Vertaling als betekenisoverdracht    19-29

het interpretatieve vertaalmodel van de Parijse school

Guy Rooryck

Abstract: Rooryck legt in dit opstel de vertaalmethode uit van Marianne Lederer en Danika Seleskovitch, begin jaren tachtig ontwikkeld aan de Parijse Ecole Supérieure d’Interprètes et de Traducteurs (ESTI).

 

Begin jaren tachtig ontwierpen Marianne Lederer en Danika Seleskovitch, allebei docenten aan de Parijse Ecole Supérieure d’Interprètes et de Traducteurs (ESIT), een vertaaltheoretisch model, dat ook bijval kende in het buitenland. Onder meer in Canada, de vroegere Oostbloklanden en het Nabije Oosten werd het overgenomen en aangepast aan specifieke noden en situaties. Hun zogenaamde ‘méthode interprétative’1 refereert zowel aan tekstinterpretatie, dat wil zeggen tekstbegrip, als aan het begrijpen van een gesproken boodschap in de dagelijkse praktijk van de tolk. De tolk en de vertaler dienen niet een taal te vertalen, maar de concrete betekenissen van een (gesproken of geschreven) tekst over te dragen. Vertalen is voor beide auteurs een proces waarin betekenisoverdracht plaatsvindt. De tekst is nooit een taalkundige abstractie, maar de mededeling van een boodschap binnen een concrete communicatieve situatie. De betekenis kan slechts gevat worden als alle parameters van de situatie bekend zijn (wie spreekt? tot wie? met welke bedoelingen? in welke omstandigheden? enzovoorts). Omdat interferenties tussen twee talen zo talrijk zijn dient de betekenis begrepen te worden in haar zuiver cognitieve en affectieve dimensie, dit wil zeggen zonder de taalkundige enveloppe, net zoals iemand iets begrijpt wanneer hij aan het spreken of het luisteren is. Deze fase van het vertaalproces heet ‘déverbalisation’ (‘ont-taling’) en vond het eerst ingang in tolkopleidingen waar het beginners (maar dit geldt evenzeer voor vertalers) zo veel moeite kost zich van de brontaal te bevrijden. De laatste fase van het proces bestaat erin de betekenis te ‘her-talen’ (‘réexprimer le sens’), los van het verlangen de brontaal op identieke wijze weer te geven. Volgens dit model moet de vertaler geen overeenkomende begrippen proberen te vinden in twee verschillende taalsystemen, maar gelijkwaardige betekeniseenheden produceren.

Equivalentie en interpretatie
Taalkundigen die beweren dat vertalen niet kan, gaan ervan uit dat de boodschappen in brontekst en doeltekst eigenlijk dezelfde zouden moeten zijn en dus strikt genomen identiek hetzelfde vertellen. En dan hebben ze natuurlijk gelijk: identiteit tussen een brontekst en een doeltekst zal er nooit zijn, en in die optiek is vertaling dus wel degelijk een utopie. ‘Longtemps je me suis couché de bonne heure’ is niet hetzelfde als ‘Heel lang ben ik vroeg naar bed gegaan.’ De gedaanteverwisseling van die zin betreuren om te staven dat vertalen niet kan, betekent gewoon niet willen inzien dat vertaling in essentie precies te maken heeft mét verandering, en dus in zekere mate ook met verlies. ‘In de praktijk,’ zegt bij voorbeeld Ladmiral, ‘is de vertaling natuurlijk altijd onvolledig. Zoals elke communicatiehandeling brengt ze een zekere graad van entropie met zich mee, m.a.w. een zeker informatieverlies.’2 Bij de oversteek van taal A naar taal B wordt als het ware een soort tolrecht betaald. Elke vertaler zal dat gevoel van verlies wel erkennen; alle compensatietheoriën ten spijt weet hij wel dat zijn tekst de oorspronkelijke tekst op een bepaalde manier reproduceert, maar slechts bij benadering, hoe dicht die nadering ook mag zijn. Een psycho-analyticus zou misschien kunnen stellen dat de vertaler eigenlijk iemand is die rouwt om de brontekst die hij met zijn doeltekst overbodig heeft gemaakt en dus heeft omgebracht.

Brontekst en doeltekst blijven in ieder geval wezenlijk van elkaar verschillen. Ze zijn als een kromme en een rechte die neigen samen te vallen zonder het ooit te doen. In die asymptotische verhouding is het namelijk de weerstand die kromme en rechte bieden aan de verleiding tot samenvallen die precies de ruimte creëert waardoor de vertaling kan bestaan. Veeleer dan gelijkheid of identiteit impliceert het begrip equivalentie dus eerst en vooral onderscheid, verschil.3 In de noodzakelijke verandering die een vertaling met zich meebrengt, blijft echter ook een kern ongewijzigd. Zonder die ongewijzigde kern kan er evenmin sprake zijn van gelijkwaardigheid. Het komt er nu op aan om dat invariante deel te gaan omschrijven.

De zogenaamde ‘Parijse school’ van Seleskovitch, Lederer, Pergnier, Delisle en anderen stelt onomwonden: ‘C’est le message qu’il faut saisir.’ De boodschap, de betekenis van de te vertalen tekst, moet behouden blijven. En die betekenis kan pas achterhaald worden als de vertaler in een eerste stadium de boodschap heeft geïnterpreteerd binnen de zeer concrete communicatiehandeling waarin de tekst functioneert. De meest recente theoretische werken benadrukken unaniem dat het bij vertalen gaat om concrete taaluitingen, of om het met de termen van Saussure uit te drukken, dat het om ‘faits de parole’ gaat eerder dan om ‘faits de langue’.

Chaos en entropie
Gedurende lange tijd was vertaalonderzoek bijna uitsluitend contrastieve linguïstiek. Men vergeleek twee taalsystemen met elkaar, men bestudeerde woorden, woordgroepen en zinstructuren van verschillende talen naast elkaar. Teksten bleven meestal buiten beschouwing, want daar had men minder vat op. In de jaren tachtig komt er een kentering in vertaalonderzoek. En dat is niet toevallig.

Ik wil hier even het pad van de epistemologie bewandelen om deze recente evolutie in een wat breder kader te situeren. Ilya Prigogine en Isabelle Stengers publiceren in 1979 La Nouvelle Alliance en hebben het over een ware ‘metamorfose van de wetenschap’ ‒ de formule dient als ondertitel voor hun werk.4 Twee jaar later verschijnt een Engelse, gewijzigde, uitgave, Order out of chaos. De auteurs tonen aan hoe de klassieke fysica de bewegingsleer of dynamica tot model aller wetenschappen verhief. Prigogine en Stengers beschrijven heel nauwkeurig hoe de eerste experimenten van de fysica allemaal op een eenduidige mathematische manier konden worden vastgelegd: de slinger die eeuwig voortpendelt, katrollen en hefbomen, de banen van de hemellichamen. Het zijn deze en andere deterministische, perfect voorspelbare fenomenen die als model dienden voor de wetenschappelijke beschrijving van een kunstmatig homogeen gehouden wereld. De wereld werd aldus verstard tot een bestendig en onveranderlijk systeem, waarin alle fenomenen voorspelbaar moesten zijn aan de hand van universele mathematische wetmatigheden. Dit ‘mechanistische wereldbeeld’ is echter alleen geldig in een kunstmatig gesloten systeem dat geen plaats inruimt voor vergankelijkheid, onomkeerbaarheid, onvoorziene veranderingen en tijdelijkheid. Aldus ontstond een kloof tussen de manier waarop de mens het leven ervoer ‒ vergankelijk, open, wisselvallig, tijdelijk ‒ en de wereld van universele wetmatigheden die de wetenschap hem voorhield. De mens was een objectieve waarnemer geworden die een natuur beschreef waaruit hij zichzelf had geweerd. Bij Kant is de kloof voltrokken: de filosoof buigt zich over het menselijke bestaan en laat de positieve, mechanistische kennis over aan de wetenschapper. Gedurende 150 jaar hebben ook alle menswetenschappen de harde wetenschap achterna gehold en hebben ze allerlei formalistische modellen uitgeprobeerd in hun wedijver de fenomenen die ze bestudeerden zo deterministisch en voorspelbaar mogelijk te vatten. Geen wonder dus dat de taalkunde zich bijna uitsluitend toespitste op de taal als systeem. Alle elementen van labiliteit, wisselvalligheid en onomkeerbaarheid bleven buiten het bereik van de objectieve wetenschap zoals de bewegingsleer die had voortgebracht. En Ferdinand de Saussure, wanneer hij het onderscheid maakt tussen langue en parole, ook al beweert hij dat het collectieve taalsysteem (langue)en het individuele taalgebruik (parole) even belangrijk zijn, zal, de geest van zijn tijd geheel indachtig, de onvoorspelbare en wankele parole laten voor wat ze is om zich resoluut te wijden aan ‘la linguistique proprement dite, celle dont la langue est l’unique objet.’5 Prigogine bewijst echter dat het uur van de thermodynamica is aangebroken. De tweede wet van de thermodynamica over het verloren gaan van energie, ook wel entropiewet genoemd, stelt de mens voortaan in staat zich toe te spitsen op de werkelijkheid in al haar complexiteit, dit wil zeggen in haar onvoorspelbaarheid, in haar vergankelijke, chaotische dimensie. Het is de verdienste van Prigogine, winnaar van de Nobelprijs voor scheikunde in 1977, ‘dissipatieve structuren’ te hebben ontcijferd waarin chaos een voorlopige ordening krijgt. Het ‘nieuwe verbond’ dat hij poneert, slaat op een mogelijke verzoening tussen filosofie, wetenschap en kunst, maar ook tussen mens en natuur. Het statisch, universalistisch model heeft plaats moeten ruimen voor een open wereldbeeld, dat oog heeft voor het meervoudige, het ingewikkelde, en het ‘in de tijd bestaande’, het vergankelijke of onomkeerbare. Prigogine en Stengers schrijven:

De wereld [zoals Einstein die opvatte in zijn werk] was vol waarnemers, vol wetenschappers die zich in verschillende coördinatenstelsels bevonden die ten opzichte van elkaar bewogen, of die zich op verschil/lende sterren met verschillende zwaartekrachtsvelden bevonden. Al deze waarnemers wisselden aan de hand van signalen informatie met elkaar uit doorheen het hele universum. Wat Einstein boven alles wilde behouden was de objectieve betekenis van deze communicatie. We kunnen misschien beweren dat Einstein uiteindelijk niet wilde aanvaarden dat communicatie en onomkeerbaarheid nauw verband met elkaar hadden. Communicatie ligt ten grondslag aan dat onomkeerbare proces dat waarschijnlijk het meest toegankelijk is voor de menselijke geest, de steeds verdergaande groei van kennis.’6

Die bewering over Einstein, die als metafoor dient voor de klassieke wetenschapsbeoefening, kunnen we perfect gebruiken om de evolutie van de taalkunde beter te situeren. Wanneer de taalkundigen in de jaren zeventig aan semantiek deden en de betekenismechanismen probeerden te vatten, gingen ze ervan uit dat ze alle contextgebonden of persoonlijke varianten moesten weren; ze definieerden de betekenis van woorden en zinnen als onveranderlijke begripsstructuren, kenmerkend voor de taal als systeem. Wanneer Teun van Dijk in 1979 een lans breekt voor tekstwetenschap, merkt hij op dat

de taalkunde zich vaak tot grammatica beperkt [...], tot de beschrijving van geïsoleerde zinnen of zinsdelen, en niet of nauwelijks aandacht besteedt aan de verschillende soorten en contexten van taalgebruik.’7

Het isoleren van fenomenen tot een homogeen geheel om zo objectief mogelijke feiten te distilleren volstaat echter niet om de taal als communicatiehandeling te vatten. Tekstwetenschap en pragmatiek passen precies in het open wereldbeeld van de moderne wetenschap. De pragmatiek vestigt de aandacht op het belang van contextgebonden elementen die even zovele voorwaarden zijn voor een geslaagde taalhandeling of een correct begrepen taaluiting. De betekenis wordt een dynamisch gegeven dat doorkruist wordt door intra- en extralinguïstische informatie en dat door spreker en toehoorder samen wordt geconstrueeerd. De concrete teksten dragen de sporen van hun eigen articulatie en van de strategische rituelen van zender en ontvanger. Wanneer de Parijse school het heeft over ‘traduire le message’, gaat het dus wel degelijk over concrete taaluitingen, en niet over taalkundige systemen die met elkaar worden vergeleken. Het gaat erom de boodschap te begrijpen in haar cognitieve en affectieve dimensie, los van haar zuiver op het taalsysteem betrekking hebbende enveloppe die er tijdelijk uitdrukking aan geeft. De vertaler moet als het ware de brontaal vergeten, wegcijferen, ‘ont-talen om de boodschap nadien in een andere, even tijdelijke en vergankelijke uitdrukkingsvorm te gieten ‒ de zogenaamde ‘her-taling’. Kortom, het gaat erom de tekst als een voorlopige taaluiting te benaderen die tot doel heeft iets te kennen te geven, iets te betekenen. Hiervoor is het nodig een begrip van betekenis te ontwikkelen. Ik volsta ermee hier het klassieke onderscheid te maken tussen denotatie en connotatie, los van de verschillende invullingen die taalkundigen tot op heden van die begrippen hebben gemaakt. In het vervolg van mijn betoog is vooral connotatie van belang. Mounin is de eerste die op het belang van dit begrip wees in verband met vertaling.8 Teksten, ook die van algemeen-informatieve aard, zijn vaak niet zo neutraal als ze op het eerste gezicht wel lijken. Connotaties maken intrinsiek deel uit van de betekenisgeving en dragen bij tot de helderheid en de exactheid van de boodschap, of zoals Jean-René Ladmiral het formuleert: ‘ze vormen onderdeel van de globale strategie van de concrete communicatiehandeling.’9

Ontruiming, walhalla en Pippeloentje
In het licht van wat vooraf ging wil ik hier een aantal voorbeelden bespreken. Ik heb de zinnen en fragmenten die volgen gerangschikt van (bijna) zuiver denotatieve naar sterk connotatief gerichte boodschappen. Het eerste voorbeeld: Want telkens als iemand zich naar de regels van de markt voegt, maakt hij ze ook zoveel dwingender. (Daniël Robberechts, De Morgen, 23/09/ 91) toont hoe Nederlands en Frans soms gevaarlijk dicht bij elkaar staan ‒ gevaarlijk omdat dergelijke zinnen eigenlijk eerder uitzonderingen vormen. In feite onderhouden ze de illusie dat de twee taalsystemen zoveel overeenkomsten vertonen dat een paar kleine transformaties volstaan om tot een keurige vertaling te komen. De zin komt uit een tekst van Daniël Robberechts over kunst en vrije markt. De Franse vertaling volgt bijna moeiteloos het ritme en de structuur van de Nederlandse zin:

‘Car chaque fois que quelqu’un se plie aux lois du marché, il rend celles-ci d’autant plus contraignantes.’

Marianne Lederer hekelt de ‘methode’ die erin zou bestaan taalkundige structuren om te zetten in een andere taal en dat dan vertalen te noemen.10 De meest courante fout die jonge vertalers plegen te maken is dat ze zich niet kunnen losmaken van de taalkundige enveloppe van de brontekst. Dat is des te meer het geval wanneer hen op het hart wordt gedrukt dat ze vooral de boodschap van de oorspronkelijke tekst niet mogen verraden. Steevast vind je dan in de vertaling interferenties van het brontaal-systeem. Dat de verleiding om met overeenkomsten in taalstructuren te werken zo groot is, heeft natuurlijk te maken met het feit dat er op het structurele vlak soms verrassend veel gelijkenissen bestaan tussen bron- en doel tekst.

Ook in een wat uitgebreider fragment uit een artikel over de ontruiming van de Parijse Saint-Bernardkerk in de zomer van 1996 is het van belang de zinnen juist te interpreteren om de betekenis te vatten en die dan pas over te brengen in de doeltekst.

De ontruiming van de Parijse Saint-Bernardkerk werd uitgevoerd met gigantisch machtsvertoon. Le Monde sprak over 1100 man oproerpolitie, Libération zelfs over 1500. [...] Je zou denken dat zich een terroristengroep in de kerk had verscholen, of op zijn minst dealers in kinderporno. (De Morgen, 28/08/96)

Als je je alleen door de taalkundige enveloppe laat leiden, dreigt het resultaat een onhandige transcriptie van overeenkomsten te worden, in de aard van ‘L’évacuation de l’église Saint-Bernard à Paris a été exécutée avec un gigantesque déploiement de forces.’ Door de brontaal te vergeten komt de vertaler tot veel natuurlijkere zinnen, omdat de betekenisoverdracht dan prioriteit heeft. Hetzelfde geldt voor de nominale constituent ‘dealers in kinderporno’, niet ‘dealers en porno d’enfants’ dus.

Het volgende voorbeeld, ‘Europa blijft walhalla’, is de titel die journalist Fred De Vries bedacht voor hetzelfde artikel dat het lot beschrijft van de protesterende Afrikanen in de Parijse zomer van 1996. Migranten blijven naar Europa toestromen ondanks de administratieve beperkingen, omdat Europa voor hen een oord blijft waar men makkelijk rijk en gelukkig wordt, een ‘walhalla’ dus. Het ‘walhalla’ verwijst, ook in het Frans natuurlijk, naar de plek waar de Germaanse krijgers na hun dood eeuwig kunnen feestvieren. Maar die Germaanse connotatie is wat storend omdat ze in het Frans eerder de wereld van Wagner oproept dan de Parijse kerk bij de boulevard Barbès. Die connotatie wordt daarom geweerd door de zuivere denotatieve betekenis te bevoorrechten: ‘L’Europe demeure un paradis sur terre.’

Wanneer Kristien Hemmerechts daarentegen eigen stukjes biografie oproept om allerhande herinneringen te beschrijven die te maken hebben met andere volkeren, andere talen en andere culturen, ondermeer ook in het Antwerpse, kan de vertaler het best proberen de tekst goed te verankeren in de Vlaamse context die de auteur evoceert.

Ik heb geen talent voor racisme. Integendeel. Ik ben geneigd om mensen met andere kulturen boeiender te vinden dan mijn eigen volk. (De Morgen, 27/03/93)

De derde zin van het fragment alludeert natuurlijk op de slogan van het Vlaams Blok ‘eigen volk eerst’, en eigen volk staat wel degelijk cursief gedrukt in de oorspronkelijke tekst. ‘Mon propre peuple’ refereert niet meteen aan het extreem rechtse vertoog, daarom kan de vertaler bijvoorbeeld proberen om de connotaties die met dat vertoog verband houden ergens anders in de doeltekst te deponeren, zoals door ‘mensen met andere culturen’ te vertalen in ‘les étrangers’, ook al omdat ‘les gens qui ont une autre culture’ me persoonlijk niet echt overtuigend in de oren klinkt. ‘Flamands de souche’ heeft ook in het Frans iets ‘volksnationaals’ en biedt dan weer het voordeel de Franstalige lezer duidelijk te informeren over de Vlaamse context zonder de betekenis van de originele tekst te schaden.

Ook in literaire teksten en kinder- en jeugdliteratuur gebeuren vergelijkbare zaken. Het tijdschrift Letteren wijdde en paar jaar geleden een artikel aan de Nederlandstalige kinderliteratuur. Een terrein, zo bleek, waar ruimte bestaat voor verbeelding, maar ook voor de taal zelf, waarmee geëxperimenteerd wordt in het vlak van klank en beeldspraak. Er verschijnen jaarlijks niet minder dan duizend, jawel, duizend kinderboeken. Een heel klein deel daarvan wordt ook vertaald, zoals bijvoorbeeld het beroemde werk van Annie M.G. Schmidt, Het beertje Pippeloentje. Anne-Marie de Both-Diez verzorgde een bewerking in het Frans, en haar titel luidt: Les comptines de Robinson. De naam van het beertje werd verfranst, de titel verwijst sterk naar kinderversjes. De Franse vertaalster heeft in de tekst zelf een connotatieve vertaling verzorgd, met oog voor de rijmpjes, het ritme en de woordspelingen. De zuiver denotatieve boodschappen worden in haar vertaling naar de achtergrond geschoven.

Om te eindigen nog een voorbeeld dat naar een cultuurhistorische achtergrond verwijst. De detective Véra à la trace van Ronceraille begint met een korte verleidingsscène in een café ergens in Lyon. De jongen kijkt het meisje aan en fluistert haar toe, met een zwoele stem: ‘T’as de beaux yeux, tu sais!’ De Franse lezer denkt meteen aan de stem van Jean Gabin en aan het antwoord van Michèle Morgan ‒ let op de sensuele beleefdheidsvorm: ‘Embrassez-moi!’ In de roman gaat het meisje echter niet in op de sentimentele boodschap en ze repliceert nogal sarcastisch: ‘Monsieur est cinéphile?’. Het verhaal werd nog niet in het Nederlands vertaald, maar ik neem aan dat niet iedereen in het Nederlandse taalgebied even vertrouwd is met de bekendste repliek uit de films van Marcel Carné als de doorsnee Fransman. Opdat de connotatie en het antwoord van het meisje niet aan betekenis inboeten, zal de vertaler bijvoorbeeld wat explicieter te werk moeten gaan, ook al verliest hij dan het allusieve karakter van de boodschap. ‘Je hebt de ogen van Michèle Morgan in Quai des Brumes’ kan wel degelijk als een verleidingsmanoeuvre overkomen en het antwoord ‘Mijnheer is cinefiel?’ klinkt vervolgens meer dan logisch.

Tot besluit
Uit de laatste voorbeelden blijkt hoezeer vertaling met concrete taaluitingen te maken heeft. Een benadering strikt vanuit het taalsysteem zal in heel wat gevallen niet volstaan om de betekenis correct te vatten en die nadien in de vorm van een doel tekst weer te geven. De vertaler moet partij kiezen, hij moet mee durven spelen in de communicatieve arena. Hij moet oog hebben zowel voor de denotatieve, op het systeem betrekking hebbende als voor de connotatieve, meer parole-gerichte betekenisoverdracht. Het is van cruciaal belang dat hij zich steeds afvraagt met wat voor tekstsoort hij te maken heeft. De aarzeling denotatief ‒ connotatief loopt ergens parallel met de wetenschappelijke versus de literaire benadering van de wereld. Wetenschap en literatuur hebben andere uitdrukkingsmechanismen, hoewel ze beide als doel hebben de realiteit, het leven, te ontcijferen. Wetenschap valt die realiteit frontaal aan, zonder omwegen en streeft naar eenduidigheid. Haar uitdrukkingsmiddel is bij uitstek de denotatie. Literatuur maakt bochten, wacht af, schept afstand om de dingen te vatten door ze na te bootsen; kortom, om de wereld te begrijpen schept de literaire tekst een andere wereld. Proust beweerde dat grote meesterwerken allemaal in een soort vreemde taal zijn geschreven: ‘les beaux livres sont écrits dans une sorte de langue étrangère’.11 Stijl is bij grote meesters stijlbreuk, afwijking van het ‘normale’ taalgebruik. Dat betekent dat de literaire vertaler de verhouding tussen de individuele parole van het literaire discours enerzijds en het algemeen systeem of de langue van de brontaal anderzijds, zo zuiver mogelijk moet trachten te reproduceren in de doeltaal. In die verhouding zit een groot deel van de literaire kracht. Wanneer echter de parole zo dicht mogelijk bij het systeem probeert aan te leunen, verloopt de betekenisoverdracht lineair denotatief en benadert zo de wijze van het wetenschappelijke denken.

Misschien had de vertaler van het eerste deel van Du côté de chez Swann toch moeten letten op het feit dat in de aanhef van het woordje ‘tijd’ zat verborgen: ‘Longtemps je me suis couché de bonne heure’, en dat een paar duizenden bladzijden verder de Recherche niet toevallig op het woordje ‘temps’ eindigt. Intussen is de kleine Marcel schrijver geworden en heeft de lezer het werk in handen dat het hoofdpersonage op het punt staat te schrijven. De cirkel is rond. ‘Lange tijd ben ik vroeg naar bed gegaan’ ware dus misschien een betere vertaling geweest dan ‘Heel lang ben ik vroeg naar bed geweest.’12 Maar dan nog zou de Recherche niet definitief zijn vertaald, want niet definitief geïnterpreteerd. De definitieve interpretatie van de literatuur, en dus de definitieve vertaling zal er inderdaad pas komen wanneer wij ook het leven definitief kunnen vatten. Dit zal alleen gebeuren wanneer het leven zoals het er nu is, verdwijnt. Intussen kan de vertaler, net als de lezer, maar beter het voorbeeld volgen van de Oosterse boogschutter, die wanneer hij zijn pijl loslaat weet dat niet de roos zijn doelwit is, maar het universum.

 

Noten
1 Zie onder meer D. Seleskovitch & M. Lederer, Interpréter pour traduire. Paris: Didier Erudtion, 1984, 19933.
2 J.-R. Ladmiral, Traduire: théorèmes pour la traduction. Paris: Payot, 1979 (heruitgegeven bij Gallimard, 1994), p. 18–19.
3 Cf. Robert Larose, Théories contemporaines de la traduction. Québec: Université du Québec, 1989, p. 125: ‘La notion d’équivalence ne sous-entend pas le principe de l’identité, mais celui de la dissemblance.’
4 I. Prigogine & I. Stengers, La Nouvelle Alliance. Métamorphose de la science. Paris: Gallimard (‘Bibliothèque des sciences humaines’), 1979.
5 F. de Saussure, Cours de linguistique générale. Paris: Payot, 1980, p. 38–39.
6  I. Prigogine en I. Stengers, Orde uit chaos. Amsterdam: Bert Bakker, 1993, p. 309–310.
7 T. A. Van Dijk, Tekstwetenschap, een interdisciplinaire inleiding. Utrecht/Antwerpen: Spectrum, 1979, p. 13–14.
8. Georges Mounin, Les problèmes théoriques de la traduction. Paris: Gallimard (‘Bibliothèque des idées’), 1963. Zie hoofdstuk X (p. 144–163): ‘Lexique, connotations et traduction.’
9. Cf. J.-R. Ladmiral, p. 165–172: ‘Connotation et théorie de l’information’,
10. Zie onder meer haar La traduction aujourd’hui. Le modèle interprétatif. Paris: Hachette, 1994, p. 67–87.
11. Marcel Proust, Contre Sainte-Beuve. Paris: Gallimard (‘Bibliothèque de la Pléiade’), 1971, p. 305.
12. C.N. Lijsen is verantwoordelijk voor de Nederlandse versie van het openingstukje van de Recherche, nl. Combray. M.E. Veenis-Pieters vertaalde Een liefde van Swann. Thérèse Cornips zorgde nadien voor een eigenzinnige, heel mimetische vertaling van alle overige delen. Zij eindigt wel degelijk De tijd hervonden met het woordje ‘Tijd’, met hoofdletter, zoals in het origineel.

Lees meer over: