Nederlandstalige literatuur in het Roemeens - een succesverhaal    55-59

Jan Willem Bos

In Roemenië verheugt de Nederlandstalige literatuur zich de afgelopen jaren in een opmerkelijke belangstelling, wat in 2008 culmineerde in de verschijning van niet minder dan zeven uit het Nederlands vertaalde titels. Dit succes is te danken aan een complex van factoren: bijzonder goede en actieve Roemeense vertalers, het stimulerende en steunende werk van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds (NLPVF) en een nieuwsgierig en gretig lezerspubliek. 

Aarzelend begin
Het valt onmogelijk te zeggen wanneer voor het eerst een boek rechtstreeks uit het Nederlands in het Roemeens is vertaald. In 1915 schijnt in Roemenië te zijn verschenen De vorbă cu copii (In gesprek met kinderen) van de pedagoog en onderwijsvernieuwer Jan Ligthart, onsterfelijk als de geestelijk vader van Ot en Sien. Het is onduidelijk welke oorspronkelijke titel aan dit boek ten grondslag heeft gelegen en of het inderdaad uit het Nederlands is vertaald. Een virtuele speurtocht levert geen nadere gegevens op en het boek is ook niet te vinden in de catalogus van de bibliotheek van de Roemeense Academie van Wetenschappen.

Tussen de oorlogen lijkt er vrijwel niets uit het Nederlands in het Roemeens te zijn vertaald. Het enige dat ik heb kunnen vinden is de publicatie van Saida şi Adinda (Saïdja en Adinda), een fragment uit Multatuli’s Max Havelaar. De vertaler is een zekere N.N. Botez, van wie bekend is dat hij in het Duits vertaalde, die wellicht de al in 1900 verschenen Duitse versie van Max Havelaar als uitgangspunt heeft gebruikt. In 1943 verscheen in Roemenië Cauciuc. Un roman din Sumatra (Rubber, roman uit Deli, 1931) van M.H. (Madelon) Székely-Lulofs, haar meest succesvolle werk, dat in vijftien talen werd vertaald. Gegevens over de vertaler en de taal waaruit is vertaald heb ik niet kunnen achterhalen.

Na de Tweede Wereldoorlog hadden de nieuwe communistische machthebbers in Roemenië in de eerste plaats belangstelling voor literatuur waarin de socialistische boodschap verpakt was. Dit lijkt stellig het uitgangspunt te zijn geweest voor een nieuwe uitgave van Max Havelaar in 1948 bij de Editura de Stat (Staatsuitgeverij) in de vertaling van Silvia Mărgărit. De politieke motivatie voor de publicatie blijkt uit het voorwoord, getekend door ‘de Staatsuitgeverij’, waarin over Multatuli wordt gesteld: ‘Hij is gewroken door de Geschiedenis die de bevrijdingsbewegingen in de kolonies heeft doen ontbranden en die de volkeren van Indonesië in opstand heeft gebracht in een heldhaftige onafhankelijkheidsoorlog. Hij is gewroken door de Indonesische republikeinen, die, met iedere kogel, met iedere gewonnen stap, de Nederlanders doen terugdenken aan een of andere pagina uit “Havelaar”.’ Deze uitgave is ongetwijfeld gebaseerd op de Duitse vertaling van Wilhelm Spoht, die ook in de Roemeense editie staat vermeld als auteur van de eindnoten.

Politieke beweegredenen lagen ook ten grondslag aan de vertaling van het toneelstuk Op hoop van zegen van Herman Heijermans uit 1900, dat in 1958 in het Roemeens verscheen als Speranţa (Hoop). Of de vertaling, van Tiberiu Molnar, uit het Nederlands is gemaakt, is onduidelijk. Opmerkelijk is dat het toneelstuk in die periode in Roemenië ook in het Hongaars en het Duits werd opgevoerd door toneelgezelschappen van de nationale minderheden. In de stad Sfântul Gheorghe, met een in meerderheid etnisch Hongaarse bevolking, werd het in 1957 gespeeld als Remenj; in 1962 werd het stuk als Die Hoffnung in het Duits op de planken gebracht in Timişoara.

Literatuur was het niet, maar in 1956 verscheen În ţara celor 1000 de insule: Indonezia de azi, een vertaling van het verslag dat Joop Wolff, in die tijd lid van het partijbestuur van de Communistische Partij Nederland, twee jaar eerder had gepubliceerd over zijn reis naar de oost: Uit het rijk der 1000 eilanden. Indonesië zoals het is.

Het tijdperk Radian
Hoewel ook anderen tussen de jaren zestig en tachtig Nederlandstalige literatuur hebben vertaald, is deze periode toch vooral het tijdperk van Radian geweest. H.R. (Henri) Radian (1907–1992) had zich na de oorlog het Nederlands eigengemaakt met behulp van een woordenboek Nederlands-Frans-Nederlands. Het is niet bekend waarom hij zich op het Nederlands heeft toegelegd, maar misschien had hij een liefde voor de taal opgevat tijdens het bezoek dat hij in 1928 als jongeman aan Nederland bracht. Hoewel Radian geschoold was als architect, waren de letteren zijn grote liefde. Hij was een polyglot en vertaalde literatuur uit het Spaans en het Portugees. Hij bezat bovendien een grondige kennis van het Esperanto en publiceerde zelfs, onder het pseudoniem Petre Firu, een Esperanto woordenboek.

De eerste vertaling die Radian uit het Nederlands publiceerde was Fata cu părul roşu (Het meisje met het rode haar) van Theun de Vries, zijn roman uit 1956 over verzetsheldin Hannie Schaft. Deze verscheen in het Roemeens in 1962. Hierop volgden nog zo’n twintig andere door Radian vertaalde titels, van klassiekers als Multatuli (Max Havelaar în Indiile Olandeze – Max Havelaar in Nederlands-Indië –, ditmaal rechtstreeks uit het Nederlands), Hildebrand en Vondel tot hedendaagse schrijvers als Hugo Claus (Mâhnirea Belgiei – Het verdriet van België), Heere Heeresma (O zi la plajă – Een dagje naar het strand) en Oek de Jong (Un cerc în iarbă – Cirkel in het gras). Ook vertaalde hij non-fictie, zoals vier boeken van Johan Huizinga en Het Schilderboeck van Karel van Mander.

In de communistische tijd hadden Roemeense uitgeverijen een duidelijke voorkeur voor ‘klassieken’, omdat die politiek gezien neutraler en minder risicovol waren dan hedendaagse literatuur. Tenzij het een boek betrof waarin een niet erg positief beeld werd geschetst van een kapitalistisch land. Dat verklaart de publicatie in 1989, het jaar van de Roemeense revolutie, van Het verdriet van België. Opmerkelijk lijkt de verschijning in Roemenië van Een dagje naar het strand. De vertaling verscheen echter in 1970, het laatste jaar van de dooi, voordat Nicolae Ceauşescu de ideologische duimschroeven weer zou aandraaien. Na de omwenteling golden de politieke criteria uiteraard niet meer en was er juist een voorkeur voor hedendaagse literatuur.

Voor zijn unaniem geprezen vertalingen uit het Nederlands ontving H.R. Radian in 1976 de Martinus Nijhoffprijs. Een verlegen man, het schoolvoorbeeld van een Oost-Europese boekenwurm oude stijl, was naar Den Haag gekomen om deze eervolle onderscheiding in ontvangst te nemen. Hij maakte zich zorgen dat zijn – uiteraard in het Nederlands uitgesproken – dankwoord voor de aanwezigen niet goed te verstaan zou zijn, want hij had niet vaak de gelegenheid gehad Nederland te bezoeken en vreesde dat zijn spreekvaardigheid ondermaats zou zijn. Een warm applaus van zijn toehoorders nam zijn bezorgdheid echter algauw weg. De laatste vertaling van Radian, die tot op zeer hoge leeftijd actief is gebleven, verscheen postuum, in 1993: Amurgul templierilor (Herfsttij der tempeliers), de Roemeense versie van Non nobis, de in 1987 uitgekomen debuutroman van Hanny Alders.

Van de anderen die uit het Nederlands vertaalden, moet in ieder geval Maria Valer worden genoemd, die ook haar sporen had verdiend als vertaalster uit het Engels. Zij publiceerde in 1974 De waterman van Arthur vanSchendel als Omul apei en een jaar later Secretul din Java (Het Javaanse geheim), zoals de Roemeense titel luidde van LouisCouperus’ Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan.

Gedurende al die jaren verschenen de meeste vertalingen uit het Nederlands bij uitgeverij Univers in Boekarest, waar de gedreven redacteur voor ‘de noordelijke landen’, Mircea Bucurescu, die zelf Hubert Lampo vertaalde, een stimulerende rol heeft gespeeld totdat de uitgeverij in de transitieperiode geleidelijk aan zijn vroegere glans inboette.

Andere tijden
De laatste actieve jaren van Radian vielen samen met het begin van de vertaalactiviteiten van Gheorghe Nicolaescu, die zijn voorganger naar de kroon zou steken. Nicolaescu had in Leipzig Duits gestudeerd en had tijdens zijn studiejaren ook Nederlands geleerd van Gerhard Worgt (hoofd van de leerstoel) en de gastdocent Peter van Nunen. Terug in Roemenië begon hij Duitse en Roemeense literatuur te vertalen. In 1984 debuteerde hij als vertaler Nederlands, onder het pseudoniem Marcu Milescu, met Ceata lui Jan de Lichte (De bende van Jan de Lichte) van Louis Paul Boon, gevolgd door Scara de nori şi de piatră (De trap van steen en wolken) van Johan Daisne, gepubliceerd onder zijn eigen naam. In 1990 was het door het verdwijnen van het IJzeren Gordijn voor Nicolaescu voor het eerst mogelijk om naar Nederland te komen. Hij zou er vrijwel ieder jaar terugkeren, vanaf 1998 als jaarlijkse gast van het Vertalershuis. Door de regimeverandering in Roemenië kon hij ook een aanstelling krijgen aan de Universiteit van Boekarest, als docent Duits en, in toenemende mate, Nederlands. Deze functie zou hij combineren met een volgehouden inspanning om Nederlandstalige literatuur te vertalen, wat tot heden heeft geresulteerd in ongeveer twee dozijn vertalingen, van voornamelijk hedendaagse schrijvers: Cees Nooteboom, Marcel Möring, Connie Palmen, Hugo Claus, Bernlef, Arnon Grunberg (want aan het Marek van der Jagt-geintje deed hij niet mee), Harry Mulisch, Margriet de Moor, Annelies Verbeke en anderen. Voor zijn gestage bevordering van de Nederlandstalige literatuur in Roemenië ontving Gheorghe Nicolaescu in 2008 de NLPVF Vertalersprijs.

Vanaf het begin van de jaren negentig vertaalde ook Monica Săvulescu-Voudouris, een Roemeense schrijfster die lange tijd in Nederland woonachtig was, een tiental boeken uit het Nederlands, van onder anderen Jeroen Brouwers, Hella Haasse, Marga Minco en Leon de Winter. 

Het eerste boek waarin vermeld staat dat de vertaling uit het ‘neerlandeză’ is gemaakt, is bij mijn weten Următoarea poveste (Het volgende verhaal) van Cees Nooteboom, vertaald door Gheorghe Nicolaescu. Tot dan toe werd ofwel de taal waaruit werd vertaald niet gespecificeerd of werd deze omschreven als ‘olandeză’ . Hoewel onze moedertaal in Roemenië officieel ‘limba neerlandeză’ (de Nederlandse taal) heet, wordt in het dagelijks taalgebruik gewoonlijk – en hardnekkig – de term ‘limba olandeză’ gebruikt. Met name Nicolaescu heeft zich de laatste jaren hard gemaakt voor het algemeen gebruik van ‘neerlandeză’ en de leerstoel waaraan hij leiding geeft is dan ook getooid met de betiteling ‘catedră de neerlandeză’. Dat de strijd tussen ‘neerlandeză’ en ‘olandeză’ nog niet volledig is beslecht, moge blijken uit het feit dat het in juni 2008 bij uitgeverij Pegasus in Amsterdam verschenen Nederlands-Roemeens woordenboek zichzelf als ‘dicţionar olandez-român’ beschrijft, hoewel in het lemma ‘Nederlands’ de term ‘limba neerlandeză’ wordt gebruikt. Ook niet alle vertalers gaan mee in de nieuwe trend: het in 2003 verschenen boek Madona din Nedermunster (verhalen uit De Madonna van Nedermunster en andere bundels) van Hubert Lampo – een Vlaming nog wel! – is door Mircea Bucurescu uit het ‘olandeză’ vertaald.

Jonge generatie
In de afgelopen jaren heeft de leerstoel Neerlandistiek aan de Universiteit van Boekarest een nieuwe generatie vertalers uit het Nederlands opgeleverd. Andrei Anastasescu, die ook uit het Duits vertaalt, publiceerde in 2008 Copilul-umbră (Schaduwkind) van P.F. Thomese en În ochii Luciei (in Lucia’s ogen, de vertaling van Een schitterend gebrek) van Arthur Japin. Beide verschenen bij Humanitas, de grootste uitgeverij van Roemenië. In 2008 verscheen ook Nesuferitele zile de luni (Blauwe maandagen) van Arnon Grunberg, het vertaaldebuut van Anda Dragomir, dat tot ‘boek van de week’ werd verkozen door het in Sibiu verschijnende dagblad Sibianul. Een andere jonge vertaalster, Valentina Ţârlea, zal binnenkort debuteren met De kabbalist van Geert van Kimpen.

Deze drie hebben allen Nederlands gestudeerd aan de Universiteit van Boekarest, waar de studierichting Neerlandistiek, die deel uitmaakt van de vakgroep Germaanse Talen, zich in een gezonde belangstelling van de kant van de studenten mag verheugen. Sinds enkele jaren is het mogelijk om Nederlands te studeren als volwaardig hoofdvak binnen het kader van een driejarige bacheloropleiding. Om praktische redenen kan er alleen om het jaar met de studie worden begonnen. Een masteropleiding Nederlands bestaat nog niet, al zijn er wel plannen in die richting.

Topjaar
Zo is 2008 een topjaar geworden voor de Nederlandstalige literatuur in Roemenië, want ook Nicolaescu publiceerde verschillende vertalingen: Năluciri (Hersenschimmen) van Bernlef en Nobleţea spiritului (De adel van geest) van Rob Riemen, Siegfried van Harry Mulisch en de tweede druk van Dormi! (Slaap!) van Annelies Verbeke. Deze laatste twee titels verschenen als literair extraatje dat het dagblad Cotidianul sinds twee jaar, voor een zacht prijsje (5,90 lei, nog geen 2 euro) verkoopt samen met de woensdageditie van de krant. In 2006 waren in dezelfde serie ook herdrukken van Următoarea poveste (Het volgende verhaal) van Cees Nooteboom en Roşu ucigaş (Bezonken rood) van Jeroen Brouwers verschenen, deze laatste titel in de vertaling van Monica Săvulescu-Voudouris. Ook Het huis van de moskee van KaderAbdollah verscheen bij Cotidianul, maar dit boek mag eigenlijk niet meegerekend worden omdat het via het Engels is vertaald, terwijl daar in de hedendaagse vertaalomstandigheden geen enkel excuus voor te bedenken valt.

De boeken in de reeks van Cotidianul worden uitgebracht in een oplage van 40.000 exemplaren en worden omkleed met de nodige publiciteit. Annelies Verbeke kwam naar Roemenië toen haar roman werd opgenomen in de Cotidianulreeks. In NRC Handelsblad van 19 maart 2008 deed ze verslag van haar reis naar Boekarest toen ze ‘middenin de miserabele grap waaraan het leven mij momenteel onderwerpt, big [werd] in Romania’, waar ze kon constateren dat er op een kille ochtend in de metro acht mensen haar debuutroman zaten te lezen. In oktober 2007 was ook Arnon Grunberg naar Boekarest gekomen voor de presentatie van de eerste editie van Istoria calviţiei mele (De geschiedenis van mijn kaalheid), vertaald door Gheorghe Nicolaescu.

Steun
Tot het succes van de Nederlandstalige literatuur in Roemenië heeft het beleid van het NLPVF in belangrijke mate bijgedragen. De financiële steun waar de Roemeense vertalingen van hebben geprofiteerd, was noodzakelijk om uitgevers over de streep te trekken in een markt waar de enorme boekenproductie de koopkracht van de meeste boekenliefhebbers verre te boven gaat, en om het honorarium aan te vullen van de Roemeense vertalers, die niet meer dan drie euro per pagina betaald krijgen – minder nog dan hun Albanese collega’s. Ook bood het NLPVF de mogelijkheid van een verblijf in Nederland. Naast de ‘vaste gast’ Gheorghe Nicolaescu hebben ook de drie genoemde jonge vertalers in de afgelopen jaren de gastvrijheid van het Vertalershuis genoten.

Hiernaast is de ontwikkeling van de nieuwkomers gestimuleerd door een vertaalwerkgroep voor (aankomende) vertalers Nederlands-Roemeens in Boekarest in november 2007 en een zomercursus van bijna twee weken in Antwerpen in de zomer van 2008. Op die zomercursus waren acht vertalers in spe aanwezig, onder wie de drie bovengenoemden, die na het maken van een proefvertaling waren toegelaten, want het aantal belangstellenden bleek twee keer zo groot te zijn als de beschikbare plaatsen.

Dit doet hopen en verwachten dat ook in de komende jaren veel Nederlandse en Vlaamse auteurs in het Roemeens zullen worden vertaald. Verschillende nieuwe vertalingen – Anne Frank, Margriet de Moor – staan al op stapel en wellicht zal 2009 een even succesvol jaar worden als 2008.

 

Bibliografie
Radian, Thea Julieta. 1993. ‘În memoriam HR. Radian’, Secolul XX, nr. 349–350–351, Boekarest, p. 278–279.

Wassing, Bonnie. 1996. ‘Nederlandse literatuur in het Roemeens’, Roemenië Bulletin, 9:3.

http://aleph500.biblacad.ro

http://www.nlpvf.nl/nl/

Lees meer over: