Zeven jaar deed Samanta Schweblin over de zes verhalen van Het goede kwaad. Wie vertrouwd is met het werk van deze in Berlijn wonende Argentijnse schrijfster, weet waarom. Ze is een meester van de korte baan − dat bewijzen eerdere verhalen uit Zeven lege huizen en Mond vol vogels, of de magistrale novelle Gif. Tot dit heldere proza van een chirurgische precisie komen, kost tijd en eindeloos schaafwerk. De eenvoud is bedrieglijk: eronder zit een intrigerende complexiteit.
Ga er maar aan staan: op twee pagina’s een zelfgewilde verdrinkingspoging van een vrouw oproepen zodat je als lezer het ijskoude water onder je huid voelt kruipen. De openingszinnen van ‘Welkom bij de club’ trekken je meteen het verhaal binnen:
Ik spring vanaf het uiteinde van de steiger in het water en zink, terwijl ik mijn neus dichtknijp. Na de plons doe ik mijn ogen open en laat ik me rustig verder vallen, langzamer nu, en kijk ik naar de nieuwe tinten om me heen, donkerder, glinsterender. Ik zak dieper, ik houd nog steeds mijn adem in. (9)
Schweblin vertalen is allerminst een sinecure: ze zegt vaak net niet wat er gebeurt, waardoor één verkeerd gekozen nuance de onderkoelde spanning teniet kan doen. Het onbehagen ontstaat door het hanteren van idiomatische, haast neutrale taal, door de korte zinnen doorspekt met abrupte stiltes, het creëren van een strak ritme en de feilloze dosering van informatie. Eugenie Schoolderman, die onder meer het volledige oeuvre van Rafael Chirbes heeft vertaald en eerder werk van Schweblin (de roman Duizend ogen), heeft dat haarfijn begrepen.