Nominaties Filter Vertaalprijs 2026    

Erik Bindervoet voor Nachtwoud van Djuna Barnes (vertaald uit het Engels voor uitgeverij Orlando)

De modernistische klassieker Nachtwoud (1936) van de Amerikaanse Djuna Barnes (1892-1982) is vaak weggezet als volkomen onbegrijpelijk, omdat de roman zich aan de traditionele vertelconventies onttrekt. Daarbij zijn Barnes’ lange, kronkelende zinnen soms zo ongrijpbaar, dat de lezer niet anders kan dan zich overgeven aan de duisternis: op de tast het nachtwoud in. Ook menig vertaler heeft zich stukgebeten op het boek. Maar dit past bij het thema, ‘de Nacht, het Nachtleven, waarin alles aan onze dagelijkse controledrang ontsnapt,’ schrijft dichter en vertaler Erik Bindervoet in het nawoord van zijn indrukwekkende vertaling.

Nachtwoud speelt zich af in het interbellum in Parijs, Berlijn en Wenen. Barnes beschrijft een groep Amerikaanse en Europese verschoppelingen (circus-)artiesten en queers die zich onderdompelen in hun eigen excentrieke nachtelijke wereld vol drank, drugs, liefde en liefdesverdriet. Nachtwoud is een van de eerste romans waarin zo openhartig over homoseksualiteit wordt geschreven.

Zo lezen we over Nora Flood die tijdens een circusvoorstelling in New York kennismaakt met Robin Vote, gebaseerd op Barnes’ grote liefde Thelma Wood, en als een blok voor deze rusteloze, mysterieuze vrouw valt. Barnes schrijft:

Als in trance werd haar denken zo stilgezet dat Robin, door de uitwerking van haar angst, enorm en gepolariseerd leek, alle catastrofes kwamen op haar afgesneld, aangetrokken door het magnetische veld van haar penibele situatie; en Nora werd schreeuwend wakker en ging dan terug door de dromenvloed waarin ongerustheid haar geworpen had, waarbij ze het lichaam van Robin met zich meenam de diepte in, zoals de grondwezens met minutieuze volharding het lijk meenemen de aarde in en er op het gras een patroon van achterlaten, alsof zij dat bij hun afdaling hadden bestikt.

 – om maar eens een voorbeeld van zo’n typische Barnes-zin te geven. Dromen en waken, het bewuste en het onbewuste, verbeelding en werkelijkheid lopen in elkaar over. Taal en betekenis zijn fluïde bij Barnes. Soms zijn haar beelden en metaforen zo particulier en associatief dat ze moeilijk zijn na te volgen. Maar niet alle belevenissen laten zich even makkelijk navertellen. In zowel het nawoord als in een online toelichting gaat Bindervoet dieper op Barnes’ stilistische eigenaardigheden (en de daaruit voortvloeiende vertaalmoeilijkheden). Zo voert ze dezelfde woorden in meerdere betekenissen op en is er nog een spel met klank, ritme en particuliere of tijd- en cultuurgebonden associaties.

Bindervoet heeft Barnes’ duizelingwekkende, bedwelmende roman echter zo soepel vertaald dat de dwaler door het Nachtwoud meermaals terugkeert om zich nogmaals te laven aan de melodieuze, poëtische zinnen vol schitterende taalvondsten. De exuberante, vaak heel originele woordkeuze van Bindervoet en zijn (door vertaling geïnspireerde, vaak grappige) variatie op idiomatische uitdrukkingen maken het een buitengewoon knappe vertaling. Denk aan: 'Niemand kan een grotere waarheid vinden dan zijn nier vergunt'.

Het is kortom meer dan terecht dat Erik Bindervoet met zijn vertaling Nachtwoud genomineerd is voor de Filter Vertaalprijs.

 

 

 

Jan Willem Bos voor Theodoros van Mircea Cărtărescu (vertaald uit het Roemeens voor De Bezige Bij)

‘Een contrafactische fictionele mythische en archetypische geschiedenis,’ zo typeert de Roemeense schrijver Mircea Cărtărescu zijn roman Theodoros. Een alleszins bescheiden voorproefje van de zinnen die de lezer te wachten staan in de roman.

Theodoros lezen is een duizelingwekkende ervaring. Het is niet zozeer de plot: een half historisch, half verzonnen epos over een eenvoudige Roemeense jongen die het in de negentiende eeuw via een reeks plundertochten en wreedheden tot keizer Theodoros II van Ethiopië schopt en ten slotte zelfmoord pleegt wanneer hij omsingeld wordt door de Britse soldaten van koningin Victoria. Het is de eclectische en volstrekt unieke stijl die je als lezer meesleurt, alle hoeken van je verbeelding laat zien, de grond onder je voeten doet verdwijnen om je vervolgens precies op tijd weer even neer te zetten – maar nét lang genoeg om door te willen lezen en je opnieuw gewillig te laten optillen. Neem de eerste zin, waarin de zeven aartsengelen de hoofdpersoon streng toespreken en we en passant te weten komen hoe hij eruitziet:

Als jij met drie bloedbevlekte vingers een kruis slaat en jouw voorhoofd met bloed besmeurt, boven de wenkbrauwen (vanwaar een straaltje langs jouw donkere haakneus omlaagsijpelt tot op jouw aan de linkerkant met gouddraad vastgestrikte snor, waarna het op de malachiettegels van de koninklijke vesting neerdruppelt), en een smet achterlaat op de zoom van jouw tafzijden hemd, zo wit dat het goudkleurig lijkt, en nog eens twee vlekken maakt op de met opalen epauletten getooide schouders, eerst op de rechter, dan op de linker, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen – zal dat kruis van jou dan aanvaard worden?

En het is de taal: bloemrijk, archaïsch, beeldend, bloederig, sensueel, rauw én humoristisch, vol metaforen, opsommingen, zinnen van olympische lengte en woorden waarvan je niet wist dat ze bestonden. Waarvan ook de gemiddelde Roemeense lezer niet wist dat ze bestonden. 

Met elke zin die je leest groeit je bewondering voor de vertaler. Met zichtbaar plezier schotelt Jan Willem Bos de lezer archaïsmen, realia en obscure woorden voor die hij God mag weten waar moet hebben opgeduikeld. Dat je niet de weg kwijtraakt tussen de talloze zijsporen en je er tegelijkertijd door laat vervoeren is ook de verdienste van de vertaler. De tekst raakt en overtuigt. Jan Willem Bos heeft met de vertaling van deze hondsmoeilijke roman een bijzondere prestatie verricht.

 

 

Kees Mercks voor De lotgevallen van de brave soldaat Švejk tijdens de Wereldoorlog van Jaroslav Hašek (vertaald uit het Tsjechisch voor uitgeverijPegasus)

De lotgevallen van de brave soldaat Švejk tijdens de Wereldoorlog behoort zonder twijfel tot de canon van de wereldliteratuur. Met het volste recht staat deze roman in de eerbiedwaardige traditie van de schelmenroman, van Sancho Pansa, van Tijl Uilenspiegel, van de Simplicissimus, en de Taugenichts. Hašeks Švejk deelt met al die literaire cornuiten de eigenschap dat hij door zijn (al dan niet gespeelde) onbenulligheid het politiek-economisch- militair-religieuze bestel dwingt zijn eigen onbenulligheid ten toon te spreiden en zodoende op uiterst satirische wijze te ontmaskeren. De kern van de satire ligt daarin dat Švejk het systeem, dat hem voor dom en onbenullig houdt, in die opinie te bevestigt.

‘Kop houden, Švejk’, viel de opperluit hem met woedende stem in de rede, ‘ik lever u nog een keer uit aan de krijgsraad te velde. Ga eens bij uzelf na of u niet de alleroerstomste kerel ter wereld bent. Menigeen zou, al zou hij duizend jaar oud worden, niet zoveel stommiteiten begaan als u in een paar weken. Ik hoop dat u dat ook hebt opgemerkt?’
Melde gehorsamst, Herr Obrlajtnant, dat ik dat ook heb opgemerkt.

Die listige idiotie levert hem de vrijheid op om met zijn praatjes, zijn anekdotes, zijn gezwets de wereld om de tuin te leiden en diens eigen onbenulligheid en ook barbaarsheid  aan de kaak te stellen. Dat gebeurt in een ongemeen rijke tekst waarin de verteller de satirische ondertoon in elk woord laat doorklinken, een veeltalige tekst ook, waarin naast het Standaardtsjechisch verschillende volkse registers in de dialogen voorkomen, waarin het Duits als militaire voertaal een prominente rol speelt, maar ook als beambtentaal en taal van de maatschappelijke en militaire elite  geridiculiseerd wordt. Ook Russisch en Hongaars komen voor. Al die talen weerspiegelen de veeltaligheid en de spanningen in de eindtijd van het Habsburgse rijk.  Naast de vele grappige dialogen komen allerlei tekstsoorten voor, van soldatenliederen over ambtelijke brieven tot wetenschappelijke uiteenzettingen (bijv. waarom de Vlaamse gaai beter niet eikelkraker genoemd wordt).  Verwijzingen naar de wereldliteratuur, bijv. naar Xenofons Anabasis, Ovidius en Dante kruiden geregeld het satirisch karakter van de roman. Kees Mercks is er als vertaler in geslaagd om al die elementen in een satirisch meesterwerk van het Nederlands te verenigen; bijna duizend bladzijden lang heerst in elke zin dezelfde licht spottende toon zonder dat ook maar één wanklank voorkomt. Ten bewijze hiervan deze iconische scène waarin Švejk het failliet van het bestel illustreert door aan de eisen ervan te voldoen:

‘Een van onze koffers is gestolen,’ verweet de opperluit Švejk. ‘Dat is niet wat je zomaar zegt, lapzwans!’
Melde gehorsamst, Herr Obrlajtnant’, antwoordde Švejk zachtjes, die moet inderdaad vast gestolen zijn. Op een station hangen altijd veel van die oplichters rond en ik stel me zo voor dat een van hen ongetwijfeld een oogje op een van uw koffers had en dat die man ongetwijfeld ’t moment benut heeft dat ik effe van de bagage weg was gelopen om u te zeggen dat alles prima in orde was met onze bagage.’

 Deze vertaling verdient ten volle een nominatie voor de Filter Vertaalprijs 2026.  

 

 

Josephine Rijnaarts voor Nevermore van Cécile Wajsbrot (vertaald uit het Frans voor uitgeverij Oevers) 

Nevermore, de nieuwste roman van Cécile Wajsbrot, gaat over de onmogelijkheid van het vertalen – in dit geval het vertalen van het middelste gedeelte van To the Lighthouse van Virginia Woolf, ‘Time passes’. We volgen een naamloze vertaalster die in Dresden worstelt met Woolfs woorden – en rouwt om een overleden dierbare vriendin, mijmerend over de tijd die verstrijkt en over hoe plekken die door de mens zijn verlaten of verwoest – zoals Dresden, maar ook de zone rond Tsjernobyl en de High Line in New York – na verloop van tijd weer herstellen. Een complexe tekst, met veel verschillende stemmen en talloze verwijzingen naar muziek, literatuur en andere kunstvormen. En bespiegelingen over taal en vertalen, uiteraard:    

They had never come all these years; just sent het money. Ze waren al die jaren niet geweest; ze hadden haar alleen geld gestuurd. Just sent her money, vijf lettergrepen, in de vertaling zijn het er negen. En dan dat just. Alleen maar? Gewoon? Het blijft behelpen. Ze hadden zich ertoe bepekt haar geld te sturen, qua betekenis dichter bij het origineel, maar nog langer, veel te lang. Een andere werkwoordstijd? Stuurden har gewoon geld. Zes lettergrepen. Beter ritme.

Grote verdienste is dat Rijnaarts het in haar prachtige vertaling volkomen aannemelijk weet te maken dat we een roman lezen over een Franse vertaalster die in het Duitse Dresden een Engelse tekst vertaalt – in het Nederlands.  Rijnaarts heeft in haar vertaling het mijmerende, meanderende, muzikale van de zowel de Engelse als Franse tekst – een dubbelvertaling dus eigenlijk -  perfect weergegeven en de roman in soepel Nederlands vertaald zonder de tekst af te vlakken, en met behoud van de cadans, wat prachtige zinnen oplevert zoals:

De rivier in de verte, een grote, vloeibare, op de zee lijkende vlakte, de wind waait over de High Line en het wateroppervlak rimpelt, het maakt golven en denkt terug aan de passagiersschepen die het vroeger opnam.

Nevermore stelt dat je bij vertalen elke tekst afbreekt en weer opbouwt, er gaat iets verloren, maar er komt uiteindelijk iets anders voor in de plaats. En dat andere is in dit geval van zo’n hoog niveau, dat Rijnaarts een vanzelfspekende kandidaat is voor de Filter Vertaalprijs 2026.

 

 

Eugenie Schoolderman voor Razend van Ariana Harwicz (vertaald uit het Spaans voor uitgeverij Vleugels)

Razend gaat over Lisa, een vrouw die veroordeeld is voor partnergeweld. Ze heeft een gewelddadige, giftige relatie met haar man Armand. Na de veroordeling zorgt hij voor hun zoontjes, Jonay en Elías, een tweeling van vijf jaar. De moeder mag haar kinderen één keer per maand zien. In het begin van het verhaal zijn ze allen naamloos. De tweeling wordt aangeduid als J en E. De namen Lisa en Armand leren we kennen uit hun briefwisseling per telefoon.

Lisa is zo gefrustreerd dat ze haar kinderen niet meer bij zich heeft dat ze de controle over zichzelf verliest. Ze bespiedt de kinderen op school, in het zwembad en bij haar schoonouders. Verzeild in haar ‘mentale moeras’ steekt ze hun huis in brand en ontvoert de jongetjes uit de chaos van de vlammenzee. Ze neemt hen mee op reis langs de Franse snelwegen. Alles is deprimerend en overal loert gevaar. Iedereen is naar hen op zoek. Uiteindelijk voegt de vader zich bij het gezin en reizen ze samen verder.

Razend is een verontrustende innerlijke monoloog van een vrouw die geen greep meer heeft op de werkelijkheid. Ook de lezer kan razend worden van de bizarre, lugubere en pessimistische gedachten in haar hoofd.

In haar vertaling uit het Spaans zit Eugenie Schoolderman dicht op de huid van Lisa, een vrouw van wie je niet weet of ze mentaal ziek is en alles om zich heen verzint. De vertaling is even verontrustend, bizar, hallucinerend en beklemmend als Lisa’s bespiegelingen na de brand. Harwicz schrijft rauw, meedogenloos en associatief. Schoolderman weet die ontregelende cadans en nietsontziende beeldtaal overtuigend in het Nederlands overeind te houden.

De haan zal zo dadelijk wel kraaien, tenzij hij samen met de kippen en de eieren is verbrand. Een paar kippen pikken naar insecten, van de honger snuiven ze teveel en lopen daarna als zombies rond. De haan stort zijn zaad in de opening van de kont van de kip, bevrucht hij haar, dan krijg je nakomelingen, zo niet, gebakken eieren.

Met deze trefzekere vertaling brengt Eugenie Schoolderman de ontregelende kracht van Harwicz' proza volledig tot leven. Daarmee levert zij een uitzonderlijke prestatie die de nominatie voor de Filter Vertaalprijs 2026 ten volle verdient.