Trots op haar eigen naam: Codien Zwaardemaker-Visscher    21-30

Lotte Jensen

Schilderessen, schrijfsters en vertaalsters, modisten, zij allen bevinden zich er wel bij eenvoudig onder haar eigen naam den rechten weg op te gaan; zij allen ondervinden, dat niemand haar er minder om acht – integendeel, dezelfde familie-betrekkingen die eerst zoo kleingeestig tegen dien eersten stap der openbaarheid zich verzetten, vinden daar later vaak juist een oorzaak van trots in. ’t Is ook met de keuze tusschen openbaarheid en anonimiteit: eerlijk duurt het langst.

Dit schreef Jacoba Berendina Zwaardemaker-Visscher (1835–1912, roepnaam: Codien) in 1878 aan de lezeressen van Het Toilet. Het grootste en goedkoopste modejournaal van Nederland. Als redactrice van de ‘letterkundige afdeling’ nam ze stelling in een debat dat al enkele jaren in de Nederlandse vrouwenbeweging gevoerd werd: moesten vrouwen hun artistieke producten anoniem, onder pseudoniem of onder eigen naam op de markt brengen?

De gematigden meenden dat het ongepast was dat vrouwen uit de hogere standen betaalde arbeid verrichtten en dat anonimiteit om die reden wenselijk was. De meer vooruitstrevenden, onder wie Zwaardemaker-Visscher, vonden dat het zeker niet beschamend was voor een vrouw om haar eigen inkomen te verwerven. Naamsvermelding was dan ook geen enkel probleem. Aanvankelijk spitste de discussie zich vooral toe op de verkoop van handwerkproducten. De onenigheid over het wel of niet anoniem tentoonstellen van handwerkproducten was zelfs een van de oorzaken die leidde tot een interne breuk binnen de eerste landelijke vrouwenvereniging Arbeid Adelt (1871) en de afsplitsing van een meer progressieve tak onder de naam Tesselschade (1872). Beide verenigingen beoogden de economische zelfstandigheid van vrouwen te vergroten, maar hielden er verschillende principes op na waar het ging om de anonimiteit van de ‘werksters’. Al snel breidde de discussie zich ook uit over andere terreinen. Met de gewoonte om onder pseudoniem te publiceren moest het nu ook maar eens afgelopen zijn, aldus Zwaardemaker-Visscher. Haar standpunt was helder: schrijfsters en vertaalsters moesten onder eigen naam durven publiceren. Zij én hun familieleden mochten trots zijn op hun werk!

Zwaardemaker-Visscher had gegronde redenen om de gangbare praktijk ter discussie te stellen: in de tweede helft van de negentiende eeuw was het eerder regel dan uitzondering dat vrouwen onder pseudoniem publiceerden. Zo vermeldt De catalogus van boeken door Nederlandsche vrouwen geschreven en sedert 1850 uitgegeven (1898) de namen van 183 schrijfsters, waarvan er 115 onder pseudoniem publiceerden (Van Boven 1998: 312). De meesten kozen voor het gebruik van een vrouwelijke voornaam, zoals Agatha, Elize, Louize, Helena of Johanna. Deze ‘pseudoniemenmode’ en het feit dat de eigen namen inderdaad vaak onbekend bleven, verklaart waarom behalve schrijfsters ook veel vertalers (zowel mannen als vrouwen) niet uit de anonimiteit zijn gekomen. Op titelbladen werd vaak volstaan met een mededeling als ‘Uit het Hoogduitsch’ of ‘Naar het Engelsch door Antonia’. Welke vertaler er achter een publicatie schuilging, bleef zo onduidelijk.

Loopbaan als schrijfster
Dat we ons een vrij compleet beeld kunnen vormen van Zwaardemaker-Visschers loopbaan als schrijfster én vertaalster, is mede te danken aan het feit dat zíj vrijwel al haar werken wél met haar eigen naam ondertekende. Het aardige is dat we al heel vroeg in de eigen ontwikkeling van Zwaardemaker-Visscher een bewuste omslag zien op het punt van de anonimiteit. Voor haar eerste zelfstandige publicatie uit 1869 gebruikte ze nog het pseudoniem Cornelia, een afleiding van de voornaam van haar man, de boekverkoper-uitgever Cornelis Zwaardemaker (1828–1887). Ze publiceerde toen Een vrouwenwoord naar aanleiding van Vitringa’s brochure ‘Over opvoeding en emancipatie der vrouw’ (1869), waarin ze stelling nam tegen de behoudende brochure van de gymnasiumrector Anne Johannes Vitringa. Deze benaderde volgens haar de vrouw te eenzijdig als opvoedster van de jeugd. Volgens Zwaardemaker-Visscher zou niet haar latere bestemming als echtgenote en moeder de opvoeding van een meisje moeten bepalen, maar de noodzaak van haar ontwikkeling tot een zelfstandig individu. Stil thuis zitten en ‘onnutte handwerkjes’ maken was funest voor een meisje wanneer ze andere talenten had: ‘het heerschende vooroordeel doet het zooveel fatsoenlijker beschouwen dat meisjes met schoone talenten stil ’t huis blijven en haren aanleg smoren, dan dat zij daarmede woekeren’ (Cornelia 1869: 29).

Al in 1870 besloot ze echter al haar werk, inclusief de vertalingen, onder haar eigen naam te publiceren. De praktische aanleiding was – zo lezen we in de correspondentie van haar echtgenoot – dat nog meer schrijfsters de schuilnaam Cornelia voerden. Principiëlere redenen had ze echter ook: het paste niet bij haar visie op vrouwenarbeid dat een vrouw zich niet als zelfstandig individu zou manifesteren.

De brochure Een vrouwenwoord betekende voor Zwaardemaker-Visscher het begin van haar carrière als schrijfster, die zich globaal in twee fases laat opdelen. Tot 1880 was zij vooral actief als vertaalster, redactrice en medewerkster van allerlei tijdschriften, waaronder Onze Tolk, Nieuwsblad voor den Boekhandel, Vaderlandsche Letteroefeningen en de vrouwenbladen Onze Roeping en Ons Streven. In de periode 1880–1900 manifesteerde ze zich daarnaast als auteur van oorspronkelijke romans.

Of het nu om haar werk als oorspronkelijk romancière, recensente of vertaalster gaat, het bindende element vormt haar voortdurende kritiek op sociaal onrecht, vooral waar het de achtergestelde positie van vrouwen in ideologisch, maatschappelijk en juridisch opzicht betreft. In haar eerste roman Ada Bermuda (1881) bestreed ze bijvoorbeeld het idee dat vrouwen ongeschikt zouden zijn om te studeren en pleitte ze voor het recht voor vrouwen om openbare ambten te bekleden. In De ruïne van den Oldenborgh (1885), de populairste van haar romans, verzette ze zich tegen de gewoonte om meer te investeren in de opvoeding van zonen dan van dochters en kwam ze in verzet tegen de opvatting dat loonarbeid vernederend zou zijn voor vrouwen.

Als recensente ging haar bijzondere aandacht dan ook uit naar vooruitstrevende werken, waarbij ze de ontwikkelingen in het buitenland nauwgezet in de gaten hield. Zo vroeg ze in Onze Roeping aandacht voor John Stuart Mills The subjection of women (1869). ‘Iedere vrouw die zich rekenschap van haar bestaan wil geven, leze en overdenke dit boek’, zo spoorde ze de lezeressen aan (21 april 1870: 32). Positief was ze ook over het vooruitstrevende Britse vrouwentijdschrift Woman (opgericht in 1872) van Amelia Lewis, dat pleitte voor een gelijke behandeling van mannen en vrouwen op staatsrechtelijk niveau (Onze Roeping 20 juni 1872: 91). Veel kritischer was ze daarentegen over de alom gevierde Duitse schrijfster Elise Polko, wie ze verweet in haar Vrouwentypen veel te dweperige, geïdealiseerde, onrealistische vrouwenfiguren te hebben geschetst. Ze adviseerde uitgevers om niet alles van Polko maar klakkeloos te laten vertalen, ook al had ze nog zo’n goede reputatie: ‘Ik meen dus, onze uitgevers en onze Nederlandsche vrouwen te moeten waarschuwen om niet alles wat Polko schrijft zonder onderzoek aan te nemen, maar vóôr men zich aan het vertalen zet of ’t boek in handen van jonge meisjes geeft, goed toe te zien of het alles wel goud is wat er blinkt’ (Vaderlandsche letteroefeningen 1872, dl.3: 261). De opmerking doet vermoeden dat Zwaardemaker-Visscher er een hoge moraal op nahield als het ging om de vraag wat wel en niet de moeite van het vertalen waard was. Was ze ook zo kritisch in de keuzes die ze zelf maakte?

Vertalingen
De vertaalproductie van Zwaardemaker-Visscher omvat in totaal tien werken, waarvan zeven uit het Engels en drie uit het Duits (zie de lijst aan het slot van dit artikel). Het mag dan betrekkelijk eenvoudig zijn om op basis van onder meer Brinkman’s catalogus der boeken, plaat- en kaart­wer­ken een lijst van haar vertalingen samen te stellen, veel minder simpel is het om inzicht te krijgen in haar vertaalopvattingen en de wijze waarop ze te werk ging. Van de helft van haar vertalingen is namelijk geen exemplaar meer te vinden. Evenmin is in alle gevallen de titel van het originele werk bekend. De twee volgende titels doen bijvoorbeeld vermoeden dat ze door dezelfde auteur geschreven waren, maar vooralsnog is de oorspronkelijke schrijver onbekend: Dat is mijn man! Opgedragen aan allen die een gelukkig tehuis beminnen (1877) en Die vrouw van mij! Een Amerikaansch verhaal (1878). Naar de inhoud van deze romans is het eveneens gissen: ging het om opvoedkundige romans? Of hadden de boeken wellicht ook een humoristische strekking?

Een ander probleem is de onbekendheid van sommige auteurs: wie was bijvoorbeeld Mrs. Compton Reade, van wie Zwaardemaker-Visscher de roman Roos en distel vertaalde? Uit de catalogus van de British Library kunnen we opmaken dat deze Engelse schrijfster ten minste zes werken publiceerde, waaronder Rose and Rue (1874). Meer informatie over haar heb ik tot dusver echter niet kunnen vinden via de geijkte zoekwegen. En wie is Friedrich Dieterici, de oorspronkelijke auteur van Mirjam, Oostersche roman (1888)? Is hij inderdaad dezelfde als de schriftgeleerde die tal van boeken over de Arabische wijsbegeerte en antropologie schreef? En hoe kwam Zwaardemaker-Visscher er dan bij om juist deze roman te vertalen?

Ondanks de vele vraagtekens kunnen we ons op basis van wat er wél is overgeleverd toch een beeld vormen van Zwaardemaker-Visschers vertaalwerkzaamheden. In de eerste plaats valt op dat ze, evenals in haar oorspronkelijke werk, een duidelijke voorliefde had voor thema’s die met meisjesopvoeding en vrouwenemancipatie te maken hadden. Haar eerste twee vertalingen, Vrouwenkarakters. Novellen voor vrouwen en meisjes (1871) en In de bruidskorf (1872), richtten zich bijvoorbeeld specifiek op een publiek van meisjes en vrouwen. Uit de correspondentie met uitgeverij Bohn kunnen we opmaken dat de onderhandelingen over de uitgave van het eerstgenoemde werk minimaal anderhalf jaar in beslag namen. De uitgever twijfelde namelijk of een integrale vertaling van het Duitstalige origineel, Neue Institutionsbilder, wel genoeg zou verkopen. Voor het ‘gewoon romanlezend publiek’ achtte hij het werk ongeschikt, maar als Zwaardemaker-Visscher er een ‘Damesboekje’ van zou weten te maken zag hij er wel brood in. Verhalen over het leven van meisjes op een kostschool en hun lotgevallen hadden volgens hem namelijk wel ‘iets aantrekkelijks’. Zwaardemaker-Visscher ging aan de slag en uiteindelijk verscheen in 1871 een bundeling van vier door haar geselecteerde verhalen uit Neue Institutionsbilder. Haar man beklaagde zich intussen bij de uitgever over diens trage werktempo, wat er vermoedelijk de reden van was dat haar volgende vertalingen niet meer bij Bohn verschenen, maar bij diverse andere uitgevers.

In de tweede plaats kunnen we constateren dat Zwaardemaker-Visscher actief ingreep in de originele werken. Uit de briefwisseling met uitgeverij Bohn kunnen we bijvoorbeeld opmaken dat Zwaardemaker-Visscher zélf een selectie maakte uit Neue Institutionsbilder, waarmee ze als vertaalster een duidelijk stempel drukte op het eindresultaat. Dat gold in nog veel sterkere mate voor haar tweede vertaling, In de bruidskorf (1872). Van dit werk zijn helaas geen exemplaren bekend, maar blijkens een recensie in Onze Tolk ging het om zeventien brieven met raadgevingen gericht aan een vriendin, eerst als bruid en later als getrouwde vrouw (Onze Tolk 30 nov. 1872). De rond 1900 actieve historica en feministe Johanna Naber heeft wél deze vertaling kunnen vergelijken met het origineel. In een biografische schets die ze aan Zwaardemaker-Visscher wijdde, gaat ze ook in op dit ‘destijds in Duitschland veel gelezen geschriftje Das Brautgeschenk von Emilie’. Volgens haar was er van trouwe navolging bepaald geen sprake, want ‘reeds na de eerste hoofdstukken maakt de schrijfster zich los van den oorspronkelijken tekst om verder ongehinderd uiting te kunnen geven aan hare eigene persoonlijke opvattingen aangaande zedelijke en stoffelijke eischen van het huwelijk, om te waarschuwen voor de daarbij te duchten gevaren, om te wijzen op de zware verplichtingen die het huwelijk oplegt aan de vrouw’ (Naber 1917: 214).

Als we Naber mogen geloven, gebruikte Zwaardemaker-Visscher de vertaling dus als een voertuig voor haar eigen vooruitstrevende ideeën. Ze probeerde de Nederlandse lezeressen ervan te doordringen dat het huwelijk niet de enige bestemming van de vrouw was, door passages als deze in te voegen: ‘arbeid veredelt ook de vrouw en er zijn verschillende wegen, waarlangs een meisje zich eene nuttige en eervolle plaats in de maatschappij kan verwerven’. Als meer vrouwen daarvan overtuigd zouden zijn, zou hen dat er beslist van weerhouden ‘het eenig anker harer hoop in den bruidskrans te zoeken’, aldus de vertaalster (Naber 1917: 215). Behalve tegen de maatschappelijke conventie om te trouwen voer Zwaardemaker-Visscher ook fel uit tegen de bestaande wetgeving omtrent het huwelijk. Juridisch gezien had de vrouw, eenmaal getrouwd, namelijk geen enkele zeggenschap meer over haar eigen leven: ‘het meisje dat trouwt, doet volgens de wet afstand van alle aanspraak op het recht om ooit mondig te worden, ooit zelfstandig te mogen handelen, ooit over eigen inkomsten te mogen beschikken, ooit eigen keuze van woonplaats te hebben, enz. enz. nooit kan zij zonder toestemming van haren man iets doen. De wet eischt van haar gehoorzaamheid en volgzaamheid aan haren heer en meester (Naber 1917: 216). Dergelijke passages gaven de Nederlandse bewerking een veel radicaler strekking dan het originele werk.

De ongelijkwaardige juridische positie van gehuwde vrouwen vormde ook een belangrijk thema in een andere vertaling van Zwaardemaker-Visscher. In 1889 publiceerde ze een verzameling opstellen en brieven over het Engelse huwelijksrecht, met de veelzeggende titel Is ’t huwelijk eene fout? De bundel vormde de neerslag van de in Engeland opgelaaide discussie over de juridische positie van gehuwde vrouwen en bevatte bijdragen van onder meer Mona Caird, Harry Quilter en Eliza Lynn Linton. In de voorrede gaf Zwaardemaker-Visscher een gedetailleerd overzicht van het huwelijksrecht in Nederland en sprak ze zich uiterst kritisch uit over de wetgeving omtrent huwelijk, echtscheiding en nalatenschap in eigen land. Het kwalijkste vond ze dat een gehuwde vrouw niet meer over haar eigen vermogen of eigendom kon beschikken. Zij was ‘in rechten bijkans gelijk gesteld met minderjarigen’ (Zwaardemaker-Visscher 1889: ix). Aardig is de opmerking die ze en passant maakt over haar ervaring als vertaalster. Het vertalen van Lynn Linton, een journaliste die bekend stond om haar antifeministische uitspraken, had haar namelijk bijzonder weinig genoegen geschonken: ‘het stuk van Lynn Linton [komt] mij voor te lijden aan overmaat van koel verstand; toen ik ’t vertaald had, gevoelde ik de behoefte aan eenige muziek van Beethoven en Weber’ (Zwaardemaker-Visscher 1889: v).

Een laatste vertaling die zich specifiek op een publiek van meisjes en vrouwen richtte was Meisjes naar mijn hart, nieuwe schetsen voor de jeugd (1878), een selectie van verhalen uit Aunt Jo’s Scrap-bag (1871–1882, 6 dln.) van de populaire Amerikaanse schrijfster Louisa May Alcott. Zwaardemaker-Visscher was noch de eerste noch de laatste die dit werk onder handen nam. Een jaar eerder was er al een vertaling van een aantal van de ‘schetsen’ verschenen van de hand van Marie Henriëtte Koorders-Boeke onder de titel Uit Jo’s schetsboek: losse verhalen (1877) en enkele jaren later volgde Uit tante Jo’s snippermand (1885) van Jan Sepp. Wanneer we de drie vertalingen vergelijken, doet zich een interessant gegeven voor: alle auteurs hebben een volstrekt verschillende selectie uit Alcotts verhalen gemaakt: er is geen overlap tussen de drie bundels. Het is verleidelijk om daar meer achter te zoeken, zeker in het geval van Zwaardemaker-Visscher. Als enige had ze namelijk niet de oorspronkelijke boektitel gehandhaafd, maar een van de tien door haar vertaalde verhalen als boektitel gekozen: ‘meisjes naar mijn hart’. Precies dit verhaal had een uitgesproken emancipatorische strekking: de levensverhalen van zes meisjes worden geschetst, die er dankzij een goede opleiding allemaal in slagen een beroep uit te oefenen en een eigen inkomen te verdienen. Zo is er het verhaal van Anna, die medicijnen gaat studeren en volop steun krijgt van haar vader: ‘Gelukkig verkeerde haar vader niet in de meening, dat het huwelijk het eenige doel is, waar de vrouw voor geschapen wordt, en toonde hij zich bereid, om zijn dochter op het door haar gekozen pad verder te helpen; zelfs verlangde hij, dat zij even degelijk en even volledig studeeren zou als een man, opdat zij haar vak eer zou aandoen’ (Alcott 1878: 70). Opmerkelijk is ook het verhaal van de zwarte, vrijgemaakte slavin Fanny, die ondanks een tijdrovende baan als portier al haar vrije uren aan studeren en lezen besteedt. Al deze vrouwen waren bewonderens- én navolgenswaardig:

Dit zijn nu de zes jonge meisjes naar mijn hart: eene dokteres, eene kunstenares, eene toneelspeelster en bureauliste, eene rechtsgeleerde en eene bevrijde slavin; slechts enkelen onder de honderden die werken en winnen en haar loon ontvangen […]. Mogelijk dat hier of daar eene, die deze regels leest, ze aan haar harte legt, en door haar voorbeeld wordt opgewekt en bemoedigd (Alcott 1878: 85)

De exemplarische vrouwen van Alcott moeten Zwaardemaker-Visscher persoonlijk aangesproken hebben. Terugkijkend op haar jeugd constateerde ze dat ze maar wat graag een jongen had willen zijn: dan had ze ten minste kunnen studeren en dominee kunnen worden: ‘In dienzelfden tijd zuchtte ik vaak onder het eindelooze borduren en veelvuldige kopjeswasschen: “och, was ik maar een jongen, dan kon ik studeeren als mijn broer en dominee worden!”’ (Zwaardemaker-Visscher 1898: 246). Zwaardemaker-Visscher had maar wat graag in de schoenen van een van Alcotts personages gestaan. 

Sensatieverhalen
De tot dusver genoemde vertalingen bevestigen Zwaardemaker-Visschers voorkeur voor boeken op het terrein van de meisjesopvoeding en vrouwenemancipatie. Ze schroomde daarbij niet om eigenhandig passages in te voegen of haar afkeuring te laten blijken over de schrijfstijl van anderen. Ze lijkt zichzelf dus inderdaad selectiecriteria te hebben opgelegd in haar vertaalkeuzes. Enkele vertalingen springen er echter uit, omdat ze ver van haar gangbare thematiek afstaan: De opgeheven sluier; Broeder Jakob (1878), naar The lifted veil (1859) en Brother Jacob (1864) van George Eliot, en De Gijzelaar (1891), naar The Bondman (1890) van Caine Hall.

De twee korte verhalen van Eliot staan te boek als uitzonderingen in haar oeuvre, omdat het menselijke, meer warme karakter van haar andere werk erin afwezig is. In The lifted veil, een huiveringwekkende ‘gothic story’, staat de gedachtelezer Latimer centraal, die verliefd is op de verloofde van zijn broer, Bertha. Zij is de enige wier gedachten hij niet kan lezen, totdat zijn broer op een dag sterft en hij met haar trouwt. Het huwelijk komt echter onder druk te staan, wanneer Latimer haar koude en manipulatieve karakter doorziet. Als hij en een jeugdvriend er via experimenten ook nog eens achter komen dat Bertha van plan is hem te vergiftigen, verlaat Bertha het huis en sterft Latimer. In het allegorische verhaal Brother Jacob gaat het om de egoïstische oplichter David Faux, die als fabrikant werkt in Jamaica. Zijn verstandelijk gehandicapte broer Jacob ontmaskert hem uiteindelijk. Het is helaas niet bekend hoe Zwaardemaker-Visscher ertoe kwam juist deze twee werken van Eliot te vertalen, die al geruime tijd eerder in Engeland verschenen waren. Mogelijk gaf de goede reputatie van de Engelse schrijfster toch de doorslag. In Nederland waren er op dat moment al veel vertalingen van Eliot beschikbaar, maar deze twee verhalen waren tot dusver onvertaald gebleven.

Nog opmerkelijker is Zwaardemaker-Visschers vertaling uit 1891 van The Bondman (1890) van Caine Hall. Werden de verhalen van Eliot nog gedragen door een diepere ideeënlaag, in Halls bestseller was de moraal ver te zoeken: liefdestragedies, moord, doodslag, bigamie en drank beheersen de plot. In de jaren 1885–1900 publiceerde Hall de ene na de andere succesroman, waarvan The Manxman (1894) de grootste reputatie zou verwerven: in Engeland alleen al werden er meer dan 400.000 exemplaren van verkocht. Ook The Bondman werd een kassucces: het boek verscheen in minimaal elf landen en het werd in de twintigste eeuw zelfs twee keer verfilmd: in 1916 door Fox en in 1929 door British and Dominion onder leiding van de destijds bekende regisseur Herbert Wilcox.

The Bondman speelt zich af in IJsland rond 1800 en vertelt de familiegeschiedenis van Stephen Orry en zijn twee zonen, Jason en Michael Sunlocks. Vooral Stephen Orry wordt neergezet als een wrede, gewelddadige man. Hij mishandelt zijn vrouw Rachel geestelijk en lichamelijk. Samen krijgen ze een zoon, Jason. Stephen is dan echter al gevlucht naar een klein eiland, waar hij trouwt met ‘het dronken wijf’ Liza, zonder overigens van zijn vorige vrouw gescheiden te zijn. Ook zij krijgen samen een zoon, Michael Sunlocks. Stephen wil Michael aanvankelijk ombrengen, maar komt tot inkeer en zorgt ervoor dat Michael een goede opvoeding krijgt bij de gouverneur van het eiland Adam Fairbrother. In de rest van de roman volgen we de afzonderlijke levens van Jason en Michael die op wonderlijke wijze weer bij elkaar komen. Om slechts één citaat te geven dat het sensatie-achtige karakter van de roman illustreert:

Met een kreet als van een wild dier wierp Jorgen [vader van Rachel, LJ] zich tusschen zijn dochter en haar minnaar, gaf Stephen een harden slag tegen de borst, en, toen ’t meisje voor hem op de knieën viel, vloekte hij haar. ‘Bastaard’ krijschte hij, ‘bastaard, geen bloed van mij is er in je!’ Ga met je vuilen nieteling, en de duivel hale je beiden. Zij hield de handen voor de oogen om haars vaders vloek niet te hooren, doch nog voor zijn woordenvloed ophield, viel zij koud en gevoelloos ter aarde, en haar gelaat, door maan beschenen, was witter dan de sneeuw. Toen lichtte haar reusachtige minnaar haar op zijn armen en verwijderde zich zwijgend (in de vertaling van Zwaardemaker-Visscher, 4e druk, 1906: 8)

Bij het publiek viel de vertaling van Zwaardemaker-Visscher in de smaak: er verschenen maar liefst vier herdrukken, tussen 1891 en 1906. 

Idealen en geld
Zwaardemaker-Visschers vertalingen van Eliot en Hall vallen op te midden van de rest van haar oeuvre, waarin de ideologische strijd voor vrouwenrechten zo’n centrale rol speelt. De vraag rijst dan ook waarom ze juist deze werken vertaalde. Een mogelijke verklaring kan zijn dat behalve ideologische principes ook financiële motieven een rol speelden in haar overwegingen.

Zwaardemaker-Visscher kwam uit een welvarend doopsgezind milieu en haar huwelijk met Cornelis Zwaardemaker, met wie ze twee zonen kreeg, zal haar een solide financiële basis hebben gegeven. Dat neemt niet weg dat bijverdiensten welkom waren in het gezin. Kleine details uit haar correspondentie wijzen er althans op dat Zwaardemaker-Visscher zich ook door geldelijke drijfveren liet leiden in haar keuzes. In 1880 liep de woning van de Zwaardemakers bijvoorbeeld ernstige brand- en waterschade op. Wat er precies gebeurd was lezen we niet, maar de ‘naweeën’ en ‘extra kosten’ deden haar besluiten om – ondanks de eerdere slechte ervaringen – uitgeverij Bohn aan te schrijven met het verzoek een novelle te laten drukken. Enkele jaren later probeerde ze opnieuw extra inkomsten te genereren door dezelfde uitgever aan te bieden een vertaling te maken van Ursprung, Entwicklung und Schicksale der Taufgesinnten oder Mennoniten (1884) van Antje Brons-Cremer ten Doorkaat. Ze vroeg haar gebruikelijke honorarium, ‘f 5,- per gewoon Hollandsch romanvel’ en prees zichzelf aan als de meest geschikte kandidaat. Ze was immers zelf ‘van volbloed Menniste afkomst’. Het voorstel liep echter op niets uit: pas in 1902 werd dit werk vertaald, niet door haar maar door A. Winkler Prins.

Ook bij de keuze voor Hall, die op het eerste gezicht verbazend was, zullen financiële motieven een rol hebben gespeeld. En zowel voor Zwaardemaker-Visscher als voor de uitgever ging het inderdaad om een verstandige keuze: het werd een lucratieve onderneming. Bovendien handelde Zwaardemaker-Visscher toch in overeenstemming met haar eigen principes door als vrouw – ook na de dood van haar man in 1887 – zelfstandig haar inkomen te blijven verdienen, in dit geval als vertaalster van een kassucces. En dat ze zich daar geenszins voor schaamde, blijkt uit de titelpagina’s: op alle vier de herdrukken van Halls roman prijkt haar naam voluit, in bijna even grote letters onder die van de oorspronkelijke auteur: ‘vertaald door Mevrouw Zwaardemaker-Visscher’. 

Geraadpleegde literatuur
Boven, Erica van. 1998. ‘Het pseudoniem als strate­gie. Pseudo­nie­men van vrouwelijke auteurs 1850– 1900’, Nederland­se letter­kunde 3:4, p. 309–326.

Cornelia [J.B. Zwaardemaker-Visscher]. 1869. Een vrouwenwoord naar aanleiding van Vitringa’s brochure: ‘Over Opvoeding en Emancipatie der Vrouw’. Deventer: C. Zwaardemaker.

Jensen, L. 2005. ‘Visscher, Jacobina Berendina (1835–1912)’, Biografisch Woordenboek van Nederland. http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn6/visscher [04–07–2005]

Naber, Johanna W.A. 1917. ‘De feministische beteekenis der geschriften van Jacoba Berendina Zwaardemaker-Visscher’, in: id., Van onze oud-tantes en tantes. Haar­lem: Tjeenk Willink, p. 191–246.

Zwaardemaker-Visscher, J.B. 1898. ‘Toen en nu’, Vrouwenarbeid, 17 sept., p. 246–249.

Vertalingen van Jacobina Berendina Zwaardemaker-Visscher
Vrouwenkarakters. Novellen voor vrouwen en meisjes, uit het Hoogd. overgebracht door Mevr. Zwaardemaker, Haarlem, 1871. (naar Neue Institutionsbilder)

In de bruidskorf,  Breda, 1872; 2e herz. dr. Utrecht, 1896. (naar Das Brautgeschenk von Emilie)

Mrs. Compton Reade, Roos en distel. Een roman, naar het Eng. door Mevr. Zwaardemaker, Amsterdam, 1875 (2dln.) (naar Rose en Rue, 1874, 3 dln.)

Dat is mijn man! Opgedragen aan allen die een gelukkig tehuis beminnen, uit het Amerik. door Mevr. Zwaardemaker, Amsterdam, 1877.

Louisa May Alcott, Meisjes naar mijn hart: nieuwe schetsen voor de jeugd, uit het Eng. door Mevr. Zwaardemaker, Amsterdam, 1878; 2e dr. Zutphen, ca. 1900. (naar Aunt Jo’s scrap-bag, 6 dln., 1871–1882)

Die vrouw van mij! Een Amerikaansch verhaal, vert. van Mevr. C. Zwaardemaker, Nijmegen, 1878.

George Eliot, De opgeheven sluier; Broeder Jakob, uit het Eng. door Mevr. Zwaardemaker, Sneek, 1878. (naar The lifted veil, 1859 en Brother Jacob, 1864)

Friedrich Dieterici, Mirjam. Oostersche roman in drie deelen, vrij bewerkt naar het Hoogd. door Mevr. Zwaardemaker-Visscher, Schoonhoven, 1888, 3 dln.

Is ’t huwelijk eene fout? Eene reeks van ingezonden brieven over deze vraag, verschenen in het dagblad ‘The daily telegraph’  verzameld en in ’t licht gegeeven door Harry Quilter; benevens eene verhandeling over de philosophie van het huwelijk door Mrs. Lynn Linton; gevolgd door een overzicht der voornaamste wetten op huwelijk en echtscheiding in verschillende landen. door H.A. Smith, uit het Eng. vert. en met een voorrede voorzien door Mevr. Zwaardemaker-Visscher, Utrecht, 1889.

Caine Hall, De Gijzelaar: roman, vert. uit het Eng. door Mevr. Zwaardemaker-Visscher, Sneek, 1891, 2 dln.; 3e dr. Amsterdam, 1906; 4e dr. Amsterdam, 1906. (Naar The Bondman 1890)

Lees meer over: