Een sprong van acht eeuwen    14-19

Tristan in het Nederlands

Elisabeth de Bruijn

‘Ich weiz wol, ir ist vil gewesen, die von Tristande hânt gelesen; und ist ir doch niht vil gewesen, die von im rehte haben gelesen.’ (‘Ik weet dat er velen geweest zijn die over Tristan hebben verteld. Toch zijn er niet zoveel geweest die dat juist hebben gedaan.’ Tristan, v. 131–134). Met deze woorden benadrukte Gottfried von Straßburg omstreeks 1210 dat hij uit de vele versies die er van het Tristan-verhaal in omloop waren de enig juiste Oudfranse brontekst had gekozen voor zijn Middelhoogduitse vertaling. Het typeert hem dat hij deze brontekst als vertaler op de voet wilde volgen: getrouwheid stond bij hem hoog in het vaandel. Hiermee onderscheidt hij zich van enkele beroemde tijdgenoten, zoals Wolfram von Eschenbach, die met zijn Parzival juist een heel vrije bewerking neerzette. De verschillende vertaalkwesties die middeleeuwse vertalers bij het omzetten van hun brontekst tegenkwamen (bron- of doeltaalgericht, getrouwheid of creativiteit), bepalen nog steeds de hedendaagse vertaalopvattingen. Ze vormen ook de leidraad van de moderne Nederlandse Tristan-vertaling door Wieke Schultink-Dolk, die streeft naar een evenwicht tussen de genoemde criteria. Eigenlijk is er in acht eeuwen weinig veranderd.

‘De’ Middelhoogduitse Tristan
Ondanks zijn nadruk op getrouwheid heeft Gottfried geen slaafse woord-voor-woordvertaling gemaakt van de Oudfranse Tristan van Thomas van Britannia, op wie hij naar eigen zeggen teruggrijpt. De Middelhoogduitse vertaler heeft zijn eigen accenten gezet, scènes uitgebreid, passages toegelicht en nog minstens één andere bron gebruikt voor zijn vertaling: de Tristan van Eilhart von Oberg.1 Maar Gottfrieds opvatting van ‘getrouwheid’ verschilt onmiskenbaar van ons huidige begrip ervan.

De veranderlijkheid van het werk is een constante in de Tristan-traditie. Gottfrieds tekst gaat terug op meerdere bronnen (contaminatie), maar hoofdzakelijk op de tekst van Thomas van Brittania. De variatie zette zich ook na Gottfried voort. ‘De’ Tristan die wij vandaag de dag kennen is een samenraapsel van verschillende handschriften en fragmenten die onderling verschillen. Dirk Delabastita gebruikt voor de verschillende bronnen en de daaruit voortvloeiende verschillende interpretaties van tekstediteuren de term ‘textual hybridity’.2 Voor de Tristan – en voor vele andere teksten – kan de contaminatie worden verklaard vanuit de editiecultuur in Duitsland. Daar is het lang traditie geweest om een verloren gegaan origineel te reconstrueren, waardoor men een tekst leest die vermoedelijk nooit als zodanig heeft bestaan.3 In veel gevallen kan dit niet anders, omdat een literair-historicus zelden te maken heeft met de auteurstekst, maar met tal van latere, min of meer corrupte versies van eenzelfde tekst. Ook ten aanzien van de receptie is er weinig veranderd. Zoals de tekst destijds verschillende variaties heeft gekend, zo functioneert hij ook vandaag de dag in verschillende vormen voor steeds wisselende publieksgroepen.

Gottfrieds Tristan is gedurende de middeleeuwen, maar ook daarna nog talrijke keren vertaald en in vele talen naverteld. Nog steeds worden van de Middelhoogduitse tekst navertellingen of zelfs moderne vertalingen gemaakt. Toch verscheen pas in 2008 voor het eerst een integrale vertaling in het modern Nederlands. Dat deze vertaling van Wieke Schultink-Dolk daarmee op zich al een verdienste is, behoeft geen betoog.

Verantwoord vertalen
Schultink-Dolk heeft haar vertaling omlijst met een inleiding, een verantwoording en voetnoten. Dat voetnoten in historische vertalingen als nuttig worden ervaren en niet als storend, zoals in moderne vertalingen, hangt vermoedelijk samen met het gegeven dat vertalingen van historische teksten zich op het kruispunt van de vertaalwetenschap en de editiewetenschap begeven. Het pleit dan ook voor de vertaalster dat zij haar vertaalkeuzes weloverwogen beschrijft, zoals het publiek waarop ze zich richt. Met haar editie beoogt Schultink-Dolk ‘de betekenis van de woorden nauwkeurig te vertalen in een vlot, modern Nederlands, dat door een wat groter, in oude verhalen geïnteresseerd publiek met plezier zou worden gelezen’ (349). Eenzelfde soort plezier kenmerkt overigens het hele vertaalproces: de editie is het resultaat van een uit de hand gelopen liefhebberij. Het doeltaalpubliek dat de vertaalster voor ogen heeft, is dus breed en non-specialistisch, vandaar dat het haar gaat om een goed leesbare doeltekst – een doeltekst bovendien waarin de grootste verandering de omzetting van 20.000 rijmverzen in goed lopend proza betreft. De talige mogelijkheden van het Middelhoogduits vallen nu eenmaal niet samen met die van het moderne Nederlands, waardoor een vertaling in rijm vrijwel onmogelijk is. Zoals Schultink-Dolk zelf aangeeft, gaat hiermee het voor Gottfried typerende klankspel verloren, maar heeft zij wel de vrijheid genomen ‘taal en betekenisnuances’ toe te lichten (23).

Een doeltaalgerichte benadering heeft onherroepelijk gevolgen voor de ontsluiting van de tekst. Zo heeft Schultink-Dolk de tekst op een gestructureerde manier gepresenteerd, met hoofdstuktitels, tussenkopjes, voetnoten en zelfs illustraties. Tegelijkertijd streefde de vertaalster naar een nauwkeurige vertaling, dat wil zeggen, een vertaling die trouw is aan de brontekst. Aangezien Schultink-Dolk haar vertaalkeuzes zo expliciet in een verantwoording beschrijft, moeten deze worden meegewogen in de beoordeling van de vertaling. Daarom geef ik niet alleen mijn indruk weer, maar kijk ik vooral of de vertaling voldoet aan de door de vertaalster genoemde, eigen criteria.

Tristan2
J.W. Waterhouse, 'Tristan and Isolde Sharing the Potion' (1916)

Toen ik het boek voor het eerst in handen kreeg, was ik aangenaam verrast door het resultaat, want de editie is fraai vormgegeven en leest – conform de wens van de vertaalster – inderdaad prettig weg. Tijdens het doorlezen vergeleek ik steekproefsgewijs enkele passages met de editie van de Middelhoogduitse tekst en constateerde ik steeds dat de vertaalster inderdaad vrij getrouw had vertaald. Om de vertaling nauwkeuriger te beoordelen, vergeleek ik enkele passages uit de editie wat diepgaander met de Middelhoogduitse brontekst in de in 2004 opnieuw gepubliceerde editie van Karl Marold: de proloog; het eerste hoofdstuk over Riwalien, dat de lotgevallen van Tristans vader beschrijft; de ontvoering van Tristan door de Noormannen; het beroemde jachttafereel aan het hof van koning Marc; de scène met de liefdesdrank en de ontdekking van de minnaars in de minnegrot. Dit zijn tenslotte de voor het verhaal zeer karakteristieke passages – de liefdesdrank die ervoor zorgt dat Tristan en Isolde ongewild verliefd worden, heeft zelfs een legendarische status.4

Meer vissen in de zee
Vlak nadat Tristan en Isolde van de beroemde liefdesdrank hebben gedronken, spreekt Tristan zichzelf streng toe en probeert hij zijn gevoelens voor Isolde te onderdrukken. Hij is immers trouw aan koning Marc, Isoldes aanstaande echtgenoot. In de Middelhoogduitse tekst zegt Tristan daarom tegen zichzelf: ‘kêre dar oder her, verwandele dise ger, minne und meine anderswâ!’ (v. 11785–11787). In de moderne Duitse vertaling worden deze woorden redelijk getrouw omgezet: ‘Geh dahin oder dorthin, such diesem Verlangen andere Ziele, liebe nach Herzenslust, aber woanders!’ (140). Schultink-Dolk vertaalt zo: ‘Vrouwen genoeg, Tristan! Een andere kant op met je verlangen! Kies een ander object voor je liefde en verliefdheid’ (223). Hoewel de opmerking ‘vrouwen genoeg’ misschien wel dezelfde strekking heeft als de Middelhoogduitse verzen, staat dit er strikt genomen niet. De vertaling is bezien vanuit de doeltaaltekst weliswaar vlot leesbaar en gericht op een hedendaags publiek, maar wat de getrouwheid aan de brontaaltekst betreft had de vertaalster hier voorzichtiger kunnen zijn. De bewuste opmerking klinkt merkwaardig uit de mond van de beschaafde hoofdpersoon, het taalgebruik is wel erg populair.

Hoofsheid
Schultink-Dolk geeft in haar verantwoording aan dat het haar gaat om een inhoudelijk correcte weergave van het Nederlands. Wanneer een Middelhoogduits begrip geen Nederlands equivalent heeft, kiest zij voor een woord dat volgens haar de inhoud het beste weerspiegelt. Zo merkt zij op: ‘Ik heb het woord “hoofs” niet gebruikt, behalve in staande uitdrukkingen. Gottfrieds “höfsch” heb ik vervangen door woorden die destijds door dit begrip werden uitgedrukt: correct, welgemanierd, gedistingeerd, goed opgevoed; ontwikkeld, gecultiveerd; elegant; edel, elitair, bij het hof in aanzien staand, hoogstaand, etc.’ (351). Hoewel de vertaalster dit principe consequent doorvoert en dus vasthoudt aan haar eigen criteria, vind ik de keuze voor het vermijden van het begrip ‘hoofs’ problematisch. Het Middelhoogduitse ‘höfsch’ omvat namelijk net als het Middelnederlandse ‘hoofs’ een heel betekenisveld. ‘Hoofsheid’ is het geheel aan normen en waarden aan het hof en kan verschillende, parallelle betekenissen hebben. Hoewel de vertaalster dit zelf vaststelt – zij zegt letterlijk dat bij Gottfried de ‘betekenis­velden ruim bemeten zijn’ (15) – kiest ze steeds voor slechts één vertaal­mogelijkheid.

Een voorbeeld van een passage waarin zo’n alternatief voor ‘hoofs’ goed opgaat, staat aan het begin van het verhaal. Hier wordt beschreven dat de vader van Tristan mooie verhalen heeft gehoord over de jonge koning Marc: ‘er hete vil gehœret sagen, wie höfsch und wie êrbære der junge künic wære von Kurnewâle Marke’ (v. 418–421). Dit wordt in de vertaling: ‘Hij had vaak horen vertellen hoe beschaafd en achtenswaardig de jonge koning Marc van Cornwall was’ (35). De aanduiding ‘beschaafd’ dekt hier de lading, omdat ze een scala van positieve eigenschappen omvat waarover je op afstand kunt horen.

Maar in veel gevallen vertaalt Schultink-Dolk onvolledig. Dat blijkt het duidelijkst uit een passage waarin de brontekst twee Oudfranse verzen bevat: ‘Tristan, Tristan li Parmenois, cum est bêâs et cum cûrtois!’ (v. 3361–3362). Naar eigen norm zet de vertaalster dergelijke Oudfranse passages om in modern Frans: ‘Tristan, Tristan, le Parmenois, comme il est beau et courtois!’ (83). Ze handhaaft het equivalent van ‘hoofs’, namelijk ‘courtois’, een woord dat zelfs in vertaling nog rijmt. De Nederlandse vertaling wordt vervolgens in de bijbehorende voetnoot gegeven, en vreemd genoeg kiest de vertaalster dan voor één vertaalmogelijkheid: ‘Tristan, Tristan uit Parmenië, wat is hij mooi en welgemanierd!’ Dit heeft gevolgen voor de betekenis van de tekst. Het genoemde citaat is namelijk een kreet die wordt gescandeerd door de aanwezigen van een jachttafereel. Tristan heeft zojuist uitgeblonken in de jacht, een van de hoofse kwaliteiten. Voorafgaand aan het citaat wordt bovendien zijn uiterlijk uitvoerig geprezen, immers, uiterlijke schoonheid was voor het publiek van dergelijke romans onmiskenbaar een indicatie voor een hoofs innerlijk. Tot slot wordt er in dezelfde passage gesproken over zijn opvoeding, waarin de basis wordt gelegd voor een hoofs voorkomen. Door de genoemde verzen te vertalen met ‘welgemanierd’ wordt met andere woorden een heel betekenisveld tekortgedaan. Ik had hier graag gezien dat de vertaalster het woord ‘hoofs’ gebruikt had: dit begrip is zo courant in de studie naar middeleeuwse letterkunde dat het een legitieme vertaalmogelijkheid is. Het hedendaagse publiek dat niet bekend is met de term zou voor een goed begrip van dit woord geholpen zijn geweest met een korte toelichting in de inleiding. ‘Hoofs’ en afgeleide vormen komen zó frequent voor in middeleeuwse, vooral hoofse literatuur, dat zij die toelichting verdienen. Een dergelijke editie, die nadrukkelijk gebruik maakt van voetnoten en verantwoording, biedt genoeg ruimte hiervoor. Bovendien is hoofsheid een element dat Gottfried in zijn roman op de voorgrond heeft willen plaatsen. Het begrip en de afgeleide vormen komen dan ook zo’n tweehonderd keer voor. Volgens Tomas Tomasek, germanist en Tristanspecialist, zag de auteur het als zijn taak ‘den Rezipienten Formen und Probleme des höfischen Daseins vor Augen zu führen und ihnen das Bewusstsein zu vermitteln, Bestandteil der höfischen Welt zu sein’ (42). Hoofsheid is een sleutelbegrip in de tekst en een leidraad in het didactisch programma van de auteur, die hiervoor zijn brontekst als model zag en een ‘juiste’ vertaling ervan van wezenlijk belang achtte.

De macht van het woord
Het vorige voorbeeld maakt duidelijk dat de toon van het gehele werk ‘hoofs’ is. Dat geldt zowel voor de adellijke personages alsook voor de lagere sociale klassen. Om die reden is het interessant het taalgebruik van de Noormannen die Tristan ontvoeren eens onder de loep te nemen. Het blijkt dat de zeelieden in de Nederlandse vertaling veel botter uit de hoek komen dan in het origineel. Wanneer er kort na Tristans ontvoering opeens een zware storm opsteekt en de mannen vrezen door God te worden gestraft vanwege hun wandaad, roepen zij God aan: ‘nu sprach ir einer under in: “ir hêrren alle, semir got, mich dunket, diz sî gotes gebot umbe unser angestlîchez leben”’ (v. 2438–2441). De moderne Duitse vertaling is hier neutraal: ‘Da sprach einer von ihnen: “Meine Herren, ich glaube bei Gott, diese Ängste und Schrecken hat uns Gott geschickt”’ (31). De talige grofheid wordt in het Nederlandse echter nog eens extra aangezet: ‘Een van hen zei toen: “Verdomd, mannen, ik denk dat de nachtmerrie die wij nu beleven Gods opdracht is”’ (69). Afgezien van het feit dat de zin niet lekker loopt, is er een opmerkelijk verschil tussen het aanroepen van God in de Duitse versies en de vloek in de Nederlandse vertaling. Het Duitse ‘bei Gott’ is een adequate vertaling, aangezien ‘semir got’ (sam mir got) zoveel betekent als ‘God, wees met mij’ of ‘Heer, sta mij bij’. In de Nederlandse vertaling krijgen de zeelieden dus een wat bruter taalgebruik in de schoenen geschoven. Het gevolg is een betekenisverschuiving en een zonde van de tong op het conto van de zeelui.

Bassie en Adriaan
De Noorse kidnappers zijn in de Nederlandse vertaling ook grover tegen Tristan. Wanneer deze beteuterd tot de ontdekking komt dat hij mijlenver van zijn land en geliefden verwijderd is, wordt hij door de zeelui bot toegesproken ‘gehabet iuch wol und sît frô’ (v. 2329). In de moderne Duitse vertaling wordt dit: ‘Findet euch damit ab und seid zufrieden’, iets als ‘Leg je erbij neer en wees tevreden’. In plaats daarvan staat er: ‘Dus wees een grote vent, hè, en keep smiling!’ (68). De neutraliteit van ‘gehabet’ (‘vol goede moed’ of ‘getroost’ zijn) gaat verloren door de populariserende en neerbuigende benaming ‘grote vent’. Daarnaast springt de Engelstalige uitdrukking ‘keep smiling’ meteen in het oog. Je vraagt je als lezer af of je wel serieus genomen wordt. Navraag bij andere ‘in oude verhalen geïnteresseerde’ lezers – familieleden, kennissen, vertaalstudenten – leidde tot dezelfde respons. De uitdrukking werd te studentikoos gevonden en deed denken aan een Bassie-en-Adriaanopmerking op dito niveau (wat er ook gebeurt, altijd blijven lachen!).

Een dubbele slag
De voorbeelden die ik tot nu toe heb genoemd, zijn afkomstig uit de zes hoofdstukken die ik wat aandachtiger heb bekeken. In hun totaliteit zijn deze hoofdstukken echter vrij getrouw en prettig leesbaar vertaald. Daarbij weet Schultink-Dolk het niveau van het publiek vaak goed in te schatten. Zij verduidelijkt op de juiste plaatsen passages die tot problemen zouden kunnen leiden. Dit geldt bijvoorbeeld voor kledingstukken waarvan de betekenis niet direct uit de context is af te leiden. Zo maakt de vertaalster duidelijk dat het bij Isoldes ‘gebende’ (v. 17608) om hoofdbedekking gaat door eraan toe te voegen dat het haar haren zijn die bijeen worden gehouden (317). Verder worden tijdsaanduidingen, zoals de uitdrukking ‘innerhalp den ahte tagen’ (v. 3407) weergegeven met het gebruikelijke Nederlandse equivalent, in dit geval ‘een weekje later’ (85). En wanneer Marc zijn trouwe ros aan Tristan schenkt, lost de vertaalster de ambiguïteit in de zin ‘nu hiez im Marke bringen dar sîn jagephert und gab im daz’ (v. 3412–3413) op door te benadrukken dat de vorst zijn éigen jachtpaard afstaat (85).

Mede dankzij dergelijke subtiele verduidelijkingen is het resultaat toch een vlot leesbare Nederlandse Tristan-vertaling. In de hierboven genoemde kritiekpunten heb ik echter bewust met twee maten gemeten. Ik heb rekening gehouden met de vertaalnormen van de vertaalster, maar wel aangegeven waar deze volgens mij niet juist worden gehanteerd. Op enkele plaatsen in de tekst is de vertaalster ten opzichte van het doelpubliek uit de bocht gevlogen: het taalgebruik werd dan te populair en de afstand tot het origineel te groot. Daarnaast had Schultink-Dolk naar het voorbeeld van Gottfried cruciale passages beter kunnen toelichten, zoals in het geval van ‘hoofsheid’. De verantwoording en de voetnoten hadden hiervoor ruimschoots gelegenheid geboden. Maar laat duidelijk zijn: deze vertaling is een aanwinst. Zoals Gottfried de oorspronkelijkheid van zijn eigen voorbeeld en zegsman goed wist te bewaren, heeft Schultink-Dolk Gottfrieds Tristan in Nederlandse vertaling net zozeer tot zijn recht laten komen. Tegelijkertijd laat zij het hedendaags publiek op een natuurlijke manier kennismaken met de wereld waarin de Tristan tot stand kwam. Zij heeft een kloof van acht eeuwen soepel overbrugd en een goede vertaling afgeleverd die hopelijk gelezen zal worden met dezelfde intentie als waarmee zij tot stand gekomen is: als liefhebberij.

 

Noten
1 Tomasek 2007, p. 255–257.
2 Delabastita 2004, p. 86–87.
3 Deze benadering wordt verbonden met de naam van de beroemde germanist Karl Lachmann en wordt daarom ook wel de ‘methode Lachmann’ genoemd. Het construeren van ‘het’ origineel aan de hand van een genealogisch stemma staat hierin centraal. Daartegenover wordt vaak de stroming geplaatst van Joseph Bédier, die juist één enkel handschrift wilde editeren, aangezien dat handschrift daadwerkelijk in die vorm gefunctioneerd had. Zie bijvoorbeeld: Dembowski 1992–1993, p. 512–532.
4 Om de vertaling te controleren en de strekking van de middeleeuwse tekst te verduidelijken, heb ik in een aantal gevallen de moderne Duitse vertaling van de Tristan door Peter Knecht gebruikt als vergelijkingsmateriaal.


Bibliografie
Beutin, Wolfgang, e.a. (eds.) 2001. Deutsche Literaturgeschichte. Von den Anfängen bis zur Gegenwart. 6. Sechste, verbesserte und erweiterte Auflage mit 524 Abbildungen. Stuttgart/Weimar: Verlag J.B. Metzler.

Delabastita, Dirk. 2004. ‘Shakespeare in vertaling. Een historische verkenning’, in: Ton Naaijkens e.a. (eds.), Denken over vertalen. Tekstboek vertaalwetenschap. Nijmegen: Vantilt, p. 85–94.

Dembowski, Peter Florian. 1992-1993. ‘The “French” Tradition of Textual Philology and Its Relevance to the Editing of Medieval Texts’, Modern Philology, 90, p. 512–532.

Gottfried von Strassburg. Tristan en Isolde. 2008. Vertaald door Wieke Schultink-Dolk. Hilversum: Verloren.

Gottfried von Straßburg, Tristan. 2004. Band 1: Text. hrsg. von Karl Marold. Unveränderter fünfter Abdruck nach dem dritten, mit einem auf Grund von Friedrich Rankes Kollationen verbesserten kritischen Apparat besorgt und mit einem erweiterten Nachwort versehen von Werner Schröder. Berlin/New York: Walter de Gruyter.

Gottfried von Straßburg, Tristan. 2004. Band 2: Übersetzung von Peter Knecht. Mit einer Einführung in das Werk von Tomas Tomasek. Berlin/New York: Walter de Gruyter.

Tomasek, Tomas. Gottfried von Straßburg. 2007. Stuttgart: Philipp Reclam jun.

Lees meer over: