Reactie op 'Gouden vertaalregels II' van Paul Claes    32-33

Onno Kosters

Paul Claes neemt onder het kopje ‘False friends’ (‘Gouden vertaalregels II’, Filter 19:2) een aantal vertaalkeuzes voor titels uit het oeuvre van James Joyce op de korrel. Ik ben zo vrij bij zijn overwegingen een paar kanttekeningen te plaatsen.

Dubliners, volgens Claes via een ‘gemakkelijkheidsoplossing’ door Rein Bloem vertaald als Dubliners, werd alleen in de eerste vertaling in het Frans (1926) inderdaad vertaald als Gens de Dublin. In de herziene vertaling van de hand van Jacques Aubert (1974) werd het echter Dublinois en in 1996 koos Benoît Tadié voor… Dubliners. Claes ziet beide laatste feiten over het hoofd en merkt op dat Mensen uit Dublin ‘misschien wel de beste Nederlandse weergave’ is. Dit lijkt mij voor het Nederlands nauwelijks ‘idiomatischer’, het toverwoord waarmee Claes voortdurend schermt: een Amsterdammer is een mens uit Amsterdam, maar wel een idiomatischer mens uit Amsterdam. Bovendien, belangrijker, de Dubliners uit Joyce’ Dubliners vertegenwoordigen veel meer dan dat zij mensen uit Dublin zijn. Joyce wilde in de vijftien verhalen ‘een morele geschiedenis van [zijn] land schrijven’ en voegde daaraan toe: ‘Ik geloof echt dat u de loop van de beschaving in Ierland zult vertragen door het Ierse volk de kans te ontnemen om een keer goed naar zichzelf te kijken in de mooi opgepoetste spiegel die ik ze voorhoud’ (brief aan uitgever Grant Richards). Kortom, Dubliners te vertalen met Mensen uit Dublin zou net zo weinig subtiel zijn als Kennedy’s ‘Ich bin ein Berliner’ te vertalen met ‘Ik ben een mens uit Berlijn’ (of: ‘Ik ben een Berliner bol’, maar dat is weer een ander verhaal).

Ook Claes’ observaties over de vertaling van A Portrait of the Artist As a Young Man doen de veelzijdigheid van de titel geweld aan. Zijn stelling dat ‘de enige juiste vertaling […] dus Zelfportret als jongeman [is]’, laat namelijk een groot deel van de reikwijdte van de originele titel buiten beschouwing. Het gaat hier niet om Portrait of the Artist, maar om A Portrait: Stephen Dedalus is niet het zelfportret van de jonge James Joyce, maar een kubistisch geheel van eigenzinnige interpretaties (zie bv. Hugh Kenner, ‘The Cubist Portrait’). Max Schuchart, de eerste Nederlandse vertaler van Portrait, had dat niet helemaal begrepen: van zijn vertaling luidde de titel zonder enige schroom Het zelfportret van de jonge kunstenaar (1962). Die blinde vlek werd hersteld in de latere vertaling van Gerardine Franken en Leo Knuth: Een portret van de kunstenaar als jongeman (1972). Claes’ souffleur Nicolaas Matsier mag dan beweren dat ‘Portrait of the artist’ ‘in schilderjargon gewoon “zelfportret” is’, in Joyce is zelden iets ‘gewoon’.

Claes’ opmerkingen worden vinnig als hij zich uitspreekt over de recente vertaling van de titel van Ulysses. Ongetwijfeld ligt aan de toon van zijn laatste alinea’s ten grondslag zijn ergernis over de weigering van De Bezige Bij om zijn en Mon Nys’ vertaling van Ulysses de titel Odysseus te geven. De Bij zal destijds commerciële belangen hebben laten prevaleren: Ulysses heeft als titel van deze roman de status van een icoon; het collectieve bewustzijn van de geïnformeerde lezer weet niet beter of Ulysses is ‘dat onleesbare boek van Joyce’. Niemand, zal de marketingafdeling van de Bij hebben gedacht (met excuses voor de personificatie), koopt Ulysses in het Nederlands als de titel Odysseus is. De marketingman van Athenaeum, Polak & Van Gennep, die Bindervoet en Henkes aanvankelijk meldde dat de door hen voorgestelde titel Ulixes er alleen door zou komen ‘over my dead body’, was zwakker (en wijzer) dan die van De Bezige Bij. Ulysses is namelijk nietOdysseus. Zoals ik eerder schreef in Filter 15:4, zit het raffinement van Joyce’ titel in het feit dat het om een toe-eigening gaat: Joyce vervormt Odysseus tot Ulysses. Zijn roman gaat namelijk niet over Odysseus, maar over een vervorming genaamd Leopold Bloom. Joyce maakte gebruik van de geromaniseerde naam Ulysses, met alle vervreemdende (pun intended)aspecten van dien. ‘In the Romanised form, “Ulys­ses” signi­fies cultural appropriation, or, if you like, theft. [...] It signifies a cultural practice, and carries the reali­sation that the new Irish epic cannot be “crea­ted”, but must be stolen’ (Len Platt, ‘Ulysses 15 and the Irish Literary Theatre’, in: Reading Joyce’s ‘Circe’ [1994], p. 61–62). Dat Ulysses in alle betekenissen van het woord een complex karakter heeft, hebben Bindervoet en Henkes wel begrepen en uiteindelijk verwerkt (zonder te verwijzen naar mijn stuk in Filter 15:4, dat ik schreef in reactie op hun aanvankelijke idee Ulysses eventueel als Odysseus te vertalen…) in hun ‘maffe’ (Claes) vertaalkeuze: hoeveel maffer dan Ulysses is de titel Ulixes voor een modernistisch meesterwerk? Het belang, gememoreerd door Claes, dat Bindervoet en Henkes zouden hechten aan het feit dat er in hun titel een x voorkomt, lijkt me ten minste ironisch bedoeld… Ulixes of de icoon-vertaling Ulysses: daar valt over te debatteren. Maar Ulysses vertalen als Odysseus geeft blijk van onvoldoende gevoel voor de vele lagen die in de titel schuilgaan.

‘“Letterlijk” vertalen heeft vaak een verkeerd ver­vreemdend effect. Onze optie is: idiomatisch vertalen,’ aldus Claes en Nys in een interview in Yang over hun vertaling van de titel Ulysses (1993/4–5, p. 58). ‘Idiomatisch vertalen’ is op zich al een uiterst complex begrip: wat verstaan Claes en Nys daar eigenlijk onder; wiens idioom spreken zij? Los daarvan, ‘idiomatisch vertalen’ heeft in het geval van Joyce vaak een veel ‘verkeerder’ vervreemdend effect. Claes en Nys’ ‘optie’ brengt wellicht oppervlakkige betekenis over, maar niet diepte, toon en kleur.

Onno Kosters,
Universiteit Utrecht