Onder literair vertalers uit het Roemeens, een hechte gemeenschap uit verschillende windstreken, bestaat de terugkerende grap dat er voor elke doeltaal minstens twee collega’s in de startblokken moeten staan: één voor de romans van Mircea Cărtărescu en één voor alle andere boeken. Cărtărescu’s romans staan bekend als groots, waanzinnig en hondsmoeilijk. De schrijver bedient zich van elk denkbaar register en pent hersenkronkels neer die gewone stervelingen zoals jij en ik niet voor mogelijk zouden houden, en waar in Theodoros niemand minder dan de Heer zelve zijn vingers bij aflikt: ‘[Hij] gniffelde terwijl Hij het boek van jouw leven las, blad na blad omslaand met een vinger die Hij geregeld in Zijn mond bevochtigde […] Soms stokte de lectuur even, wanneer Hij struikelde over een hoogdravend woord.’