Nilus' eigen afgrond    52-56

Over Verstoring van Jamie O'Neill

Onno Kosters

Jamie O’Neill, Verstoring. Vertaald door Jos den Bekker. Breda: De Geus, 2006. ISBN 90 445 0633 1

Disturbance (Verstoring), het debuut uit 1989 van de in 2002 met At Swim, Two Boys definitief doorgebroken Ierse schrijver Jamie O’Neill, vertelt het verhaal van de veertienjarige Nilus Moore en zijn tamelijk gestoorde vader. Nilus’ moeder is onlangs overleden en Nilus troost zichzelf met een zelf verzonnen ‘spel’: het telkens op het randje van vernietiging brengen, het ‘verstoren’, van een grote, geheel zwarte, 50.000 stukjes tellende legpuzzel, die hij de dag dat zijn moeder overleed voltooide:

In mijn slaapkamer was het niet te harden. Ik ging met bonzend hart zitten en overwoog Verstoring te gaan spelen. Dat was de naam die ik had verzonnen voor het spelletje waarbij ik knoeide met de hoeken van mijn legpuzzel. ‘Spelletje’ is een te klein woord. ‘Spel’ ook. Ik worstelde met de ja’s en nee’s, de voors en tegens van een martelende besluiteloosheid. Ik zou me vitaal, ik zou me potent voelen, maar stel dat ik er niet in slaagde de orde weer te herstellen? Of erger, als er een stukje uitviel, of misschien zelfs tussen de kieren van de vloerplanken verdween – wat dan? Ik woekerde met symmetrie. (37)

Hier dient zich meteen een aantal vertaalproblemen aan: ‘I would feel vital, I would feel potent’ staat er in het origineel, waar ‘vitaal’ en ‘potent’ al te letterlijke vertalingen van ‘vital’ en ‘potent’ zijn. Niet omdat de woorden zo op elkaar lijken, en ook niet omdat ‘vital’ niet ook ‘vitaal’ betekent en ‘potent’ ook ‘potent’, maar omdat het Nilus hier gaat om een gevoel van macht. Overmand door verdriet, zo blijkt uit alles, geeft het spel Verstoring hem weer zelfvertrouwen, het gevoel dat hij, schepper en verstoorder, de touwtjes in handen heeft. De vertaling van Nilus’ gevoel zou mijns inziens dan ook gediend zijn met een verwijzing naar drang ‘er weer toe te doen’. ‘I was vital, potent’ wordt eerder in het boek ook vertaald met ‘Ik was vitaal, potent’ (16), en ook daar mist de vertaler volgens mij de werkelijke reikwijdte van ‘potent’ en ‘vital’. Ikzelf zou dan ook eerder kiezen voor ‘Ik was de spil, ik was almachtig.’

De laatste zin van het fragment is ook met het origineel ernaast een onbegrijpelijke vertaling. ‘I was dicing with symmetry’ (32), luidt de oorspronkelijke tekst. Nilus varieert hier (wellicht onbewust) op Einsteins ‘God dobbelt niet,’ in het Engels: ‘God doesn’t dice.’ En dat is nu precies wat Nilus wél doet: dobbelen. In zijn drang naar almacht, naar nieuw zelfvertrouwen, brengt hij met zijn spel het perfecte, symmetrische universum op de rand van de afgrond. Het Nederlandse ‘woekeren’, waarbij de vertaler wellicht de frase ‘woekeren met ruimte’ heeft willen laten meeklinken, dekt de lading niet.

De puzzel en de mogelijke verstoring ervan zijn niet Nilus’ enige obsessies. Iedere avond voor hij gaat slapen controleert hij of zijn lakens wel netjes symmetrisch zijn gevouwen. De positie van een gebarsten theekopje in de servieskast wordt telkens opnieuw feilloos in kaart gebracht. Nilus zelf, zo blijkt gaandeweg, is al net zo disturbed als zijn vader, die zich in zijn slaapkamer zal terugtrekken, levend (of althans, voor levend gehouden) op cognac en knoflook. De huizen in de straat waar zij wonen worden ondertussen gesloopt, een verzameling buitengewoon merkwaardige figuren wordt op al dan niet expliciete uitnodiging van Nilus als huurder binnengehaald, het toch al bouwvallige huis begint steeds erger te stinken – naar ontbindende lichamen: de clou van het verhaal zit hem in de geleidelijke onthulling dat Nilus na het overlijden van zijn vader (wiens ontbinding hij probeert te camoufleren middels knoflook en cognac…) zijn huurders ombrengt (en ook een poging doet zijn zwangere nichtje Ira en haar vriend Joe uit te hongeren) en wanhopig tegenover de buitenwereld blijft doen alsof er niets aan de hand is. Nilus voert uiteindelijk alleen nog imaginaire gesprekken met zijn vader, zijn huurders, zichzelf. Gestoord? Jazeker.

Aan het eind van het verhaal valt de politie binnen en observeert Nilus, omringd door diverse lijken, zijn eigen ineenstorting:

Er werd nu op de deur van mijn vaders slaapkamer gebonsd. Het hout van het lijstwerk versplinterde. Het was interessant om te zien welke lijsten het ’t eerst begaven. Wat een verstoring. Boven het bonzen en de tere melodielijnen van ‘Nobody’s Child’ die ik op de accordeon van mijn moeder fiedelde, ergens binnen of buiten mijn hersens en de kilte op mijn hersens, hoorde ik een klein verstoord babystemmetje – zo minuscuul dat een luisterend oor het zou kunnen verpletteren… huilen. (187)

Is het het stemmetje van het kind van zijn nichtje dat hij elders in het huis geboren hoort worden, is het zijn eigen stem, zijn eigen geest die hier eindelijk breekt? Die vragen blijven onbeantwoord, wat niet helemaal bevredigend is. Maar omdat wel duidelijk is dat er een einde komt aan Nilus’ lijden, is het ondanks de wat melodramatische toon toch een mooi einde van een intrigerend verhaal.

Een van de lastigste opgaven voor de vertaler zal het telkens, en in verschillende betekenissen, terugkerende woord ‘disturbance’ zijn geweest. Van Dale geeft als equivalenten: opschudding, beroering, opstootje, relletje, stoornis, verstoring, verwarring, storing, aantasting (van rechten, eigendom). Het probleem in Disturbance is dat de auteur het woord nu eens in de ene, dan weer in een andere betekenis gebruikt, het woord soms meerdere betekenissen tegelijk oproept, en dat vaak niet duidelijk is welke van die betekenissen het zwaarst weegt. De vertaler heeft ervoor gekozen consistent te zijn en waar O’Neill ‘disturbance’ gebruikt, altijd ‘verstoring’ te gebruiken. Dat leest echter niet overal even goed. In de hierboven geciteerde laatste alinea van het boek bijvoorbeeld, is ‘Wat een verstoring’ de vertaling van ‘Such a disturbance’, waarbij ‘disturbance’ in het Engels idiomatisch volstrekt verantwoord is en bij voorkeur met ‘gedoe’ of ‘kabaal’, of, om binnen de definities van Van Dale te blijven, ‘opschudding’ zou moeten worden vertaald. ‘Wat een verstoring’ klinkt raar. En ook het ‘verstoorde babystemmetje’ klinkt niet helemaal soepel, terwijl een ‘disturbed voice’ in het Engels ‘gewoon’ een ‘geschrokken stem’ is.

Toch is de keuze voor consistentie hier denk ik de juiste geweest, omdat de draagwijdte van de titel ook in de vertaling moet meeklinken. De prijs die de vertaler betaalt is dat zijn keuze hier en daar wat geforceerd overkomt. Gelukkig gebruikt O’Neill zelf hier en daar ook nog synoniemen voor ‘disturbance’, waardoor de vertaler niet overal vast zit aan zijn consistentie.

De Britse pers was bij verschijning niet laaiend enthousiast over het werk. Clare Boylan merkte in The Sunday Times op dat ‘in Disturbance, the anecdotes never quite touch the nerve. The pain is missing and only the oddness emerges. The writing is sprawling and sometimes slapdash, giving a bumpy ride to a theme that requires a spare and disciplined prose.’ En Anne-Marie Conway schreef in de Times Literary Supplement: ‘O’Neill does have a certain comic gift but as the novel and its narrator descend into insanity this is quickly dissipated, and the attempt at surrealism is no more convincing than the exploration of the disordered mind. The characters in Disturbance are trapped in “some sort of meantime” [een citaat uit Disturbance; OK]; let us hope that the author manages to escape the black hole he has created for himself.’ In dat laatste is O’Neill, blijkens de rave reviews waarmee At Swim, Two Boys werd onthaald, goed geslaagd. Het succes van dat laatste boek zal ook de reden geweest zijn voor uitgeverij De Geus om in 2006 alsnog een vertaling van Disturbance uit te brengen.1

Met geen van beide kritische besprekingen ben ik het trouwens helemaal eens. O’Neill slaagt er mijns inziens wel degelijk in de getroebleerde geest van het veertienjarige kind, dat enerzijds vanuit uiterlijk steeds rationelere, volwassener overwegingen zijn wereld opnieuw inricht en anderzijds met de naïviteit van een zesjarige om zich heen kijkt, over het voetlicht te brengen. Ook de subtiele wijze waarop, op verschillende niveaus, de geleidelijke ontbinding van lichamen en geesten wordt onthuld en, parallel daaraan, Nilus’ bewoonde wereld steeds onbewoonbaarder wordt, heeft O’Neill op fraaie wijze verwoord. Met zijn droge en gaandeweg steeds absurdere humor toont O’Neill zich een waardige fakkeldrager van Ierse schrijvers als Jonathan Swift, Samuel Beckett en Flann O’Brien (de auteur van de absurdistische roman At Swim-Two-Birds, 1939). En wellicht is het niet te ver gezocht om in Nilus een voorbeeld te zien voor Francie Brady, het jongetje dat de verschrikkelijke hoofdrol speelt in Patrick McCabe’s The Butcher Boy (1992). Wel mis ik, net als Boylan, de verdieping die ervoor zou zorgen dat Nilus van een, weliswaar mededogen opwekkende, karikatuur, een echt karakter wordt (waar McCabe met Francie wel in slaagt).

Disturbance is een echt Iers boek, waarmee ik bedoel dat er ontzettend veel in wordt gepraat, nou vooruit: geouwehoerd. Nilus en zijn familie en vrienden zijn allen begiftigd met ‘the gift of the gab’. Lange, merkwaardige dialogen in plat Dublins beheersen het boek. Nilus’ vader heeft bovendien de neiging om zijn woorden met archaïsmen en verkapte citaten (en als zijn pet ernaar staat met Italiaans) te doorspekken. Voor de vertaler geen gemakkelijke opgave de dialogen te vangen in een Nederlands equivalent.

‘Why d’you never get up?’ I demanded.
He chewed lazily on his bulb. ‘Maybe I’m tired.’
‘That’s no excuse.’
‘It wasn’t tendered as an excuse. It’s a reason.’
I was sorely tempted to use bad language.
‘The spare rooms are a disgrace,’ I said busily. ‘They’re knee-deep in rubble.’
‘Nilus,’ he said, ‘why must you always make alps of knaps? Where anyone else would see a little dust that a hoovering might equal, you must fancy an advancing glacier of rubble. Whenever you talk, you always give the impression the next ice age approacheth. I’m getting worried about you, Nilus. Are you sick?’ (112–113)

‘Waarom kom je nooit je bed uit? vroeg ik.
Hij kauwde lui op zijn knoflook. ‘Misschien omdat ik moe ben.’
‘Dat is geen excuus.’
‘Het was niet bedoeld als excuus. Het is een reden.’ (115)

Nilus ‘I demanded’ is met ‘vroeg ik’ wat al te neutraal vertaald (Nilus’ uit wanhoop geboren vraag is veel dringender, hij eist een antwoord). ‘It wasn’t tendered’ is typisch Nilus’ vader, die veelal de neiging heeft de aanvallen van zijn zoon met formeel taalgebruik onschadelijk te maken. Iets in de trant van ‘Het was geenszins mijn bedoeling’ was hier wellicht beter geweest.

Ik kwam danig in de verleiding om grove taal uit te slaan. (115) 

‘Sorely tempted’/ ‘danig in de verleiding’, is daarentegen precies raak; de formulering dekt zowel Nilus’ woede als zijn beheersing.

‘Het is een puinhoop in de logeerkamers,’ zei ik heftig. ‘Je waadt er tot aan je knieën door de rotzooi.
‘Nilus,’ zei hij, ‘waarom moet jij altijd van een mug een olifant maken? Waar iemand anders een beetje stof ziet dat je zo op kunt zuigen, zie jij een oprukkende gletsjer van vuil. Altijd als je je mond opendoet, geef je de indruk dat de volgende ijstijd nakende is. Ik begin me zorgen over je te maken, Nilus. Voel je je niet goed?’ (115)

Op zich is deze passage adequaat vertaald, maar ook hier mis ik toch weer de subtiliteit van O’Neill zelf. ‘[E]en beetje stof […] dat je zo op kunt zuigen’ is een wat vlakke vertaling van ‘that a hoovering might equal’, en al is het gebruik van ‘nakende’ mooi gevonden om het archaïsme ‘approacheth’ te vertalen, de vertaler mist hier de echo van Eugene O’Neills (!) toneelstuk The Iceman Cometh (in het Nederlands meestal vertaald als De ijsman kome).

De vertaler geeft overigens op één plaats aan zich van O’Neills typische Ierse woordspelerij wel degelijk bewust geweest te zijn. Op p. 118 voegt hij een, helaas echter maar nauwelijks verhelderende en bovendien incorrecte noot toe aan een onvertaald gelaten woordspeling die door Nilus’ vader wordt aangehaald:

‘[…] “On the contrary,” said Niall Moore of the black, black hair, “it’s a paean in the hearse”, he said,’ said my father. (116)

‘[…] “Helemaal niet,” zei Niall Moore met het zwarte, zwarte haar, “het is een paean in the hearse”, zei hij,’ zei mijn vader. (118)

De voetnoot van de vertaler luidt: ‘Lett. “paean in de rouwkrans,” maar dit klinkt, vooral in de Ierse uitspraak van het Engels, als pain in the arse.’ Ja en nee: a paean in the hearse klinkt absoluut als a pain in the arse in Iers Engels; een hearse is echter geen rouwkrans maar een lijkkoets. De ‘paean’ verwijst naar de klaagzang die de rouwenden in de voorafgaande anekdote, die door Nialls vader wordt verteld, rondom een lijkkoets wordt aangeheven. De vraag die een blinde bard en een rondtrekkende priester aan Niall Moore met het zwarte haar stellen, luidt:

‘Is it not true that yonder wail is the saddest […] wail […], its sweet tenderness giving tongue to the pain [mijn cursivering, ok] and dulling senses […]? (115-16)

Waarop Nialls vader dus antwoordt: ‘On the contrary […] it’s a paean [mijn cursivering; OK] in the hearse.’

De grap is door de vertaler blijkbaar onvertaalbaar geacht, maar in zijn noot had hij tenminste toch ook moeten aangeven dat een paean geen klaagzang maar een overwinningsliedis. Dan was de portee van deze typische Ierse pun behouden gebleven (Joyce had deze woordspeling in Finnegans Wake kunnen maken – sterker nog, hij maakt hem – bijna: ‘Crackajolking away like a hearse on fire’ [94], door Bindervoet en Henkes2 vertaald als ‘De gekken scherend lijk een koets in de hens’ [94]).

Concluderend: de vertaler van Disturbance weet over het algemeen het verhaal, de humor en de tragiek van het origineel prima over het voetlicht te brengen, maar schiet tekort op het gebied van de nuance en precisie. De vertaling maakt een wat gehaaste en daardoor wellicht wat vlakke indruk, waardoor veel van O’Neills subtiliteiten onvoldoende uit de verf komen. Dat is jammer, want het is een mooi boek, van een veelbelovende auteur, die zijn belofte dertien jaar na verschijning van Disturbance inderdaad waar zou maken.

 

Noten
1 Ook voor Simon & Schuster, de uitgever van de meest recente heruitgave van Disturbance uit 2003, lijkt O’Neills debuut (mede) als lekkermakertje voor At Swim, Two Boys te zijn bedoeld: de uitgave wordt voorafgegaan door twee bladzijden ‘praise for Jamie O’Neill’s At Swim, Two Boys’ en afgesloten met de publicatie van hoofdstuk 1 van datzelfde boek.
2 James Joyce, Finnegans Wake, vertaald door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Amsterdam: Athenaeum – Polak & Van Gennep, 2003.

Lees meer over: