Foucaults Archéologie du savoir in het Nederlands     108-121

Henri Bloemen

Sommige filosofische werken, zeker niet de minste, bevatten passages, soms lange passages, waarin je als lezer helemaal de draad kwijtraakt, waar je gewoon niet meer weet waarover het eigenlijk gaat. Dat overkwam me bijvoorbeeld bij de lectuur van Hegels Phänomenologie des Geistes, en die verlorenheid bevestigde naast mijn al te zichtbare tekortkoming in de omgang met zulke teksten toch ook de legende die over Hegels colleges sinds begin achttiende eeuw gecolporteerd wordt: dat niet de man daar voor aan het katheder aan het woord was, maar dat uit hem de geest zelf sprak. En dat was blijkbaar geen persklaar discours, maar ten dele een gestotter, gehakkel en gezucht, afgewisseld met heldere passages die vervolgens weer een duik in de duisternis van het onverstaanbare namen, misschien wel zoals het een filosofie betaamt die het van ‘Widerspruch’ en ‘Entzweiung’ moet hebben (ook al eindigde ze dan wel in de zelfverwerkelijking van diezelfde geest). Het moet voor zijn toehoorders een fascinerend schouwspel geweest zijn, want ze kwamen en bleven met velen.

Lees verder in de papieren Filter