Over De doeltekst centraal. Naar een functioneel model voor vertaalkritiek van Jacqueline Hulst    83-85

Reiner Arntz

Jacqueline Hulst, De doeltekst centraal. Naar een functioneel model voor vertaalkritiek. Amsterdam: Thesis Publishers, 1995. 256 p. ISBN 90-5170-347-3.

Terwijl de vertaalwetenschap langzamerhand uitgroeit tot een steeds dynamischer vakgebied, leidt een van haar deelgebieden, de vertaalkritiek, nog steeds een schijnbestaan. Er is maar weinig wetenschappelijk gefundeerd vertaalkritisch onderzoek, en de positie van de vertaalkritiek binnen de vertaalwetenschap is nog steeds niet duidelijk gedefinieerd. Om deze reden is de vertaalkritiek nauwelijks in staat te voldoen aan haar voornaamste taak, te weten wetenschappelijk aanvaardbare criteria voor de beoordeling van vertalingen aan te bieden. Anderzijds heeft de groeiende belangstelling voor vertalen en vertalingen tot gevolg dat de noodzaak van zulke criteria steeds duidelijker wordt ervaren.

De doeltekst centraal ‒ het proefschrift waarop de auteur, Jacqueline Hulst, aan de Universiteit Utrecht is gepromoveerd ‒ stelt zich ten doel in deze behoefte te voorzien. In de programmatische titel van het boek komt de functionele visie van het onderzoek al tot uiting: het gaat om de ontwikkeling van een functioneel model voor de beoordeling van vertaalde gebruiksteksten. Om deze ontwikkeling inzichtelijk te maken begeleidt de auteur de lezer stap voor stap op de weg die loopt van de theoretische grondslagen van een functionele vertaalkritiek naar de uitwerking van een nieuw analysemodel en ten slotte naar de praktische toepassing van dit model.

Na het korte inleidende hoofdstuk 1 volgt in hoofdstuk 2 de presentatie en kritische analyse van de relevante vertaalkritische studies uit de vertaalwetenschap. Daarbij ligt de nadruk op de vraag welke visie op de relatie tussen bron- en doeltekst in deze modellen besloten ligt. Dit onderzoek leidt tot het verbazingwekkende resultaat dat de relevante vertaalkritische modellen de analyse van de vertaling als zelfstandige tekst alleen maar beschouwen als een optionele oriënterende fase. Dit is waarschijnlijk te wijten aan de duidelijk vertaaldidactische oriëntatie van deze modellen, maar het is zeker niet in overeenstemming met de principes van een functionele vertaaltheorie, die aan de doeltekst en zijn effect in de doelcultuur een centrale positie toekent. Met het oog op zo’n theorie bepleit de auteur een benadering die de analyse van de doeltekst als zelfstandige tekst juist als vertrekpunt neemt, en pas in tweede instantie overgaat tot een analyse van de brontekst. Daarna volgt als derde stap de vergelijking van beide teksten, waarbij de tekstfunctie, en niet de brontekst, als tertium comparationis fungeert. Deze benadering is, in de woorden van de auteur (p. 31), ‘zowel in overeenstemming met de functionele visie op vertalen en vertalingen als met de aard van de vertaalkritiek, waarbij vanuit het resultaat, het vertaalprodukt, wordt teruggewerkt naar het vertrekpunt.’

De basisvoorwaarde voor het operationaliseren van dit vertaalkritische model is een geschikt tekstanalyse-instrumentarium. De zoektocht naar en het ontwikkelen van een dergelijk instrumentarium vormt het centrale onderwerp van de volgende hoofdstukken.

De zoektocht begint met een metatheoretisch gedeelte (hoofdstukken 3 en 4). Na een kritische beschouwing van de tekstanalytische component van de voornaamste modellen voor vertaalkritiek wordt een aantal benaderingen op het gebied van de functionele tekstanalyse binnen de tekstwetenschap onderzocht. Hierbij blijkt dat de tekstwetenschap, anders dan de vertaalwetenschap, interessante aanknopingspunten biedt, vooral wat betreft de relatie tussen ‘macrostructurele’ concepten als ‘tekstfunctie’ en ‘teksttype’ enerzijds en hun tekstuele realisatie anderzijds. Weliswaar is ook hier geen coherent instrumentarium te vinden dat direct op vertaalde teksten toepasbaar is, maar toch vormen deze studies een solide basis voor het uitwerken van een nieuw tekstanalytisch model dat aan de vereisten van de vertaalkritiek voldoet.

De ontwikkeling van dit model is het centrale thema van de hoofdstukken 5 en 6. Het uitgangspunt is daarbij de relatie tussen het beoogde communicatieve doel en de tekstuele realisatie. In dit verband speelt het begrip ‘teksthandeling’ een belangrijke rol; daarmee wordt een koppeling gelegd en tegelijk een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het communicatieve doel en de middelen waarmee dit wordt nagestreefd. De tekst als geheel wordt vanuit twee complementaire invalshoeken bekeken, enerzijds de coherentie-macrostruur die resulteert uit de relaties tussen uitingen op microniveau, anderzijds de referentiële macrostructuur, die berust op de voornaamste cohesieve ketens en de globale thematische structuur. De combinatie van deze twee perspectieven levert een volledig beeld op van de tekstuele samenhang.

Deze in theoretisch opzicht veeleisende uiteenzetting wordt verhelderd door middel van een aantal analyses van korte teksten en tekstfragmenten, die de auteur als ‘publieksgerichte zakelijke teksten’ definieert, een tekstsoort die een grote verscheidenheid aan facetten vertoont en die bijzonder geschikt lijkt om de hier ontwikkelde analysemethode te demonstreren.

Dit soort teksten staat ook centraal in hoofdstuk 7, waarin de praktische bruikbaarheid van het ontwikkelde instrumentarium voor de analyse en vergelijking van bron- en doeltekst op de proef wordt gesteld. Deze analyses, die met de grootst mogelijke zorgvuldigheid zijn uitgevoerd, beklemtonen de belangrijke rol die de tekstfunctie bij het vergelijken speelt. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat de analyse van de brontekst volstrekt niet overbodig wordt, hoewel de brontekst in dit model natuurlijk niet meer als absolute maatstaf kan dienen.

Het onderzoek levert dus een interessant model voor vertaalkritiek op dat, zoals de auteur overtuigend uiteenzet, goed op de door haar gekozen tekstsoort, publieksgerichte zakelijke teksten, kan worden toegepast. Het biedt tegelijkertijd een kritische samenvattende presentatie van de relevante theorieën binnen de vertaalwetenschap en de tekstwetenschap, waarbij veel aandacht wordt besteed aan de inventarisatie van de bestaande literatuur. Op die manier krijgt de lezer een goed overzicht van de actuele stand van zaken op die wetenschapsgebieden en kan hij tegelijk het standpunt van de auteur in een bredere samenhang plaatsen; ook de overzichtelijke structurering van het boek en de vlotte stijl dragen hiertoe bij.

Daarmee schept de auteur ook de voorwaarden voor verder, verdiepend onderzoek op het gebied van de vertaalkritiek. In dit verband valt bijvoorbeeld te denken aan de toepassing van het model op andere tekstsoorten, waarbij de complexe problematiek van het tertium comparationis een bijzonder interessant onderwerp zou kunnen vormen. Het analysemodel biedt echter ook een goede methodologische basis voor contrastief onderzoek, bijvoorbeeld een analyse van de conventies die in de doelcultuur bestaan ten aanzien van de realisatie van bepaalde teksthandelingen; ook kan gedacht worden aan een uitbreiding van de beoordeling van de doeltekst als zelfstandige tekst met een vergelijking van soortgelijke teksten in de doelcultuur.

De doeltekst centraal is dus een wezenlijke bijdrage tot een methodologisch solide fundering van de vertaalkritiek; tegelijkertijd draagt het onderzoek ertoe bij dat de rol van dit ten onrechte verwaarloosde deelgebied binnen de vertaalwetenschap duidelijker bepaald wordt. Het is te hopen dat de talrijke creatieve suggesties die in dit boek te vinden zijn, op vruchtbare bodem zullen vallen. 

Lees meer over: