Vertaalopvattingen van classici    54-64

Nederland, 1912 en 1958

Ton Naaijkens

Abstract: Naaijkens blikt terug op enkele sleutelmomenten in de twintigste-eeuwse reflectie van classici over het vertalen van de oude talen: 1912 en 1958 fungeren daarbij als ijkpunten. Hij bespreekt onder meer de opvatting dat de antieke literaturen onvertaalbaar zouden zijn.

 

‘Klassieke’ vertaalopvattingen zijn bijzonder ten opzichte van algemene vertaalopvattingen, eerst en vooral omdat ze ouder zijn en teruggaan tot de oertijden van het vertalen. Veel algemene reflectie over vertalen is verbonden met reflectie over klassieke teksten, en veel reflectie over klassieke teksten staat in het teken van vertalen, ook omdat veel vertalingen hervertalingen zijn. Zo is er vaak een concurrerend (haast exegetisch) principe werkzaam en ontwikkelen de klassieke vertaalopvattingen zich als het ware op eigen houtje ‒ zonder zich te bekommeren om vertalen en vertalingen in andere talen. Het klassieke domein is een wereld op zich en wat er van vertalen gevonden wordt dringt niet altijd door tot de literaire buitenwereld. Het is zelfs zo dat veel klassieke vertaalopvattingen uitgesproken individuele normen zijn, want veel vertalingen komen tot stand op werkkamers waarvan geen uitgever weet heeft en bij voorbeeld ook zonder al te veel subsidiërende instanties. Daarnaast is het klassieke vertaalproces sterk verweven met het onderwijs in het Latijn en Grieks. Door de enorme vertaaltraditie wordt veel tijd gestopt in optimalisering, met name van de vorm, en over het algemeen is een vertaling van een klassieke brontekst geen willekeurige receptiebeslissing van commerciële of uitgeeftechnische aard. Men streeft er simpelweg naar de gehele Griekse en Latijnse literatuur te vertalen. Vertalen hoort tot de kerntaak van de classicus en hij bepaalt wat hij wil doen. Wat hij mag doen wordt eerder bepaald door zijn collega’s classici dan door de actueel geldende vertaalnormen in de betreffende tijd en cultuur.

IJkpunt 1912
Hoe het in Nederland in de twintigste eeuw stond met vertalingen van klassieken is niet eentweedrie te zeggen. Studies ontbreken, vandaar deze poging via twee ijkpunten. Die zijn niet willekeurig gekozen, want in de jaren 1912 en 1958 liepen de meningsverschillen het hoogst op.

Toen in 1912 Abram Rutgers’ vertaling van Plato’s Verdediging van Socrates verscheen, ontspon zich een ferm debat rond het ‘vertaalsysteem’ van klassieke werken. Het geïllustreerd maandblad van de Wereldbibliotheek De Ploeg (1908-1915) achtte het ‘ten eigen en algemeenen bate’ zinvol deskundigen lastig te vallen met het vraag hoe het komt dat de opvattingen over de eisen die men aan goede vertalingen van klassieke werken wil stellen, zo ontzaglijk verschillen: ‘De een meent blijkbaar dat het karakter van het oorspronkelijk zoveel mogelijk moet worden bewaard; voor den ander moet een dusdanige vertaling liefst zoo dicht mogelijk bij het moderne taalgevoel van gewone lezers worden gebracht. Weer anderen meenen, dat die vertalingen alleen geslaagd kunnen heeten die den modernen lezer een indruk geven van het oude Grieksch en Latijn.’

Een flink aantal classici reageerde op de ‘rondvraag’. In het scala van opvattingen is de eensluidendheid ver te zoeken, toch verschijnen op de achtergrond wel steeds dezelfde autoriteiten. Over het algemeen wordt plichtsgetrouw gereageerd, met uitzondering van een ietwat skeptische reactie waarin J. Vürtheim vertalen vergelijkt met het jagen op beren. Het jagen zelf is het ware, stelt hij, de bereiding van het berenvlees echter moet overgelaten worden aan koks: ‘Och, laat ze begaan, ieder op zijn manier. Het wordt toch het ware niet.’ Dit mag gezien worden als een vertaalvijandig statement. De beer is de brontekst, de koks zijn de aanprutsende vertalers die de beer, het ware, toch niet meer in oude staat kunnen herstellen. Onder classici is de neiging groot de dimensies van het origineel dermate op te blazen dat vertalingen daartegenover bij voorbaat verschrompelen. Het is een opvatting die nog steeds leeft overigens, maar nog weinig wordt gehoord. Ze staat in ieder geval haaks op wat hedentendage gezien wordt als belangrijke functies van het vertalen: ontsluiten, tot leven wekken, interpretatie doorgeven, vormgeven. Vürtheim is op dat moment de enige die zo negatief denkt. Veertig jaar later, naar zal blijken, zou hij van harte welkom worden geheten in een select en toonaangevend groepje classici.

Het is altijd moeilijk te stellen dat er in een bepaalde periode op een bepaalde manier gedacht werd, maar in de genoemde enquête komt wel een groot spectrum van leraren, schrijvers, vertalers en academische classici aan het woord. Ik schets de opvallendste meningen. Euripides-vertaler J. Berlage (1861-1939), op dat moment rector te Deventer, geeft het omvangrijkste antwoord en stelt onder meer dat het een groot verschil maakt ‘of proza dan wel poëzie wordt vertaald, en welk soort van proza of poëzie; of men zich lezers voorstelt die een klassieke opleiding hebben gehad, en dus min of meer met Latijn en Grieks vertrouwd zijn, of niet.’ Berlage is ook in andere opzichten genuanceerd en weet opvattingen te relativeren: ‘Er is in de opvatting van het vertalen in de verschillende tijden ook een groot verschil waar te nemen. In vroeger eeuwen en het begin van de vorige eeuw, schreef men in zijn vertalingen zeer goed Nederlands, maar behandelde inhoud en vorm v.h. oorspronkelik zeer vrij. De vertalingen van de laatste helft der vorige eeuw en nu nog door filologen gemaakt geven de inhoud zeer nauwkeurig weer, maar nemen door de overzetting in rederijkerspoëzie alle fleur van de vorm weg. En de vertalingen van de dichters na tachtig, die het oorspronkelik naar inhoud en vorm zo letterlik mogelik trachten weer te geven, behouden dus wel die fleur, maar vervallen in de fout van vaak zeer hortend en stijf, en niet zelden onverstaanbaar Nederlands te geven.’

Hiermee wordt blijk gegeven van vertaalhistorisch besef, en Berlage probeert er een belangrijke oppositie mee te suggereren die voor deze eerste twintigste-eeuwse periode van belang zou zijn: die tussen filologen en dichters. Hij geeft daarna een voorbeeld van een filoloog (Van Leeuwen) wiens angst voor het ongewone te groot is en een voorbeeld van een dichter die ook het gewone ongewoon maakt (Boutens) ‒ ‘De dichters van na ’80, doordrongen van de hoge waarde van den dichter in het algemeen, denken heiligschennis te begaan zo zij in de vertaling van een beeld ook maar iets van het letterlik afwijken.’ Maar als één ding duidelijk wordt uit de rondvraag dan is dat de classici-vertalers voornamelijk niet één mening hebben en dat de scheiding tussen filologen en dichters nauwelijks te trekken is. Ze komt hoogstens soms van pas om een pleit te beslechten. Berlage spitst zijn betoog vervolgens toe op een belangrijk, telkens terugkerend punt in de vertaaldiscussies van classici: de juiste vorm en de juiste versmaat. En hij kiest positie. Het streven om de oude maten steeds bijna letterlijk te willen volgen in het Nederlands acht hij ‘een volkomen misgreep’. Zijn argument is dat het ritme in de oude talen nu eenmaal geheel anders is dan in de nieuwe talen. Reden waarom hij ingaat op een voor hem belangrijke kwestie: hij zou willen dat men weer ‘als in veel vroeger jaren’ in het vertalen van de koorzangen ter onderscheiding het rijm gebruikte. Want rijm is volgens hem het aangewezen middel om de muziek op te roepen (in de vorm van keer en tegenkeer) die ten grondslag ligt aan dergelijke zangen. Berlages autoriteit is de vermaarde Duitse classicus Von Wilamowitz, die fel badinerend spreekt van ‘ekelhafte nachahmung nichtnutziger aüsserlichkeiten, das archaeologische zwitterwesen in verbindung mit stumpfsinnigen übersetzungen in den versmassen der urschrift.’ Dat Von Wilamowitz die walging voor ‘gestumperd Grieks’ vast denkt te stellen bij ‘jedem gesunden menschen’ wil Berlage nog wel relativeren, maar wat de dichtmaten betreft geeft hij hem gelijk.

Vertalen als liefdetaak
In de discussie spreekt zich ook Hein Boeken (1861-1933) uit, schrijver en vertaler van onder meer Apuleius, Pindarus en Plato: ‘Houd u zoo ver mogelijk van het “moderne taal-gevoel van gewone lezers”, want dit is een peil zóó laag dat gij, door daaronder te blijven, in een moeras versmoort. De antieke zin is een gebouw, opgetrokken naar eene bouwkunst, welke ook den dietschen zin kan beheerschen, ook als de onderdeelen volgens den onafwijsbaren eisch van het dietsch ietwat meer verbrokkeld mochten zijn.’ J.J. Hartman (1851-1924), hoogleraar te Leiden en vertaler van Plinius Minor, Plutarchus en Seneca, vindt daarentegen dat een Nederlandse vertaling van de klassieken in de eerste plaats in alle opzichten Nederlands moet zijn: ‘Een Hollandsche Plutarchus behoort in een geschrift, bestemd voor een goeden vriend en allerminst deftig van toon, te spreken van “een boterham met roggebrood en Leidsche kaas” en de goedhartige papa in Terentius’ Broeders late zich aldus uit over de bij hem aangebrachte baldadigheden van zijn zoontje: “heeft hij gevochten en een ander de kleeren van het lijf gescheurd? nu, de kleermaker moet ook leven. ”Het onderstreepte is de, in dit verband alleen passende, Hollandsche vertaling van resarcientur. Niemand wage zich aan een vertaling alvorens hij den te vertalen auteur in levenden lijve vóór zich heeft. En dan late hij hem zóó spreken als ware hij als Amsterdammer of Leidenaar uit zijn graf verrezen.’ De dichter Willem Kloos (1859-1938), vertaler van Sophocles’ Antigone en Euripides’ Alkestis, stuwt het vertalen wederom in verhevener richtingen ‒ ‘Wie het werk van een groot dichter uit de oude tijden over gaat brengen in zijne eigene taal, is een taak begonnen van onbaatzuchtige liefde en volslagene geestelijke toewijding, zooals maar niet vluchtigjes, in een reeks van verloren oogenblikken, door een letterkundigen leek, die beroepsmatig de oude taal kent, zou kunnen worden vervuld’ ‒ en probeert het vertalen juist te reserveren voor wie werkelijk dichterlijk gevoel heeft, voor het evenbeeld van de ‘waarlijk-groote dichter’ van het origineel.

Ook degene rond wie het debat zich ontspon, de vertaler van Platoons Verdediging Abram Rutgers, mengt zich in de discussie. Rutgers beroept zich op Wilamowitz en diens befaamde ‘den Buchstaben verachten und dem Geiste folgen, nicht Wörter noch Sätze übersetzen, sondern Gedanken und Gefühle aufnehmen und wiedergeben.’ De belangrijkste conclusie voor hem, die Wilamowitz blijkbaar met opzet ‘dichter-philoloog-professor’ noemt, is dat de oorspronkelijke versmaat niet de alles bepalende factor moet zijn. Rutgers heeft daarnaast ook een werelds oog voor de betaling van vertalingen (‘matigjes’), maar als een waar classicus ziet hij daarvan ook de goede kanten: ‘Vertalen zij voor alles een liefdetaak: een zich verrukkelijk verzinken laten in het bewonderend genotene, om het daarna ‒ in zorg en pijn! ‒ herboren te laten worden.’

Algemeen is het mijns inziens van belang op te merken dat de verschillen in vertaalopvatting vooral te maken hebben met de literaire periode, waarin grote stijlwisselingen plaatsvinden. Kloos heeft het over vertalen ‘op zijn nieuwer-eeuwsche manier’ en ook Berlage heeft een groot besef van eeuw- en stijlwisseling als hij verhelderend spreekt van ‘voor en na tachtig’. Het opvallendst is dat natuurlijk wanneer verschillende standpunten gelijktijdig aanwezig zijn: het vervreemdende bij de schrijver Boeken tegenover het extreem naturaliserende bij de filoloog Hartman enerzijds en wel of niet de oorspronkelijke vorm overnemen anderzijds. Typerend voor de dichters onder de classici, typerend ook voor een deel van de vertaalhistorische periode is genoemde Kloos. Hij legt de meeste nadruk op de grootheid van de dichter-vertaler, heeft het over de gewijde taal van het origineel en ageert daarmee vooral tegen de filologen als groep. De meeste vertalers zijn voor hem ook ‘gewone mensen’. Grote dichterlijke inspiratie (‘zijn Onbewustheid’ heet dat bij hem majesteitelijk) gaat gepaard met een buitensporig respect voor de oorspronkelijke auteur, verwoord als diens ‘heilig-tehoudene eer’. Bij Kloos is sprake van een ouderwets romantische auteurverering, en vrijwel niemand reikt aan de grootheid van de klassieken. Er is één uitzondering en dat is Shelley, die zich buiten de orde stelt, ook buiten het principe van hoogste respect voor de auteur, maar Shelley is dan ook ‘Genie’: ‘Alle regels dulden een uitzondering en zóó ook deze: Want de groote werelddichter Shelley heeft wel eens verzen uit het Grieksch vertaald met prachtige toevoegingen en wijzigingen van eigen hand. Maar om dat te kunnen en te mogen doen, moet men dan ook, zooals Hij, de evenknie dier Genieën van ’t Verleden en niet een gewoon mensch, gelijk de meeste vertalers zijn.’

De hele rondvraag mondt ten slotte uit in een soort samenspel tussen Rutgers en Berlage, die het op veel punten eens zijn en in De Ploeg, het huisorgaan van de Wereldbibliotheek de bij deze uitgeverij verschenen vertalingen en de daarbij gehanteerde vertaalopvattingen verdedigen. Ze doen een beroep op de traditie door van die traditie af te wijken, met name ten behoeve van de adequate inzet van de autochtone, niet allochtone versmaat. Daardoor lijkt het of met deze discussie nieuwe tijden aanbreken waarin de dichters het pleit allengs verliezen.

IJkpunt 1958
Blinde verering van het origineel is echter lang niet alleen aan de dichters voorbehouden. Midden jaren dertig schrijft Menno ter Braak in Het Vaderland een artikel ten faveure van vertalingen, en hij verwijt dan de filologen zich blind te staren op de onbespreekbare eigenheden van het origineel: ‘De classici hebben met name dit goed te maken, dat zij ons een onzinnige en hybridische afkeer van vertalingen hebben ingeblazen, die op niets anders berust dan een ongemotiveerde overschatting van het Griekse taaleigen.’ Van belang hierbij is dat Ter Braak een koppeling maakt met het onderwijs. Hij betoogt dat de lessen Grieks en Latijn vooral moeten voorbereiden op de latere lectuur van de klassieke schrijvers. ‘Een vertaling doet geen schade, wanneer men maar in de geest van de antieke cultuur is ingewijd.’ Dit punt ‒ tweeledig denk ik, omdat het zowel de gymnasiërende vertaalstijl van docenten klassieke talen betreft als het lezen van vertalingen in de klas ‒ zal pas echt actueel worden in de jaren vijftig.

Na de oorlog wordt het pleidooi voor vertaling namelijk met toegenomen kracht ter hand genomen (door mensen als Bolkenstein en Stellwag). Maar de weerstand overheerst. Rond 1955 stelt een hoogleraar in de klassieke talen simpelweg dat het er niet naar uitziet dat ‘deze stap, het invoeren van vertaling bij het onderwijs, binnenkort zal worden gedaan,’ met het argument dat Nederlandse classici in overgrote meerderheid principieel gekant zouden zijn tegen een dergelijk gebruik van vertalingen. ‘Echter, thans,’ zegt de hoogleraar, W.J. Verdenius, ‘bemoeien zich anderen dan classici ermee.’ Een van die ‘anderen dan classici’ laat in de Nieuwe Rotterdamse Courant van 10 oktober 1957 weten ‘dat de leerlingen, eenmaal goed bekend met de grondtaal wellicht met meer vrucht van begrip Plato bij voorbeeld zouden kunnen lezen en vooral verstaan in het gebruik van een goede Nederlandse vertaling dan zich het hoofd te breken op de taalkundige opgave.’ Het betreft hier let wel een uitspraak van de latere premier Cals, in die tijd minister van onderwijs. Blijkbaar kan dat goed bekend zijn met de grondtaal na twee of drie jaar onderwijs in het Grieks bereikt worden, werpen schamperende classici onmiddellijk tegen.

Het is in deze context dat men de bekende brochure uit het jaar 1958 moet zien, getiteld Is de Griekse litteratuur vertaalbaar? W.J. Verdenius schrijft de inleiding en een belangrijk essay daartoe. Met hem nemen vijf hoogleraren het woord. Verdenius maakt een historische schets waarin onderwijs en vertaling van de klassieken centraal staan en het doel van de brochure wordt beschreven: bijdragen aan de discussie over de klassieke opleiding door de rol van vertalingen daarin te bespreken. Verzameld worden allerlei argumenten tegen vertaling. Verdenius citeert Ter Braaks woorden uit de jaren dertig en vindt het in ieder geval ‘revolutionaire gedachten’. Maar hij legt er voor de duidelijkheid de nadruk op dat die gedachten ‘nauwelijks weerklank’ vonden en vindt het idee dat je teksten ook in goede vertaling kunt lezen vooral iets Amerikaans, iets slechts dus dat voortkomt uit de ‘geest van de tijd’. Afkeurenswaardig in zijn ogen zijn stellingen als ‘de bijbel lezen we ook in vertaling’, ‘je leert toch nooit goed Latijn en Grieks’, ‘in vertaling kun je de hele Homerus snel lezen’ en ‘het levert zeeën van tijd op voor andere vakken (een paar uur voor de natuurwetenschappen)’. Let wel, zijn waarschuwing is niet in het bijzonder tegen slechte vertalingen gericht, zoals je misschien zou denken, maar: tegen ‘de vertaling als zodanig’.

De argumenten zijn prachtig: ‘Te weinigen, zelfs te weinig classici, zijn voldoende doordrongen van het feit, dat de zogenaamde goede vertaling niet bestaat.’ En ‘ook in de beste vertalingen gaan essentiële dingen verloren,’ waarbij dan in een voetnoot terloops twee studenten worden genoemd die dat fijntjes uitgerekend hebben: ‘60% tot 90% van het origineel’. Je kunt door ‘een critische analyse van de vertaling je de specifieke waarden van het origineel bewust maken,’ geeft Verdenius nog wel toe, maar uit die woorden blijkt natuurlijk vooral dat vertalingen alleen gebruikt mogen worden om het heilige origineel te doorgronden. Vertaling staat voor hem met andere woorden hoogstens in dienst van de taalkundige analyse van het origineel en heeft verder geen letterkundige of cultuurhistorische waarde.

Belangrijk is vooral dat het gehele debat van 1958 een onderwijsdebat is. Vandaar dat Verdenius zich ook uitspreekt over zijn didactische idealen. Opleiding is er wat hem betreft ‘niet alleen voor schoonheidsbesef,’ maar vooral voor persoonlijkheidsvorming. Cruciaal is natuurlijk wie er dan ‘vormt’. Je zou zeggen dat vertalers de aangewezen personen zijn, ze zijn latere lezers immers voorgegaan op de weg, maar goede ‘vormers’ zijn voor Verdenius juist niet de vertalers: ‘De vorming van de persoonlijkheid komt niet tot stand door het luisteren naar tolken, maar slechts door directe confrontatie met persoonlijkheden.’ Waren vertalers voor Kloos al gewone mensen, nu ontbreekt het ze ook nog eens aan persoonlijkheid.

Distinctie, het grote geheim
Hoe word je als vertaler distinct, hoe word je een persoonlijkheid? In het vervolg van de intrigerende want zo massaal negatieve brochure bespreekt een aantal filologen vertalingen van klassieke auteurs (in feite alleen Griekse auteurs: Homerus, Sappho, Herodotus, Euripides, Plato). De rode draad door alle bijdragen is wat al in de inleiding tot axioma is gebombardeerd: dat vertalingen slechts een surrogaat zijn van het origineel en dat bijgevolg in het onderwijs alle aandacht moet uitgaan naar de taalkundige analyse. Dat is ‘de taalkundige opgave’ die onderwijsminister Cals wil overslaan. Om goed te doen uitkomen dat de vertalingen het niet halen bij de originelen worden daartoe juist de verondersteld beste vertalingen van bekende vertalers en met name dichters op de slachtbank gelegd. Er wordt door deze en gene weliswaar met respect gesproken over de vertaalprestatie, maar steeds vanuit een teleurgestelde, negatieve grondhouding.

Verdenius is overduidelijk in zijn bijdrage over Homerus: ‘Toch voelt ieder, die Ilias of Odyssee in het oorspronkelijk gelezen heeft, een schok van teleurstelling en meestal ook van ergernis, wanneer hij een vertaling van deze gedichten onder ogen krijgt. Nu zou men een ogenblik kunnen veronderstellen, dat deze schok alleen maar voortkomt uit een onbewust snobisme. Bij nadere beschouwing blijkt zulk een afkeer van de vertaling echter wel degelijk een objectieve ondergrond te hebben.’

De brochure wil in feite aantonen dat die objectieve ondergrond bestaat, dat die subjectieve gevoelens als afkeer, ergernis en teleurstelling gerechtvaardigd zijn en de schuldige onomstotelijk kan worden aangewezen. Veel voorkomend argument hiervoor is bij voorbeeld dit: ‘Deze ondergrond bestaat uit een algemeen erkende waarheid, (...) dat vorm en inhoud der poëzie niet te scheiden zijn.’ Dit is een interessant punt, want dat was nu juist het argument dat door de dichters van Tachtig en zeker door iemand als Kloos in zijn esthetica aangedragen werd om de grootheid van de artistieke productie te doen uitkomen. Kloos had het over de grote ‘Onbewustheid’, Verdenius noemt die eenheid van vorm en inhoud bij Homerus diens ‘grote geheim’ of ook wel ‘distinctie’. Dat is wat de originele auteur bezit en de vertalers (hij noemt hier Rieu) ten enenmale missen. De prozavertaling moet het met name ontgelden, maar ook de poëtische vertaling komt er niet goed van af. ‘De enige serieuze vertaling van poëzie is de metrische vertaling,’ stelt Verdenius, zich beroepend op een geschrift dat als theoretische basis fungeert in een aantal stukken uit deze brochure, A. Weijnens De kunst van het vertalen uit het jaar 1946. Maar voor de duidelijkheid: ook de metrische vertaling mist de distinctie, zelfs de ‘beste twee prestaties’ van de eeuw, die van Kuiper en Boutens. Beide hoeven zich echter niet te schamen, besluit Verdenius als troost, want zij hebben zich nu eenmaal een onmogelijke taak gesteld. Je zou verwachten dat de vraag uit de titel van de brochure ‒ Is de Griekse litteratuur vertaalbaar? ‒ het antwoord ‘ja zeker’ uitlokt, maar het tegendeel wordt bedoeld: natuurlijk niet, de Griekse literatuur is echt onvertaalbaar, immers ‘iedere poging om de eenheid van vorm en inhoud der poëzie te verbreken, is tot mislukking gedoemd.’

De ‘distinctie’ die Verdenius hier als onderscheidend kenmerk toekent aan de brontekst luidt in het geval van Homerische poëzie ‘het rhythme van de Griekse hexameter’. Waarmee we terug zijn bij af als we de geschiedenis als een lijn van vooruitgang willen zien. De standpunten van Von Wilamowitz en Berlage worden vergeten nu de belangen van de klassieke opleiding in het geding zijn. Het bontst maakt de latere professor A. Hoekstra het. Hij weet de volgende, sensationele zin op te schrijven: ‘Het feit alleen reeds, dat een dergelijke tragedie [van Euripides, tn] een stuk Griekse poëzie is, impliceert voor een vertaling al de essentiële tekortkomingen die in de andere artikelen worden gereleveerd.’ Hoekstra levert andere metaforen voor de eenheid van vorm en inhoud: ‘het eigen-aardige leven van het origineel’, noemt hij het, niet het skelet maar’ de organen, het weefsel, de bloedsomloop’, dat noodzakelijkerwijs vervalt.

Een fraaie variatie op het grote geheim is zijn omschrijving ervan als ‘de mysterieuze kern’, die niet te analyseren of te beschrijven is (‘Analyseren en beschrijven immers laat zich alleen de peripherie van het kunstwerk, niet de mysterieuze kern’). Een uiterst radicaal standpunt wordt daarmee ingenomen, want zo worden ook andere secundaire activiteiten meegesleurd naar de grauwe diepte van de vertaling. Elke analyse, een taalkundige of grammaticale, elke didactische beschrijving of letterkundige interpretatie is uiteindelijk niet toereikend om de’ objectieve ondergrond’ te bereiken. Het is een argument waarmee de argumentatie van deze groep classici zich in de eigen staart bijt want ze ondergraaft elke uitspraak over klassieken überhaupt, zelfs van de brochureschrijvers zelf. Die zakken ermee door hun eigen ondergrond.

Bij Hoekstra moeten de grootste dichters het natuurlijk ontgelden. Hij pakt een vertaling van Nijhoff bij de horens (Euripides’ Iphigeneia in Tauris) en volkomen in overeenstemming met zijn sensationele openingsstatement stelt hij nu dat de ‘klankvorm’ van Nijhoffs verzen volkomen verschilt van het origineel. Hoe sterk dit staaltje is blijkt uit Hoekstra’s bewering dat de vertaling ‘niets met de oorspronkelijke poëzie gemeen’ heeft ‒ om in zijn beelden te blijven: niet eens het skelet. Zijn betoog is blasfemisch ten opzichte van zowel alle Nederlandse dichters als alle vertalers, dichter of niet: ‘Voor de lezer, die het origineel niet kent is de meest letterlijke weergave wellicht nog de minst misleidende. Zij is tevens een kakophonie.’

Als Hoekstra het het bontst maakt zijn er uiteraard ook genuanceerder stemmen te horen. De mildste in de brochure is die van de graecus J.C. Kamerbeek, die weliswaar stelt dat het gedicht slechts begrepen kan worden ‘in zijn onveranderlijke, onherleidbare eenheid van klank, rhythme en zin’ en dat de vertaling het origineel niet kan vervangen, maar toch uiteindelijk zijn ‘Shelley’ vindt. Kamerbeek bespreekt een vertaling van een auteur die in zijn ogen ‘niet de mindere is van vele klassieken’ ‒ Leopold namelijk, van wie hij een fragment citeert uit diens vertaling van Oedipus Tyrannus (van Sophocles):

O jammerlijke menschgeslachten
hoe is de som van Uw bestaan
...........................en een vergaan
en evenveel als niets te achten.
Want wie, wie mag van het geluk
meer dan een vleug van ’t oogenblik
erlangen als zijn eigen?
Het is een kortgeboren schijn
een nauwelijks verschenen zijn
en een ten einde neigen. 

Kamerbeek probeert zich te redden uit het lastige parket waarin zijn mede-classici van dat moment hem hebben gemanoeuvreerd. Want het belangrijkste brontekstkenmerk, de ‘distinctie’, de enige luchting van het ‘grote geheim’, het metrum namelijk, verandert bij Leopold nu juist volstrekt. De Griekse regels veranderen van ritme (het worden jambische viervoeters) en de auteur-vertaler betoont allerminst respect voor de rest van de ondergrond: hij ‘doorgloeit zijn weergave van eigen bewogenheid’. De regels vertonen ‘geheel de gang en de uitdrukkingswijze’ van diens “oorspronkelijke” poëzie’. De oplossing van Kamerbeek ligt voor de hand. Hij koppelt de vertaling los van het origineel en ziet haar minder als weergave van de brontekst en meer als een zelfstandige tekst, als origineel: ‘Het is Leopold die hier spreekt naar aanleiding van Sophocles, maar niet Sophocles zelf, ook al blijkt hij nog zo diep, voor wie goed oplet, in de interpretatie van deze passage te zijn doorgedrongen.’

Daarmee ‒ door de vertaling de status van een origineel toe te kennen ‒ blijkt Kamerbeek anders dan Verdenius en Hoekstra paradoxaal genoeg in staat te zijn de vertalingen, die de originelen niet kunnen vervangen, te zien als ‘verrijkingen van onze Nederlandse poëzie’.

Leopold moet daartoe tot ‘evenknie der genieën’ worden gebombardeerd. Voor zo’n genie is metrische aanpassing vervolgens geen zonde. Daarmee is het enige positieve moment in de brochure genoemd. De beste vertaling kan nooit meer zijn dan een gebrekkig surrogaat, zegt het groepje hoogleraren, klassieke teksten worden daarmee onvertaalbaar. Je moet wel de klassieken lezen natuurlijk, maar niet aan vertalen doen. Van belang is louter en alleen het ‘taalkundig hoofdbreken’. Een reactie blijft uiteraard niet uit, zowel onderwijshistorisch als vertaalhistorisch. Wat dat laatste betreft hebben we juist aan deze schokkende brochure het prachtige stuk van Dresden en Uhlenbeck te danken dat ‘De noodzaak van het vertalen’ heet en nog steeds beschouwd kan worden als een baanbrekend betoog.

Een nieuwe ‘Antikenwelle’
Veertig jaar later is alles weer anders. De discussie heeft in ieder geval gevolgen gehad voor het onderwijs. Het belangrijkste is dat de filologen aan het eind van de twintigste eeuw bekeerd zijn en proberen de distinctie nu waar te maken in zo prachtig mogelijke vertalingen. Nog altijd is iets van de discussie over gymnasiaal of ongymnasiaal vertalen overeind gebleven, maar in feite is het debat losgekoppeld van het onderwijs. Een mogelijke factor is misschien dat in toneelvertalingen van klassieke werken door de ontwikkeling van het toneel zelf de vrijheid van bewerking bevochten is. De roep om persoonlijkheden (genieën of evenknieën daarvan) wordt nauwelijks nog gehoord, misschien omdat schrijvers of dichters zich afzijdig houden van het debat en sowieso hun gang gaan (Hugo Claus). Al kun je ook zeggen dat je juist door een tegendraadse vertaling af te leveren volop meedoet aan het debat. De vertalers zelf hebben zelfbewustzijn genoeg gekregen en leveren de ene na de andere fraaie vertaling af. Wat onder classici nog steeds hevig woedt is de metrische discussie, die opnieuw voornamelijk in eigen kring wordt gevoerd. We beleven weer een’ Antikenwelle’, een heuse vertaalhausse, waardoor de jaren negentig het decennium van de emancipatie van de vertaling genoemd is. Vertalingen van klassieken spelen in die emancipatie een cruciale rol, en in die zin is het klassieke circuit gelukkig opengebroken en verruimd.

 

Bibliografie
Dresden, S. en E.M. Uhlenbeck, 1958. ‘De noodzaak van het vertalen’, in: T. Naaijkens, Vertalers als erflaters. Staalkaart van een eeuw vertalen. Bussum: Coutinho 1996, p. 181–194. 

De Ploeg, geïllustreerd maandblad van de Wereldbibliotheek. 1911–1912. Jaargang 4.

Verdenius, W.J. e.a. 1958, Is de Griekse litteratuur vertaalbaar? Zwolle: N.V. Uitgeversmaatschappij W.E.J. Tjeenk Willink.

Lees meer over: