Anglo-Amerikaanse manieren    65-71

Ina Rilke
Vertaling: Maria van Strien

Abstract: Verslag van een kringgesprek tussen drie vrouwen die onder elkaar een flink deel van de hedendaagse Nederlandstalige literatuur in het Engels en Amerikaans hebben vertaald: Ina Rilke, Susan Massotty en Stacey Knecht. Over (onder meer) het verschil tussen vertalen voor de Engelse en de Amerikaanse markt, het vertalen van cultuurgebonden elementen en samenwerken met auteurs.

 

Het onderstaande is de weergave van een gesprek tussen de Amerikaanse vertaalsters Stacey Knecht en Susan Massotty en de Britse vertaalster Ina Rilke, opgetekend door de laatste. Stacey Knecht heeft Marcel Möring, Lieve Joris en Marga Minco vertaald voor Britse uitgeverijen. Zij vertaalde Hugo Claus en Anke de Vries voor Amerikaanse uitgeverijen. Susan Massotty heeft Armando, G.L. Durlacher, Abdelkader Benali en Chaja Polak vertaald voor Britse uitgeverijen. Zij vertaalde Carolijn Visser en Anne Frank voor Amerikaanse uitgeve­rijen. Ina Rilke heeft Cees Nooteboom, Margriet de Moor, Connie Palmen, Hafid Bouazza en Arthur Japin vertaald voor Britse uitgeverijen.

Rilke: Ik heb de indruk dat Amerikaanse uitgevers de voorkeur geven aan Amerikaanse vertalers, maar mijn Britse redacteurs zeiden desge­vraagd geen bezwaar tegen Amerikaanse vertalers te hebben voor be­paalde soorten literatuur, vooral als het gaat om moderne, jonge ‘pittige’ auteurs – ‘het kan juist verfrissend werken. Een aantal uitgevers be­schouwt het gebruik van Amerikaans-Engels zelfs als een voordeel, om­dat dit de kans op verkoop van de vertaling aan een Amerikaanse uitge­ver vergroot. Wat is jullie ervaring in dit opzicht met Nederlandse schrijvers – hebben die een voorkeur voor een Amerikaanse of Britse ver­taler?

Knecht: Het is moeilijk om voor auteurs in het algemeen te spreken. Marcel Möring had voor Het Grote Verlangen een uitgesproken voorkeur voor een Amerikaanse toonzetting. Dat heeft te maken met de aard van het boek, dat iets van een roadmovie heeft. Hij vertelde destijds dat hij een zekere affiniteit heeft met de Amerikaanse cultuur. Maar in de vertaling van zijn laatste boek, In Babylon, wilde hij per se een meer Brit­se sfeer: de hoofdpersoon moest, zoals hij het uitdrukte, op een Britse, Europese manier beschaafd en gedistingeerd klinken. Enerzijds is hij erg pro-Amerikaans, aan de andere kant beschouwt hij zichzelf graag als de erudiete Europeaan. Ik heb beide boeken vertaald voor een Britse uitge­verij. Maar mijn redacteur aarzelde juist om de tekst van Het Grote Verlan­gen te verengelsen. Bij het tweede boek rezen er veel meer problemen, al had ik daar zelf de hand in. Het punt is dat redacteuren niet altijd weten waar ze precies op moeten letten, en ze hebben altijd haast. Bij het verta­len van In Babylon heb ik mijn redacteur uiteindelijk gewezen op dingen die voor mijn gevoel te Amerikaans klonken. Ik had heel veel vragen, maar vaak zei ze alleen maar: ‘Ik geloof dat wij dat tegenwoordig ook zo zeggen’.

Massotty: Andersom geldt dat niet altijd. Het Britse pu­bliek is meer blootgesteld aan de Amerikaanse cultuur, muziek, boeken en films, en men is dus ook meer vertrouwd met Amerikaanse uitdruk­kingen. Daarbij komt de democratisering van de maatschappij en van de schrijftaal, wat een lossere mentaliteit oplevert, met minder klassenbe­wustzijn. Daar staat wel tegenover dat veel Amerikanen het Brits-Engels beschouwen als intellectueler, als de taal van de culturele bovenlaag. In hoeverre je een vertaling aanpast aan het Brits-Engels of het Amerikaans­-Engels hangt dan ook af van het soort boek dat je onder handen hebt. Je moet voorkomen dat de lezer denkt: Waarom praten die gewone mensen als snobs? In een boek waarin veel slang voorkomt klinkt Brits-Engels misschien niet zo natuurlijk.

Rilke: Het is duidelijk dat de ontwikkeling van het En­gels zich tegenwoordig vooral van west naar oost beweegt. Amerikaanse woorden en uitdrukkingen verbreiden zich naar Groot-Brittannië en niet andersom. Amerikanen vervangen vrij gemakkelijk de ene woordsoort door de andere: van zelfstandige naamwoorden worden bijvoorbeeld werkwoorden gemaakt (zoals ‘fund’ en ‘host’) en de Engelsen nemen die gewoontes grif over, al zijn ze zich er meestal niet van bewust. Er wordt weleens gezegd dat het Amerikaans meer ‘gespierd’ is dan het Engels van de Engelsen – jullie kennen ongetwijfeld de uitspraak van de colum­nist H.L. Mencken: ‘het Amerikaans is een andere taal, rijker, voller, min­der formeel...’ Mij komt die verbreiding van de Amerikaanse ongedwon­genheid goed uit, vooral omdat het helpt om de afstand tussen gesproken en geschreven taal te overbruggen, die in het Engels zoveel groter is dan in het Nederlands. De taalconventies van het hedendaagse Nederlands zijn veel minder stringent dan die van het hedendaagse En­gels, of het nu de Britse of de Amerikaanse variant betreft. Denk aan al die Nederlandse zinnetjes zonder werkwoord, of aan de snelle wisselin­gen in tijdsperspectief. In het Nederlands kunnen de werkwoordstijden binnen één alinea heen en weer springen, maar ik heb gemerkt dat Britse recensenten dat nogal eens frustrerend of zelfs ‘zinloos’ vinden. Over het geheel genomen is het geschreven Engels in de afgelopen vijftig jaar niet zo drastisch veranderd als het geschreven Nederlands. Van de twee soor­ten Engels is het Amerikaans nog het snelst veranderd.

Knecht: Het is aan beide zijden van de Atlantische Oce­aan even moeilijk om moderne Nederlandse literatuur geaccepteerd te krijgen. Ik ben het er niet mee eens dat de kloof tussen geschreven Engels en alledaags, gesproken Engels vandaag de dag zoveel groter is dan in het Nederlands. Ik vind ook niet dat de Engelse schrijftaal minder is ver­anderd dan het Nederlands. Niet alleen Nederlandse schrijvers experimenteren en doen onverwachte dingen met zinsstructuur en interpunc­tie. Er bestaan ook voorbeelden van in de Britse en Amerikaanse literatuur. Dat doet me denken aan een Nederlandse auteur die ontzet­tend lange zinnen schrijft – het lijken aaneenschakelingen van allerlei verschillende perspectieven – waardoor zijn Nederlands een wat warri­ge indruk maakt. Maar het werkt wel, en één oorzaak daarvan is zijn in­terpunctie. In een Engelstalige context moet je misschien de interpunctie veranderen, maar je streeft er toch naar een wijze van interpunctie te vin­den die de tekst net zo ongewoon maakt als de Nederlandse – en dan je redacteur ervan te overtuigen dat het zo moet! Tegenwoordig kun je met proza ongeveer alles doen, waarom dan niet met vertaald proza? Ik kan heel fel worden als iemand lange zinnen in stukjes wil hakken. Het pro­bleem is dat uitgevers om een of andere reden denken dat ze, omdat het om een vertaling gaat, aan een tekst mogen morrelen. Ze hebben bij een vertaling veel minder gewetensbezwaren tegen knippen, plakken en verdraaien dan wanneer het om origineel proza gaat. In dat opzicht maakt het volgens mij weinig uit of je voor een Amerikaanse of een Britse uitgeverij werkt. De vertaler moet zijn poot stijf houden en met goede ar­gumenten komen.

Rilke: In tegenstelling tot de Britse uitgeverijen lijken Britse recensenten nog steeds een bepaald vooroordeel te koesteren ten aanzien van Amerikaans-Engels in vertaalde literatuur. Een typerende uitval: ‘Storend is het voortdurende gebruik van uitgesproken Ameri­kaanse benamingen als zucchini, bell pepper en eggplant’. Deze irritatie is wijdverbreid. Een ander verwijt betreft ‘over-acculturatie’. Met name Amerikaanse vertalers zouden de neiging hebben extreem assimilerend te werk te gaan. In een artikel over vertaalde Nederlandse literatuur las ik bijvoorbeeld dat ‘Europese romans in een Amerikaanse vertaling al te vaak [zouden] worden overgoten met een onnodig en afleidend (want uitgesproken Amerikaans) sausje van idioom of slang. Voorwerpen en merken kunnen zelfs stilletjes geheel van gedaante veranderen zodat een Mercedes een Buick wordt en een Caballero een Camel.’

Knecht: Maar als die persoon een Brits-Engelse vertaling had gelezen, was het hem misschien niet eens opgevallen. Soms kies je bewust voor dit soort veranderingen. Zulke cultuurgebonden elementen moet je per geval bekijken. Er is geen algemene richtlijn, het hangt altijd van de context af. Het is natuurlijk jammer als eigenaardige amerikanis­men uit de tekst springen en het leesproces verstoren, daarom zijn aan­passingen tot op zeker hoogte nodig. Idealiter zou ik alleen maar in het Amerikaans-Engels vertalen voor Amerikaanse uitgeverijen, gewoon­weg om de zaken volledig in de hand te hebben.

Massotty: ‘Buick’ valt alleen maar op en stoort omdat de lezer weet dat Buick een Amerikaans merk is en dat staat hem niet aan. Was het een Rover geweest, dan had hij er zonder meer overheen gelezen, maar nu is het opeens een ‘sausje van idioom’. Niet alleen Amerikaanse vertalers doen dat, Britse ook. Het probleem doet zich pas voor wanneer het boek naar het andere land gaat. Bovendien krijgen we niet altijd de kans om de vertaling te verengelsen of te veramerikaansen.

Rilke: Ik probeer cultuurgebonden elementen niet door andere cultuurgebonden elementen te vervangen. Soms laat ik merkna­men helemaal weg in plaats van ze te vervangen door specifiek Britse merknamen. Ik probeer uitgesproken Britse termen zoals ‘bobby’ of ‘pub’ te vermijden. Hoeveel aanpassing aan de plaatselijke omstandighe­den nodig is, hangt natuurlijk af van het boek. In Connie Palmens De vriendschap komt zeer informeel idiolect voor. Dat heb ik zoveel mogelijk aan het Britse idioom aangepast, maar het woord ‘pub’ heb ik toch ver­meden. Natuurlijk wil ik dat de vertaling overkomt als een Engels origi­neel, maar ik wil niet dat de lezer vergeet dat het verhaal zich niet in Engeland afspeelt. Mijn vertalingen van Nooteboom – die minder uitge­sproken Brits zijn in die zin dat er in het origineel weinig dialoog en ook weinig specifiek eigentijds taalgebruik voorkomt – zijn in de VS zonder aanpassingen, afgezien van de spelling, uitgegeven. Maar Nooteboom richt zich dan ook op een min of meer intellectueel publiek. De vertaling van Japin zal ook uitgegeven worden in de VS zonder dat hij verameri­kaanst is. Ik zou Susan willen vragen in hoeverre zij het typische idioom in Armando’s In Berlin heeft aangepast aan de Britse lezer.

Massotty: Dat was lastig. Er komt veel dialoog in het boek voor. Ik heb het voor een Britse uitgever vertaald. Omdat ze het boek aan een Amerikaanse uitgever hoopten te verkopen zochten ze ei­genlijk een Amerikaanse vertaler. Ik kreeg de opdracht om het in het Amerikaans-Engels te vertalen. Ik heb zelfs twee versies gemaakt: eerst de Amerikaanse, die op mijn verzoek door een Britse collega is gelezen. Hij heeft de meest hinderlijke Amerikaans-Engelse uitdrukkingen in Brits-Engelse veranderd, omdat ik bang was dat mijn redacteur er niet genoeg amerikanismen uit zou halen. Uiteindelijk is het boek niet aan een Amerikaanse uitgever verkocht en is dus alleen de verengelste versie uitgegeven.

Rilke: Hoe is het eigenlijk gegaan met de uitgebreide ver­sie van het dagboek van Anne Frank, die eerst in de VS is uitgegeven en daarna in Engeland?

Massotty: Ik vond het fantastisch dat ik Anne Frank mocht vertalen voor een Amerikaanse uitgever. Ik dacht: Voor het eerst krijgt ze een Amerikaanse stem! De vorige versie was een Brits-Engelse vertaling die door generaties Amerikanen is gelezen. Die vertaling had een vervreemdend effect – waarom klonk ze als een hockey-spelend En­gels schoolmeisje, terwijl je wist dat ze uit Nederland kwam? Hoewel het een beetje saai klonk namen we dat allemaal voor lief, want het was een vertaling, en het boek speelde niet in de VS.

Knecht: Als kind heb ik in Amerika veel Britse kinder­boeken gelezen. Ik trad binnen in de wereld van die boeken, in die totaal andere sfeer die werd opgeroepen door de ongewone terminologie en zinswendingen, en dan waande ik me in een ander land. Het leuke ervan kwam voor een deel doordat ik zo die rare Britse taal kon zien en ervaren. Als een vertaling die consequent is aangepast aan een bepaald Brits idi­oom naar Amerika reist en daar wordt gepresenteerd als een Nederlands boek, kan dat dus best goed overkomen. Men heeft daar toch al eigenaar­dige opvattingen over vertalingen, net of vertalingen omdat ze uit Euro­pa komen eigenaardig Brits moeten klinken. Maar ik moet wel toegeven dat de eerste Anne Frank ergerlijk saai was.

Rilke: Susan heeft Anne Frank dus een nieuwe, Ameri­kaanse stem gegeven, maar wat verwachtten de Britse lezers ervan? In hoeverre heeft de redacteur ingegrepen? Zijn er nog syntactische veran­deringen in aangebracht, of idiomatische?

Massotty: Wel een aantal idiomatische, geen syntacti­sche. Ik was een beetje ongerust dat ze misschien te Amerikaans klonk. Dat is een van de dingen die ik me afvraag – is het wel voldoende om al­leen de al te Amerikaanse elementen te schrappen? Maar de redacteur van Penguin was van mening dat in dat opzicht tegenwoordig veel meer wordt geaccepteerd. Er bestaat een grotere tolerantie voor de Ameri­kaanse syntaxis, omdat die minder storend is dan vroeger het geval was – daarom hebben we er niet al te veel aan gesleuteld. De ‘koekjes’ werden ‘biscuits’ (Brits-Engels) en niet ‘cookies’ (Amerikaans-Engels) en voor ‘afwassen’ hebben we ‘to do the washing up’ (BE) gebruikt in plaats van ‘to do the dishes’ (AE). Ze heeft nu ook weer een ‘Mummy’ (BE), net als in de eerste vertaling.

Rilke: Een vraag aan Stacey. Jij hebt Het Verlangen van Hugo Claus vertaald, een boek dat bol staat van niet-standaard idioom. Dat lijkt me geen sinecure. Kon je doordat je dit boek voor een Ameri­kaanse uitgever vertaalde gemakkelijker een oplossing vinden voor alle slang?

Knecht: Eigenlijk niet. Bij een Britse uitgeverij zou je tegen dezelfde problemen aanlopen. Het probleem was dat ik moest voorkomen dat alle personages klinken alsof ze in een Ierse pub rond­hangen, terwijl het verhaal zich afspeelt in Gent. Ik heb geprobeerd een bepaalde stemming, een bepaalde sfeer eruit te distilleren. Er is een ‘wij­spreker’, een soort koorstem die bij het café hoort en een taal spreekt die wemelt van het slang. Claus zelf vertelde me dat het origineel een beetje te plat-volks klonk en dat hij het nu niet meer zo zou schrijven. Ik vroeg me af of ik daarmee rekening moest houden. We hebben uitvoerig over zijn taalgebruik gesproken. Ik moest me rekenschap geven van zijn be­doelingen en van mijn eigen reactie als lezer. De ‘wij’-taal klonk in feite alsof hij werd gesproken in Dublin, waar ik trouwens nog nooit ben ge­weest. Het is mijn stereotype ervan. Ik heb toen geprobeerd om een zelf­de soort taal uit te vinden. Ik ging Brendan Behan lezen, en veel van D.H. Lawrence, op zoek naar ‘ongewoon’ Engels. Mijn eerste versie was te overdreven, absurd zelfs, absoluut niet wat ik zocht. Toen ben ik in het typisch Britse idioom gaan snoeien, om de scherpe kantjes eraf te halen. Ik zocht iets dat ongewoon klonk, enigszins burlesk, niet Brits, niet Vlaams, niet te Amerikaans. Uiteindelijk klonk het meer Brits dan En­gels. Het probleem was dat ik voor dit boek zoveel verschillende soorten Engels nodig had. Er komt een kleurlinge in voor die Claus’ versie van het ‘zwarte’ Engels uit het zuiden van de VS spreekt. Je moet jezelf ruim­te gunnen voor haar soort Engels, maar ook voor dat van de personages die Jake en Michel ontmoeten in Amerika en, uiteraard, de ‘stern’ van het café. Als de mensen uit het café al te Amerikaans klinken, hoe moeten de Amerikanen dan in vredesnaam klinken? In Groot-Brittannië is het boek nooit uitgegeven, dus het probleem van aanpassing aan de Britse lezer deed zich niet voor.

Rilke: Ik moet hierbij denken aan Susans vernuftige ver­taling van de naam Nadorp (voor Nador) in Benali’s Bruiloft aan zee: Al­-Homey. Het klinkt als Amerikaans slang,heel vanzelfsprekend en gees­tig. Wat vond Benali zelf van de Amerikaanse toon van je vertaling?

Massotty: Ik weet eigenlijk niet of Benali zich druk maak­te over het onderscheid tussen Amerikaans-Engels en Brits-Engels. Maar hij is opgegroeid met de televisie, dus als hij ‘Engels’ zegt, bedoelt hij waarschijnlijk Amerikaans-Engels. Ik heb het boek vertaald voor een Britse uitgeverij en ik was bang dat mijn vertaling te Amerikaans zou worden voor het Britse lezerspubliek. Ik heb de voltooide vertaling aan een collega gegeven, die onder het lezen massa’s amerikanismen tegen­kwam. Mijn Britse redacteur wilde er desondanks niet aan knutselen. Ze vond de toon goed passen bij het boek. In de laatste drukproeven heb ik nog op een groot aantal plaatsen vraagtekens gezet – is dit niet te Ameri­kaans? Eigenlijk ben ik bang dat ze de vertaling misschien niet genoeg ‘verbritst’ hebben. Op één plaats heeft mijn redacteur ‘movie’ veranderd in ‘film’, maar niet overal. Vreemd genoeg vond men ‘broad’ veel te Ame­rikaans. Als het boek ooit in de VS wordt uitgegeven, zal ik ‘broad’ en ‘movie’ er waarschijnlijk toch weer in brengen. Benali is vooral interes­sant omdat hier verschillende culturen door elkaar heen spelen: de ver­teller spreekt Nederlands, het verhaal speelt zich af in Marokko en met de vertaling komt er nog een derde bij – de Amerikaanse die, nu de redac­teur haar werk heeft gedaan, een Britse ondertoon heeft gekregen. Als vertaler aarzel je om een Marokkaan in een boek voor Britse lezers zo’n Amerikaanse inslag te geven: waarom klinkt die Marokkaan zo Ameri­kaans? Nadat ik Abdelkader de vertaling had toegezonden stuurde hij mij een e-mail om me te laten weten dat hij een fantastisch manuscript had ontdekt van een surrealistische schrijver uit Californië, en zich af­vroeg wie de auteur kon zijn! Dat was zijn manier om te zeggen dat hij de Amerikaanse toon onderkende en ermee in zijn sas was.

Knecht: Kijk, dat is nu wat ik noem een verstandige auteur!

Het gesprek vond plaats op 27 maart te Londen. 

Lees meer over: