Waaier: Hath not a Jew eyes?    31-41

Ivanhoe en zijn vertalers en bewerkers

Jan Gielkens

Abstract: In de roman Ivanhoe spelen de joodse koopman Isaac of York en zijn knappe dochter Rebecca een nadrukkelijke rol, in tegenstelling tot in de speelfilm uit 1952. De behandeling van dit ‘joodse thema’ in diverse vertalingen uit de periode 1824–1984 vormde de aanleiding van deze Waaier.

 

Voordat Ivanhoe in de jaren vijftig een kostuumfilm was1 en in de jaren zestig een wekelijks televisieavontuur met een vooral zwaardvechtende Roger Moore, was het een lijvige en succesvolle historische roman uit 1819 van de Schotse advocaat Walter Scott (1771-1832).2

Niet alleen in het Engelse taalgebied werd Ivanhoe meteen veel gelezen. De vertalingen lieten niet lang op zich wachten. De eerste Nederlandse3 verscheen in 1824 en was van de hand van W.L.H. Köster Henke, die in de loop van de jaren twintig van de vorige eeuw een aantal boeken van Scott vertaalde. In 1833 verscheen van zijn Ivanhoe-vertaling een tweede druk. De oorspronkelijk uit Engeland afkomstige Mark Prager Lindo herzag de vertaling van Köster Henke in 1852. Ook deze versie beleefde enkele drukken. De eerste bewerkingen voor de jeugd verschenen, gemaakt door onbekende auteurs, in 1864 en 1877. In 1893 verschenen twee vertalingen: een herziening door Jan ten Brink van de Lindo-herziening en een nieuwe door Gerard Keller. Met deze twee edities (en vooral met de vaker herdrukte van Keller) moest de lezer het tot na de Tweede Wereldoorlog doen. In 1911 verscheen nog een (opnieuw anonieme) bewerking voor kinderen.

De eerste uitgebreide bewerking na de Tweede Wereldoorlog was die van P.J. Schepers in 1948. Het succes van de bioscoopfilm van 1952 zorgde voor een kleine hausse aan edities: Elka Schrijver en J. Leclée zorgden voor vertalingen/bewerkingen in het jaar dat de film uitkwam, een jaar later verscheen een uitvoerige bewerking van Catharina van Eijsden. Ook korte bewerkingen in jeugdboek- en stripvorm verschenen sinds de jaren vijftig met grote regelmaat: P. de Zeeuw J.Gzn. publiceerde een jeugdboek in 1954, dat tot 1978 werd herdrukt; een bewerking van Jan Maes uit 1955 had minder succes. Voor de serie Junior-jongensboeken, die werd uitgegeven in samenwerking met het Nationaal Hoofdkwartier van De Nederlandse Padvinders, maakte Ben Schmidgall een versie. De bewerking van P.J. Schepers uit 1948 werd in 1959 als pocket herdrukt en beleefde door de televisieserie met Roger Moore in 1962/1963 enkele drukken. Bewerkingen van Joop Termos (1963), Elisabeth Ciccione en J. Peels (1964), Henri van Hoorn (in twee verschillende, niet precies te dateren versies) en een anonieme auteur naar aanleiding van de televisieserie kenden ook enkele drukken. Van het succes van de televisieserie profiteerden daarnaast enkele stripverhalen. Aan de eerste Ivanhoe-strip, die al in 1957 in de serie ‘Illustrated Classics. Beroemde boeken in woord in beeld’ was verschenen, werden 1962/1963 zeker vijftien andere stripedities toegevoegd.

Wat meer serieuze edities betreft is de vertaling/bewerking van Margot Bakker uit 1961 te noemen, die in 1980 werd herdrukt. In 1976 verscheen een educatieve versie met historisch commentaar van de gemoderniseerde en ingekorte vertaling van Gerard Keiler uit 1893, in 1979 een uitgebreide bewerking van Marjan Hilverda (herdrukt in 1983). De laatste volledige vertaling is van de hand van Paul Schultink uit 1981. Het totale aantal uitgaven (alle drukken, varianten en dergelijke meegerekend) overschrijdt de honderd.

Het verhaal van Ivanhoe is door het cinematografische succes in grote lijnen bekend: de middeleeuwse kruisridder Wilfred of Ivanhoe keert terug naar Engeland, waar zijn Saksische bruid Rowena op hem wacht in het kasteel van zijn vader Cedric, die hem ooit verstootte. Ivanhoe raakt verstrikt in de machtsstrijd tussen de Saksers en de Normandiërs en tussen de eveneens naar Engeland terugkerende Richard Leeuwenhart en diens broer John, die valselijk de troon van Richard heeft overgenomen. Ivanhoe kiest natuurlijk voor Richard Leeuwenhart. Hij en Leeuwenhart krijgen financiële steun van de joodse koopman Isaac of York. Diens knappe dochter Rebecca wordt ontvoerd door de tegenstanders, waarna Ivanhoe zijn leven op het spel zet om haar van de brandstapel te redden. Er bloeit iets moois op tussen de twee, maar op het eind van het verhaal, als Ivanhoe Richard Leeuwenhart weer op de troon heeft geholpen, kiest hij toch voor Rowena.

In de genoemde speelfilm uit 1952 is de rol van Isaac en Rebecca op zijn hoogst een verhaallijn, maar in de oorspronkelijke roman is het een nadrukkelijk aanwezig en uitgewerkt thema.4 Vooral in de eerste hoofdstukken krijgt de houding van de diverse romanfiguren tegenover Isaac en Rebecca ruime aandacht. Saksers, Normandiërs, priester en Arabische slaven, allemaal laten ze hun jodenhaat blijken. De enige uitzondering is good guy Ivanhoe.

De hier gepresenteerde waaier is het resultaat van nieuwsgierigheid naar de behandeling van het joodse thema in Ivanhoe. Ik koos een scène uit het begin van het vijfde hoofdstuk, waarin diverse aspecten hiervan aan de orde komen.5

Oswald, returning, whispered into the ear of his master, ‘It is a Jew, who calls himself Isaac of York; is it fit I should marshal him into the hall?’
‘Let Gurth do thine office, Oswald,’ said Wamba with his usual effrontery: ‘the swineherd will be a fit usher to the few.’
‘St Mary,’ said the Abboi, crossing himself, ‘an unbelieving few, and admitted into this presence!’
‘A dog few,’ echoed the Templar, ‘to approach a defender of the Holy Sepulchre?’
‘By my faith,’ said Wamba, ‘it would seem the Templars love the Jeuis’ inheritance better than they do their company.’
‘Peace, my worthy guests,’ said Cedric; ‘my hospitality must not be bounded by your dislikes. If Heaven bare with the whole nation of stiff-necked unbelievers for more years ihan a layman can number, we may endure the presence of one few for a few hours. But I constrain no man to converse or to feed with him. Let him have a board and a morsel apart, ‒ unless,’ he said smiling, ‘these turban’d strangers will admit his society.’ ‘Sir Franklin,’ answered the Templar, ‘my Saracen slaves are true Moslems, and scorn as much as any Christian to hold intercourse with a few.’
‘Nota, in faith,’ said Wamba, ‘I cannot see that the worshippers of Mahound and Termagaunt have so greatly the advantage over the people once chosen of Heaven.’
‘He shall sit with thee, Wamba,’ said Cedric; ‘the fool and the knave will be well met.’

Ivanhoe (1819). Harmondsworth: Penguin, 1994, p. 49 

Oswald fluisterde bij zijne terugkomst zijnen Heer in het oor: ‘Het is een Jood, die zich Izaäk van Jork noemt; past het dat wij hem in de zaal brengen?’
‘Laat Gurth uw ambt verrigten, Oswald,’ zeide Wamba met zijn gewone stoutheid; ‘de zwijnenhoeder is een geschikt Ceremoniemeester voor den Jood.’
‘Heilige Maria,’ zeide de Abt, ‘een kruis makende, ‘zal een ongeloovige Jood in dit gezelschap toegelaten worden?’ ‘Een hond van een Jood,’ schreeuwde de Tempelier, ‘zal eenen verdediger van het heilige graf naderen!’
‘Op mijn woord,’ zeide Wamba, ‘mij dunkt de Tempeliers zijn meer op de erfenis der Joden dan op hun gezelschap gesteld.’
‘Vrede, mijne waardige gasten,’ zeide Cedric, ‘mijne gastvrijheid laat zich niet door uwe ontevredenheid binden. Zoo de hemel de geheele natie van stijfhoofdige ongeloovigen sedert meer jaren geduld heeft, dan een leek kan tellen, zoo kunnen wij de tegenwoordigheid van éénen Jood wel voor eenige uren verdragen. Maar ik dwing niemand om met hem te spreken of te eten. ‒ Geef hem ene tafel en eenen schotel alleen, ten zij,’ zeide hij glimlagchende, ‘deze getulbande vreemdelingen hem in hun gezelschap willen opnemen.
‘Sir Franklin,’ antwoordde de Tempelier, ‘mijne Saraceense slaven zijn ware Muzelmannen, en verachten even zeer als eenig Christen de gemeenschap met eenen Jood.’
‘Wel waarlijk,’ zeide Wamba, ‘ik begrijp niet, waarom de vereerders van Mahomed en Termogunt zoo vele voorregten hebben boven het eens door den Hemel uitverkoren volk.’
‘Hij zal bij u zitten, Wamba,’ zeide Cedric; ‘de nar en de schelm, passen goed bij elkander.’

W.L.H. Köster Henke (1824)

De hofmeester ging met den portier heen, maar keerde weldra terug en fluisterde Cedric toe: ‘Het is een jood, die zich Izaak van York noemt. Past het, dat ik hem in de hal breng?’
‘Laat Gurth uw ambt overnemen, Oswald,’ zei Wamba, voorbarig als altijd, ‘de zwijnenhoeder is juist een goede leidsman voor een jood.’
‘Heilige Maria!’ zei de abt, terwijl hij een kruis sloeg, ‘zal er een ongeloovige jood in ons gezelschap komen?’
‘Zal een hond van een jood een verdediger van het heilige land naderen?’ herhaalde de Tempelier.
‘Op mijn trouw,’ zei Wamba, ‘het schijnt, dat de Tempeliers meer houden van der joden goed dan van hun gezelschap.’
‘Zwijg, waarde gasten,’ zeide Cedric, ‘mijn gastvrijheid laat zich door uw misnoegen niet beperken. Wanneer de hemel meer jaren, dan een geleerde tellen kan, genadig was voor de geheele natie der hardnekkige ongeloovigen, dan kunnen ook wij wel eenige uren het bijzijn van een jood verdragen. Maar ik dwing niemand met hem te spreken of te eten. Laat hem alleen zitten en eten, of,’ ging hij lachend voort, ‘zouden hem de vreemdelingen met hun tulbanden misschien in hun gezelschap willen opnemen.’ ‘Vrijling,’ antwoordde Sir Brian, ‘mijn Sarraceensche slaven zijn echte muselmannen en mijden een jood evenzeer, als een christen hem mijdt.’
‘Nu, dan kan hij bij u zitten, Wamba,’ zeide Cedric, ‘de nar en de schurk passen goed bij elkander.’

bewerking voor de jeugd, anoniem (1877)

Na enige ogenblikken keerde hij terug en fluisterde zijn meester opgewonden enige woorden in het oor:
‘’t Is een Jood. Hij noemt zich Isaak van York. Moet ik hem in de zaal laten?’
‘Wamba, met zijn gewone vrijmoedigheid, bemoeide zich er mee. ‘Laat Gurth dat in jouw plaats opknappen!’ zei hij. ‘Een varkenshoeder is voornaam genoeg, om een Jood binnen te leiden.’
‘Heilige Maagd!’ riep de abt verschrikt uit. ‘Men zal toch geen ongelovige Jood in dit gezelschap toelaten?’
En de Tempelridder voegde er aan toe: ‘Zou zo’n hond van een Jood toegang durven vragen in een zaal, waar zich een Tempelridder bevindt?’
‘Inderdaad,’ merkte Wamba wederom op, ‘een Tempelier is weliswaar gesteld op Joodse goudstukken, doch niet op Joods gezelschap!
Cedric echter spoorde zijn gasten tot kalmte aan. ‘Ik mag mijn gastvrijheid niet laten beïnvloeden door uw gevoelens van antipathie. Doch ik dwing natuurlijk niemand, om met hem te praten of samen met hem aan te zitten. Hij moet maar een plaatsje apart aangewezen krijgen, om zijn hapje te eten!’

P.J. Schepers (1948)

Na enige ogenblikken keerde hij terug en fluisterde zijn meester opgewonden enige woorden in het oor:
‘’t Is een jood. Hij noemt zich Isaac van York. Moet ik hem in de zaal laten?’
‘Zou zo’n hond van een jood toegang durven vragen in een zaal waar zich een Tempelridder bevindt?’ riep deze uit.
‘Inderdaad,’ merkte Wamba op, ‘een Tempelier is weliswaar gesteld op joodse goudstukken, doch niet op joods gezelschap!’
Cedric spoorde zijn gasten tot kalmte aan. ‘Ik mag mijn gastvrijheid niet laten beïnvloeden door uw gevoelens van antipathie. Doch ik dwing natuurlijk niemand om met hem te praten of samen met hem aan te zitten. Hij moet maar een plaatsje apart aangewezen krijgen om zijn hapje te eten!’

P.J. Schepers (1948), pocketeditie 19622

Toen Oswald terugkwam, fluisterde hij Cedric in het oor: ‘’t Is een Jood, die zich Izaak van York noemt. Kan ik die hier in de zaal brengen?’
‘Heilige Maria!’ zei de abt, verschrikt een kruis makend. ‘Een ongelovige, die in ons gezelschap wordt toegelaten!’
‘In tegenwoordigheid van een strijder uit het Heilige Land,’ riep de Tempelier opgewonden.
‘Kalm aan, waarde heren,’ zei Cedric. ‘Mijn gastvrijheid mag niet lijden onder uw antipathieën. Als de hemel al zo onnoemelijk veel jaren hele naties ongelovigen geduld heeft, zullen wij ’t gezelschap van deze ene man heus wel kunnen dragen. Ik zal niemand dwingen, met hem te praten.’

Catharina van Eijsden (1953)

Oswald ging, om het bevel van zijn meester uit te voeren, en toen hij terugkwam fluisterde hij de Sakser in het oor: ‘’t Is een jood. Hij zegt dat hij Izaak van York heet. Kan ik hem in de zaal brengen?’
‘Heilige Maria!’ zei de prior. ‘Moet een ongelovige in ons gezelschap worden toegelaten?’
‘In de tegenwoordigheid van een strijder uit het Heilige Land!’ riep de tempelier uit.
‘Kalm wat, heren, mijn gastvrijheid laat zich niet binden door uw afkeer van sommige mensen,’ zei Cedric. ‘De jood is welkom. Laat hem binnen!’

P. de Zeeuw J.Gzn. (1954), vierde druk 1963

De maaltijd was nog in volle gang toen de deur van de eetzaal geopend werd.
De hofmeester kondigde met zachte stem aan: ‘De heer van York!’
Hij zei het niet luid.
Daar was een bepaalde reden voor. York was geen voornaam edelman.
Voornaam edelman?
Het tegendeel scheen waar te zijn. Hij zag er eerder uit als een bedelaar.
Met een handgebaar nodigde Cedric hem uit plaats te nemen. [...]
Het was hem aan te zien, dat hij zich in de kasteelzaal niet bijster op zijn gemak voelde. [...]
York had [...] een zekere bekendheid in het land. Men beweerde van hem, dat hij de grote heren geldsommen voorschoot. [...]
Er waren mensen, die ronduit verklaarden dat York een oude schavuit was, die zich verrijkte aan de ellende van zijn medemensen en in het geheim schatten opstapelde voor zijn dochter. [...]
Neen, men was het er algemeen over eens, dat York een onaangenaam man was, die hoge renten betalen liet voor de bedragen, welke hij uitleende en zijn winsten diep in het geheim opstapelde.
Er werd beweerd, dat hij plannen smeedde om eenmaal met zijn rijkdommen beladen het land te verlaten en zich in den vreemde te vestigen, waar de mensen hem minder vijandig gezind waren dan in Engeland. [...]
Een feit was het in elk geval, dat York door de edelen op hun kastelen geduld werd.
Dat was begrijpelijk. Zij moesten hem te vriend houden, want zij konden hem elke dag nodig hebben voor het verstrekken van een lening.
Cedric riep York toe:
‘Eet mee, man!’

Henri van Hoorn (ca. 1964)

De deur van de zaal werd geopend en de hofmeester kondigde aan: ‘De heer York!’
Een schamel geklede man met een bedeesde blik in zijn ogen trad binnen.
Hij was in het land bekend als een gierige geldschieter. Hij leende aan de adel grote sommen, maar hij hield zich steeds zeer arm.
Met een onverschillig gebaar wees Cédric hem een plaats aan [...].

Henri van Hoorn (z.j.)

Een page kwam binnen en kondigde aan dat een vreemdeling, Isaac van York genaamd, vroeg binnengelaten te worden.
‘Laat hem binnenkomen!’ antwoordde Cedric.

bewerking voor de jeugd, anoniem (ca. 1975)

‘Maar het is een jood, heer, hij zegt dat hij Isaäc van York heet,’ aarzelde de bediende.
De prior sloeg een kruis. ‘Een ongelovige jood,’ riep hij vol afkeer uit. ‘Die laat u toch zeker niet in uw woning binnen?’
‘Rotherwood staat open voor iedereen, zoals u al gemerkt hebt,’ antwoordde Cedric effen. ‘Laat hem binnen!’

Marjan Hilverda (1979), tweede druk 1983
 

Oswald keerde terug en fluisterde zijn meester in het oor: ‘Het is een jood, die zich Izaäk van York noemt; moet ik hem toch in de zaal laten?’
‘Laat Gurth dat klusje maar opknappen, Oswald,’ zei Wamba met zijn gewone overmoedigheid. ‘Een zwijnenhoeder is een geschiktere geleide voor een jood.’
‘Heilige Maria!’ riep de abt uit, terwijl hij een kruis sloeg, ‘wordt een ongelovige jood in dit gezelschap toegelaten?’
‘Zou zo’n hond van een jood een verdediger van het heilige graf mogen naderen?’ zei de tempelier.
‘Ik zweer u,’ sprak Wamba, ‘de tempeliers zijn meer op de erfenis van de joden dan op hun gezelschap gesteld.’
‘Wees toch kalm, waarde gasten,’ zei Cedric. ‘Mijn gastvrijheid mag zich van uw antipathieën niets aantrekken. De hemel heeft een gehele natie van stijfkoppige joden sedert meer jaren geduld dan een leek kan tellen, dus kunnen wij de aanwezigheid van één jood wel een paar uur verdragen. Maar ik dwing niemand met hem te spreken of te eten. Geef hem een tafel en een schotel voor zichzelf, tenzij,’ zei hij glimlachend, ‘deze getulbande vreemdelingen hem in hun gezelschap willen opnemen.’
‘Edele Sakser,’ antwoordde de tempelier, ‘mijn Saraceense slaven zijn oprechte mohammedanen en vinden de omgang met een jood even bezwaarlijk als een christen.’
‘Wel,’ zei Wamba, ‘ik begrijp niet waarom de vereerders van Mohammed en de duivel zoveel voorrechten zouden hebben boven het vroeger door de hemel uitverkoren volk.’ ‘Dan kan hij bij jou zitten, Wamba,’ riep Cedric uit, ‘de nar en de schurk passen goed bij elkaar.’

Paul Schultink, 1981

Terwijl de gasten zich tegoed deden aan het maal, kwam één van de bedienden melden dat een jood, een zekere Isaäc van York, aan de poort stond en om gastvrijheid vroeg.
‒ Laat hem binnen, beval Cedric, wie hij ook moge zijn. In een nacht als deze, met zoveel storm, zijn zelfs wilde dieren genoodzaakt bij hun ergste vijand, de mens, bescherming te zoeken. Alles is beter dan om te komen door de elementen.
‒ Laat Gurth maar in je plaats gaan, Oswald, zei Wamba met zijn gebruikelijke vrijmoedigheid. Een varkenshoeder is geschikter om een jood binnen te halen.
‒ Heilige Maria! riep de abt uit. Wordt er in dit gezelschap een ongelovige jood toegelaten?

bewerking voor de jeugd Attie Spitzers (1994)

 

Noten
1 Regie Richard Thorpe (1952) met Robert Taylor als luanhoe, Elisabeth Taylor als Rebecca en Joan Font aine als Rowena.
2 Dit artikel zou niet tot stand zijn gekomen zonder de omvangrijke Ivanhoe-verzameling van mijn zoon Jasper.
3 Over de eerste Nederlandse vertalingen van Walter Scott zie W. Drop, ‘De oudste Nederlandse vertalingen van Scott’s romans’, De nieuwe taalgids, 52 (1959), p. 213-217, en Polly den Tenter, ‘scottomanie in Nederland. De Nederlandse vertalingen van Walter Scott’s romans tussen 1824 en 1834’, De Negentiende Eeuw, 8 (1984), nr. 1, p. 3-15.
4 Over deze ‘joodse rode draad’ is ongetwijfeld het een en ander gepubliceerd. Ik heb er niet naar gezocht. Toevallig zag ik: Michael Ragussis, ‘Writing nationalist history. England, the conversion of the Jeuis, and loanhoe’, English Literary History, 60 (1993), nr. 1, p. 181-215. 5 Elk hoofdstuk van Ivanhoe wordt bij Sealt voorafgegaan door een citaat. In hoofdstuk vijf is dat citaat uit Shukespeare’s The Merchant of Venice: ‘Hath nota few eyes? Hath nota few hands, organs, dimensions, affections, passions? Fed with the same food, hurt with the same weapons, subject to the same diseases, healed by the same means, uiarmed and cooled by the same winter and summer, as a Christian is?’

Lees meer over: