier volgen de eerste negen regels uit haar vertaling, die gesteld is in redelijk goed lopende jamben en waarin echte Gerhardt-woorden voorkomen als ‘tarten’ en ‘ongenaakbaar’:10

De boot Phaselus, die ge hier ziet, vreemdeling,
vertelt: hij was eenmaal het állersnelste jacht.
Niet één schuit op het water, wiens gang hij niet nog
wist te passeeren, of ’t nu met de riemen was,
dat, vliegensvlug, hij vaart moest maken of met zeil.
Hij tart de kust van ’t grimmig Hadria om dit
te tarten; hij tart de Cycladen-eilanden,
’t vermaarde Rhodos, de barbaarsche Thracische
Propontis en de ongenaakbare Zwarte Zee.

Maar achter ‘tarten’, dat in deze vertaling maar liefst drie maal voorkomt, blijkt een foutieve interpretatie schuil te gaan. In het Latijn staat er: et hoc negat minacis Hadriatici | negare litus insulasve Cycladas, wat betekent: ‘en het jacht ontkent dit: dat de dreigende Adriatische kust of de Cycladen het ontkennen’. Kort samengevat komt het erop neer dat de boot beweert dat verre en onherbergzame kusten zijn geweldige prestaties als snelle zeevaarder bevestigen (vergelijk ook de recente vertaling van Paul Claes: ‘vraag het maar aan de kust van de ruwe / Adriatische Zee’). Via zijn enigszins omslachtige formulering laat de Romeinse dichter zien dat het jacht nogal opschept en dat zijn uitspraken niet al te serieus moeten worden opgevat. Gerhardts vertaling van negare als ‘tarten’ dekt deze lading niet: zij maakt Catullus’ verzen te zwaar en laat het element van humor ondersneeuwen.

Tot besluit citeer ik Gerhardts vertaling van Carmen 101, een gedicht dat Catullus schreef voor zijn broer die ver van zijn vaderland, bij Troje, was gestorven en begraven. Meer dan het subtiel-humoristische Phaselus-gedicht zal deze ernstige tekst de vertaalster, die ook zelf een aantal in memoriam-gedichten voor familieleden op haar naam heeft staan, hebben aangesproken: 

Over tallooze landen en tallooze zeeën gekomen,
  Sta ik, mijn broer, bij wat hier — deerlijk — nog van u bleef.
Dat ik de laatste gave den doode zou kunnen brengen,
  En iets zou zeggen — vergeefsch — tot uwe sprakelooze asch.
Omdat het noodlot mij u — uzèlve — af heeft genomen
  Ach! Hoe ònwaardig zijt gij, mijn arme broer, mij ontrukt!
Nù nochtans deze gaven, die naar oud gebruik onzer Vaderen
  Worden geboden, in droefenis, gaven een doode gewijd.
Wil ze aanvaarden, zij dragen van mij, uw broer, zware tranen.
  En voor altijd, mijn broer, dit afscheid en dit vaarwel!
 

Hierbij dank ik Ad ten Bosch en Ben Hosman voor hun toestemming gebruik te maken van materiaal uit de literaire nalatenschap van Ida Gerhardt.

 

Noten
1 Het aantal geplaatste epigrammen per auteur loopt uiteen van één of twee (S.J. Suys-Reitsma, Jan Eijkelboom, J.P. Hooykaas) tot tien (behalve Gerhardt, J.P. Guépin) of dertien (M.F. Fresco).
2 E. Buchholz & R. Peppmüller, Anthologie aus den Lyrikern der Griechen I, Leipzig 1911. De door Gerhardt vertaalde epigrammen zijn: VI 21, 24, 226 (in twee versies); VII 62, 173, 232, 282, 307, 309, 553, 704, 723; IX 75, 122; XI 43, 251, 437. In Krekels in olijventuinen zijn hieruit opgenomen: VI 21, 226; VII 62, 173, 282, 307, 553, 723; IX 122; XI 437.
3 Voor de invloed van Vondel op het dichtwerk van Gerhardt, zie Van der Zeyde (1985), p. 67. Dat Gerhardt vertrouwd was met het werk van Vondel, blijkt uit brieven die zij schreef aan Ad ten Bosch (zie Ten Bosch (1999), p. 78), Clasina Heering (brief van 13 januari 1981) en Henk van Ulsen (brief van 23 december 1975).
4 G. Lafaye, Catulle, Poésies, Paris, 1922.
5 Zowel in de spelling als de manier van schrijven lijkt het handschrift van de Catullus-vertalingen op de handgeschreven fragmenten uit de Georgica-vertaling die worden bewaard in Gerhardts nalatenschap. Meer gegevens hierover vindt men in hoofdstuk 3 van Koenen (2002).
6 Gerhardt (1942), p. 5-6. Meer over Gerhardts vertalingen van Lucretius en Vergilius in Koenen (1999) en (2002).
7 Deze authenticiteit was eerder het resultaat van Catullus’ grote literaire vaardigheden, dan een spontane uiting van zijn gemoed. Zie hierover bijvoorbeeld het artikel van Smolenaars, dat is opgenomen in Van Dam (1991).
8 Deze opmerking van Van der Zeyde (uit een brief aan Clasina Heering) is extra geestig als men bedenkt dat Ovidius een gedicht heeft geschreven waarin hij vrouwen leert hoe zij zich moeten opmaken en welke make-up zij dienen te gebruiken: Medicamina faciei femineae (‘Cosmetica’), een parodie op het leerdicht.
9 De vogel Phoenix (1942), p. 55. Leopold bezat een kostbare editie van Catullus waar hij volgens Schmidt-Degener (ibid.) zeer aan gehecht was: ‘een kostelijk exemplaar met perkamenten band, en eens uitte hij zich op bittere wijze over de mogelijke lotgevallen van dat boek na zijn dood.’
10 Het woord ‘tarten’ (of vormen daarvan) verschijnt in de gedichten ‘Leopold’ (VG p. 281), ‘Daemonen’ (VG 123), ‘De zalmen’ (VG 430), ‘Vernomen tijdens een onweer’ (VG 471), ‘Signalen’ (VG 635). Voor ‘ongenaakbaar(heid)’, zie ‘Achilles met Xanthos’ (VG 380), ‘Winter onder Schellingwoude’ (VG 641), ‘Pelgrimstocht’ (VG 705).
 

Genoemde werken
Ida Gerhardt. 1942. Lucretius. De natuur en haar vormen boek I en boek V. Vertaling en verantwoording, diss. Utrecht, Kampen.

Ida Gerhardt. 19998. Verzamelde gedichten, I-III, Amsterdam.

Brieven van Ida Gerhardt aan J.P. Gumbert (niet gepubliceerd).

Brieven van Ida Gerhardt aan Clasina Heering (niet gepubliceerd).

Brieven van Ida Gerhardt aan Henk van Ulsen (niet gepubliceerd).


Secundaire literatuur
Bosch, Ad ten. 1999. Gebroken lied. Een vriendschap met Ida Gerhardt, Amsterdam.

Claes, Paul (vert.). 1995. Catullus. Verzen, Amsterdam.

Dam, Harm-Jan van (red.). 1991. ‘Langer dan één eeuw.’ Over Catullus, Leiden.

Gumbert, Peter, Carola Kloos & Marinus Wes (red.). 1963. Krekels in olijventuinen, Den Haag.

Hane-Scheltema, M. d' (vert.). 1965. De spiegel van Laïs. Anthologia Palatina, Zeist-Antwerpen.

Koenen, Mieke. 1999. ‘“Ontoereikend is immers de taal”. Ida Gerhardt als vertaler van Lucretius’, Filter, p. 41-51.

Koenen, Mieke. 2002. ‘Stralend in gestrenge samenhang’. Ida Gerhardt en de klassieke oudheid, Groningen.

Nolthenius, Helene (vert.). 1992. De cicade op de speerpunt. De Griekse oudheid in 160 epigrammen, Amsterdam.

Rutgers van der Loeff, A. (vert.). 1953. C. Valerius Catullus. Gedichten, Amsterdam-Antwerpen (Klassieke Galerij 91).

Schmidt-Degener, F. 1942. Phoenix. Vier Essays, Amsterdam.

Smolenaars, J.J.L. 1991. ‘Over de relatie vorm — inhoud in Catullus’ poëzie’, in Van Dam, p. 68-88.

Woltjer. J. 18805. Serta Romana. Poetarum decem Latinorum carmina selecta, Groningen.

Zeyde, M.H. van der. 1985. De wereld van het vers. Over het werk van Ida Gerhardt, Amsterdam.

Lees meer over: